De boekbespreking als politiek wapen

Een analyse van Absillis ‘vernietigende’ recensie van N-VA – Analyse van een politiek ideologie

 

Interessant. Een dikke 3 jaar na de publicatie van mijn doctoraat verschijnt een bespreking ervan in Wetenschappelijke Tijdingen van de hand van Absillis. Het wordt heel snel opgepikt door Het Pallieterke, De Bron en enkele andere obscure (extreem)-rechtse en Vlaamse nationalistische media. Eindelijk, na drie lange jaren wachten, de zo noodzakelijke vernietigende bespreking. Het was wachten totdat het zou opduiken in de mainstream media. Vrijdag was het zover. De Morgen interviewde Bruno De Wever en bracht de ‘vernietigende recensie’ ter sprake. Van de marge naar de mainstream.

 

3dedrukNVA-AnalyseVanEenPolitiekeIdeologie

De bespreking

Volgens Bruno De Wever bewijst de recensie dat ik  (1) methodologische fouten heb gemaakt en  (2) dat het boek een foute cover heeft.  De eigenlijke bespreking verwijt me  voornamelijk een discours analist te zijn en in het bijzonder een leerling te zijn van Jan Blommaert en Jef Verschueren. Meer dan de helft van die recensie gaat dan ook over de invloed van een studie van Blommaert en Verschueren gepubliceerd in de jaren 90.

De bespreking tracht een soort discours-analyse toe te passen op mijn doctoraat. Het is interessant te zien hoeveel gewicht toegekend wordt aan de cover-foto. Zowel Bruno De Wever als Kevin Absillis suggereren dat EPO de afbeelding bewust voorzien heeft van een (schaduwsnorretje) zodat  De Wever op Hitler zou gelijken. Wat men lijkt te missen, is dat dit een originele Belga persfoto is van N-VA op hun propaganda tournee. De schaduw onder de neus is een normale schaduw van de neus, en is dus niet het gevolg van de A in de titel. Het is er al helemaal niet opgezet door de grafisch ontwerper, maar is deel van het origineel.

cover en orgineel

Heel interessant is ook hoe Bruno De Wever dit reproduceert in het interview met De Morgen:

“Neem alleen nog maar de cover van dat boek van Maly: N-VA. Analyse van een politieke ideologie. Absillis toont duidelijk aan hoe men door de plaatsing van de titel waarschijnlijk heel bewust een hitlersnorretje op de foto van mijn broer wil suggereren.” (De Morgen, 2016)

De hedge ‘waarschijnlijk’ raakt ondergesneeuwd onder de hyperbolen: ‘toont duidelijk’, ‘heel bewust’.  Bruno De Wever steunt volledig op de bespreking van Absillis en toont daarbij vooral aan dat hij geen discoursanalist is. De claim van De Wever in het interview, zich baserend op de recensie van Absillis is een methodologische fout. Een fundament van een discoursanalyse is dat je meerdere data moet hebben ter ondersteuning van je claims. Meer nog, je analyse van het hele corpus, moet ook terug te vinden zijn in één tekst (staat netjes vermeld in het methodologisch hoofdstuk van mijn doctoraat). In dit geval zou Absillis op zijn minst een interview of zo moeten kunnen opdiepen waarin ik zou stellen dat de N-VA fascistisch zou zijn. Ik daag hem uit om dat te doen. Dergelijke data bestaat niet. Mocht Absillis zijn huiswerk goed gedaan hebben, dan zou hij zien dat ik in het boek, in alle interviews , debatten en artikelen altijd expliciet heb gezegd dat N-VA en De Wever volgens mij niet fascistisch zijn. Wat me trouwens niet altijd in dank is afgenomen. Hun analyse van de cover wordt tegengesproken door alle andere data die ik heb geproduceerd.

De ‘analyse’ van de recensent vertelt ons veel  meer over de methodologie van de recensent en zijn doeleinden, dan over mijn of EPO’s intenties. Deze opener van de bespreking zet de toon. De introductie is de eerste indicatie dat Absillis zelf een intentieproces opzet; nota bene iets dat hij mij verwijt. In de 39-pagina’s lange recensie produceert Absillis één argument: Het onderzoek van Maly had van meteen af aan de intentie om De Wever en zijn N-VA te beschadigen.

Nu zijn intenties  in wezen irrelevant in de beoordeling van wetenschappelijk onderzoek. Men kan perfect de intentie hebben om arbeiders aan de band efficiënter in te zetten (of in links jargon: te onderdrukken en uit te persen) en daarover een stevig wetenschappelijk doctoraat schrijven. De intentie en de ideologie van de onderzoeker zijn niet relevant in de beoordeling van een wetenschappelijk werk. Einsteins relativiteitstheorie is niets minder waard omdat hij een communist is. Maar, als men dan toch mijn intentie wil weten dan kan men die krijgen: het doctoraat is er gekomen om ‘inzicht’ te verwerven in het discours en het succes van N-VA. Hoe kan De Wever het constructivisme rijmen met nationalisme? Nationalisme met verlichting. Hoe kan het dat De Wever ook bij linksen als een toffe pee wordt beschouwd. In mijn eerste publicaties over het thema, dus lang voor de publicatie van mijn doctoraat was mijn analyse ook gematigder. In Het rijpen van de Geesten bijvoorbeeld, werd enkel het uitsluitend karakter van het N-VA nationalisme aangehaald en haar neoliberale economische politiek. Niet dat dit alles ter zake doet, een wetenschappelijk onderzoek beoordeelt men op zijn wetenschappelijke merites niet op de intentie of politieke voorkeur van de onderzoeker.

 

De recensent en zijn politieke strijd

Laat we de bewijzen à charge ten gronde bekijken. Volgens Bruno De Wever zouden er grote problemen zijn met de methodologie van het onderzoek. Misschien interessant om aan te stippen in deze context dat het onderzoek een discoursanalyse is. Ik ben een cultuurwetenschapper en discoursanalist en werk vanuit een etnografisch paradigma. Noch Bruno De Wever (historicus), noch Kevin Absillis (docent Nederlandse letterkunde) zijn etnografen of discours analisten. Benieuwd welke methodologische problemen zij ontdekken in mijn benadering van het etnografisch paradigma.

De claim van De Wever wordt nog vreemder als we de recensie erbij nemen. Absillis schrijft welgeteld 5 lijnen over de methodologie en die zijn louter beschrijvend. Die vijf lijnen worden afgesloten met de volgende zin: ‘Essentiëler voor deze studie is echter het begrippenpaar verlichting en antiverlichting’. Volgens Absillis is er dus niet zozeer een probleem met de methode maar met het begrippenpaar verlichting en antiverlichting. Concreter, het grote probleem is volgens Absillis het gebruik van welbepaalde wetenschappers over de verlichting en antiverlichting. Dit zal een terugkerend motief worden in de bespreking, ik kom daar straks op terug.

Vooral het gebruik van Sternhell’s werk over de antiverlichting moet het ontgelden. Dat ik evengoed gebruik maak van Israel, Blom, Foucault en Hobsbawm in mijn benadering moet even wijken voor de duidelijkheid van zijn argument. Dat ik de originele geschriften van radicale verlichtingdenkers als  Paine en Condorcet gebruik naast de literatuur die gematigde verlichtingsdenkers als Jefferson, Locke, Rousseau en Kant achtergelaten hebben, wordt niet opgemerkt. Dat ik mij baseer op literatuur van conservatieve en antiverlichtingsdenkers als Herder, Renan, De Maistre, Taine en Burke en vele anderen ontgaat hem blijkbaar ook. Het punt is, ik gebruik ‘de foute literatuur’ – lees ik citeer Sternhell – aldus Absillis. Israel, Hobsbawm en Sternhell, het zijn niet meteen lichtgewichten in de academische wereld.

Het ontgaat hem ook dat ik geen enkele van die auteurs klakkeloos volg in hun categoriseringen. Volgens Israel is Herder een radicale verlichtingsfilosoof. Ik volg hem daar niet, je moet er nog maar ‘Another Philosophy’ bijnemen van Herder om te weten dat hij heel duidelijk probeert een filosofie te ontwikkelen die lijnrecht ingaat tegen het denken van de radicale Franse filosofen. Dat ik die categoriseringen niet volledig volg, betekent echter niet dat je de impact van die radicale verlichting kan afwijzen of het ontstaan van de antiverlichting ontkennen. Dat er wel degelijk een ideologische strijd was binnen en tegen de (radicale) verlichting en dat die ideeënstrijd niet alleen relevant is om de dialectiek van het verleden te begrijpen, maar ook van het heden, lijkt mij onomstreden. Dat ik de verlichting niet zozeer bekijk in haar historische realiteitspolitiek, maar vanuit het perspectief van de ideeën van grote denkers ontgaat hem ook. Dat ik een onderscheid maak tussen de gematigde (en onverdedigbare) verlichting en de radicale verlichtingsdenkers ontgaat hem. Dat ik een onderscheid maak tussen counter-enlightenment (dat vaak samenvalt met denkers die Israel als gematigde verlichting omschrijft) en antiverlichting ook. Antiverlichting en counter-enlightenment zijn trouwens niet inwisselbaar. De Counter-enlightenment wil terug naar het ancien régime, de antiverlichting wil een andere moderniteit dan de (radicale) verlichtingsdenkers.

Zijn suggestie op het einde van zijn bespreking, dat ik ‘de Verlichting’ in zijn geheel verdedigen is nogal onzinnig (lees mijn inleiding voor de Gentse Feesten debatten hierover), want dan zou ik met Kant ook verlichte despoten moeten verdedigen. Er zijn nogal wat schrijfsels van mij te vinden waarin ik dat expliciet ontken. Ik voel me dan ook niet aangesproken, als hij mij als een verdediger van het kolonialisme en imperialisme wil neerzetten. Ik zie niet in waarom ik niet kan stellen dat de radicale verlichtingsdenkers ons de ideeën van democratie, mensenrechten en sociale zekerheid geschonken hebben, en tegelijkertijd de historische periode die gekend staat als de verlichting sterk kan bekritiseren. Dat is iets wat Paine al deed in de 18de eeuw.

Belangrijker in het licht van de bespreking, is dat ik in mijn doctoraat niet de verdediging van de verlichting op mij neem, maar net de claims van De Wever en zijn N-VA op de verlichting analyseer. Absillis kan moeilijk het onderscheid maken tussen analyse en verdediging.  Het zijn De Wever‘s uitspraken – het zijn de data- die het noodzakelijk maken om die geschiedenis in mijn analyse te betrekken. Het zou van mij een slechte discoursanalist en cultuurwetenschapper maken als ik die niet  betrek in die analyse. Intertekstualiteit (impliciete en expliciete) is van cruciaal belang binnen elk politiek discours: alle woorden en discoursen hebben een geschiedenis van gebruik. Zeker als men die geschiedenis expliciet oproept, zoals De Wever die zich positioneert als in lijn met de verlichting en een volgeling van Burke, dan is het de job van de discoursanalist om dit te onderzoeken. In die zin heb ik veel te danken aan De Wever, het is dankzij hem dat ik al die primaire bronnen heb mogen lezen. En dat was een heel leerrijke en plezierige trip.

 

De foute vragen

Absillis geeft eigenlijk nergens kritiek ten gronde op de analyse en de methodologie. Wat Absillis stoort – naast de conclusie dat N-VA een anti-verlichtingsideologie uitdraagt –  is dat ik (1) allerhande vragen die hij interessant vindt, niet heb beantwoord en (2) niet de literatuur gebruik die hij vindt dat ik moet gebruiken. Zo wordt me verweten dat ik geen studie gemaakt heb van de impact van Herder en Burke op het Vlaams nationalisme. Blijkbaar had ik dus eerst hierover een doctoraat moeten schrijven, vooraleer ik iets mag zeggen over Herderiaans nationalisme binnen het Vlaams nationalisme. Bovendien haast Absillis zich, na zich verschillende alinea’s te hebben uitgesloofd om de impact van Herder op het Vlaams nationalisme in vraag te stellen, met de stelling dat Herder wellicht wel een grote impact heeft gehad op het Vlaams nationalisme. Geen enkele inhoudelijke tegenwerping op mijn vaststellingen dus, integendeel.

Hetzelfde met Burke. Absillis vindt mijn vaststelling van de invloed van Burke op De Wever evident en makkelijk. Dus terug geen enkele inhoudelijke kritiek op wat ik zeg. Ik krijg enkel het verwijt  volgende vragen niet te beantwoorden: “Hoe leest De Wever Burke? Hoe verhoudt die lezing zich tot Maly’s eigen, grondige en systematische lectuur van Burke? Welke rol heeft Burke gespeeld in de geschiedenis van de Vlaamse beweging? Als die rol minimaal zou zijn, waarom is De Wever dan zo door Burke aangetrokken? En waarom heeft het tot De Wever geduurd voordat Burke en zijn ‘identiteitsconcept’ in het Vlaams-nationalistische denken werden geïntroduceerd?”  Enkel de onderzoeksvragen die Absillis als relevant beschouwd, mogen worden beantwoord. Absillis voelt zich de hoeder van de juiste vraag, de pater die het juiste denken oplegt.

Idem met de claim dat De Wever een neoliberale nationalist is. Terug geen enkele kritiek op de analyse an sich, die analyse wordt niet vermeld (terwijl Absillis 39 pagina’s ter beschikking heeft!). Wel worden terug andere vragen gesuggereerd. Hij noemt “N-VA-voorzitter namelijk een “neoliberale nationalist”, maar gaat licht over de vaststelling dat pleiten voor zo veel mogelijk vrije marktwerking en een principiële achterdocht tegenover de overheid zich moeilijk laten verzoenen met waarden als gemeenschapszin, sociale cohesie en nationale solidariteit. Is De Wevers nationalistische discours dan onderschikt aan een neoliberale agenda of is het eerder omgekeerd? En hoe verhoudt De Wevers neoliberalisme zich tot de verlichting en de erfenis van de Vlaamse beweging?’” Nog los van het feit dat verschillende vragen wel worden beantwoord in het boek, wijs ik er graag op dat de these dat nationalisme en neoliberalisme de laatste decennia hand in hand gaan, geen nieuwe vaststelling is.  David Harvey (die stond niet op Absillis’ lijst van verboden boeken) gaat in zijn werk over neoliberalisme uitvoerig in op die verhouding.  We hoeven trouwens maar aan Thatcher te denken, of later aan het discours van New Labour (Fairclough schreef hier een interessant boekje over, maar die staat hoogst waarschijnlijk op de verboden lijst van Absillis).

 

De foute literatuur

Het belangrijkste argument van Absillis tegen mijn doctoraat is niet zozeer mijn analyse an sich, maar de literatuur waarop ik me baseer. Als ik over het Vlaams nationalisme spreek,  mag ik me niet baseren op Louis Vos, Lode Wils, Jan Blommaert, Marc Reynebeau, Morelli en Hobsbawm. Als ik over nationalisme schrijf, mag ik me niet op Anderson, Billig, Hobsbawm, Gellner, Blommaert en Hroch baseren. En ik mag me niet baseren op Israel, Condorcet, Paine, De Tocqueville, Rousseau en Kant als ik over de verlichting schrijf. En ik mag me al helemaal niet baseren op Sternhell als ik over de anti-verlichting schrijf. Ik moet me dan weer wel baseren op Lakoff  en dus linguïstische (en geen sociolinguïstische) analyses maken. Uiteraard mag ik me niet baseren op discoursanalisten zoals Hymes, Foucault, Fairclough, Billig en al zeker niet op Blommaert en Verschueren.

