Superdiversiteit, de democratische uitdaging

Superdiversiteit is een nieuw buzzwoord. Wereldwijd verschijnen er steeds meer artikels, boeken en onderzoeken over. Die wereldwijde stampede kan maar verklaard worden door de connectie met de realiteit. Onze leefwereld én onze levens zijn in een snel tempo aan het veranderen. Steden worden steeds meer het toneel van een enorme diversificatie van diversiteit. We leven vandaag niet alleen in geglobaliseerde, multireligieuze en meertalige wijken en steden, we leven ook zowel on- als offline. Superdiversiteit is de beschrijving van die complexe en inherent geglobaliseerde wereld waarin we leven. In dit artikel schetst Ico Maly deze nieuwe realiteit en de democratische uitdagingen ervan.

De betekenissen van superdiversiteit

We moeten starten met een disclaimer. De hype rond superdiversiteit betekent niet dat iedereen ook over hetzelfde spreekt als ze deze ‘nieuwe’ term hanteren. De dominante invulling van superdiversiteit is vooralsnog kwantitatief en eendimensionaal. We leven hier niet meer met vijf maar met 194 verschillende nationaliteiten op een grondgebied, ergo, we leven in een superdiverse samenleving. Deze invulling van superdiversiteit verschilt niet wezenlijk van het klassieke multiculturele denken. Mensen worden opnieuw opgedeeld in nationaliteiten en de samenleving wordt opnieuw voorgesteld als een verzameling van groepen mensen die gekenmerkt worden door hun nationaliteit. Om ‘die superdiverse’ samenleving leefbaar te maken wordt, net zoals in het multiculturele paradigma, ingezet op inburgering. De wijze waarop Geert Bourgeois superdiversiteit invult kan hier gelden als voorbeeld. Dit begrip van superdiversiteit is geen nieuw paradigma, geen breuk met het verleden en dus moeten er ook geen aanpassingen ten gronde gebeuren.

Deze invulling van superdiversiteit kampt met verschillende problemen. Ten eerste maakt ze slechts een heel klein brokje van de reële superdiversiteit zichtbaar: diversiteit in afkomst. En bovendien doet ze dat in het oude multiculturele jargon met een focus op nationale identiteit of cultuur die dan begrepen wordt als dé identiteit van mensen. De suggestie daarbij is dat mensen met eenzelfde nationaliteit ook eenzelfde identiteit, waarden en normen of cultuur delen. Dat is vandaag een empirische fictie. Zo komen we bij het tweede punt. In de dominante benadering kijkt men door de lens van kwantiteit en niet die van kwaliteit. Het gaat dan over aantallen nationaliteiten in plaats van over diepgaande veranderingen in hoe mensen vandaag leven en hun identiteit opbouwen. Dergelijke benadering van superdiversiteit herneemt het multiculturele paradigma. Superdiversiteit is dan niet meer dan een ‘leuke’ term om multiculturaliteit weer hip en wervend te maken, maar vooral om onze ogen te sluiten voor de realiteit en alles vooral bij het oude te laten.

Het punt is echter dat de realiteit zelf is veranderd en dat een multicultureel paradigma, ook al heeft ze een superdiverse verpakking, volstrekt ontoereikend is om de huidige realiteit te duiden en te begrijpen. Superdiversiteit is een nieuw paradigma die het multiculturele paradigma van weleer vervangt. De reden hiervoor is dat superdiversiteit een veel nauwkeuriger theorie aanreikt om de wereld van vandaag te verklaren dan de multiculturele voorloper. Superdiversiteit verwijst dan naar een multidimensionaal perspectief dat oog heeft voor diepgaande kwantitatieve en kwalitatieve veranderingen. Het gaat niet alleen over etniciteit, maar ook over genderrollen, subculturen én over ervaringen die mensen hebben met administraties en onderwijs, met hun statuut in de samenleving, hun sociale ‘klasse’, en zoveel meer. Superdiversiteit kunnen we bovendien maar begrijpen als we dat doen vanuit een historisch, politiek, sociaal, economisch, cultureel en technologisch perspectief.

Migratie, communicatie en het transnationale leven

Superdiversiteit is het gevolg van een nieuwe fase in de globalisering: de neoliberale globalisering. De doorbraak van die nieuwe fase wordt gesymboliseerd door de val van de Berlijnse muur en later die van de Sovjet-Unie. De bipolaire wereld behoorde tot het verleden, en dat had meteen materiële gevolgen. De koude oorlog was immers naast vele andere dingen ook een ordening van de wereld. Het wegvallen daarvan betekende dan ook dat de structuur van de wereld drastisch veranderde. Die veranderingen vertalen zich onder andere in heel nieuwe migratie en in heel nieuwe migratiepatronen. Vandaag schrikken we niet meer van Poolse, Bulgaarse of Roemeense nummerplaten in het straatbeeld, net zoals de aanwezigheid van Chinese studenten aan onze universiteit tegenwoordig ‘normaal’ is. Twee decennia terug was dit hoogst uitzonderlijk.

Niet alleen de migratielanden worden diverser, maar de migratiepatronen worden ook steeds complexer. Lineaire migratie vanuit Agadir naar de Brugse Poort in Gent bijvoorbeeld is vandaag een uitzondering, terwijl heel complexe migratiepatronen steeds meer de regel worden. Mensen migreren nu tussen meerdere landen en bouwen daar ook hun leven uit. Transnationalisme wordt voor meer en meer personen een inherent deel van hun leven. Professoren moeten bijvoorbeeld op transnationale schaal opereren. Dat is niet alleen een vereiste om bij de top te behoren, maar zelfs een voorwaarde om bijvoorbeeld aan de universiteit in Gent aan de slag te kunnen. Zonder internationale publicaties tel je niet mee. Hetzelfde zien we gebeuren in andere domeinen: ook politici en bedrijfsleiders opereren op een transnationale schaal. Dat transnationaal leven is niet alleen een kenmerk van een kleine elite, we zien dat meer en meer mensen op die schalen hun leven uitbouwen. Zo vinden we Poolse werknemers van Poolse bedrijven die op de hele Europese markt actief zijn, net zoals Belgische werknemers in bijvoorbeeld de luchtvaarindustrie in een transnationaal veld werken. Er ontstaan ook religieuze entrepreneurs die op een internationale schaal kerken uitbouwen.

Een transnationaal leven is vandaag niet alleen meer het voorrecht van de elite of het noodlot van de lage klassen, het dringt steeds meer door tot het leven van iedereen. Zeker als we nog eens de impact van de nieuwe media in rekening brengen, die hun opmars kennen in dezelfde periode dat we nieuwe migratie zien ontstaan. GSM’s, satellieten, internet, Facebook, Skype, WhatsApp en Viber hebben niet alleen een heel grote impact op de menselijke communicatie, ze zijn ook bepalend voor identiteits-en cultuurproductie. We leven vandaag onze levens zowel on- als offline. Die nieuwe media hebben niet alleen een grote impact op de diaspora, ze kleuren het leven van iedereen. We onderhouden niet alleen meer en meer vriendschaps- of professionele banden op een transnationaal niveau, we bouwen er met zijn allen ook een identiteit op. Hipsters, hijabista’s, skaters, emo’s, goth’s, elite-culture, grunge, death-metal, gabbers en housers; het zijn allemaal inherent geglobaliseerde subculturen of micro-hegemonieën. De ‘grote identiteitsbouwstenen’ zoals nationaliteit zijn vandaag slechts een van de vele groepsidentiteiten die mensen bezitten. Die nationale identiteit kan nog heel belangrijk zijn in bepaalde contexten (als de nationale ploeg speelt) maar compleet irrelevant worden in bijvoorbeeld de werkcontext of op het moment dat je naar een optreden van Pearl Jam kijkt. In die context worden heel andere groepsidentiteiten geactiveerd.