En zo komen we geleidelijk aan bij hetgeen Absillis echt viseert: De contestatie van het Vlaamse nationalisme door linkse intellectuelen en culturo’s zoals dat in het lingo heet.  Absillis’ stelling is bekend, links moet het nationalisme niet bekampen, maar omarmen en inzetten voor de linkse strijd. Jan Blommaert en Jef Verschueren, die doorheen de hele bespreking geregeld opduiken, zijn vanuit dit perspectief uitermate problematisch in zijn ogen. Zij hebben, aldus Absillis, een enorme impact gehad met hun boek Het Belgische migrantendebat op het verzet van linkse culturo’s en intellectuelen tegen het concrete Vlaams nationalisme.

Het is dan ook opvallend dat er slechts 12 van de 39 pagina’s gewijd worden aan mijn doctoraat.  Op de andere pagina’s wordt de invloed van ‘Het migrantendebat’ van Blommaert en Verschueren besproken. Zij zouden de houding van links ten opzichte van het Vlaams nationalismhebben bepaald en ‘de foute’ boeken binnengebracht hebben in het debat (lees: de werken van Hobsbawm, Anderson en Gellner) over nationalisme. Mijn doctoraat wordt als emblematisch neergezet wordt voor alles wat fout is aan de linkse houding ten aanzien van nationalisme in de laatste twee decennia:

Maly’s conclusie negeert dat sinds de doorbraak van het Vlaams Blok in de jaren 1990 wellicht geen enkele ideologie fel­ler en openlijker werd gecontesteerd dan nationalisme in het algemeen en Vlaams-nationalisme in het bijzonder. De doorbraak van de N-VA naar het centrum van de po­litieke macht heeft daar al met al niet zo veel aan veranderd.”

Absillis maakt hier typische fout: hij verwart tegenspraak met macht. Dat N-VA de grootste partij is van Vlaanderen, dat er op de PVDA na geen Belgische partijen zijn of dat de BRT VRT is geworden, dat is allemaal niet relevant. Een wetenschapper als Billig, zou daar iets anders over denken, maar die staat niet op de goede literatuurlijst. Wat Absillis niet lijkt te zien, is de machtsongelijkheid. De reële impact van die intellectuelen en culturo’s wordt niet in ogenschouw genomen. Een hegemonie is nooit totaal, er is altijd verzet. Het verzet wordt echter niet gehoord, belachelijk gemaakt, geïnstrumentaliseerd, geneutraliseerd of in de marge geduwd. Dat wil niet zeggen dat ze er niet is, ze heeft gewoon weinig impact, weinig macht.

Het is dan ook opvallend dat een bespreking die niet ingaat op de methode van het onderzoek, die geen enkele feitelijke fout aanhaalt, maar enkel wijst op ‘de foute literatuur’ en extra (interessante) onderzoeksvragen suggereert, heel snel opgepikt wordt om een onderzoek af te maken. Terwijl datzelfde medium nog nooit een letter heeft vuilgemaakt aan dat onderzoek. Laat staan dat De Morgen zou rapporteren dat het onderzoek nu ook in een internationale top journal als Nations and Nationalism is gepubliceerd. Het zegt iets over wat gezien wordt als normaal en wat gezien wordt als niet normaal in onze Vlaamse samenleving. Het kaartenhuis van Absillis stort onherroepelijk ineen.

 

De verborgen politiek van de recensent

‘Mijn doctoraat’ is maar een opstapje om het echte stokpaardje van Absillis boven te halen: De verdediging van (links) nationalisme. De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet. Freud zou het woordje projectie bovenhalen, maar die staat zeker ook op de foute literatuurlijst. Onder het mom van een objectieve recensie, smokkelt Absillis niet al te subtiel trouwens, zijn eigen politieke strijd binnen: de opleving van het Linkse nationalisme. Ik wens hem daarbij alle succes.

 

  1. Graag maak ik van de gelegenheid gebruik even te wijzen op een reeks feitelijke fouten in de bespreking. De cover is niet door Epo gemaakt (de Colofon checken is altijd handig). Ik ben nooit voorzitter geweest van Kif Kif, maar coördinator. Kif Kif was geen minderhedenplatform, maar een intercultureel platform. Ik ben geen politiek wetenschapper, maar een cultuurwetenschapper. Kif Kif is niet aan elkaar geschreven. Facebook en Instagram worden met hoofdletters geschreven. Sternhell is met ll –geschreven.

 

Hart boven hard en de stem van het volk

Hart boven Hard is, tot spijt van wie het benijdt, goed op weg om een historisch fenomeen te worden in onze contreien. Zonder noemenswaardige middelen en drijvend op de tomeloze en onbezoldigde inzet van vele individuen, kleine en grote middenveldorganisaties en duizenden militanten en sympathisanten is er een beweging opgestaan die niet alleen een ander beleid, maar ook een andere samenleving wil. Dat indrukwekkende succes van een spontane en piepjonge burgerbeweging gaat echter in grote mate voorbij aan ‘onze pers’. De mainstream-media fungeren daardoor als objectieve bondgenoten van deze rechtse regering: ze zijn willens nillens een back up van rechtse politici en hun Twitter –en Facebookclubs die de beweging willen neer zetten als ‘een mantelorganisatie van de vakbonden’.  Die rechtse activiteit op sociale media en de uitlatingen van rechtse politici wijzen schijnbaar paradoxaal op de politieke kracht van deze nieuwe beweging. Hart boven hard ondermijnt het idee dat rechts een claim kan leggen op ‘de stem van het volk’ en net dat wil de rechterzijde ten allen prijze vermijden.

Van twee individuen naar een burgerbeweging

Hart boven hard gaat hard, heel hard. In augustus 2014 stuurden twee bezorgde burgers, Wouter Hillaert en Hugo Franssen een mail rond naar middenveldorganisaties, activisten, cultuurinstellingen, jeugdverenigingen, natuurverenigingen, academici en cultuurproducenten om hun bezorgdheid te uiten omtrent de besparingsplannen van de nieuwe regering. Ze nodigden deze actoren uit om een vergadering te beleggen. Sindsdien is er veel gebeurd. Heel veel. We zijn nu een viertal maanden verder en Hart boven Hard is uitgegroeid tot een heuse burgerbeweging, met een uitzonderlijke mobilisatiekracht. Elke betoging, elke staking en elk evenement dat wordt opgezet  binnen de schoot van deze beweging mobiliseert al snel honderden tot duizenden mensen over heel België.

hartbovenhard

Opmerkelijk is dat dit alles gerealiseerd worden zonder noemenswaardige middelen. De betrokken individuen geven enkele giften en de organisaties geven wat ze kunnen. De ene organisatie kopieert flyers, de andere betaalt drukwerk en nog een andere organisatie host de website op haar server. De url  www.hartbovenhard.be is dan weer een gift van de Verenigde Verenigingen. Zij hadden in de aanloop van de verkiezingen een actie met de slogan Hart boven Hard. En net deze gift wordt vandaag onderwerp van de politieke strijd om de beweging te framen als ‘een mantelorganisatie’ van de vakbonden. Het is blijkbaar moeilijk te geloven dat, in deze tijden van professionalisering en individualisering, er een beweging opgebouwd wordt op basis op solidariteitsnetwerken tussen individuen en organisaties.Het kost nochtans niet veel moeite om na te gaan dat de site bijvoorbeeld gehost wordt door een sociaal-artistiek-gezelschap. Dat cultuurhuizen, jeugdverenigingen en bibliotheken mee hun schouders onder het initiatief zetten. Dat activisten van allerlei pluimage, academici en kunstenaars deze beweging dragen. Dat er mensen actief zijn met zeer uiteenlopende politieke voorkeuren, van christendemocraten, over Groenen en sociaaldemocraten tot en met anarchisten, syndicalisten, communisten, socialisten, andersglobalisten, ….Autochtoon en allochtoon, atheïsten, moslims en christenen strijden zij aan zij voor een betere samenleving. En net daar zit de mobilisatie – en discursieve kracht van deze beweging en net daar ligt de rechterzijde wakker van.

De rechterzijde in het defensief

In tegenstelling tot vele media heeft de rechterzijde de beweging en haar mobilisatiekracht wel degelijk opgemerkt. Er is dan ook een heuse strijd losgebarsten op de sociale media waar rechtse politici en hun militanten er alles aan doen om het maar niet te hebben over de inhoud van het verzet. Politiek is altijd een strijd om betekenis en de rechterzijde tracht op dit moment met alle mogelijke middelen het verzet af te schilderen als irrelevant, irrealistisch (er is geen alternatief weet je wel) en als ‘politiek’ (lees het is het werk van enkele wereldvreemde linkse rakkers en conservatieve vakbonden).

De redenen van die verbeten strijd hoeven we niet ver te zoeken. Sinds jaar en dag claimt rechts ‘de stem van het volk’. Enkel zij zijn realistisch, enkel zij komen op voor ‘de verandering die de Vlaming wil’. Vandaag wordt het steeds moeilijker voor die rechterzijde om die claims geloofwaardig te houden. Zelfs toonaangevende liberale economen spreken zich uit tegen het gevoerde beleid, linkse economen tonen wetenschappelijk aan hoe dit beleid resulteert in diepe ongelijkheid en zelfs de OESO zet vandaag de strijd tegen ongelijkheid op de agenda. En nu blijkt ook nog eens dat ‘het gewone volk’ in grote getallen pleit voor een vermogensbelasting. Het succes van Hart boven hard is een indicator van deze veranderingen.

Na decennia van vox populisme bij de rechtse partijen en hun militanten (wij zijn de stem van het volk, de Vlaming heeft gekozen, …) wordt vandaag heel duidelijk dat een groot deel van de Vlamingen en de Belgen hun eigen stem claimen en die stem gaat diametraal in tegen het dominante discours. Ze weerklinkt bovendien dagelijks op sociale media, tijdens de betogingen en stakingen. En opvallend: steeds meer burgers laten hun stem horen tijdens de vele meetings, evenementen en acties van Hart boven hard. Die acties kennen telkens een overdonderend en bovendien heel zichtbaar succes, want fysieke aanwezigheid gaat gepaard overdonderend geshared en getweet op sociale media.

Rechtse media?

Het is dan ook des te vreemder om te moeten vaststellen dat de ‘kwaliteitsjournalisten’ van de grote media die massale aanwezigheid op deze vele actie, evenementen en meetings schijnbaar collectief gemist hebben, of hoogstens als een voetnoot behandelen. De mobilisatiekracht van Hart boven Hard staat in schril contrast met de berichtgeving over die beweging. Na de eerste nationale betoging, met een zeer zichtbare aanwezigheid van Hart boven Hard, was het de volgende dag met een vergrootglas zoeken naar enig woord over de beweging in onze media. De honderd amokmakers stonden toen centraal.

Op de nationale stakingsdag van 15 december zette de beweging tientallen evenementen op over heel België. Deze acties konden overal op een vrij verpletterend succes rekenen. Vreemd dat vooral de lokale media dit geregistreerd hebben. De grote kwaliteitsmedia waren blijkbaar net te laat, genoten van een snipperdag of vonden het weinig nieuwswaardig.

In onze massamedia wordt vooral ruimte gereserveerd voor de hinder van de acties, hun economische kost, de rellen of de fratsen van één vakbondsdame in de H&M. En hoeft het te verbazen dat ook onze rechtse politici en hun militanten louter focussen op deze fait divers. Het is op dit vlak dat onze vrije media functioneren als een steunpilaren van rechts. De focus van onze media laat de rechtse politici toe om het verzet af te schilderen als uitzonderlijk, onrealistisch, hinderlijk en schadelijk. Het is dan allemaal het werk van de conservatieve vakbonden, de oppositie of de wereldvreemde linksen en radicalen. In zoverre men hierin slaagt kan de rechterzijde binnen het raamwerk van onze media blijven claimen dat men ‘de stem van het volk’ vertolkt.

De mainstreampers verzaakt hier duidelijk aan haar democratische opdracht. En dat is heus niet alleen het geval bij de typische ‘werkgeverskranten’. Ook een ‘linkse krant’ als De Morgen ontsnapt niet aan de verleiding. Yves Desmet slaagt er bijvoorbeeld in om Hart boven hard neer te zetten als een mantelorganisatie van de vakbonden die ‘de ongebonden burger’ onterecht voor haar kar spant.  De ‘linkse krant’ fungeert op dat moment als een regimepers in dienst van de politieke rechterzijde. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de rechtse Twitter –en Facebook-clubs er als de kippen bij zijn om Hart boven Hard af te doen als de vakbonden in disguise. Net zoals De Wever de vakbonden neerzet als ‘de gewapende arm van de PS’, zetten de rechtse militanten Hart boven Hard neer als deel van de vakbonden en dus als irrelevant. En De Morgen levert hier extra munitie.

sintactie hartbovenhard

Succes tegen de stroom in

Het is echter opmerkelijk dat deze strijd van de rechterzijde en de negatie van de pers geen effect lijkt te hebben op de mobilisatiekracht van de beweging. Hart boven hard bundelt nu al 15 000 bezorgde burgers en 1000 organisaties. Die organisaties zijn heus niet alleen de vakbonden of het klassieke middenveld, ook bibliotheken, hogescholen, interculturele organisaties en cultuurhuizen bundelen de krachten. De beweging heeft, en ook dat is uniek in de geschiedenis, haar eigen media. De beweging is niet afhankelijk van die mainstreammedia maar communiceert via haar eigen website, via micromedia als De Wereld Morgen en Kif Kif en sociale media als Facebook en Twitter. De beweging heeft dus haar eigen informatie –en mobilisatienetwerk.

Ziehier het probleem van de rechterzijde. Maar ook het probleem van de massamedia. De geloofwaardigheid van beide staat op het spel. Hoe langer deze spelers dit verzet negeren of trachten af te doen als irrelevant, hoe steviger het verzet zal worden en hoe meer de geloofwaardigheid van de regering en de media op de helling komt te staan.

De burgerbeweging Hart boven hard is net hierom historisch. Ze maakt van onderuit duidelijk dat rechts geen claim kan leggen op ‘de stem van het volk’. En ze maakt duidelijk dat de massamedia niet meer dominant zijn in het bepalen van mobilisatie en beeldvorming. De enorme mobilisatiekracht die Hart boven hard en de vakbonden hebben getoond in de laatste maanden doorprikt de dominante discoursen van de laatste decennia. Hart boven hard toont aan dat België helemaal geen land is van twee publieke opinies (een rechts Vlaanderen en een links Wallonië) of twee democratieën. De beweging toont aan dat er wel ruimte is voor een alternatief en dat daar bovendien een stevig draagvlak voor bestaat.

Hart boven hard en de revitalisatie van de democratie

Dit verzet van onderuit is een welkome revitalisatie van onze democratie.  De laatste 25 jaar is ‘democratie’, onder aanstuwen van het Vlaams Blok, geherdefinieerd als ‘de stem van het volk’. Zo konden de meest antidemocratische standpunten doorgaan als democratische meningen. De Wever is daar vandaag het meest zichtbare symbool van. Hoewel hij geen lid is van de federale regering  komt hij steeds op de proppen met de slogan dat ‘er geen alternatief is’, ‘dat dit of dat geen optie is‘ of ‘dat we dan maar beter de democratie kunnen afschaffen’ als de regering moet luisteren naar het verzet. En zo wordt nogmaals duidelijk dat De Wever en zijn maats democratie begrijpen als een ‘dictatuur van de meerderheid’. Eenmaal er verkiezingen geweest zijn, moeten de burgers hun klep houden als het van deze politici afhangt. Dat is uiteraard een antidemocratische invulling van democratie en net dat wordt vandaag steeds meer duidelijk voor steeds meer mensen.

Hart boven hard en de vakbonden tonen ons terug dat democratie een groot verhaal is, een verhaal waar burgers hun rechten niet verliezen nadat ze gaan stemmen zijn. Hart boven hard zorgt voor een lichtpunt in een democratie die al decennialang in diepe crisis zit.

Hart boven hard is een zegen voor de democratie.

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen, coördinator van Kif Kif en gastprofessor Politiek en Cultuur aan het RITS in Brussel. Hij publiceert al jaren over beeldvorming, media, identiteitsvorming, racisme, nationalisme, (super)diversiteit, democratie en de strijd voor vrijheid en gelijkheid. @icomaly – https://www.facebook.com/imaly1

Superdiversiteit, de democratische uitdaging

Superdiversiteit is een nieuw buzzwoord. Wereldwijd verschijnen er steeds meer artikels, boeken en onderzoeken over. Die wereldwijde stampede kan maar verklaard worden door de connectie met de realiteit. Onze leefwereld én onze levens zijn in een snel tempo aan het veranderen. Steden worden steeds meer het toneel van een enorme diversificatie van diversiteit. We leven vandaag niet alleen in geglobaliseerde, multireligieuze en meertalige wijken en steden, we leven ook zowel on- als offline. Superdiversiteit is de beschrijving van die complexe en inherent geglobaliseerde wereld waarin we leven. In dit artikel schetst Ico Maly deze nieuwe realiteit en de democratische uitdagingen ervan.

De betekenissen van superdiversiteit

We moeten starten met een disclaimer. De hype rond superdiversiteit betekent niet dat iedereen ook over hetzelfde spreekt als ze deze ‘nieuwe’ term hanteren. De dominante invulling van superdiversiteit is vooralsnog kwantitatief en eendimensionaal. We leven hier niet meer met vijf maar met 194 verschillende nationaliteiten op een grondgebied, ergo, we leven in een superdiverse samenleving. Deze invulling van superdiversiteit verschilt niet wezenlijk van het klassieke multiculturele denken. Mensen worden opnieuw opgedeeld in nationaliteiten en de samenleving wordt opnieuw voorgesteld als een verzameling van groepen mensen die gekenmerkt worden door hun nationaliteit. Om ‘die superdiverse’ samenleving leefbaar te maken wordt, net zoals in het multiculturele paradigma, ingezet op inburgering. De wijze waarop Geert Bourgeois superdiversiteit invult kan hier gelden als voorbeeld. Dit begrip van superdiversiteit is geen nieuw paradigma, geen breuk met het verleden en dus moeten er ook geen aanpassingen ten gronde gebeuren.

Deze invulling van superdiversiteit kampt met verschillende problemen. Ten eerste maakt ze slechts een heel klein brokje van de reële superdiversiteit zichtbaar: diversiteit in afkomst. En bovendien doet ze dat in het oude multiculturele jargon met een focus op nationale identiteit of cultuur die dan begrepen wordt als dé identiteit van mensen. De suggestie daarbij is dat mensen met eenzelfde nationaliteit ook eenzelfde identiteit, waarden en normen of cultuur delen. Dat is vandaag een empirische fictie. Zo komen we bij het tweede punt. In de dominante benadering kijkt men door de lens van kwantiteit en niet die van kwaliteit. Het gaat dan over aantallen nationaliteiten in plaats van over diepgaande veranderingen in hoe mensen vandaag leven en hun identiteit opbouwen. Dergelijke benadering van superdiversiteit herneemt het multiculturele paradigma. Superdiversiteit is dan niet meer dan een ‘leuke’ term om multiculturaliteit weer hip en wervend te maken, maar vooral om onze ogen te sluiten voor de realiteit en alles vooral bij het oude te laten.

Het punt is echter dat de realiteit zelf is veranderd en dat een multicultureel paradigma, ook al heeft ze een superdiverse verpakking, volstrekt ontoereikend is om de huidige realiteit te duiden en te begrijpen. Superdiversiteit is een nieuw paradigma die het multiculturele paradigma van weleer vervangt. De reden hiervoor is dat superdiversiteit een veel nauwkeuriger theorie aanreikt om de wereld van vandaag te verklaren dan de multiculturele voorloper. Superdiversiteit verwijst dan naar een multidimensionaal perspectief dat oog heeft voor diepgaande kwantitatieve en kwalitatieve veranderingen. Het gaat niet alleen over etniciteit, maar ook over genderrollen, subculturen én over ervaringen die mensen hebben met administraties en onderwijs, met hun statuut in de samenleving, hun sociale ‘klasse’, en zoveel meer. Superdiversiteit kunnen we bovendien maar begrijpen als we dat doen vanuit een historisch, politiek, sociaal, economisch, cultureel en technologisch perspectief.

Migratie, communicatie en het transnationale leven

Superdiversiteit is het gevolg van een nieuwe fase in de globalisering: de neoliberale globalisering. De doorbraak van die nieuwe fase wordt gesymboliseerd door de val van de Berlijnse muur en later die van de Sovjet-Unie. De bipolaire wereld behoorde tot het verleden, en dat had meteen materiële gevolgen. De koude oorlog was immers naast vele andere dingen ook een ordening van de wereld. Het wegvallen daarvan betekende dan ook dat de structuur van de wereld drastisch veranderde. Die veranderingen vertalen zich onder andere in heel nieuwe migratie en in heel nieuwe migratiepatronen. Vandaag schrikken we niet meer van Poolse, Bulgaarse of Roemeense nummerplaten in het straatbeeld, net zoals de aanwezigheid van Chinese studenten aan onze universiteit tegenwoordig ‘normaal’ is. Twee decennia terug was dit hoogst uitzonderlijk.

Niet alleen de migratielanden worden diverser, maar de migratiepatronen worden ook steeds complexer. Lineaire migratie vanuit Agadir naar de Brugse Poort in Gent bijvoorbeeld is vandaag een uitzondering, terwijl heel complexe migratiepatronen steeds meer de regel worden. Mensen migreren nu tussen meerdere landen en bouwen daar ook hun leven uit. Transnationalisme wordt voor meer en meer personen een inherent deel van hun leven. Professoren moeten bijvoorbeeld op transnationale schaal opereren. Dat is niet alleen een vereiste om bij de top te behoren, maar zelfs een voorwaarde om bijvoorbeeld aan de universiteit in Gent aan de slag te kunnen. Zonder internationale publicaties tel je niet mee. Hetzelfde zien we gebeuren in andere domeinen: ook politici en bedrijfsleiders opereren op een transnationale schaal. Dat transnationaal leven is niet alleen een kenmerk van een kleine elite, we zien dat meer en meer mensen op die schalen hun leven uitbouwen. Zo vinden we Poolse werknemers van Poolse bedrijven die op de hele Europese markt actief zijn, net zoals Belgische werknemers in bijvoorbeeld de luchtvaarindustrie in een transnationaal veld werken. Er ontstaan ook religieuze entrepreneurs die op een internationale schaal kerken uitbouwen.

Een transnationaal leven is vandaag niet alleen meer het voorrecht van de elite of het noodlot van de lage klassen, het dringt steeds meer door tot het leven van iedereen. Zeker als we nog eens de impact van de nieuwe media in rekening brengen, die hun opmars kennen in dezelfde periode dat we nieuwe migratie zien ontstaan. GSM’s, satellieten, internet, Facebook, Skype, WhatsApp en Viber hebben niet alleen een heel grote impact op de menselijke communicatie, ze zijn ook bepalend voor identiteits-en cultuurproductie. We leven vandaag onze levens zowel on- als offline. Die nieuwe media hebben niet alleen een grote impact op de diaspora, ze kleuren het leven van iedereen. We onderhouden niet alleen meer en meer vriendschaps- of professionele banden op een transnationaal niveau, we bouwen er met zijn allen ook een identiteit op. Hipsters, hijabista’s, skaters, emo’s, goth’s, elite-culture, grunge, death-metal, gabbers en housers; het zijn allemaal inherent geglobaliseerde subculturen of micro-hegemonieën. De ‘grote identiteitsbouwstenen’ zoals nationaliteit zijn vandaag slechts een van de vele groepsidentiteiten die mensen bezitten. Die nationale identiteit kan nog heel belangrijk zijn in bepaalde contexten (als de nationale ploeg speelt) maar compleet irrelevant worden in bijvoorbeeld de werkcontext of op het moment dat je naar een optreden van Pearl Jam kijkt. In die context worden heel andere groepsidentiteiten geactiveerd.

Die subculturen zijn van cruciaal belang om identiteit te begrijpen in de 21ste eeuw. We spreken vandaag binnen de antropologie steeds meer over identiteit als ‘life-project’. Als het vrij bewust construeren van identiteit binnen verschillende micro-hegemonieën. Onze identiteit bestaat dan net in het feit dat we kunnen functioneren binnen heel uiteenlopende micro-hegemonieën: we kennen er de normen van, weten welke soort taal we moeten spreken (moeten we het woord ‘cool’ gebruiken, of moeten we iets cools ‘deck’ noemen om in te zijn in een hipster-context?) en hoe we ons uiterlijk moeten stileren. En ‘wie’ we zijn, kan sterk verschillen naargelang de verschillende contexten waarbinnen we onszelf zijn. Dat levert echter geen meervoudige, paradoxale of andere identiteiten op. Het punt is dat we in elk van die contexten perfect ‘onszelf’ zijn. Zo kan iemand overdag perfect geïntegreerd zijn binnen een managerscultuur en dus de ‘juiste’ kleren dragen, de juiste telefoon hebben en het juiste taaltje spreken (een Nederlands vol Engels jargon), terwijl diezelfde persoon ’s avonds tijdens een concert van Pearl Jam perfect geïntegreerd kan zijn in de ‘grunge-cultuur’. Een vrouw kan bij haar vriendinnen perfect geïntegreerd zijn binnen een feministische cultuur – en dus ook die taal beheersen – terwijl ze zich in haar gezin settled in een klassiek rollenpatroon. Het betekent echter ook dat iemand perfect geïntegreerd kan zijn in de schoolcontext en binnen de subcultuur van hijabista’s, en net daardoor als niet-geïntegreerd kan beschouwd worden op een stageplaats of een discotheek. Het punt is dat ‘onze identiteit’ bestaat binnen die verschillende contexten. We zijn dus wie we zijn omdat we geïntegreerd zijn binnen een reeks van dergelijke subculturen.

We leven vandaag in een fundamenteel andere wereld dan ettelijke decennia geleden en dat vereist dat we heel wat zaken ont-denken en herdenken. Het mag duidelijk zijn dat ‘geïntegreerd’ zijn in die reële wereld iets helemaal anders betekent dan in het ‘minderhedendecreet’. Wanneer is een zestienjarige jongen geïntegreerd op school? Als hij spreekt en zich kleedt als Peter De Roover? Of als hij spreekt en gekleed loopt als hipster of skater? Het punt hier is dat we in heel veel verschillende contexten moeten geïntegreerd zijn als we willen ‘slagen’ in onze samenleving. We moeten geïntegreerd zijn in onze straat, op de arbeidsmarkt, in onze familie, in onze subcultuur, … Concreet: voor een Bulgaarse koffiehuisuitbater in de Wondelgemstraat is het hoogstwaarschijnlijk interessanter om de superdiverse populatie aan te spreken in die straat dan om zich te richten op hipsters. Het gebruik van Turks, Bulgaars en Bulgaars-Nederlands is dan interessanter om zijn zaak te doen draaien, in plaats van zich te richten op een groep zoals de hipsters, die nagenoeg afwezig is in de wijk. Waar de hipster 6 euro wil betalen voor een professionele Barista-koffie, zal dit concept in een armere wijk als het Rabot niet veel succes oogsten. Geïntegreerd zijn in de Wondelgemstraat betekent dan ook iets helemaal anders dan geïntegreerd zijn in Antwerpen-Zuid.

Onze wereld wordt gekenmerkt door een enorme diversificatie van diversiteit. Die diversificatie van diversiteit is per definitie multidimensionaal: ze slaat op zowel afkomst als religie, op politieke overtuiging als op subcultuur, op taalgebruik als op ervaringen in het onderwijs, kortom: op al die verschillende contexten waarbinnen we onze identiteit uitbouwen. En noteer dat superdiversiteit ieders realiteit is, en dus niet alleen slaat op ‘de Ander’, ‘de allochtoon’ of ‘de vreemdeling’. Geïntegreerd zijn bekijken we dan ook best in relatie met al die contexten waarin mensen leven, en niet vanuit een soort fictieve abstractie van die samenleving.

Neoliberalisme, nationalisme en het failliet van het integratiebeleid

Superdiversiteit is, we zeiden het al, een gevolg van de neoliberale globalisering. Als we superdiversiteit en de gevolgen ervan ten gronde willen begrijpen, dan moeten we het plaatsen binnen dat historisch perspectief. Die neoliberale globalisering start in het midden van de jaren 70 en wordt hegemonisch na de val van de Sovjet-Unie. Die omwenteling vertaalde zich in een reeks globale politiek-economische en ideologische omwentelingen met vergaande materiële gevolgen. Superdiversiteit is er daar maar één van. Die evoluties hertekenden wijken, steden, landen en uiteindelijk de hele planeet. De wereld is vanaf die jaren heel intens verstrengeld met elkaar. Het is dan dat China instapt in het kapitalistisch systeem, dat India ingrijpende politiek-economische veranderingen doorvoert, dat Zuid-Afrika niet alleen de apartheid afschaft maar zich ook inschakelt in die neoliberale wereldorde. De voormalige Sovjet-Unie wordt in die periode een nieuw speelterrein voor ‘durfkapitalisten’, terwijl Europa het Verdrag van Maastricht goedkeurt. De sociaaldemocratie slaat in diezelfde periode de Derde Weg in en zweert Marx af.

Het TINA-argument weerklinkt vanaf dan zeer luid. ‘There is no alternative’ voor een op neoliberale leest geschoeide samenleving. De idee dat de markt en de democratie twee zijden van dezelfde medaille waren, begon steeds meer weerklank te vinden. Democratie en de neoliberale markt moesten we tegen alle historische bewijzen in gaan begrijpen als een onafscheidbaar koppel. Het onderwerpen van de welvaartstaat aan de ‘wetten’ van de markt zou een goede zaak voor de democratie zijn. Privatisering was het ordewoord. Die neoliberalisering van de wereld ging gepaard met open grenzen voor goederen en kapitaal, een afbouw van de sociale staat, een enorme druk op de lonen, de opgang van (de machtsbasis van) multinationals, in- en outsourcing, stijgende mobiliteit maar ook nicheproductie.

De gevolgen van die omslag in dominante ideologie beperkten zich niet enkel tot ideeën, maar vertaalden zich ook in de realiteit. ‘De economie’ krijgt vanaf die periode een sterke overmacht op de politiek. Nationale staten worden steeds meer herleid tot uitvoerders en steunpilaren van een neoliberale economische politiek. Dat vertaalt zich in een hertekening van de relatie tussen burger en staat. Niet de harde domeinen (arbeidsmarkt, huisvesting, onderwijs, ongelijkheid, …) staan centraal maar de zachte domeinen (waarden en normen, taal, identiteit, cultuur, respect) worden als prioritair naar voor geschoven. Die overmacht van de economie op de politiek gaat gepaard met een groeiende kloof tussen arm en rijk. Steeds meer kapitaal komt in handen van steeds minder mensen. En net op het moment dat er nood is aan een performante politiek op de harde domeinen oriënteert de politiek de blik op de zachte domeinen. Kortom, het is in die jaren, waarin we met zijn allen het steeds moeilijker hebben om sociaaleconomisch en politiek geïntegreerd te zijn, dat culturele integratie van nieuwkomers opgang maakt als ‘de oplossing’ voor migratieproblemen.