Die subculturen zijn van cruciaal belang om identiteit te begrijpen in de 21ste eeuw. We spreken vandaag binnen de antropologie steeds meer over identiteit als ‘life-project’. Als het vrij bewust construeren van identiteit binnen verschillende micro-hegemonieën. Onze identiteit bestaat dan net in het feit dat we kunnen functioneren binnen heel uiteenlopende micro-hegemonieën: we kennen er de normen van, weten welke soort taal we moeten spreken (moeten we het woord ‘cool’ gebruiken, of moeten we iets cools ‘deck’ noemen om in te zijn in een hipster-context?) en hoe we ons uiterlijk moeten stileren. En ‘wie’ we zijn, kan sterk verschillen naargelang de verschillende contexten waarbinnen we onszelf zijn. Dat levert echter geen meervoudige, paradoxale of andere identiteiten op. Het punt is dat we in elk van die contexten perfect ‘onszelf’ zijn. Zo kan iemand overdag perfect geïntegreerd zijn binnen een managerscultuur en dus de ‘juiste’ kleren dragen, de juiste telefoon hebben en het juiste taaltje spreken (een Nederlands vol Engels jargon), terwijl diezelfde persoon ’s avonds tijdens een concert van Pearl Jam perfect geïntegreerd kan zijn in de ‘grunge-cultuur’. Een vrouw kan bij haar vriendinnen perfect geïntegreerd zijn binnen een feministische cultuur – en dus ook die taal beheersen – terwijl ze zich in haar gezin settled in een klassiek rollenpatroon. Het betekent echter ook dat iemand perfect geïntegreerd kan zijn in de schoolcontext en binnen de subcultuur van hijabista’s, en net daardoor als niet-geïntegreerd kan beschouwd worden op een stageplaats of een discotheek. Het punt is dat ‘onze identiteit’ bestaat binnen die verschillende contexten. We zijn dus wie we zijn omdat we geïntegreerd zijn binnen een reeks van dergelijke subculturen.

We leven vandaag in een fundamenteel andere wereld dan ettelijke decennia geleden en dat vereist dat we heel wat zaken ont-denken en herdenken. Het mag duidelijk zijn dat ‘geïntegreerd’ zijn in die reële wereld iets helemaal anders betekent dan in het ‘minderhedendecreet’. Wanneer is een zestienjarige jongen geïntegreerd op school? Als hij spreekt en zich kleedt als Peter De Roover? Of als hij spreekt en gekleed loopt als hipster of skater? Het punt hier is dat we in heel veel verschillende contexten moeten geïntegreerd zijn als we willen ‘slagen’ in onze samenleving. We moeten geïntegreerd zijn in onze straat, op de arbeidsmarkt, in onze familie, in onze subcultuur, … Concreet: voor een Bulgaarse koffiehuisuitbater in de Wondelgemstraat is het hoogstwaarschijnlijk interessanter om de superdiverse populatie aan te spreken in die straat dan om zich te richten op hipsters. Het gebruik van Turks, Bulgaars en Bulgaars-Nederlands is dan interessanter om zijn zaak te doen draaien, in plaats van zich te richten op een groep zoals de hipsters, die nagenoeg afwezig is in de wijk. Waar de hipster 6 euro wil betalen voor een professionele Barista-koffie, zal dit concept in een armere wijk als het Rabot niet veel succes oogsten. Geïntegreerd zijn in de Wondelgemstraat betekent dan ook iets helemaal anders dan geïntegreerd zijn in Antwerpen-Zuid.

Onze wereld wordt gekenmerkt door een enorme diversificatie van diversiteit. Die diversificatie van diversiteit is per definitie multidimensionaal: ze slaat op zowel afkomst als religie, op politieke overtuiging als op subcultuur, op taalgebruik als op ervaringen in het onderwijs, kortom: op al die verschillende contexten waarbinnen we onze identiteit uitbouwen. En noteer dat superdiversiteit ieders realiteit is, en dus niet alleen slaat op ‘de Ander’, ‘de allochtoon’ of ‘de vreemdeling’. Geïntegreerd zijn bekijken we dan ook best in relatie met al die contexten waarin mensen leven, en niet vanuit een soort fictieve abstractie van die samenleving.

Neoliberalisme, nationalisme en het failliet van het integratiebeleid

Superdiversiteit is, we zeiden het al, een gevolg van de neoliberale globalisering. Als we superdiversiteit en de gevolgen ervan ten gronde willen begrijpen, dan moeten we het plaatsen binnen dat historisch perspectief. Die neoliberale globalisering start in het midden van de jaren 70 en wordt hegemonisch na de val van de Sovjet-Unie. Die omwenteling vertaalde zich in een reeks globale politiek-economische en ideologische omwentelingen met vergaande materiële gevolgen. Superdiversiteit is er daar maar één van. Die evoluties hertekenden wijken, steden, landen en uiteindelijk de hele planeet. De wereld is vanaf die jaren heel intens verstrengeld met elkaar. Het is dan dat China instapt in het kapitalistisch systeem, dat India ingrijpende politiek-economische veranderingen doorvoert, dat Zuid-Afrika niet alleen de apartheid afschaft maar zich ook inschakelt in die neoliberale wereldorde. De voormalige Sovjet-Unie wordt in die periode een nieuw speelterrein voor ‘durfkapitalisten’, terwijl Europa het Verdrag van Maastricht goedkeurt. De sociaaldemocratie slaat in diezelfde periode de Derde Weg in en zweert Marx af.

Het TINA-argument weerklinkt vanaf dan zeer luid. ‘There is no alternative’ voor een op neoliberale leest geschoeide samenleving. De idee dat de markt en de democratie twee zijden van dezelfde medaille waren, begon steeds meer weerklank te vinden. Democratie en de neoliberale markt moesten we tegen alle historische bewijzen in gaan begrijpen als een onafscheidbaar koppel. Het onderwerpen van de welvaartstaat aan de ‘wetten’ van de markt zou een goede zaak voor de democratie zijn. Privatisering was het ordewoord. Die neoliberalisering van de wereld ging gepaard met open grenzen voor goederen en kapitaal, een afbouw van de sociale staat, een enorme druk op de lonen, de opgang van (de machtsbasis van) multinationals, in- en outsourcing, stijgende mobiliteit maar ook nicheproductie.