De neoliberale globalisering krijgt een neoliberaal, nationalistisch antwoord. Migratie wordt in die periode meer en meer gezien als een cultureel probleem en een economische opportuniteit. Migratie, en dan vooral slechte – lees arme – migratie moet zoveel mogelijk tegengehouden worden. Dat vertaalt zich enerzijds in pogingen om arme migratie te reguleren door het verstrakken van asielwetgeving, het uitbouwen van asielcentra en bureaus voor schijnhuwelijken, anderzijds in het faciliteren van multinationals en hun bedrijfsleiders en het aantrekken van topsporters … Op het moment dat die ongewilde migratie toch aanwezig is in het land, komt er een enorme focus op culturele integratie. Onderliggend aan dit migratie- en integratiebeleid ontwaren we een neoliberaal nationalisme. De natie moet gevrijwaard worden in tijden van globalisering. Dat kan maar doordat die natie weet te concurreren op wereldschaal met andere naties. Tegelijkertijd moet men ook zorgen dat de natie – zoals ze verbeeldt wordt in het klassieke nationalisme – nog overleeft, en dus wordt er heel sterk ingezet op homogenisering.
Het resultaat van een dergelijk integratie- en economisch beleid is een enorme verdieping van ongelijkheid. Enerzijds zien we de constructie van ongelijke rechten. Nieuwkomers hebben maar hun volledige politieke, economische, sociale, religieuze en culturele rechten als ze doorheen alle inburgeringstrajecten en nationaliteitsprocedures lopen. Migratie en transnationaal leven en werken vertaalt zich vandaag altijd in een verlies aan rechten. De oude verlichtingsdroom van onvervreemdbare rechten is nog lang niet gerealiseerd. Meer nog, het beleid maakt rechten voorwaardelijk aan die culturele integratie. Bovendien fungeert heel het integratiediscours ook als een instrument van ongelijkheid. Zo worden ‘allochtonen’, ook al hebben ze de nationaliteit en dus officieel gelijke rechten, nog steeds geconfronteerd met structureel racisme. Ze worden dagelijks beoordeeld op hun graad van integratie: als ze solliciteren, als ze een huis zoeken en zelfs als ze naar de winkel gaan. Die ‘evaluaties’ weerspiegelen zich in de structuur van de samenleving.

Anderzijds zien we dat zowel allochtoon als autochtoon, nieuwkomers als tweede en derde generaties geconfronteerd worden met een herschepping van de sociaaleconomische organisatie. Uiteraard is België nog relatief gevrijwaard van al te dogmatische en radicale hervormingen op neoliberale leest. Desalniettemin zien we wel degelijk dat de neoliberale dogma’s gedurende de laatste decennia steeds meer ingang vinden. We zien dit in het ontstaan van de tweede en derde pensioenspijler, de degressiviteit van de werkloosheidsvergoedingen, de privatisering van allerlei staatsbedrijven, de afschaffing van het brugpensioen, de druk op de lonen, …

Al deze evoluties, het algemeen neoliberaal beleid, de afbouw van de sociale staat, het integratie- en migratiebeleid als antwoord op een realiteit van transnationalisme en superdiversiteit, verdiepen de ongelijkheid en zorgen voor een afbouw van rechten. Zo’n politiek-economisch beleid is in tijden van globalisering en superdiversiteit uitermate problematisch. Politici creëren zo de illusie dat men op een lagere schaal (Vlaanderen in plaats van België) een afdoend antwoord kan bieden op de globalisering. Dat is natuurlijk volksverlakkerij. In tijden van superdiversiteit en globalisering hebben we een democratie nodig die werkt op verschillende schalen. Als we, als bevolking, onszelf meer democratische zeggenschap willen geven over onze economie, dan moet de democratie onvermijdelijk ook werken op een hogere schaal dan de louter nationale. Concreet: omdat de democratie verankerd zit op een stedelijke, regionale en nationale schaal terwijl de economie aangestuurd wordt vanuit hogere schalen, worden landen ingeschakeld in een concurrentielogica. Dat zorgt niet alleen voor een druk op de lonen of op de sociale zekerheid, het zorgt er ook voor dat onze rechten gebonden zijn aan die nationale schaal. Superdiversiteit dwingt ons om ons leven en dus ook onze democratie op een transnationale schaal te gaan denken.
Superdiversiteit, neoliberaal nationalisme en de verdieping van ongelijkheid

Het mag ondertussen duidelijk zijn dat de ‘super’ in superdiversiteit niet slaat op de super zoals in superleuk, supercool of supertof. De ‘super’ in superdiversiteit slaat op ‘van een andere orde’, ‘van een andere grootte’. Superdiversiteit is dus niet iets dat we moeten vieren, noch is het iets dat we a priori moeten beladen met alle zonden van de wereld. Superdiversiteit is een beschrijving van de wereld waarin we leven en daar niets inherent slechts of goeds aan toekent. Het probleem zit hem niet zozeer in de realiteit – die is er als we dat nu willen of niet – maar in het beleid ten aanzien van die realiteit. Superdiversiteit wordt te lijf gegaan met een neoliberale, nationalistische politiek. In plaats van te strijden voor meerschalige politiek en het upscalen van onze democratie naar een Europees niveau, zien we een enorme golf aan nationsplitters opstaan, die onze democratie willen doen opereren op een kleinere schaal en dus ook onze solidariteitsmechanisme en rechten willen herschalen. In de feiten spelen we zo een neoliberale politiek in de kaarten, want we verkleinen onze democratische macht en verscherpen de concurrentie.

Een nationale politiek is vandaag per definitie neoliberaal omdat ze zich in grote mate schikt als een uitvoerder van wat er op hogere schalen beslist is. Dat neoliberale nationalisme is vandaag dominant en resulteert in de laatste decennia in een stelselmatige verdieping van ongelijkheid. Die groei van ongelijkheid, zowel in rechten als sociaaleconomisch, raakt het fundament van onze democratie: het gelijkheidsbeginsel. Dat is een dijk van een democratisch probleem. Superdiversiteit dwingt ons om onze democratie te herdenken, te verdiepen en te herschalen. Doen we dat niet, dan moeten we ook aanvaarden dat we niet in een Verlichte democratie leven.
Ico Maly

 

Ico Maly, doctor in de Cultuurwetenschappen, gastprofessor aan het Rits en coördinator van Kif Kif, schreef samen met Jan Blommaert en Joachim Ben Yakoub een boek over dit thema: ‘Superdiversiteit en democratie’ (Uitgeverij Epo, 2014).

 

>>> Dit artikel is reeds verschenen in ‘de Geus

>>>> Meer info over het boek ‘Superdiversiteit en democratie’ vindt u op de Facebookpagina

Allochtoon of niet? Over het schrappen van woorden en de realiteit

Het is een kleine hype aan het worden. De krant De Morgen beet de spits af. Zij zouden het woord ‘allochtoon’ niet meer gebruiken. Stadsbesturen in Nederland en nu ook in België volgen en schrappen het concept uit hun beleidsnota’s. Het woord zou stigmatiseren, het zou een wij-zij-onderscheid in zich dragen, … Allochtoon is dan een containerwoord dat anderen labelt als anders, als niet van hier én als minder waard. Het schrappen van het concept allochtoon wordt neergezet als de ultieme antiracistische daad. In onze samenleving waar we al decennialang overspoeld worden met een anti-vreemdelingen-ideologie, is het zonder twijfel zo dat een dergelijke oproep getuigt van politieke moed. Het laat een ander geluid horen en schept de hoop op een strijd voor een wereld van gelijke burgers met onvervreemdbare rechten. Vraag is nu of dit schrapgedrag ook effectief een andere realiteit schept? En wat zijn de randvoorwaarden vooraleer deze politieke daad structurele effecten heeft in de realiteit?

Om op deze vragen te kunnen antwoorden is het niet alleen interessant om zicht te krijgen op de relatie tussen woorden en realiteiten, het is noodzakelijk. De sociolinguïstiek is waarschijnlijk de wetenschappelijke discipline bij uitstek om ons te leiden naar het antwoord op deze vraag. We starten deze paper dan ook met enkele theoretische bespiegelingen over de relatie tussen taal en werkelijkheid. Vervolgens kijken we vanuit die inzichten naar de mogelijke effecten van de schrapping van het concept en duiden enkele randvoorwaarden die kunnen leiden tot een werkelijke beweging in het maatschappelijk debat en in de maatschappelijke praktijk. Ik zal daarbij pleiten om de huidige actie te kaderen binnen een bredere politiek-ideologische strijd die de waarden van de radicale verlichting centraal stelt.

Ten ingeleide

Een eerste vaststelling. Het idee dat woorden louter woorden zijn en geen materiële effecten hebben is uiteraard fout. Woorden scheppen mee de realiteit waarin we leven. Ze bepalen niet alleen de perceptie van die realiteit, ze structureren mee die realiteit en geven er betekenis aan. Ze vormen de basis voor onze handelingen. Vanuit dit perspectief lijkt het schrappen van het woord allochtoon een daad van betekenis met directe gevolgen in de realiteit. Daarmee lijkt de kous af. Helaas is het vraagstuk complexer dan dat. Immers het concept allochtoon staat niet op zichzelf, maar kan als het ware gezien worden als het sluitstuk van een ideologie, de ideologie van het homogeneïsme. Nog buiten de vragen gerekend of het schrappen van woorden ook effectief kan, en of dit dan ook onvermijdelijk tot gevolg heeft dat ook de burgers zelf die woorden schrappen, staat het schrappen van één woord nog niet gelijk met het schrappen van een heel discours, van een ideologie.

Dat werd pijnlijk duidelijk toen de toenmalige hoofdredacteur van De Morgen in De Kruitfabriek op Vier de beslissing van zijn krant kwam toelichten. Wouter Verschelden stelde daar dat De Morgen het woord allochtoon niet meer zou gebruiken omdat het stigmatiseert enerzijds en omdat het onnauwkeurig is anderzijds. Men kon er volgens hem niets mee aan in een kwaliteitskrant. Wel benadrukte hij, net zoals in zijn column in de krant, dat dit niet betekende dat het maatschappelijk debat over integratie en de ‘multi-etnische’ samenleving niet moest gevoerd worden. Wel integendeel.

Wat dit debat dan inhield volgens die hoofdredacteur en hoe het gevoerd moest worden, werd in dezelfde uitzending meteen rijkelijk geïllustreerd. Het andere item in dit programma ging immers over de relletjes in Borgerhout ten tijde van de Reuzenstoet in het najaar 2012. Dergelijke opstootjes trekken traditiegetrouw een klassiek-distantiëringsritueel op gang. Relletjes van enkele ‘allochtone jongeren’ leiden bij een groot deel van de journalistieke klasse meteen tot een zoektocht naar distantiëring van de ‘gematigde allochtonen’. De onderliggende gedachte is immers, dat er een probleem is met de integratie van moslims in onze samenleving.

Iedereen die destijds aanwezig was tijdens de stoet, of in de dagen erna luisterde naar de reacties van ‘allochtone’ politici of keek naar het ‘allochtone’ middenveld, die kon vaststellen dat die betogers een kleine minderheid vormden en dat hun baldadig optreden er uiterst kritisch becommentarieerd werd. Echter, even klassiek in het ‘allochtonen’ of moslims-discours van die groep journalisten is dat ze die distantiëring maar minnetjes vinden of zelfs helemaal niet zien of horen. Verschelden behoort blijkbaar tot deze categorie van journalisten. Hoewel zowel de imam Taouil als de Groen-politica Meyrem Almaci in zijn bijzijn net deze relschoppers in prime time hadden veroordeeld, had dat geen enkele impact op zijn ‘mening’. Hun nadruk op het feit dat deze jongeren een minderheid waren, dat tientallen ‘moslimjongeren’ meeliepen in die stoet en dat er nog veel meer ‘allochtonen’ kwamen kijken, had geen effect op wat de hoofdredacteur van De Morgen ‘zag’. Dat Taouil en Almaci geduid hadden dat de ‘moslimtoeschouwers’ en –deelnemers aan de reuzenstoet deze opstootjes veroordeelden, kon Verschelden niet overtuigen. Hij bleef bij zijn vaststelling, bij zijn ‘mening’:

“Wat mij stoort in het hele debat. Dat er weinig… jullie zeggen altijd der is een grote meerderheid en die zijn gematigd. Het gaat enkel maar over een kleine groep extremisten. Maar toch hoor ik die gematigde groep eigenlijk heel weinig. Die vraag over die ouders is heel terecht, maar het gaat toch veel breder dan dat?”

Verschelden ziet een breed probleem en dat probleem is een probleem eigen aan ‘jullie’, aan de integratie van ‘de moslims’. Dit is voor imam Taouil het signaal om op te roepen om een witte mars van moslims te organiseren om duidelijk te maken dat die moslims dergelijke opstoten afkeuren. De roep naar distantiëring is zo klassiek dat de geviseerden steeds straffer uit de hoek willen komen om zich te distantiëren. Die effectloosheid van het distantiëringsritueel werd ook deze keer pijnlijk duidelijk geïllustreerd, dit maal door een van de lievelingen van ‘progressief Vlaanderen’: Tom Lenaerts. Lenaerts haakte in op het voorstel van Taouil met volgende assertieve opmerking: “Jullie moeten geen witte mars organiseren, jullie moeten jullie kinderen in bedwang houden”. Taouil kent ondertussen het klappen van de zweep en bevestigde meteen dat dit een ouderlijk probleem is. Waarop Verschelden terug inhaakt: “Waar zijn die gematigde moslims dan”.

Hier zien we meteen de kern van het probleem: woorden schrappen staat niet gelijk aan het schrappen van discoursen, laat staan dat het raakt aan de machtsverhoudingen. Immers, Verschelden schrapt dan wel het woord allochtoon en roept op tot nuance, in de praktijk verandert dat geen zier aan zijn discours dat nog altijd gebaseerd is op een heel duidelijke wij-zij-categorisering. De nuance betekent in dit geval dat stereotiepe veralgemeningen niet meer vastgehaakt worden aan het concept allochtoon, maar aan het concept moslim. En dat zorgt nog altijd voor een heel duidelijke wij-zij opdeling. Dat wordt treffend geïllustreerd door Lenaerts’ nadruk op ‘jullie’ als hij Almaci en Taouil aanspreekt. Hoewel ze de rellen veroordelen, er zelf niet bij betrokken waren en ook hun kinderen niet, worden ze wel tot de ‘jullie’-groep gerekend. En dus zijn ze ook mee schuldig én dus moeten ze zich distantiëren en zorgen dat heel ‘hun’ gemeenschap zich distantieert.

Dit distantiëringsritueel is bovendien enkel bij ‘hen’ noodzakelijk. Als een samenkomst van Vlaamse jongeren, na een Facebook-oproep om een collectief dansje op te voeren op het plein voor het Centraal station in Antwerpen, uitmondt in gevechten en onlusten, dan moet geen enkele Vlaming zich distantiëren. Hier wordt de hele machtsongelijkheid die schuilgaat achter het discours duidelijk en het wordt even duidelijk dat het schrappen van het woord allochtoon daar geen bal aan verandert.