De gevolgen van die omslag in dominante ideologie beperkten zich niet enkel tot ideeën, maar vertaalden zich ook in de realiteit. ‘De economie’ krijgt vanaf die periode een sterke overmacht op de politiek. Nationale staten worden steeds meer herleid tot uitvoerders en steunpilaren van een neoliberale economische politiek. Dat vertaalt zich in een hertekening van de relatie tussen burger en staat. Niet de harde domeinen (arbeidsmarkt, huisvesting, onderwijs, ongelijkheid, …) staan centraal maar de zachte domeinen (waarden en normen, taal, identiteit, cultuur, respect) worden als prioritair naar voor geschoven. Die overmacht van de economie op de politiek gaat gepaard met een groeiende kloof tussen arm en rijk. Steeds meer kapitaal komt in handen van steeds minder mensen. En net op het moment dat er nood is aan een performante politiek op de harde domeinen oriënteert de politiek de blik op de zachte domeinen. Kortom, het is in die jaren, waarin we met zijn allen het steeds moeilijker hebben om sociaaleconomisch en politiek geïntegreerd te zijn, dat culturele integratie van nieuwkomers opgang maakt als ‘de oplossing’ voor migratieproblemen.

De neoliberale globalisering krijgt een neoliberaal, nationalistisch antwoord. Migratie wordt in die periode meer en meer gezien als een cultureel probleem en een economische opportuniteit. Migratie, en dan vooral slechte – lees arme – migratie moet zoveel mogelijk tegengehouden worden. Dat vertaalt zich enerzijds in pogingen om arme migratie te reguleren door het verstrakken van asielwetgeving, het uitbouwen van asielcentra en bureaus voor schijnhuwelijken, anderzijds in het faciliteren van multinationals en hun bedrijfsleiders en het aantrekken van topsporters … Op het moment dat die ongewilde migratie toch aanwezig is in het land, komt er een enorme focus op culturele integratie. Onderliggend aan dit migratie- en integratiebeleid ontwaren we een neoliberaal nationalisme. De natie moet gevrijwaard worden in tijden van globalisering. Dat kan maar doordat die natie weet te concurreren op wereldschaal met andere naties. Tegelijkertijd moet men ook zorgen dat de natie – zoals ze verbeeldt wordt in het klassieke nationalisme – nog overleeft, en dus wordt er heel sterk ingezet op homogenisering.
Het resultaat van een dergelijk integratie- en economisch beleid is een enorme verdieping van ongelijkheid. Enerzijds zien we de constructie van ongelijke rechten. Nieuwkomers hebben maar hun volledige politieke, economische, sociale, religieuze en culturele rechten als ze doorheen alle inburgeringstrajecten en nationaliteitsprocedures lopen. Migratie en transnationaal leven en werken vertaalt zich vandaag altijd in een verlies aan rechten. De oude verlichtingsdroom van onvervreemdbare rechten is nog lang niet gerealiseerd. Meer nog, het beleid maakt rechten voorwaardelijk aan die culturele integratie. Bovendien fungeert heel het integratiediscours ook als een instrument van ongelijkheid. Zo worden ‘allochtonen’, ook al hebben ze de nationaliteit en dus officieel gelijke rechten, nog steeds geconfronteerd met structureel racisme. Ze worden dagelijks beoordeeld op hun graad van integratie: als ze solliciteren, als ze een huis zoeken en zelfs als ze naar de winkel gaan. Die ‘evaluaties’ weerspiegelen zich in de structuur van de samenleving.

Anderzijds zien we dat zowel allochtoon als autochtoon, nieuwkomers als tweede en derde generaties geconfronteerd worden met een herschepping van de sociaaleconomische organisatie. Uiteraard is België nog relatief gevrijwaard van al te dogmatische en radicale hervormingen op neoliberale leest. Desalniettemin zien we wel degelijk dat de neoliberale dogma’s gedurende de laatste decennia steeds meer ingang vinden. We zien dit in het ontstaan van de tweede en derde pensioenspijler, de degressiviteit van de werkloosheidsvergoedingen, de privatisering van allerlei staatsbedrijven, de afschaffing van het brugpensioen, de druk op de lonen, …

Al deze evoluties, het algemeen neoliberaal beleid, de afbouw van de sociale staat, het integratie- en migratiebeleid als antwoord op een realiteit van transnationalisme en superdiversiteit, verdiepen de ongelijkheid en zorgen voor een afbouw van rechten. Zo’n politiek-economisch beleid is in tijden van globalisering en superdiversiteit uitermate problematisch. Politici creëren zo de illusie dat men op een lagere schaal (Vlaanderen in plaats van België) een afdoend antwoord kan bieden op de globalisering. Dat is natuurlijk volksverlakkerij. In tijden van superdiversiteit en globalisering hebben we een democratie nodig die werkt op verschillende schalen. Als we, als bevolking, onszelf meer democratische zeggenschap willen geven over onze economie, dan moet de democratie onvermijdelijk ook werken op een hogere schaal dan de louter nationale. Concreet: omdat de democratie verankerd zit op een stedelijke, regionale en nationale schaal terwijl de economie aangestuurd wordt vanuit hogere schalen, worden landen ingeschakeld in een concurrentielogica. Dat zorgt niet alleen voor een druk op de lonen of op de sociale zekerheid, het zorgt er ook voor dat onze rechten gebonden zijn aan die nationale schaal. Superdiversiteit dwingt ons om ons leven en dus ook onze democratie op een transnationale schaal te gaan denken.
Superdiversiteit, neoliberaal nationalisme en de verdieping van ongelijkheid

Het mag ondertussen duidelijk zijn dat de ‘super’ in superdiversiteit niet slaat op de super zoals in superleuk, supercool of supertof. De ‘super’ in superdiversiteit slaat op ‘van een andere orde’, ‘van een andere grootte’. Superdiversiteit is dus niet iets dat we moeten vieren, noch is het iets dat we a priori moeten beladen met alle zonden van de wereld. Superdiversiteit is een beschrijving van de wereld waarin we leven en daar niets inherent slechts of goeds aan toekent. Het probleem zit hem niet zozeer in de realiteit – die is er als we dat nu willen of niet – maar in het beleid ten aanzien van die realiteit. Superdiversiteit wordt te lijf gegaan met een neoliberale, nationalistische politiek. In plaats van te strijden voor meerschalige politiek en het upscalen van onze democratie naar een Europees niveau, zien we een enorme golf aan nationsplitters opstaan, die onze democratie willen doen opereren op een kleinere schaal en dus ook onze solidariteitsmechanisme en rechten willen herschalen. In de feiten spelen we zo een neoliberale politiek in de kaarten, want we verkleinen onze democratische macht en verscherpen de concurrentie.

Een nationale politiek is vandaag per definitie neoliberaal omdat ze zich in grote mate schikt als een uitvoerder van wat er op hogere schalen beslist is. Dat neoliberale nationalisme is vandaag dominant en resulteert in de laatste decennia in een stelselmatige verdieping van ongelijkheid. Die groei van ongelijkheid, zowel in rechten als sociaaleconomisch, raakt het fundament van onze democratie: het gelijkheidsbeginsel. Dat is een dijk van een democratisch probleem. Superdiversiteit dwingt ons om onze democratie te herdenken, te verdiepen en te herschalen. Doen we dat niet, dan moeten we ook aanvaarden dat we niet in een Verlichte democratie leven.
Ico Maly

 

Ico Maly, doctor in de Cultuurwetenschappen, gastprofessor aan het Rits en coördinator van Kif Kif, schreef samen met Jan Blommaert en Joachim Ben Yakoub een boek over dit thema: ‘Superdiversiteit en democratie’ (Uitgeverij Epo, 2014).