Verschelden en Lenaerts illustreren hier een klassieke sociolinguïstische wet: woorden hebben, in de praktijk, geen vaste woordenboekdefinitie. Woorden krijgen betekenis doordat ze gebruikt worden in een bepaalde context, binnen een welbepaald discours door een bepaalde spreker in een bepaalde tijd met welbepaalde doelstellingen, enz. In de realiteit zien we dus dat de betekenis van woorden constant aan verandering onderhevig is. Een simpele knipoog kan de betekenis van een woord veranderen. Toch is die verandering niet oneindig: er zijn allerhande regels die in een dergelijke specifieke setting gelden en die regels zijn ook onderhevig aan politieke, sociale economische en culturele contexten van strijd. En het is in die context dat de betekenis bepaald wordt van een woord. Dat verklaart ook waarom een vrij neutrale en objectieve term als gastarbeider in de loop van de decennia een negatieve connotatie verwierf en vervangen werd door het woord migrant. Al snel nam het concept migrant en later de opvolger allochtoon die negatieve connotatie over. We leren hieruit dat niet zozeer het woord an sich een probleem is, maar wel het bredere discours. Barthes benoemt dat als het effect van de mythe. Die mythe geeft woorden een nieuwe betekenis en dat is het gevolg van een politiek-ideologische machtsstrijd.

Allochtoon en de politiek ideologische strijd om betekenis

Het vanuit dit sociolinguistisch perspectief dat ik vandaag kijk naar de impact van het al dan niet afschaffen van het woord. Vanuit die bril kunnen we niet anders dan vaststellen dat het concept allochtoon haar betekenis verwerft in de wijze waarop het gebruikt wordt in het dominante debat. En in die zin is het woord, met de bijhorende negatieve connotatie, perfect inwisselbaar met termen als migrant, vreemdeling, moslim, Turk, Gentse Turk, … Elk van deze termen krijgt binnen dat dominante discours dezelfde mythische definitie namelijk: iemand die niet van hier is en daarom problemen met zich meebrengt.

Bovendien hoeft de betekenis die kleeft aan een woord niet blijvend te zijn, ze is immers het gevolg van menselijk handelen. Of concreter, de betekenis is het gevolg van een voortdurende politiek-ideologische machtsstrijd. Het zou dus ook tot de mogelijkheden behoren dat zogenaamde ‘allochtonen’ het concept zelf hanteren als een geuzennaam, net zoals rappers dat gedaan hebben met het aangebrande ‘nigga’. Vanaf dan krijgt het concept een andere betekenis omdat het ingebed zit in een ander discours.

Vanuit deze realiteit is het misschien interessant om in rekening te brengen dat het begrip allochtoon initieel werd geïntroduceerd vanuit twee bezorgdheden. Ten eerste omdat het concept migrant te veel negatieve connotaties had opgelopen. En ten tweede, omdat beleidsmakers inzagen dat de kinderen van migranten ook te kampen hadden met discriminatie. Om deze mensen ook onderdeel te kunnen maken van een beleid gericht op gelijkheid moest die groep zichtbaar worden. Het begrip allochtoon was in eerste instantie een onderdeel van een discours gericht op gelijkheid, gericht op de bestrijding van discriminatie. Het zat ingebed in een wetenschappelijk discours en had geen enkele identitaire betekenis. Allochtoon was een concept dat een realiteit beschreef. Het beschreef die groep mensen in onze samenleving die vanwege hun afkomst of die van hun ouders en grootouders te maken hadden met discriminatie en zo als groep tevoorschijn kwamen in de statistieken van de arbeidsmarkt, van de huisvestingsmarkt en in het onderwijs.

De negatieve connotatie van het concept is dus een gevolg van een specifieke politiek-ideologische strijd en het gebruik van het concept in een heel andere context, namelijk de context van het gemediatiseerde maatschappelijk debat waar politieke partijen niet zelden trachten electoraal kapitaal te vergaren door te strijden tegen die ‘gevaarlijke, onaangepaste moslims’. Vanuit dit perspectief wordt duidelijk dat ook de nieuwe woorden die in de plaats zullen komen van het label ‘allochtoon’ an sich geen revolutionaire verandering teweeg brengen. Meer nog, de vraag is welke labels vervolgens zullen gebruikt wordt. De term etnisch-culturele minderheden is bijvoorbeeld als alternatief helemaal niet zo heilig makend. Integendeel. De intertekstuele traditie waarin het woord gebruikt werd in de laatste eeuwen is niet meteen een positief gegeven. De term etnie is geen waardenvrije term, maar is een concept dat een heel lange geschiedenis van gebruik kent en die geschiedenis kleeft aan dat concept. Zo is het opvallend dat we onszelf nooit zien als deel van een etnie. Je zal op het journaal nooit horen dat iemand een etnische Vlaming is. En net dat gebruik verraadt een geschiedenis. In de jaren 60 bijvoorbeeld werd etnie gebruikt als ‘a polite term for Jews, Italians and other lesser breeds.’ En ook het gebruik van het concept binnen de antropologie stond steeds gelijk aan de beschrijving van ‘de ander’. We bestudeerden ‘etnieën’ om iets te leren over ‘de oorsprong van de mens’: etnieën lijken dan relikwieën uit het verleden. De vervanging van allochtoon door etnisch culturele minderheden is dus helemaal geen stap vooruit, misschien zelfs integendeel. Ze herleidt mensen per definitie tot 1 identiteit: de etnische identiteit.

De afschaffing van een concept en de politiek-ideologische strijd

Is het schrappen van het woord allochtoon dan alleen maar een nietszeggende en louter symbolische actie? Is het een zaak van veel blabla en weinig boemboem? Niet noodzakelijk. Het concept allochtoon, als symbool van die dominante ideologie, is een problematisch gegeven en het afschaffen van het concept kan deel zijn van een veel bredere beweging. Enkel als de afschaffing past binnen een veel breder verhaal dat enerzijds focust op een ander discours en anderzijds op andere praktijken die in de ongelijkheid in burgerschap en discriminatie bestrijden, is deze afschaffing van de term werkelijk een revolutionaire verandering. Zo niet dreigt die afschaffing niet meer te zijn dan symboolpolitiek of een vorm van citymarketing. Om deze symbolische daad te laten uitgroeien tot het begin van een nieuwe realiteit moeten er dus een heel pak randvoorwaarden worden vervuld.

Eén ding is vandaag al duidelijk. Gent stuurt met deze beslissing een belangrijk signaal de wereld in. Ze klaagt als stad de wij-zij-categorisering aan en houdt pleidooi voor een nieuw burgerschap, een inclusief burgerschap waar “iedereen Gent is”. Deze slogan roept meteen ook een hele geschiedenis op: de geschiedenis van de radicale verlichting waar iedere burger gelijk is en onvervreemdbare rechten heeft. Dat is uiteraard een opvallend statement in tijden van een rechtse, antimigratie en Vlaams nationalistische hegemonie. De grote vraag is nu of deze symbolische politieke actie ook zijn vertaling zal krijgen in een ideologisch en beleidsmatig offensief op het Gentse grondgebied. Immers, de afschaffing van het woord an sich, als dat al zou kunnen, betekent in de praktijk vaak dat er een nieuwe categorisering zal verschijnen. De afschaffing van het concept, wil ze een nieuwe realiteit scheppen, zal dus een onderdeel moeten zijn van een veel bredere politiek-ideologische strijd. En deze politieke strijd zal zich moeten vertalen, zowel in het discours van de politici als in haar dagelijks beleid.

Concreet betekent dit dat Gent zal moeten bouwen aan het realiseren van een nieuw burgerschapsdiscours – én praktijk. Het voordeel is dat er op zich weinig nieuws moet uitgevonden worden op discursief vlak: er bestaat immers een heel lange traditie van spreken, denken en handelen dat gebaseerd is op een inclusief burgerschap. Die traditie kennen we onder het concept van de radicale verlichting.

Hier moeten we even uit het verhaal stappen. Immers hoewel DE verlichting vandaag een dominant gegeven is in het maatschappelijk debat, is het vanuit historisch perspectief heel moeilijk om te spreken over DE verlichting. Jonatan Israel, een van de meest eminente geschiedkundigen over de verlichting en de radicale verlichting in het bijzonder, is na jarenlang onderzoek en duizenden pagina’s tot de conclusie gekomen dat mensen die spreken over DE verlichting eigenlijk niet weten waarover ze het hebben. Israel benadrukt dat er heel veel verschillende stromingen zijn binnen die verlichting die vaak op ramkoers liggen met elkaar. Hij spreekt dan onder andere ook van het onderscheid tussen een gematigde verlichting (met Voltaire, Hume en Rousseau …) en een radicale verlichting (met Diderot, d’ Holbach, Condorcet, Paine, …). Hoewel beide bewegingen zich beroepen op de waarden van vrijheid en gelijkheid, is het volgens Israel de radicale verlichting die ons de democratie en de mensenrechten geschonken hebben. De gematigde verlichting pleitte voor verlichte monarchen en verzette zich tegen democratie en het idee dat iedereen gelijk is.

Het is waarschijnlijk geen toeval dat de ideologie van de radicale verlichting nagenoeg niet weerklinkt in het maatschappelijk debat. Het is immers opmerkelijk om vast te stellen dat vooral de rechterzijde van het politieke spectrum, zeker in het kader van het debat over diversiteit in onze samenleving, zich beroept op ‘de’ verlichting. Nog opmerkelijker is dat we in dat discours van de rechterzijde een enorme pervertering zien van de waarden van die politiek-ideologische traditie die ons de democratie geschonken heeft. De (radicale) verlichting, de rechten van de mens en de democratie worden in hun discours ingezet om ‘de ander’ uit te sluiten om ze extra plichten op te leggen en hun rechten voorwaardelijk te maken. De intellectuelen van de rechterzijde beroepen zich in de praktijk veeleer op de denkers uit de antiverlichting zoals Burke, Renan, Taine, De Maistre, Herder, enz… of in het beste geval op denkers uit de gematigde verlichting zoals Voltaire of Hume. Het hoeft geen betoog dat een dergelijk discours over de verlichting niet meteen het draagvlak versterkt heeft voor radicale democratie en de centrale waarden van de radicale verlichting binnen een superdiverse samenleving als de onze.

Jonatan Israel werpt op dat volgens hem de standpunten van de gematigde verlichtingsdenkers niet meer relevant zijn, meer zelfs, ze zijn volgens hem onverdedigbaar: ze leiden ons naar intolerantie, afbraak van rechten, verlicht despotisme of een verlichte monarchie, vox populisme en een afwijzing van ideeën die centraal staan in de opkomst van de democratie. De waarden van de radicale verlichting daarentegen zijn volgens hem relevanter dan ooit en verdienen dan ook een radicale verdediging, zeker in tijden waar de ideologie van de antiverlichting terug stevige voet aan de grond krijgt in heel Europa en bij uitbreiding de wereld. Lezen we de werken van die radicale verlichtingsdenkers dan valt op dat ze absoluut niet gedateerd zijn. Meer nog, vaak lijken ze nog maar net geschreven te zijn en hebben ze nog niets aan revolutionaire kracht ingeboet. Hun strijd om een betere samenleving klinkt actueler dan ooit. Opmerkelijk is bijvoorbeeld hun universeel en kosmopolitisch perspectief. Niet zelden waren die radicale intellectuelen van de 18de eeuw zelf migranten en voerden ze intellectuele discussies met mensen uit alle uithoeken van de wereld. Wat nieuw is aan deze radicale verlichting is niet zozeer de verschillende ideeën die ze opperen – veel van die ideeën zijn niet nieuw, maar worden overgenomen van de oude Grieken, van de freethinkers uit het Midden-Oosten, uit Indië, … – maar het feit dat al die ideeën samengebald geraken in een ideologie gericht op de opbouw van nieuwe samenlevingen.

In het ideeëngoed van die radicale verlichting staan gelijkheid en vrijheid centraal. Iedere burger heeft in die traditie onvervreemdbare rechten. Ik herhaal onvervreemdbare rechten: in die traditie is het niet een staat of een overheid die rechten toekent aan haar burgers, het tegendeel is het geval. De burger is eigenaar van zijn rechten. Society grants him nothing, onderstreepte de radicale verlichtingsdenker Thomas Paine. De staat is dan een instrument om de burgers die rechten te garanderen. Politici en ambtenaren werken in dienst van de burger, van alle burgers op het grondgebied ongeacht hun specifieke kenmerken zoals hun afkomst of nationaliteit.

Het is dan ook geen toeval dat radicale liberale denkers zoals Condorcet, die een prominente rol speelden ten tijde van de Franse revolutie, zich al jaren aan het inzetten waren voor gelijke rechten voor vrouwen, voor zwarten en zich fel verzetten tegen elke vorm van slavernij en uitbuiting. Gelijkheid en vrijheid waren in die traditie geen abstracte waarden die ergens zweefden boven de realiteit, maar dienden net als praktische handleidingen om nieuwe samenleving te bouwen. Samenlevingen die gekenmerkt worden door gelijkheid en vrijheid van eenieder op het grondgebied. Gelijkheid was voor deze denkers de voorwaarde om vrij te kunnen zijn. Willen we de waarden van deze radicale verlichting vandaag realiseren dan hebben we een radicale politiek nodig. Die radicale politiek begint met het uitwerken van een radicaal discours dat als leidraad dient om de samenleving te veranderen. Condorcet hield daarom pleidooi om de mensenrechten zoals die opgesomd werden in la declaration des droits de l’homme steeds uit te breiden als een instrument om veranderingen in de realiteit te bewerkstelligen. Eerst kwam het ideaal, en dat moest dienst doen als een instrument om de samenleving zelf te veranderen.

De radicale verlichting als stedelijke en kosmopolitische praktijk

De verlichting is dus niet iets wat deel is van ons erfgoed, iets uit het verleden dat al lang gerealiseerd is. Het kan ook niet ingezet worden om een cultureel evolutionisme te prediken, maar dient een handleiding te zijn om vooruitgang te boeken, om een samenleving op te bouwen die gericht is op de realisatie van deze idealen in de praktijk. Vanuit dit perspectief gedacht betekent dat heel concreet dat de afschaffing van het concept allochtoon slechts een mini-stapje is naar een betere wereld. Het verhaalt een intentie maar dient dus gepaard te gaan met een heel duidelijk discours en een heel duidelijke praktijk.

Concreet gaat dit over een discours over burgerschap waar het idee van onvervreemdbare rechten centraal staat in de context van een geglobaliseerde en superdiverse stad. Immers, hoewel de waarden van de radicale verlichting al meer dan twee eeuwen oud zijn, zijn ze nog altijd niet gerealiseerd. Meer nog, ze komen steeds meer onder druk te staan. Vandaag zijn onze rechten bijvoorbeeld voor een groot stuk afhankelijk van onze nationale identiteit. Dat betekent in de praktijk ongelijke rechten. Zo hebben officiële onderdanen meer politieke rechten dan nieuwkomers. Maar ook op sociaal, economisch, cultureel als religieus vlak hebben ‘echte Belgen’ meer rechten dan ‘nieuwkomers’.

Dat is bovendien niet alleen een officieel gegeven, het is ook een officieus gegeven. Het gros van de mensen met Turkse, Congolese of Marokkaanse roots zijn hier geboren en hebben ook de Belgische nationaliteit. Officieel hebben ze dus dezelfde rechten. In de praktijk is dat echter niet het geval. Racisme en discriminatie zijn nog altijd schering en inslag. Onderzoek na onderzoek stelt deze realiteit vast. Gisteren nog, toonde het consumentenprogramma VOLT nog aan dat racisme een gangbare praktijk is in het Gentse uitgangsleven. Charters en sensibilisering halen blijkbaar allemaal niet veel uit.

Het hoeft geen betoog dat het zwaaien met de verlichting als iets typisch ons, terwijl de realiteit hen net het tegenovergestelde toont, uitermate contraproductief is. Ze kan enkel maar het draagvlak ervan ondermijnen. Dat betekent dan ook dat Gent niet alleen het concept allochtoon moet afschaffen, maar vooral de realiteit van dat concept moet afschaffen. De stad is natuurlijk niet voor alles bevoegd en kan dan ook niet alles veranderen, maar het betekent wel dat de stad en haar politieke partijen consequent op alle niveaus – van de VN en Europa tot België en Vlaanderen – moet strijden om die ideologie van de radicale verlichting te realiseren. Op stedelijk niveau moet ze de bevoegdheden die ze heeft als stad maximaal inzetten om die idealen om te zetten in de praktijk.

De centrale vraag is dus hoe de Stad Gent discriminatie en ongelijkheid in de realiteit zal bestrijden. Zal de stad, in navolging van Brussel, bijvoorbeeld praktijktesten organiseren die discriminatie in kaart brengen en zo het fundament vormen voor de daadkrachtige bestrijding. Zal de stad Gent het verbod op religieuze symbolen opheffen en in de geest van de radicale verlichting godsdienstvrijheid en beleving beschouwen als een recht dat het toelaat om een vreedzame samenleving op te bouwen. Hoe zal de stad omgaan met mensen zonder papieren die nu in vaak schrijnende omstandigheden tewerkgesteld zijn en gehuisvest worden? Zal de stad een instrument worden dat voor eenieder op het grondgebied een goed en gelukkig leven in het vooruitzicht stelt? Zal de stad bijvoorbeeld pleiten voor een juridische regeling van praktijktesten? Zullen de stad en haar politieke partijen bijvoorbeeld pleiten voor de afschaffing van de notionele interest en voor de invoering van een vermogensbelasting. Zal de stad de wooncrisis verlichten voor de armsten?

Vandaag kunnen we enkel maar de hoop uitspreken dat de symbolische actie van de stad Gent in het kader van de dag tegen het racisme de eerste stap is naar een structureel antidiscriminatiebeleid. Dat het slechts een klein onderdeel is van een veel bredere contrahegemonische strijd voor gelijkheid en tegen discriminatie. Een strijd voor gelijkheid en vrijheid van eenieder, voor onvervreemdbare rechten en een constante uitbreiding en verdieping van onze democratie die uiteindelijk moet leiden naar een politiek op wereldschaal die de idealen van die radicale verlichting in de praktijk omzet. De stad kan daarbij dienen als laboratorium van het verzet. Een democratisch verzet dat gericht is op het uitbouwen van een betere wereld gestoeld op een universeel burgerschap.

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen, gastprofessor Politiek en Cultuur aan het Rits en coördinator van Kif Kif. Hij schreef o.a. N-VA | Analyse van een politieke ideologie (EPO, 2012) en De beschavingsmachine. Wij en de islam (EPO, 2009). Onder zijn redactie verscheen eerder Cultu(u)rENpolitiek, dat in 2008 de publieksprijs van boekhandel De Groene Waterman won.

‘Realisme’ als ideologie

Over superdiversiteit, precariteit en de nood aan Verlichting

Ico Maly & Jan Blommaert

We zijn allen stille getuigen van een hele resem aanvallen op de democratie en de Verlichtingswaarden. Meer, nog die aanval op de waarden van de Verlichting wordt niet bestempeld als radicaal, zelfs niet als politiek-ideologisch, maar als realisme. En net dat toont de hegemonie van dit anti-Verlichtingsdenken.

[ Dit stuk verscheen als onderdeel van het boek Jeugdwerk en sociale uitsluiting. Handvatten voor emanciperend jeugdbeleid
(Redactie: Filip Coussée en Lieve Bradt ). Een initiatief van Uit de marge ]

We leven in een geglobaliseerde wereld. Dat lijkt vandaag een open deur in trappen. En toch. Die globalisering is vaak heel ver weg als we spreken over migratie en diversiteit in onze samenleving. In het maatschappelijk debat en de politiek begint migratie schijnbaar pas als het België binnenkomt. En vanaf dan wordt het behandeld als een Belgisch, meer nog een Vlaams probleem. Een probleem van botsende waarden en normen in een voor de rest homogeen gebied. De ‘oplossing’ wordt dan niet zelden gevonden in een drang naar her-homogeneïsering dat geflankeerd wordt door een repressie- en disciplineringsapparaat. Wij vormen immers een samenleving van rechten én plichten en die plichten moeten afgedwongen worden. Wij moeten ‘onze waarden en normen’ verdedigen. En voegen die stemmen er vaak aan toe: het moet nu maar eens uit zijn met al die toegevingen aan de dominante multiculturalisme-ideologie van de linkse kerk. Het heet dan dat we realistisch moeten zijn. Maar is dat realisme wel zo realistisch? Dat is de centrale vraag waarop deze bijdrage antwoordt.

Globalisering en migratie

België is een immigratiesamenleving (Loobuyck, 2003). Dat is terug niets nieuws, maar het heeft wel verstrekkende consequenties als we het aanvaarden als vertrekpunt van het beleid. Doen we dat, dan aanvaarden we dat migratie van alle tijden is. De menselijke geschiedenis is immers een geschiedenis van migratie (Commers en Blommaert, 2001). Door de globalisering, neoliberalisering en nieuwe, goedkopere transportmiddelen zal de migratie bovendien enkel maar toenemen. Dat blijkt ook uit de cijfers. In 2003 was ongeveer 3% van de wereldbevolking een migrant, ofwel 150 miljoen mensen (Stalker, 2003). In 2010 waren er al 214 miljoen migranten (Standing, 2011) en de voorspelling voor 2050 is dat er ongeveer 450 miljoen migranten zullen zijn (Stalker, 2003). Hoewel de wereldwijde migratiestromen jaar na jaar fluctueren, zien we dus dat migratie op lange termijn steeds toeneemt, ook in België. Ondanks de migratiestop in 1974 en alle extra drempels die de politiek sindsdien geïnstalleerd heeft, is er een ononderbroken toename van migratie naar België tussen 1980 en 2009 . De onvermijdelijke conclusie is dan ook dat ‘ons’ beleid, gericht op het ontmoedigen van migratie naar ons land, bitter weinig impact heeft op de grootorde van de migratie naar België. Migratie is deel van onze condition humaine. Ze zal dan ook niet gestopt worden. Mensen migreren immers niet zomaar.

De realiteit is dat migratie niet alleen een menselijk fenomeen is, het is ook een bij uitstek geglobaliseerd fenomeen. De literatuur spreekt over push en pull-factoren die nationale en internationale migratiestromen sturen (zie bv. Stalker, 2003). Push-factoren zijn dan bijvoorbeeld de algemene slechte sociaaleconomische situatie in het thuisland (bedrijven verdwijnen of verhuizen, jobs verdwijnen of zijn er nooit geweest, mismatch tussen werkbevolking en jobs, slechte lonen, …). Uiteraard speelt ook de politieke constellatie een grote rol: dictaturen, autoritaire regimes en (burger)oorlogen produceren politieke vluchtelingen. Maar ook ecologische rampen vormen belangrijke push-factoren voor migratie, zowel in één land als tussen landen. Daarnaast zijn er ook pull-factoren, factoren eigen aan de regio waar men naartoe vlucht. Terug zien we daar de sociaaleconomische situatie opduiken. Een goede economische conjunctuur trekt mensen aan die een beter leven zoeken en trekt ook buitenlandse investeerders en multinationale bedrijven aan. Een land of bepaalde sectoren in een land kunnen ook kampen met een tekort aan arbeidskrachten (gaande van ‘vuil’ werk tot topjobs) waardoor die organisaties of de landen zelf migratie organiseren. Het grootste deel van de migratie in België voor 1974 is daar een voorbeeld van. Ons land ging actief op zoek naar buitenlandse werkkrachten en organiseerde ook actief de migratie naar België. Globaal genomen kan je de pull-factoren samenvatten als een droom op een betere toekomst die geassocieerd wordt met een regio.

Concreet betekent dit alles dat gebeurtenissen aan de ene kant van de wereld effecten genereren in een hele andere uithoek van de wereld. Dit perspectief maakt duidelijk dat migratie niet alleen voorkomt in een geglobaliseerd systeem, ze wordt er ook door voortgestuwd. Summier samengevat kunnen we de impact van die globalisering aan het werk zien binnen drie domeinen die elk een invloed uitoefenen op die migratiestromen. (1) Een geglobaliseerd economisch systeem, (2) Een geglobaliseerd ecologisch systeem en (3) een geglobaliseerd politiek systeem.

Als we in de kernlanden van ons wereldsysteem een massale ecologische voetafdruk hebben, vertaalt zich dat niet alleen in zure regen bij ons. Het zorgt ook voor overstromingen, hongersnoden of vervuiling honderden en duizenden kilometers verder, waardoor mensen gedwongen worden te migreren. De opwarming van de aarde is, net zoals migratie, geen nationaal gegeven en de effecten ervan zijn dat ook niet. Hetzelfde verhaal gaat op voor de politieke polis die de wereld aan het worden is. De aanslagen van 9/11 zorgden bijvoorbeeld niet alleen voor doden in New York en Washington, ze zorgden ook voor een grote economische kost en het opgang trekken van een gigantische oorlogsmachine die Afghanistan en Irak overhoop gebombardeerd heeft. De migratiestromen uit die landen komen nog altijd toe in de rest van de wereld. Ook bij ons, waar ongeveer 2% van de wettelijke migratie bestaat uit Irakese vluchtelingen . Dat alles is niet nieuw. Zo zorgde ook de Irak-oorlog in het begin van de jaren negentig voor een stijging van Irakese migranten, net zoals het vallen van de Berlijnse muur en later de Sovjet-Unie hun sporen nalieten in de migratie naar Europa en België (Vertovec, 2007). Ook de geglobaliseerde, neoliberale economieën zorgen ervoor dat Vlaanderen niet meer los kan gedacht worden van de wereld (Standing, 2011). Massale herstructureringen in China zorgen uiteindelijk voor nieuwe Chinese migranten in België. Multinationale bedrijven trekken een multinationaal werkleger aan. Bedrijven delokaliseren, ze doen aan outsourcing en insourcing. Neoliberalisering en migratie gaan hand in hand. Meer nog, zoals we straks zullen duiden, migranten vormen het schaduwleger van die neoliberalisering (Standing, 2011, p.91).

België is geen eiland in de wereld. De nationale overheden hebben weinig impact op de migratiestromen, hun migratiebeleid heeft echter wel een grote impact op het soort samenleving dat daarmee geconstrueerd wordt. Het zijn immers de nationale overheden die het statuut bepalen van de migrant in de samenleving. Sinds de migratiestop in België zien we bijvoorbeeld dat meer dan 90% van de aanvragen niet resulteert in een verblijfsvergunning. Dat betekent niet dat de migratie gestopt is. De migranten leven wel degelijk in België, maar worden in de illegaliteit geduwd, met alle gevolgen van dien voor hen en onze samenleving. Migratie is niet gestopt de laatste decennia en die migratie heeft een geheel nieuwe samenleving geschapen.

Het ontstaan van superdiversiteit

De globalisering en de doorbraak van het neoliberalisme na de val van de Berlijnse muur zorgen voor een nieuwe wereldorde en een heel nieuwe migratie. We spreken vanaf dat moment van superdiversiteit. Superdiversiteit beschrijft als concept die nieuwe migratie die zich vanaf de jaren 90 in ongeveer alle Europese steden voltrokken heeft en de samenstelling van alle landen grondig veranderd heeft. We krijgen dan een enorme ‘diversifiëring van de diversiteit’ in de migratie. België vormt daarop geen uitzondering. In Gent leven er ondertussen 160 nationaliteiten , in Antwerpen leven er 170 nationaliteiten en in Brussel 174 . Brussel is een klassiek voorbeeld van die superdiversiteit. Minder dan de helft van de Brusselse bevolking is van Belgische origine; een derde komt uit een niet-Europees land (Corijn en Vloeberghs, 2009). Superrijk en superarm wonen er zij aan zij. Geen enkele taal is een meerderheidstaal in Brussel en er is ook geen hegemonische meerderheidscultuur (Blommaert, 2011a). Die superdiversiteit kleurt niet alleen de grootsteden, ze kleurt België. Op het Belgisch grondgebied leven in totaal mensen uit 194 verschillende landen . België is dus niet te verwarren met een homogene natie, waar ook enkele migranten aanwezig zijn. Superdiversiteit is in België de norm. Van homogeniteit is al lang geen sprake meer. Die superdiversiteit slaat bovendien niet enkel op diversiteit qua afkomst. In tegendeel, het benadrukt, zoals aangestipt, net de diversificatie binnen de diversiteit, ook binnen één ‘etnische groep’. Naast de klassieke elementen als geslacht, politieke voorkeur, leeftijd en religie, slaat die superdiversiteit ook op een hele resem andere variabelen zoals de verschillende immigratiestatussen en de bijhorende (ingeperkte) rechten van nieuwkomers, hun onderwijs- en arbeidservaring en hun ervaringen met administraties. Maar ook de plaats waar migranten wonen in ons land en hun relatie met onze overheidsinstellingen zijn factoren die bepalend zijn in de aard van diversiteit en dus in de aard van onze samenleving. Superdiversiteit houdt een multidimensioneel perspectief in op diversiteit. Het concept stelt de diverse reeks invloeden centraal die samen komen in het leven van mensen en hun leven conditioneren (Vertovec, 2007).

Die superdiversiteit is maar mogelijk binnen die globale context. Ze hangt bovendien ook sterk samen met de opkomst van nieuwe media in de jaren 90. Die media laten immers toe dat migranten hun band met het thuisland actief kunnen onderhouden. Migranten communiceerden in de jaren 70 o.a. via cassettebandjes die ze opstuurden naar het thuisland. Die communicatie verliep zeer traag, al snel ging er een maand voorbij vooraleer de communicatie heen en terug reisde. Vandaag zorgen email, Facebook, Skype, gsm’s, … voor een ogenblikkelijk en continu contact. Bovendien kunnen migranten via satelliettelevisie kijken naar het nieuws en de shows uit het thuisland. Dat betekent dat personen die hier geïsoleerd leven een groot sociaal leven kunnen hebben eenmaal ze achter hun pc kruipen (Blommaert en Backus, 2012). Die nieuwe migratie, gekoppeld aan de hedendaagse communicatiemiddelen én aan het beleid van de verschillende Europese lidstaten zorgt voor die enorme diversiteit aan elementen die het leven tekenen van iedereen in onze samenleving, zowel autochtoon als allochtoon. We bouwen en onderhouden onze identiteit virtueel of fysiek via meerdere media in meerdere landen.