 

>>> Dit artikel is reeds verschenen in ‘de Geus

>>>> Meer info over het boek ‘Superdiversiteit en democratie’ vindt u op de Facebookpagina

Advertisements

[Voorsmaakje] Mensenlandschappen in de 21ste eeuw

Het einde van de jaren 80 en het begin van de jaren 90 van vorige eeuw luidde een decennium in vol veranderingen op wereldschaal. We zagen niet alleen de instorting van het Sovjetrijk en de communistische regimes in Oost-Europa, het is ook in die jaren dat de wereld de val van het apartheidsregime in Zuid-Afrika aanschouwt, dat China zich inschakelt in de kapitalistische wereldeconomie, dat India sterke economische hervormingen doorvoert, en dat de EU met het Verdrag van Maastricht de binnengrenzen opent. Het zijn ook de jaren waarin ‘the coalition of the willing’ ondersteund door een gigantisch propaganda-initiatief de tweede Golfoorlog opstart.[1] CNN was in enkele weken een fenomeen en introduceerde de globaal gemediatiseerde samenleving. Het neoliberalisme kreeg in die periode meer en meer voet aan de grond. In verschillende Europese landen raakt het thema van migratie gepolitiseerd (en gepolariseerd, door de opkomst en doorbraak van extreemrechtse partijen), en maakt het integratiedebat opgang. De korte tijdspanne waarin we al deze immense politiek-economische veranderingen waarnemen is een goede illustratie van het schokeffect dat de wereld ondergaat vanaf 1989.[2]

1989 luidt een nieuwe fase in van de globalisering: de neoliberale globalisering. Globalisering, migratie en diversiteit zijn op zich geen nieuwe fenomenen. De globalisering is eeuwenoud en mensen migreren al van oudsher. Wat we de moderniteit noemen is in essentie een periode van globalisering. De verlichting, het kapitalisme en het kolonialisme zijn allemaal geglobaliseerde fenomenen. En toch leven we in nieuwe tijden. Wat deze tijd nieuw maakt is de intensiteit, de snelheid, de kwaliteit en kwantiteit waarmee deze fase van de globalisering zich ontplooit. In die jaren 90 zien we de doorbraak van een heel nieuwe wereldorde en dat heeft meteen materiële gevolgen. Onze wereld krijgt een nieuwe structuur. Sommige grenzen vervallen, andere worden makkelijker over te steken. Maar er worden ook nieuwe grenzen opgetrokken. Dit alles vertaalt zich onder andere in heel nieuwe migratiepatronen en migratietrajecten. De gevolgen van deze nieuwe realiteit zijn fundamenteel. De veranderingen in de mensenlandschappen van de 21ste eeuw gebeuren niet in een vacuüm maar zijn steeds meer globaal geconnecteerd. De homogene natie is vandaag meer dan ooit pure fictie, we leven in tijden van superdiversiteit.

De methode
Superdiversiteit is het voorsmaakje van de wereld van morgen. Veranderlijkheid, hypermobiliteit, complexiteit en geglobaliseerde connectiviteit zijn er kernwoorden van. Wat vandaag is, kan morgen evengoed weer verdwenen zijn. We leren dan ook maar beter nu wat die superdiversiteit met zich meebrengt en hoe we die nieuwe realiteit kunnen zien als een hefboom voor een betere en rechtvaardigere wereld voor iedere mens. De basis van een adequaat beleid is zoals altijd een gedegen beschrijving en analyse van deze nieuwe realiteit.

De centrale doelstelling van dit boek bestaat er dan ook uit om die complexiteit in kaart te brengen en een kader aan te reiken om die nieuwe realiteit verstaanbaar te maken. Hiervoor vertrekken we vanuit de methode van Linguistic Landscape research of taalkundig landschapsonderzoek. In deze relatief jonge onderzoekstraditie wordt taal niet gezien als iets dat zich louter manifesteert in de hoofden van mensen, in teksten voor institutionele consumptie of in interactie tussen mensen, maar als een inherent deel van onze fysieke omgeving. Zeker in urbane contexten zijn we constant omgeven door taal.[3] Reclameborden trachten ons te verleiden om zaken te kopen, vitrines lokken ons in winkels, verkeersborden geven ons richtlijnen, posters nodigen ons uit, graffiti ’s en tags trekken onze aandacht, … Maar ook het soort architectuur, de wijze waarop gebouwen aangekleed zijn, de geluiden die we horen maken allemaal samen de betekenis die we toekennen aan een wijk, een plaats.[4]

Taal en taalgebruik worden hier gehanteerd als een instrument om de realiteit empirisch in kaart te brengen. Centraal in onze benadering van taalkundig landschapsonderzoek staat taal-in-beweging. De nadruk ligt op het in kaart brengen van de complexiteit en veranderlijkheid, op meertaligheid en migratie, op gelaagdheid van wijken en stratificatie in deze wijken. Het taalkundig landschap-onderzoek injecteren we daarom met etnografie.[5] De redenen hiervoor zijn simpel. We kunnen de verschillende talen en taaluitingen in een wijk niet begrijpen zonder ze in een bredere context te plaatsen. Die context is per definitie een complexe, gelaagde en gestratificeerde context. De fysieke ruimte is immers ook altijd een sociale, culturele en politieke ruimte: een ruimte die zaken aanbiedt en mogelijk maakt, die aanzet tot bepaalde patronen van sociaal gedrag, daartoe uitnodigt of dat gedrag zelfs voorschrijft of net verbiedt. Een ruimte is dus nooit een niemandsland, maar altijd iemands ruimte. Het is een historische ruimte en dus steeds een ruimte vol codes, verwachtingen, normen en tradities. Elke ruimte is een ruimte van macht die gecontroleerd wordt door sommige mensen en dus ook sommige mensen controleert.

Bovendien is er niet één centrum in een stad of een wijk, maar zien we onze steden beter als polycentrisch en elk van die centra (school, administratie, pleintje, slager, ….) stelt verschillende verwachtingen ten aanzien van haar gebruikers.[6] Als je spreekt met je baas of met de politie, dan wordt je verondersteld om je anders te gedragen en anders te spreken dan tijdens een scherp cafégesprek met een goede vriend. Als we de wijk die we bestuderen willen begrijpen kan het fotografisch in kaart brengen van die wijk slechts een startpunt zijn. We beperken ons dus niet een ‘snapshot’ –onderzoek.

Het in kaart brengen van de verschillende talen in verschillende omgevingen met verschillende functies voor verschillende gebruikers binnen één wijk is louter het startpunt van ons onderzoek. Daarom zijn we als ‘antropologen’ aan de slag gegaan in de wijken. Bovendien zijn we geen buitenstaanders die even aan participerende observatie doen en daarna de wijk achter ons laten. De wijken die we bestuderen zijn ook de wijken waar we al jaren in leven en/of werken. Dat is van belang omdat we zo een langere termijn perspectief hebben op de ontwikkelingen in deze wijken. Dat betekent echter niet dat we de wijk louter ‘kennen’ als gebruiker, we hebben ze ook ervaren als bewoner, en we hebben er onze eigen zone van belangenbehartiging in gesitueerd. Dit boek is zo gezien weldegelijk ook een lange termijn onderzoeksproject geworden. Deze unieke combinatie van gebruiker, bewoner, belanghebbende en onderzoeker laat ons toe om de complexiteit van de wijk in kaart te brengen, zowel in haar ‘objectieve’ als in haar ‘subjectieve’ dimensies. De etnografische methode stelt ons in staat om strikt empirisch te werk gaan. We werken van onderen uit: we brengen in kaart wat er is en werken vandaaruit naar boven.