Superdiversiteit betekent bijvoorbeeld dat een label als ‘Irakese allochtoon’ helemaal geen duidelijk beschrijvend concept is. Het kan de meest uiteenlopende personen beschrijven en dit ongeacht de vooronderstelde gelijkenissen die we projecteren op Irakezen. Zo kan die Irakese migrant gevlucht zijn na het stopzetten van de eerste Amerikaanse bombardementen in de jaren 90 en in wezen een laagopgeleide Koerd zijn die hier in België niet erkend wordt als legale vluchteling en dus al 10 jaar een clandestien leven leidt in Antwerpen en in het zwart werkt. Daarnaast kan datzelfde label verwijzen naar een net aangekomen migrant uit Irak die gevlucht is voor het sektarisch geweld in zijn land en in het bijzonder gevlucht is omdat zijn leven bedreigd werd als gevolg van zijn collaboratie met de bezettende macht. Die man is hoogopgeleid, pragmatisch gelovig, hevig tegenstander van Saddam, liberaal, Amerika-minded en hevig tegenstander van het sektarisch geweld. Bovendien wil hij, als het mogelijk is, zo snel mogelijk naar Engeland verhuizen want daar heeft hij familie wonen. Een laatste kandidaat kan vrouw zijn, niet gelovig, socialist en een hoog opgeleide kunstenares die bovendien vanuit België nog steeds actief is in het verzet in haar thuisland. Elk van deze migranten past onder het label Irakese vluchteling en toch hebben ze bitter weinig gemeen met elkaar.

De nieuwe migratie is dus uitermate complex. En dat is niet alleen een gevolg van het migrerend individu zelf. Het is ook een gevolg van het migratiebeleid van de westerse landen die vanaf midden jaren 70 steeds meer het migratiebeleid gaan afstemmen op het tegenhouden van migratie. Met als gevolg dat het aandeel clandestiene migratie hand om hand toeneemt. De legale migratie bestaat dan voornamelijk uit gezinsmigratie, migratie van ambachtslui en topprofessionals. De migratie is gelaagd en produceert superdiversiteit. Die superdiversiteit is sinds de jaren 90 in opmars en zorgt niet alleen voor invloedrijke herstructureringen in de bevolkingssamenstelling, maar ook in de structuur van onze samenleving en het beleid zelf (Vertovec, 2007; Blommaert, 2011).We lijsten enkele centrale evoluties op:

(1) Het uitzicht van onze steden is grondig veranderd. Niet alleen het straatbeeld in de kern van grote steden is veranderd, ook de bewoners van wijken zijn veranderd. Er ontstaan enclaves van rijke migranten zoals Europarlementariërs of topprofessionals. Die ghetto’s zijn het voorrecht voor de rijken of ze nu autochtoon, dan wel allochtoon zijn. De etnische wijken van weleer zijn vandaag superdiverse wijken. En die wijken zijn gestratificeerd. Gaande van nieuwe migranten zonder papieren die moeten bedelen of in het zwart de afwas doen in een restaurant om te overleven, over de tweede generatie Turkse of Marokkaanse Vlaming die een bakkerij of restaurant heeft, tot de kindsoldaat uit Soedan die als rapper tracht zijn bestaan op te bouwen in Gent of Antwerpen.
(2) De migratie an sich is veranderd. Niet alleen vanuit het perspectief van de landen van herkomst en de toename van het aantal landen waaruit mensen o.a. naar ons land migreren, maar ook het profiel van de migrant binnen één emigratieland is uiterst divers geworden. Uit Indië komen bijvoorbeeld zowel topprofessionals uit de IT-wereld, als migranten die hier werken als burgerlijk ingenieur, filosoof, afwasser of bediende in een nachtwinkel. Meer nog, ook de migratiepatronen zelf zijn uitermate complex geworden (Blommaert, 2011a): migranten gaan niet meer van land A naar land B; maar bewegen in complexe trajecten van land A naar land B, dan naar C, terug naar A, dan naar D, B, C, en terug naar A. Ze zijn niet allemaal meer per definitie resident, hebben niet het voornemen hun toekomst op één plaats in de wereld uit te bouwen.
(3) Door de opkomst van de nieuwe media, gaande van de gsm tot en met het hele Web2.0, chatsystemen en Skype, is de menselijke communicatie sterk veranderd. Dat heeft grote gevolgen voor cultuurproductie, maar ook voor identificatie en identiteitsvorming. Ze zorgen niet alleen voor nieuwe vormen van spreken en schrijven, ze zorgen ook voor nieuwe transnationale sociale relaties en heel nieuwe vormen van identiteitproductie . Via Facebook of Twitter wordt dagelijks gewerkt aan designidentiteiten (Blommaert en Rampton, 2012), maar ook aan gigantische sociale netwerken waar alles openbaar is en verbonden. Van homogene nationale culturen is geen sprake meer, als er al ooit sprake van geweest zou zijn. Allochtonen en autochtonen produceren identiteit in een geglobaliseerde en gemediatiseerde ruimte.

Homogeneïsering en culturalisering

Net op het moment dat die superdiversiteit opgang maakt binnen de globalisering, ontstaat binnen verschillende Europese naties een nationalistische opstoot. In eigen land was die zichtbaar met de opkomst van het Vlaams Blok, maar ook in het door CVP-gestuurde verankeringsdebat en in de burgermanifesten van Verhofstadt. Dat nationalisme vertaalde zich onder andere in de focus en problematisering van de aanwezigheid van de migranten uit ‘de pre-jaren 90 migratie’ en hun nakomelingen. Hun aanwezigheid en vooral hun cultuur werd steeds meer gezien als de oorzaak van talloze samenlevingsproblemen (zie Maly, 2007; 2009). Hoewel deze superdiversiteit heel ons land kleurt vanaf die jaren 90, wordt hierover in het maatschappelijk debat nauwelijks gesproken. België en Vlaanderen worden tegen de realiteit in gezien als homogene gebieden die geconfronteerd worden met de aanwezigheid van ‘vreemde culturen’. Migratie wordt gezien als een tijdbom (Blommaert en Verschueren, 1992). Om die bom te ontmantelen kiest de overheid tot op vandaag voor een dubbele strategie:

(1) Migratie beheren:
(a) Zo weinig mogelijk slechte (of beter: arme en laagopgeleide) migratie toelaten. Dit heeft een extreem verstrakt asielsysteem als gevolg voor de niet gewilde migratie, waardoor het aandeel clandestiene migratie toeneemt.
(b) Het faciliteren van gewilde migratie, dat is migratie voor knelpuntberoepen of de migratie van topprofessionals.

(2) Diversiteit beheren:
(a) Als (niet-gewilde) migranten alsnog in ons land binnen geraken met een verblijfsvergunning, dan moeten ze onze waarden en normen aanleren en de taal. Ze moeten zich inschakelen in ‘de Vlaamse cultuur’.
(b) Daarvoor worden rechten (recht op werk, recht op een goed leven, stemrecht, recht op arbeidsbemiddeling, recht op een woning, …) voorwaardelijk gemaakt. Migranten hebben maar volledige rechten als ze (1) een verblijfsvergunning hebben, (2) ingeburgerd zijn, (3) de taal kennen en (4) de nationaliteit verwerven (En dan nog kan niemand hen de vrijheid van racisme garanderen). Als migranten hier niet aan voldoen worden ze onderworpen aan repressie en uitsluiting.

Dit nieuwe beleid weerspiegelt een omslag in macht en in de dominante ideologie (Maly, 2007; 2009; Arnaut et al., 2009; Blommaert en Verschueren, 1998). Die nieuwe hegemonie laat zich duidelijk zien in wat destijds het integratiedebat werd genoemd. Waar integratie na de oliecrisis in de jaren 70 met de massale werkloosheid onder allochtonen als gevolg, door straathoekwerkers en vakbonden gebruikt werd binnen een sociaaleconomische logica, integratie staat dan gelijk met werk hebben, zien we in het integratieparadigma van de overheid van meet af aan een dominante culturele dimensie opduiken (Blommaert, 2011b). Met het opduiken van die culturele dimensie ontstaat vanaf de jaren 90, onder aanstuwen van het Vlaams Blok, een massale culturalisering van maatschappelijke problemen. Werkloosheid van migranten, hun slechte schoolresultaten, homofobie, ongelijke genderverhouding, criminaliteit en terrorisme worden vanaf dan problemen met ‘hun cultuur’, met ‘hun religie’ (Maly, 2007). Die culturalisering loopt bovendien parallel met de individualisering van maatschappelijke problemen ten dienste van de neoliberale dromen: werkloosheid is geen gevolg meer van de structuur van de economie, maar een probleem eigen aan het individu. Beide evoluties leiden tot een enorme vernauwing en verstrakking in het migratie -en integratiebeleid. Het beleid vertrekt vanuit het idee dat er zoiets bestaat als een homogene Vlaamse cultuur met duidelijke waarden en normen, gedragen door een taal. Een cultuur bovendien die inherent superieur is aan die van de nieuwkomers. De oplossingen voor ‘het probleem diversiteit’ worden dus niet gevonden in het inzetten op het verdiepen van de democratie en het extra inzetten op werk of het realiseren van gelijke rechten. Er wordt ingezet op culturele integratie: zij moeten onze waarden, normen en taal eigen maken. Met de komst van het inburgeringsbeleid wordt dit de taak van elkeen. Pas als je ingeburgerd bent, ben je ook een volwaardig burger met volwaardige rechten. Die verschuiving past binnen een algemene verschuiving in de politiek waarbij structureel denken plaatst maakt voor de verantwoordelijkheid van het individu. Het is het individu dat zich moet aanpassen, ‘verbeteren’, niet het systeem.

Het nationalisme maakt de kern uit van dit migratie-en inburgeringsverhaal. De onderliggende premisse van het integratiebeleid is immers dat we de samenleving maar leefbaar kunnen houden als er homogeniteit is, als iedereen dezelfde waarden en normen bezit en uitdraagt. En uiteraard moet men Nederlands spreken in Vlaanderen. Deze premissen zijn vandaag hegemonisch (Maly, 2012). Het beleid vertrekt bijgevolg nog steeds van de idee dat migratie iets vervelends is. Iets uitzonderlijks bovendien dat gestopt moet worden aan onze grenzen. Althans de slechte migratie moet ten allen prijze tegengehouden worden: arme, onopgeleide migranten en voor sommigen moet er zelfs geselecteerd worden op religie (Crols, 2011). Dit doet men letterlijk door de installatie van hekken, politiecontrole, uitgebreide asielprocedures, de oprichting van opvangcentra, …. Migranten moeten door een heleboel procedures geraken vooraleer ze hier effectief ook mogen verblijven. Pas als die migranten volledig geassimileerd zijn, verwerven ze gelijke rechten.

De “realisme”-ideologie, disciplinering en de uitholling van de democratie

Dit integratie -en migratiebeleid vertrekt dus vanuit de idee dat ze migratie kan tegengaan en controleren door ze te homogeniseren. Om dit te kunnen realiseren worden de rechten van de ‘anderen’ voorwaardelijk gemaakt. Dit beleid wordt niet alleen voorgesteld als zijnde een uiting van realisme: van het aanvaarden van de realiteit zoals ze is, ze wordt voorgesteld als noodzakelijk; als de enige optie willen we onze samenleving leefbaar houden. Elk ander perspectief wordt begrepen als een uiting van ideologie of utopie die onze samenleving zou kapot maken. Enkel anti-migratie en assimilatie is realistisch en dat terwijl in de feiten heel duidelijk is dat die zogenaamde uiting van realisme puur ideologisch is:

(1) Ze vertrekt immers van het beeld van de homogene natie die er is en gevrijwaard moet blijven, terwijl de realiteit superdiversiteit is.
(2) Ze vertrekt vanuit de idee dat migratie nog steeds ‘de oude migratie’ betreft, terwijl migratie vanaf de jaren 90 superdivers van aard is.
(3) Ze vertrekt van de idee dat migratie niet alleen problematisch is, maar ook niet normaal is. Terwijl migratie van alle tijden is en steeds toeneemt.
(4) Ze vertrekt van de idee dat migratie te stoppen is, als we maar hard genoeg zijn. Dergelijk beleid creëert echter clandestiene migratie in plaats van migratie te stoppen.
(5) Ze vertrekt van de ideologische idee dat problemen in de samenleving zuiver culturele problemen zijn. Nochtans weten we al langer dat sociaaleconomische problemen de grootste verklaringsgrond bieden voor criminaliteit en samenlevingsproblemen.

Om deze ‘ideologie van het realisme’ waar te maken in een context van globalisering en superdiversiteit wordt een zeer groot anti-migratie-, homogeniserings- en repressie-apparaat ingezet. De beeldvorming over Roma en hun behandeling kan hier als voorbeeld gelden. Roma zijn vanuit de dominante logica van het beleid een probleem. En dat lijkt een cultureel probleem te zijn, eigen aan hen, aan hun cultuur die overlast bezorgt. Terwijl het probleem van de rondreizende Roma in eerste instantie hetzelfde probleem is als dat van een internationaal werkende Vlaamse professor. Het is een probleem van onaangepastheid van onze structuren aan het hypermobiele leven van de 21ste eeuw. Ons beleid is gericht op stabiliteit, langdurig verblijf en de productie van homogeniteit. Het beleid vertrekt echter vanuit de premisse dat we allen sedentaire burgers zijn wiens leven zich enkel en alleen in Vlaanderen afspeelt. Een dergelijk beleid is compleet onaangepast aan de realiteit van vandaag. Die realiteit vraagt een beleid en structuren die elasticititeit als kenmerk hebben. Structuren die kunnen omgaan met veranderlijkheid, met superdiversiteit. Vandaag zien we de omgekeerde richting bij het beleid. Stabiliteit en de constructie van nationale homogeniteit staan centraal. Ten aanzien van de ongewilde migranten wordt door de overheid ingezet op een beschavingsoffensief. Maar dan geen beschavingsoffensief ten dienste van de ontwikkeling van een sterkere democratie of gericht op de uitdieping van de Verlichtingswaarden. Integendeel, we zien een algemeen disciplinerend beschavingsoffensief dat de democratie inperkt en gericht is op het conditioneren van het individu en op de homogenisering van nieuwkomers in het bijzonder (Maly, 2009). In Nederland floreert rond die homogeniseringspolitiek zelfs een uitgebreide privésector (Spotti, 2012). Maar ook de oudkomers zijn blootgesteld aan die homogeniseringspolitiek, denken we maar aan de debatten en regelgeving rond schijnhuwelijken, halalvlees, de bouw van moskeeën, de rituelen bij het offerfeest, de behandeling van de eerste moslimexecutieve, de hoofddoek en de burka.

Het is op dat punt dat de rechterzijde nog steeds aan het strijden is, namelijk om het steeds meer voorwaardelijk maken van de rechten (Maly, 2012). De intentie om Nederlands te leren vooraleer men recht heeft op een sociale woning gaat al niet meer ver genoeg. Ook het recht op bijstand, leefloon, recht op werk, … alles willen sommigen afhankelijk maken van de assimilatie. De stilte waarmee dergelijke voorstellen begroet worden, is beangstigend. Ze toont dat het ‘allochtonendebat’ een machtig instrument is voor de uitholling van de democratie (Maly, 2012). Die aanval op de democratie is een gevolg van het primaat van de homogene natie die voorop gesteld wordt als absoluut. De natie primeert zo over de rechten van het individu en dient als legitimatie voor de uitholling van die rechten. De onderliggende premissen van het huidige beleid zijn enerzijds klassiek nationalistisch van aard (onze natie heeft een taal, een cultuur en een volk. Migranten bedreigen eenheid en moeten daarom gehomogeniseerd worden), anderzijds zien we een neoliberale logica (migranten die knelpuntberoepen invullen of topprofessionals zijn wel welkom en vallen niet onder de inburgeringsplicht). Dit beleid weerspiegelt de globale evoluties sinds de val van de Berlijnse muur. De reactie op de globalisering, superdiversiteit en de hegemonie van het neoliberalisme, is de opkomst van nationalisme gekoppeld aan een neoliberaal economisch beleid en dat over heel Europa (Detrez en Blommaert, 1994). In eigen land worden deze veranderingen enerzijds belichaamd in de opkomst van het Vlaams Blok met een biologisch nationalisme en een expliciet racistische agenda. Anderzijds zien we onder aanstuwen van Verhofstadt de groei van de PVV, later de VLD, en de introductie van de neoliberale dogma’s. Beide ideologieën spelen tot op vandaag een grote rol in het beleid ten aanzien van migratie.