Dit boek
We schrijven dit boek vanuit een nieuw perspectief omdat we denken dat de huidige blik van politici en beleidsmakers op de samenleving niet alleen hopeloos verouderd is, maar omdat ze ook meer en meer uiterst negatieve effecten genereert. In het eerste hoofdstuk duiden we superdiversiteit als een nieuw paradigma. We zijn van oordeel dat dit nieuwe paradigma veel nauwkeuriger de huidige realiteit in kaart brengt en dus ook veel beter geschikt is als basis om na te denken over een sterk beleid. In dit eerste hoofdstuk schetsen we de globale en lokale context waarin superdiversiteit geboren wordt. De nadruk ligt er op het feit dat superdiversiteit een empirisch gegeven is.

Vervolgens valt het boek uiteen in twee grote delen die nauw verbonden zijn met elkaar. In het eerste deel beschrijven we hoe die superdiversiteit zich manifesteert in ons land. In eerste instantie lijsten we hiervoor een aantal cijfers en empirische gegevens op over die superdiversiteit en tonen de effecten van deze fase van de globalisering op de bevolkingssamenstelling en de infrastructuur van België in het algemeen. Maar er is meer, we duiden aan de hand van concrete voorbeelden hoe de bestaande cijfers over afkomst, religie en taal onvermijdelijk leiden tot een enorme simplificatie van de realiteit. Superdiversiteit rijmt op complexiteit en het is die complexiteit die we moeten begrijpen willen we een gedegen beleid kunnen voeren.

Om die complexiteit te begrijpen en te duiden gaan we vervolgens in de diepte. Elke auteur bekijkt telkens één wijk in één stad door de lens van die superdiversiteit. Joachim Ben Yakoub brengt de wijk rond de Fortstraat in Brussel in kaart. Ben Yakoub analyseert hoe de historische migratiestromen zich settlen in Sint-Gillis en in de Fortstraat in het bijzonder. Hij toont aan hoe die verschillende fases van migratie een gevolg zijn van zowel globale als lokale beslissingen en gebeurtenissen. Bovendien schetst hij hoe ze resulteren in een gelaagde, gestratificeerde en geglobaliseerde gemeente.

Ico Maly zoomt dan weer in op de buurt rond de Wondelgemstraat in de 19de eeuwse gordel van Gent. Maly toont de historische lagen van de buurt rond de Wondelgemstraat en beschrijft de straat als een ruimte waarin heel veel verschillende schaalniveaus interveniëren. Enkel als we die verschillende schaalniveaus in rekening brengen, kunnen we de samenstelling van de wijk begrijpen, zo besluit hij zijn onderzoek.

Jan Blommaert toont ons zijn oud Berchem in Antwerpen als een wijk vol verandering en complexiteit. Blommaert zoomt in op wat de samenhang in oud Berchem genereert. De wijk is arm en superdivers. Vanuit de gangbare paradigma’s zou dat moeten resulteren in ‘onleefbaarheid’. Dat is echter niet het geval. Blommaert verklaart hoe dat komt.

Het is vanuit die empirische oefening in het eerste deel van het boek dat we in het tweede deel kijken naar wat de effecten zijn van het huidige beleid op die superdiverse realiteit. Het ontstaan van superdiversiteit heeft een sterke impact gehad op het beleid ten aanzien van migratie en diversiteit.[7] Het is immers in de jaren dat we superdiversiteit zien ontstaan dat er voor het eerst een migratie-, asiel- en integratiebeleid tot stand komt in België. Als inleiding op dit tweede deel contrasteert Ico Maly in hoofdstuk 6 de realiteit van superdiversiteit en de multiculturele consensus die door politici en journalisten uitgedragen wordt.

Ico Maly en Jan Blommaert tonen in hoofdstuk 7 hoe de opkomst van superdiversiteit parallel loopt met opkomst van nationalisme en neoliberalisme. Beide ideologieën krijgen hun vertaling in het integratie-en migratiebeleid en leiden –ondanks de mooie emancipatievlag waaronder dit beleid vaart- de facto tot ongelijkheid en een ondermijning van de democratie.

In hoofdstuk 8 schetst Ico Maly de contouren van een toekomstperspectief op een goede samenleving, een samenleving die de superdiversiteit een plaats geeft terwijl ze de democratie opbouwt en verdiept. Hiervoor gaat hij kijken naar wat we kunnen leren van de geschriften van de radicale verlichtingsdenkers over democratie en universele mensenrechten.

Jan Blommaert besluit dit boek in hoofdstuk 9 met de vaststelling dat ons denken over de samenleving anachronistisch is. De samenleving, de wereld is grondig veranderd de laatste decennia, maar het denken over die wereld gebeurt nog altijd in de termen van het verleden. Hij houdt dan ook een pleidooi om de oude vormen en gedachten te laten sterven.

Het mag duidelijk zijn. De oefening die voor ons ligt is zowel antropologisch, historisch, sociologisch, sociolinguïstisch, filosofisch en onvermijdelijk ook politiek van aard. Politiek niet alleen door het thema an sich, maar ook politiek in de gevolgen en de doelstellingen van dit onderzoek. We gaan na aan welke voorwaarden een toekomstig beleid moet voldoen willen we werken aan een rechtvaardige samenleving, een democratie die zijn basisprincipes niet verloochend en dus effectief werk maakt van een samenleving waar eenieder effectief kan genieten van zijn onvervreemdbare rechten Vooraleer we kunnen nadenken over politiek en beleid in tijden van superdiversiteit is het van belang dat we inzicht verwerven in die nieuwe realiteit.

Bronnen

[1] Maly, I. (red).(2007). Cultu(u)rENpolitiek. Over globalisering, media en culturele identiteiten. Garant: Berchem.
[2] Parkin, D. & Arnaut, A. (2012). Super-diversity & sociolinguistics – a digest. Working Paper:http://www.academia.edu/3851384/Super-diversity_elements_of_an_emerging_…
[3] Pennycook, A., Morgan, B. & Kubota, R.(2013). Series editors’ preface. In Blommaert, J. (2013). Ethnography, superdiversity and Linguistic Landscapes. Chronicles of complexity. Multilingual Matters. Bristol-Buffaolo-Toronto.
[4] Scollon, R. & Scollon, S.W. (2003). Discourses in place : language in the material world. London: Routledge. p.12
[5] Blommaert, J. (2013). Ethnography, superdiversity and Linguistic Landscapes. Chronicles of complexity. Multilingual Matters. Bristol-Buffaolo-Toronto.
[6] Blommaert, J., Collins, J. & Slembrouck, S. (2005). Spaces of multilingualism. Language and Communication 25, 197-216.
[7] Vertovec, S. (2007). Super-diversity and its implications. Ethnic and Racial Studies30 (6), 1024-1054.
Maly, I., Blommaert, J. & Ben Yakoub, J. (2014). Superdiversiteit en democratie. Epo: Berchem.
Blijf op de hoogte door de pagina van het boek te volgen: https://www.facebook.com/superdiversiteitendemocratie

 Image

Verdeel en heers -beeldvorming

Over neoliberalisme, democratie en de nood aan politisering

 In de laatste twee decennia zijn we getuige geweest van een grondige herstructurering van onze samenleving en bij uitbreiding van de wereld. De jaren ‘90 waren de jaren van wat Bush senior ‘De nieuwe wereldorde’ noemde. Het communistisch blok stortte in en het neoliberalisme werd omarmd als winnaar. Overal weergalmde de oneliner ‘there is no alternative’. De vrije markt werd gebombardeerd tot de enige mogelijke weg en het failliet van het socialisme werd van de daken geschreeuwd. Vandaag worden we wakker in een koude en kille samenleving.