Neoliberalisme, precariaat en denizens

In hetzelfde tijdsgewricht dat we superdiversiteit zien opkomen, verwerft het neoliberalisme de hegemonie. In deze doctrine domineert de economie het hele leven, ze dringt door in de openbare sector en in het individuele leven (Verhaeghe, 2012). De overheid staat in dienst van het bedrijfsleven en de concurrentie. Een flexibele arbeidsmarkt is hiervoor van groot belang: bedrijven willen zonder veel moeite en kosten kunnen ontslaan en aanwerven. En ook de overheid moet functioneren als een bedrijf. Dit alles zorgt er voor dat de relatie tussen burgers en de staat veranderd is. Steeds meer zijn burgers kleine mini-ondernemingen die zichzelf moeten staande houden in een hypercommerciële markt (Blommaert, 2011c). Iedereen moeten zorgen dat hij of zij (sociaaleconomisch) geïntegreerd blijft: we moeten zorgen dat we steeds werk hebben, want met een werkloosheidsuitkering is leven nagenoeg onmogelijk. We moeten geld hebben om onze hospitalisatieverzekeringen te kunnen betalen en ons pensioen zelf samen te sparen. Die hypercommercialisering uit zich niet alleen in een enorme toename van druk om geïntegreerd te blijven, ze brengt ook angst en onzekerheid bij individuen (Verhaeghe, 2012). Binnen deze nieuwe economische orde is er, zo betoogt Standing (2011) overtuigend, naast de internationale elite, het salariaat, de proficians, de oude arbeidersklasse, de werkgevers en de zelfstandigen, een nieuwe klasse aan het groeien: het precariaat. Deze klasse-in-wording is een kind van de neoliberale politiek van deregulering en re-regulering die er op gericht is om de sociale en collectieve belangen te omzeilen “omdat ze in de weg staan van de concurrentie”. Dit leidt in extreme gevallen tot een pleidooi houden voor illegale immigratie (Michaels, 2006). De tijdelijke arbeidscontracten en het gebrek aan sociale bescherming die hieruit voortvloeien zijn een belangrijke oorzaak van precarisatie. Een centraal kenmerk van het precariaat is de sociaaleconomische onzekerheid waarin ze leven. Concreet hebben ze geen/weinig arbeidszekerheid (interim -of seizoensarbeid, flexibele arbeidscontracten zonder voorwaarden, … ), geen zeker sociaal inkomen (noch vanuit de werkgevers, noch van de staat) en ze hebben geen werkidentiteit: “When employed, they are in career-less jobs, without traditions of social memory …” (Standing, 2011, p.12). Dit precariaat is niet homogeen: het is gekenmerkt door superdiversiteit. Het omvat zowel jongeren in armoede die overleven in de marge van de samenleving als de net afgestuurde studenten die via een interimcontract enkele dagen tot weken werken om hun laatste reis te kunnen betalen vooraleer ze de arbeidsmarkt betreden. Het gaat om de alleenstaande moeder die met een tijdelijk contract aan de band staat, maar ook om de zelfstandige Poolse loodgieter die afhankelijk is van zijn multinationale opdrachtgever. Het slaat zowel op de ex-topmanager die op zijn vijftigste op straat staat, op de Belgisch Marokkaanse freelance consulent die in Dubai actief is, als op de Syrische dokter wiens diploma niet erkend wordt in België. Niet iedereen voelt zich of is slachtoffer in het precariaat, maar een groot deel wordt wel degelijk gemarginaliseerd.
We zien hier parallellen tussen het precariaat en superdiversiteit; beide zijn kinderen van de sociale, politieke en economische evoluties sinds 1989. Net op dat moment verkleint/verliest de overheid haar greep op de economie steeds meer. Niet zelden vervult ze zelfs de rol van de beschermer en facilitator van dat neoliberalisme. Tezelfdertijd vergroten zowel de overheid als de economie hun greep op de bevolking. En dat wordt met name duidelijk in het migratie- en integratiebeleid: rechten worden voorwaardelijk gemaakt aan inburgeringseisen. Een andere manier om naar dat precariaat te kijken is net vanuit dit rechtenperspectief. Het precariaat kunnen we dan zien als ’denizens’, ofwel mensen die om de een of andere reden niet over hun volledige civiele, culturele, sociale, economische en politieke rechten beschikken (Standing, 2011, p.14).

De culturalisering en individualisering van allerlei maatschappelijke problemen zorgen ervoor dat die dualisering in onze samenleving niet gezien wordt als een probleem eigen aan de structuur en werking van het politiek-economisch systeem. Bovendien wordt ook niet gezien dat inperking van de staat en de herregulering van de economische ruimte ervoor zorgt dat we fel bestreden rechten in snel tempo verliezen. Opvallend: op het moment dat steeds meer mensen problemen ondervinden om (sociaaleconomisch) te participeren, wordt voor migranten die sociaaleconomische piste ingeruild voor culturele integratie. Die culturele integratie komt in de feiten neer op het stellen van extra voorwaarden. Migranten worden/zijn denizens. Migranten moeten eerst een verblijfsvergunning hebben vooraleer ze kunnen werken. Nieuwkomers moeten op straffe van 5000 euro boete inburgeringscursussen volgen. Huwelijksmigratie wordt onderworpen aan denigrerende en vaak tergend lang durende procedures. De wil om Nederlands te leren wordt gehanteerd als voorwaarde op een sociale woning. En dan wordt er nog niet gesproken over het racisme bij het zoeken naar een job, een huis of een uitgangsgelegenheid.

De combinatie tussen de neoliberalisering en de homogeniseringspolitiek heeft verstrekkende gevolgen: beide ideologieën produceren ongelijkheid en uitsluiting en bovendien versterken die elkaar. Migranten en etnische culturele minderheden hebben dus een grote kans om deel uit te maken van het precariaat, maar ze zijn lang niet de enige. Iedereen wordt door de neoliberalisering verantwoordelijk gemaakt voor de eigen integratie in de samenleving, slaag je niet, dan is het je eigen fout. Dan moet je jezelf bijscholen, flexibeler zijn, bereid zijn terug onderaan te beginnen, harder proberen. Kortom, de disciplinering van de nieuwkomers en allochtonen past in een breed beschavingsoffensief dat gericht is op individuele disciplinering. Dat gaat van het verbod op roken en de pleidooien om dat verbod zelfs uit te breiden tot in de woonkamer van de mensen, tot het pleidooi om hen te schrappen uit de ziekteverzekering van de overheid en alle gelijkaardige pleidooien in het kader van gezondheidsrisico’s. Jongeren en mensen in de marge krijgen te maken met GAS-sancties, samenscholingsverboden en aan de kust wordt de Very Irritating Policing ingezet om jongeren in de pas te laten lopen (Debruyne, 2011). In de laatste twee decennia zien we een verschuiving naar het bestrijden van overlast en het garanderen van veiligheid. De sociale overheid wordt steeds smaller, maar haar disciplinerings-, repressie- en uitsluitingsapparaat wordt steeds groter. Het gevolg is de groei van het precariaat, van de denizens.

Die groep groeit over de hele wereld en ze ervaart de volgens Standing de vier A’s: “Anger, anomie, anxiety and alienation” (Standing, 2011, p.18). Het precariaat voelt zich door haar gebrek aan rechten, en haar gebrek aan verbondenheid met en vertegenwoordiging door de staat, bedrijven, vakbonden en sociale organisaties meer en meer een groep op zichzelf. En die groep is net als het economisch systeem dat haar gecreëerd heeft globaal van aard. Globale economische crisissen veroorzaken dan ook globaal verzet en globale opstanden. Dat verzet hebben we in de nasleep van de crisis van 2008 gezien in de zogenaamde Arabische lente, maar ook in de rellen in London, de betogingen in Spanje en Griekenland, het fenomeen van de Indignados en de wereldwijde Occupy -beweging. Dat precariaat is voor Standing (2011) een klasse in wording: “The new dangerous class”. In wording, om dat ze als klasse nog geen eigen identiteit heeft. Ze is zich nog niet bewust van haar objectief bestaan binnen het economisch systeem. Die objectieve klasse is die steeds groeiende groep aan mensen over de hele wereld die dagelijks moeten strijden om geïntegreerd te zijn of terug te worden in de samenleving. Een groep die voor die strijd op zichzelf aangewezen is en zich niet gesteund ziet door de staat of de vakbonden. Net om deze redenen is ze vandaag al een ‘gevaarlijke klasse’. Gevaarlijk omdat er geen richting in zit; het precariaat uit zich bijvoorbeeld in rellen die gericht zijn op het verwerven van statussymbolen (kledij, gsm, muziek, …), maar ook in de groei van extreemrechtse, populistische en nationalistische partijen of in het ontstaan van de EuroMayDay, de Indignado’s of de Occupy-beweging. Die laatste verschijningvormen dragen wel de kiemen van een potentiële klasse identiteit in zich. Ze vormen een intellectuele beweging die zich beroept op het theoretische analyse-arsenaal van auteurs als Bourdieu, Foucault, Habermas, Hardt en Negri, Arendt en Marcuse (Standing, 2011). Ze ontplooit zich op globale schaal en positioneert zich heel duidelijk ten aanzien van het economisch en politiek systeem dat hen ’precariseert’. Die klasse-in-wording is getekend door superdiversiteit en is globaal geconstrueerd en verbonden zowel via web 2.0 als via fysieke connecties.

Het verzet van het precariaat wordt wereldwijd hard aangepakt met een verdere dualisering van de samenleving als gevolg. Cameron stuurt de politie op hen af met onmiddellijke celstraffen als gevolg en dreigt zelfs met het leger. De Occupy-beweging wordt in Amerika hardhandig verdreven. En de Indignado-beweging wordt in Europa in de pas gedwongen van het systeem. Rellen in Brussel of Antwerpen krijgen dan weer met het waterkanon te maken. In de Arabische lente worden politie en leger hardhandig en langdurig ingezet. Duidelijk is alvast dat het ‘realisme’ in het neoliberaal, migratie -en inburgeringsdenken weinig met ‘de realiteit’ te maken heeft, maar des te meer met nationalistische en neoliberale ideologieën die men met een gigantisch repressie-apparaat tracht te realiseren. Het gevolg is de uitholling van de democratie en de groei van het aantal denizens en het precariaat.

Realisme, nationalisme en de nood aan Verlichting?

We zijn allen stille getuigen van een hele resem aanvallen op de democratie en de Verlichtingswaarden. Meer, nog die aanval op de waarden van de Verlichting wordt niet bestempeld als radicaal, zelfs niet als politiek-ideologisch, maar als realisme. En net dat toont de hegemonie van dit anti-Verlichtingsdenken. De stilte en verdeeldheid bij de linkerzijde over dit debat toont aan dat de crisis van de democratie fundamenteel en structureel is. Het antwoord op superdiversiteit en het ontstaan van het precariaat binnen die superdiversiteit betekent vandaag de facto minder democratie, minder vrijheid en minder gelijkheid. Dat leidt tot een steeds grotere tegenstelling tussen het nationalistische en neoliberale beleid dat de elite genegen is en de desastreuze gevolgen van deze politiek in de realiteit. De dualisering neemt toe en onze rechten kalven in snel tempo af. Het is hoog tijd voor een tegenwicht, voor een nieuwe nadruk op de Verlichting als een politiek project. Tijd voor een ‘politics of paradise’ om het in de woorden van Standing (2011) te stellen. Centrale opdracht in dit perspectief is het radicaal inzetten op democratie, vrijheid en gelijkheid in deze globale wereld.

>>>

http://www.nieuwsblad.be/article/detail.aspx?articleid=UD2JI22L
http://www.visitantwerpen.be/docs/stad/bedrijven/actieve_stad/as_tnc/de%…
http://dertien.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=343
http://www.npdata.be/Data/Vreemdelingen/Inhoud.htm
Referenties

Arnaut, K., Bracke, S., Ceuppens, B., De Mul, S., Fadil, N. & Kanmaz, M., (2009). Een Leeuw in een kooi. De grenzen van het multiculturele Vlaanderen. Antwerpen/Amsterdam: Meulenhoff|Manteau.
Blommaert, J. (2011a). ‘Superdiversiteit’, KifKif.be: http://kifkif.riffle.be/actua/superdiversiteit.
Blommaert, J. (2011b). De heruitvinding van de samenleving. Berchem: EPO.
Blommaert, J. (2011). Burgerschap, integratie en ander fraais: drie problemen.http://feweb.uvt.nl/pdf/2010/InleidingJanBlommaert.pdf
Blommaert, J. & Backus, A. (2012). Superdiverse Repertoires and the individual. Tilburg Papers in Culture Studies.
Blommaert, J. & Rampton, B. (2012). Language and Superdiversity. Working Paper, Max Planck Institute for the study of religious and ethnic diversity.
Blommaert, J. & Verschueren, J. (1992). Het Belgisch migrantendebat. Antwerpen: Ipra.
Blommaert, J. & Verschueren, J. (1998). Debating Diversity. Analysing the discourse of tolerance. London & New York: Routledge.
Commers, R. en Blommaert, J. (2001). Het Belgische asielbeleid. Kritische perspectieven. Berchem: Epo.
Corijn, E. & Vloeberghs, E. (2009). Brussel! Brussel: VUB Press.
Crols, F. (2011). Beminde gelovigen van de rechtse kerk: http://www.proflandria.be/?p=588
Debruyne, P. (2011). Over scharreljongeren en legbatterijen. Jongeren in de hedendaagse stad. In Coussée, F. en Mathijsen, C. (red.) Uit de marge van het jeugdbeleid. Werken met maatschappelijk kwetsbare jongeren (pp. 85-93). Leuven & Den Haag: Acco.
Detrez, R. & Blommaert, J. (red.) (1994). Nationalisme. Kritische opstellen. Berchem: EPO.
Loobuyck, P. (2003). Vlaanderen, België en Europa als ‘immigratiesamenlevingen’: Enkele consequenties. Streven, 70 (2003) 8: 715-727.
Maly, I. (red.) (2007). Cultu(u)rENpolitiek. Over media, globalisering en culturele identiteiten. Berchem: Garant.
Maly, I. (2009). De beschavingsmachine. Wij en de islam. Berchem: EPO.
Maly, I. (2012). De stilte in het debat. Over macht, anti-Verlichting en superdiversiteit. Vlaams Marxistisch Tijdschrift:http://www.imavo.be/vmt/1216-Maly.pdf.
Michaels, B. (2006). The Trouble with diversity. how we learned to love identity and ignore equality. New York: Metropolitan Books.
Spotti, M. (2012). Ideologies of succes for superdivers citizens: the duth testing regime for integration and the online private Sector. In: Blommaert, J. & Rampton, B. (2012). Language and superdiversities (pp. 39-52). UNESCO.
Stalker, P. (2003). Internationale migratie. Rotterdam: Lemniscaat.
Standing, G. (2011). The Precariat. The New Dangerous Class. London: Bloomsburry Academic.
Verhaeghe, P. (2012). De neoliberale waanzin. Flexibel, efficiënt en … gestoord.
Brussel: VUBPress
Vertovec, S. (2007). Super-diversity and its implications. In Ethnic and Racial Studies, 30: 6, 1024-154.