Een gepolariseerde samenleving waar de kloof tussen arm en rijk, en tussen armen onderling steeds groter wordt. Migranten, en moslims in het bijzonder, werden kop van jut. Dit nieuwe discours was een glijmiddel om allerhande rechten in te perken en leidde de aandacht af van de sociaaleconomische agenda. De welvaartstaat en onze democratie staan onder druk, dat is het minste dat we kunnen stellen. In dit stuk schetsen we deze evoluties, hun gevolgen en kijken we naar de rol die het middenveld kan opnemen in de strijd voor democratie, vrijheid en gelijkheid.

De context van een democratisch probleem

1989 is een kantelpunt in de geschiedenis (Maly, 2007). Het luidt de wereldwijde doorbraak in van het neoliberalisme enerzijds en betekende een heropleving/herlegitimatie van nationalisme anderzijds. Niet enkel in de voormalige Sovjetrepublieken zien we de groei van een tot dan toe marginaal politiek nationalisme (Hobsbawm, 1994), ook in eigen land is het nationalisme een dominante ideologie. Niet alleen het Vlaams Blok en de Volksunie waren de dragers van dat nationalisme, ook de CVP en de PVV trokken toen voluit de nationalistische kaart op. De Batselier en Abicht zochten toenadering tot de Volksunie door met Coppieters het Sienjaal uit te geven (Blommaert, 2012). Het nationalisme was terug mainstream. De verankeringspolitiek van de prille Vlaamse regering en de campagne Vlaanderen-Europa 2002 waren onomfloerst gericht op Vlaamse nation-building (Blommaert, 2001).

In de jaren tachtig deed ook het neoliberalisme zijn intrede in België. De grootste voorvechter was Verhofstadt, toen beter gekend als ‘da joenk’, en zijn PVV: hij zag een grote kloof tussen de burger en de politiek en die kloof viel samen met het middenveld (Blommaert, 2001; Maly, 2007 & 2009). De vakbonden, straathoekwerkers en belangenverenigingen die de stem vertolken van mensen die vaak in een precaire positie leven, werden gezien als drempels voor een ‘ware democratie’. Democratie werd in ware Vlaams Blok-logica hertaald tot vox populisme. De burger moest rechtstreeks spreken met de politici. En die burger leek vooral wakker te liggen van de vreemdelingen (Blommaert, 2001). Dit Tatcheriaanse discours van Verhofstadt was een frontale aanval op het middenveld met de vakbonden op kop. Het betekende in de praktijk dat het middenveld en bij uitbreiding de linkerzijde het heel moeilijk begon te krijgen.

De val van de muur luidde immers ook het einde in van de angst voor het socialisme bij de werkgevers en de rechtse politieke partijen. Die angst voor het rode gevaar, samen met de goede conjunctuur en de strijd van de arbeidersbewegingen leidden na de Tweede Wereldoorlog tot de uitbouw van de welvaartstaat. Bedrijven, overheid en werknemers sloegen de handen in elkaar voor de uitbouw van een sociale zekerheid. Het onderliggend denkkader bij de uitbouw van die welvaartstaat was dat de belangen van al die partijen werden gezien als complementair (Maes, 2010). Groei stond niet louter in het teken van winst, maar in het teken van welzijn en dus van herverdeling. De welvaartstaat bracht de idealen van de radicale verlichting dichterbij: gelijkheid en vrijheid stonden op de agenda. De politiek zag de staat als een instrument om een goede samenleving uit te bouwen met als doel: het geluk van de bevolking. Rechten hadden we nodig om onze plichten als burger te kunnen vervullen; dat was toen een democratische evidentie. En we waren burger in deze samenleving ten aanzien van de staat: de staat moest onze rechten garanderen.

Die gestage uitbouw van de welvaartstaat komt na de oliecrisis in de jaren 70 in het gedrang (Maes, 2010). De regering Martens voerde in de jaren 80 een neoliberaal beleid gericht op besparen. Het zijn ook de jaren waarin een heel pak van de arbeidsmigranten en hun kinderen structureel in de werkloosheid terechtkomen. Straathoekwerkers en vakbonden trekken aan de alarmbel: zij roepen de politiek op om een beleid van integratie te voeren. Sociaaleconomische integratie wel te verstaan. Zij vreesden immers de groei van een etnische onderklasse. Hun oproepen bleven echter onbeantwoord (Blommaert, 2011). Pas op het einde van de jaren 90 wordt er door de regering geleidelijk aan werk gemaakt van integratie. Dit nieuwe integratiebeleid was echter geen antwoord op de verzuchtingen van die straathoekwerkers, maar op die van een nieuwe politieke partij: het Vlaams Blok.

De uitbouw van het integratiebeleid kan gezien worden als een uiting van die globale veranderingen zoals we ze hierboven geschetst hebben. Nationalisme was de fundamentele premisse van dit integratiebeleid. Samenlevingsproblemen werden culturele problemen en dus moesten nieuwkomers zich integreren in onze cultuur en de taal leren (Maly, 2009). De homogeniteit van de samenleving moest gevrijwaard blijven. Door de probleemdefiniëring over te nemen van het Vlaams Blok en niet van de basiswerkers, legitimeerde men de premissen van het Vlaams Blok.

Migratie moest gestopt worden, want de natie stond onder druk. Migratie was een probleem. Een tijdbom die zo snel mogelijk moest ontmanteld worden. Dit kon enkel door enerzijds migratie zoveel mogelijk te stoppen, anderzijds ‘onze waarden en normen’ op te leggen aan ‘die ander’ en ze Nederlands te leren (Maly & Blommaert, 2012). Zij ‘onderdrukken immers hun vrouwen’, zijn ‘niet democratisch’, ‘hun religie is fundamentalistisch’, ze haten het westen,… De idee van de botsende culturen werd, zeker na 9/11 gemeengoed. Het werd zelfs legitiem om terug te spreken in termen van onze superioriteit. Daarom moesten ‘zij’ cultureel geïntegreerd worden, ze moesten zichzelf inburgeren. En om die inburgering af te dwingen werden allerhande rechten voorwaardelijk gemaakt: het recht op een woning werd afhankelijk gemaakt van de wil om het Nederlands te leren. Er werden GAS-boetes ingevoerd die voor het eerst sinds eeuwen ervoor zorgen dat de scheiding der machten geschonden werd. Privacy sneuvelde in naam van onze veiligheid en de strijd tegen terrorisme ten voordele van camera’s.

Dit discours beperkte zich niet tot stoffige beleidsteksten en de pure politiek, maar is tot op vandaag een discours dat in het lang en in het breed gevoerd wordt in onze media. De werking en de structuur van de media veranderden in diezelfde twee decennia zeer grondig. De openbare omroep kreeg concurrentie van verschillende commerciële omroepen. De zuilgebonden kranten werden geïntegreerd in grote commerciële mediaconcerns en werden commerciële producten die zoveel mogelijk lezers moesten verleidden de krant te kopen. Hiervoor werd ingezet op sensationele koppen, licht verteerbaar nieuws met veel foto’s en vaak met een ontstellend gebrek aan nuance. In een dergelijke media gedijt populisme zeer goed en dat wordt nergens treffender geïllustreerd dan in het zogenaamde integratiedebat. (Maly, 2009 & 2012).

Door dat gemediatiseerd debat werd een draagvlak opgebouwd bij de bevolking voor het nieuwe integratiebeleid. Politici, deskundigen en journalisten hebben in de laatste decennia de bevolking leren spreken over migratie, over vreemdelingen, asielzoekers, allochtonen en moslims in het bijzonder. De autochtonen uit de lagere klassen werden opgezet tegen hun allochtone collega’s. Allochtonen werden zowel verweten ‘ons werk af te pakken’ als van de sociale zekerheid te profiteren. De solidariteit tussen de werkende mensen werd gebroken: de blik stond niet meer naar boven gericht, maar naar de collega’s naast zich. Armen verweten andere armen de schuld te zijn van hun eigen armoede. Armoede werd in die periode ook geherdefinieerd: armoede was geen gevolg meer van het economisch systeem, maar werd een individuele verantwoordelijkheid (Maly & Blommaert, 2012).

Superdiversiteit, neoliberalisme en precariteit

De globalisering en de doorbraak van het neoliberalisme na de val van de Berlijnse muur zorgen voor een nieuwe wereldorde en ook een heel nieuwe migratie. We spreken vanaf dat moment van superdiversiteit. Superdiversiteit houdt een multidimensioneel perspectief in op diversiteit. Het concept stelt de diverse reeks invloeden centraal die samen komen in het leven van mensen en hun leven conditioneren (Vertovec, 2007). Naast de klassieke elementen als geslacht, politieke voorkeur, leeftijd en religie, slaat die superdiversiteit ook op een hele resem andere variabelen zoals de verschillende immigratiestatussen en de bijhorende (ingeperkte) rechten van nieuwkomers, hun onderwijs- en arbeidservaring en hun ervaringen met administraties. Maar ook de plaats waar migranten wonen in ons land en hun relatie met onze overheidsinstellingen zijn factoren die bepalend zijn in de aard van diversiteit en dus in de aard van onze samenleving.

Superdiversiteit beschrijft als concept die nieuwe migratie die zich vanaf de jaren 90 in ongeveer alle Europese steden voltrokken heeft en de samenstelling van alle landen grondig veranderd heeft. Die superdiversiteit kleurt niet alleen de grootsteden, ze kleurt België. Op het Belgisch grondgebied leven in totaal mensen uit 194 verschillende landen. België is dus niet te verwarren met een homogene natie, waar ook enkele migranten aanwezig zijn. Terwijl in de media gefocust werd op die ‘oude migratie’ en de nood tot (her)homogenisering om de natie te redden, onderging onze samenleving diepgaande en structurele veranderingen. Superdiversiteit is in België de norm. Van homogeniteit is al lang geen sprake meer.

Toch blijft onze regering steeds meer inzetten op culturele integratie, inburgering en het stellen van extra voorwaarden vooraleer migranten alle rechten hebben. Ongewilde migratie, lees migratie van armen, moet zoveel mogelijk gestopt worden. Al deze beleidsopties vertrekken vanuit een rechts nationalistisch en niet vanuit een democratisch perspectief. Ondanks alle mooie woorden die gehanteerd worden in het migratiedebat zoals democratie, verlichting en mensenrechten zien we dat deze woorden gebruikt worden om anderen uit te sluiten, om ze minder rechten te geven. Rechten worden voorwaardelijk gemaakt. Bovendien zorgt het dominante discours over ‘de onaangepastheid’ van migranten en de nood aan culturele integratie voor een opstoot van racisme. Migranten worden dag in en dag uit afgerekend op ‘hun graad van integratie’: als ze werk zoeken, als ze een appartement willen huren of als ze willen uitgaan worden ze door autochtonen beoordeeld.

Bovendien gebeurt dit alles binnen een neoliberale economische context. In die context functioneert iedereen als een kleine mini-onderneming die moet zorgen dat hij of zij geïntegreerd blijft. Immers, in de laatste decennia is de verhouding tussen burger en politiek geherdefinieerd. Het is niet langer de staat die ons onze rechten garandeert, vandaag zijn we daar voor een groot stuk zelf verantwoordelijk voor. Vandaag staan plichten en verantwoordelijkheid, zoals dat dan zo mooi heet, voorop. We moeten zelf zorgen dat we een job blijven hebben, we moeten flexibel zijn en ons ten allen tijde herscholen. We moeten tevreden zijn met interimcontracten en werken onder enorme druk. We moeten onze (aanvullend) pensioen zelf bijeen sparen en we kunnen maar beter maken dat we een hospitalisatieverzekering hebben. Sociaaleconomisch geïntegreerd blijven is vandaag moeilijker dan ooit, en het is een individuele verantwoordelijkheid geworden. Steeds meer mensen vallen uit de boot, de kloof tussen rijk en arm wordt steeds groter. Sociaaleconomische integratie is vandaag de opdracht van eenieder, niet alleen van allochtonen. Hoewel die laatste groep, als een gevolg van de dominante beeldvorming en bijgaand beleid, meer kans maakt om tot die lagere klassen te behoren.

Het gevolg van dit neoliberalisme is de groei van een nieuwe klasse – die Standing het precariaat noemt – als gevolg van een economisch systeem dat de nadruk legt op zo groot mogelijke winsten ten voordele van enkelen en ten koste van de samenleving. Ten koste van onze democratie. Dat precariaat is een klasse in wording die gekenmerkt wordt door enerzijds bestaans-en werkonzekerheid en anderzijds door minder sociale, culturele, politieke, economische rechten. Dat precariaat is een globale klasse geschapen door het neoliberalisme en is gekenmerkt door superdiversiteit. In ons land zien we een oververtegenwoordiging van zogenaamde allochtonen in deze klasse. Dat is enerzijds het gevolg van het gevoerde integratiebeleid, en anderzijds door het structurele racisme. Het beleid organiseert ongelijkheid en het dominante discours versterkt die productie van ongelijkheid. Concreet houdt dit in dat we leven in een samenleving waar mensen ongelijke rechten hebben en dat wordt genormaliseerd door de heersende beeldvorming als een zaak van realisme (Maly & Blommaert, 2012). Dat schept een dijk van een democratisch probleem; immers een democratie is gegrondvest op het idee dat we allemaal gelijke, onvervreemdbare rechten hebben. Dat iedereen in die samenleving recht heeft op een goed leven.

Het middenveld en de toekomst van de democratie

Het was geen toeval dat Verhofstadt zijn pleidooi voor neoliberalisme combineerde met een aanval op het middenveld. De vakbonden en het kritische middenveld vormden immers een dam tegen zijn neoliberale dromen. Het is helaas Verhofstadt die aan het langste eind getrokken heeft. Het middenveld zit al enkele decennia in de hoek waar klappen vallen. Het gevolg is een vergaande depolitisering van dat middenveld. Het middenveld is vandaag vaak geïnstrumentaliseerd als een uitvoerder van het beleid. Het middenveld werkt niet meer bottom-up, maar top-down. Niet de stem van haar achterban wordt naar buiten gebracht, maar de stem van het beleid. Dat betekent in de praktijk vaak een gebrek aan kritiek. Dat is terug een democratisch probleem. De Tocqueville (1835) waarschuwde al in de 18de eeuw dat een democratie zonder middenveld, zonder kritische tegenmachten in de feiten geen democratie is.

Dergelijke kritische tegenmacht kan maar bestaan als er gedegen informatie voorhanden is, als er goed geïnformeerde democratische burgers zijn. Zonder informatie, is er geen tegenmacht. De radicale verlichtingsdenkers lieten dan ook niet na om te wijzen op het belang van een goed onderwijs en gedegen media als voorwaarden voor een gezonde democratie (zie bv. Jefferson en Paine). De commercialisering van de media is dus een democratisch probleem. En het is hier dat het middenveld een eerste daad van verzet kan plegen: namelijk door vanuit haar expertise te bouwen aan ruimtes voor diepgang. Vandaag zorgt het internet voor ongekende mogelijkheden voor informatieverspreiding gaande van eigen website, sociale media als micromedia zoals Kif Kif en De Wereldmorgen. Het ontsluiten en diepgaand informeren van mensen is een cruciale stap in het heropbouwen van onze democratie in tijden van globalisering, superdiversiteit en neoliberalisme. Dat vereist dat er terug denkwerk verricht wordt over schijnbaar zeer abstracte zaken, die in wezen zeer praktisch zijn. Namelijk hoe zorgen we dat het idee van onvervreemdbare rechten eigen aan het individu eindelijk gerealiseerd wordt. Hoe zorgen we dat democratie terug begrepen wordt als een groot verhaal. Als een ideologie met als fundament vrijheid en gelijkheid. Hoe bouwen we aan zo’n democratie in tijden van globalisering en hypermobiliteit. Hoe stoppen we de ‘verdeel -en heers’-beeldvorming? Hoe tonen we aan de armen en uitgestotenen dat ze in hetzelfde schuitje zitten, dat ze dezelfde democratische strijd moeten voeren. En nog belangrijker hoe voeren we die strijd?

Met informatie en denkwerk, hoewel uiterst noodzakelijk, alleen zullen we er niet komen. De bestaande negatieve beeldvorming over moslims of de afbraak van de democratie en de welvaartstaat is niet louter een zaak van tekort aan kennis, het is een gevolg van een politiek-ideologische strijd. Dat betekent dan ook dat het louter aanbieden van informatie niet voldoende is. Die informatie moet de basis vormen van acties. Als het middenveld terug een fundament wil zijn van de democratie en de strijd voor democratisering, dan moet ze onvermijdelijk instappen in een politiek-ideologische strijd. Het middenveld moet van onderuit naar boven werken en dus moet ze zich onafhankelijk en kritisch opstellen ten aanzien van het beleid, van politici, van werkgevers en van de media. Het middenveld moet de rol opnemen van waakhond van de democratie. Zij moet politici controleren, ze moet kijken of het beleid ten goede komt van alle mensen op het grondgebied en ze moet zich verzetten tegen het beleid dat vrijheid, gelijkheid, democratie en onvervreemdbare rechten in het gedrang brengt. Het middenveld moet terug politiserend werken. Ze moet haar achterban informeren, opleiden en mobiliseren. En dat is een dringende opdracht, want de diagnose is ernstig. Onze democratie en onze rechten zijn in snel tempo aan het afkalven. Vijf voor twaalf, dat was gisteren.

Dit stuk werd eerder gepubliceerd in Terzake-magazine

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen en coördinator van Kif Kif. Hij schreef o.a. N-VA | Analyse van een politieke ideologie (EPO, 2012).

Bronnen.

Blommaert, J. (2001). Ik stel vast. Politiek taalgebruik, politieke vernieuwing en verrechtsing. Berchem: EPO.
Blommaert, J. (2011a). ‘Superdiversiteit’, KifKif.be: http://kifkif.riffle.be/actua/superdiversiteit.
Blommaert, J. (2011b). De heruitvinding van de samenleving. Berchem: EPO.
Blommaert, J. (2011). Burgerschap, integratie en ander fraais: drie problemen.http://feweb.uvt.nl/pdf/2010/InleidingJanBlommaert.pdfHobsbawm, E. (1992). Nations and nationalism since 1780. Cambridge: Cambridge University Press.
Blommaert, J. (2012). Over links en nationalisme: De Kloof tussen Abicht en de realiteit. http://www.kifkif.be/actua/over-links-en-nationalisme-de-kloof-tussen-ab…
De Tocqueville, A. (1835). Democratie: wezen en oorsprong. Kapellen: Agora Pelckmans.
Maes, J. (2012). Uw sociale zekerheid in gevaar. Berchem: EPO.
Maly, I. (red.) (2007). Cultu(u)rENpolitiek. Over media, globalisering en culturele identiteiten. Berchem: Garant.
Maly, I. (2009). De beschavingsmachine. Wij en de islam. Berchem: EPO.
Maly, I. (2012). De stilte in het debat. Over macht, anti-Verlichting en superdiversiteit. Vlaams Marxistisch Tijdschrift:http://www.imavo.be/vmt/1216-Maly.pdf.
Maly I. (2012). N-VA. Analyse van een politieke ideologie. Berchem: EPO.
Maly I & Blommaert, J. (2012). ‘Realisme’ als ideologie. Over superdiversiteit, precariteit en de nood aan Verlichting” (Kif Kif, 9/1/2013 – oorspr. bijdrage in: Filip Coussée & Lieve Bradt, red.: “Jeugdwerk en sociale uitsluiting. Handvatten voor emanciperend jeugdbeleid”, 2013):
Standing, G. (2011). The Precariat. The New Dangerous Class. London: Bloomsburry Academic.
Paine, T. (1791). Rights of Man, part the first. Being an answer to mr. Burke’s attack on the French revolution. (pp. 61-169). In Paine, T. & Linebaugh P. (2009). Peter Linebaugh presents Thomas Paine: rights of man and common sense. Verso, London, New York.
Vertovec, S. (2007). Super-diversity and its implications. In Ethnic and Racial Studies, 30: 6, 1024-154.

[Veto] De ideologie van Bart De Wever en zijn N-VA gefileerd: “Bloed-Vlamingen en neoliberalen”

Filosoof en cultuurwetenschapper Ico Maly is al langer een luis in de pels van de N-VA. In zijn doctoraat – dat verrassend vlot over de toonbank gaat – analyseert hij de ideologie van de Vlaams-nationalistische partij. Zijn conclusie? De N-VA is een neoliberale partij, gestoeld op een anti-verlichtingsdenken.

SAM RIJNDERS (FOTO: ANDREW SNOWBALL) | Veto

Om met de deur in huis te vallen: wat verstaat u onder de anti-Verlichting?

Ico Maly: «Historisch gezien was de anti-verlichting een ideologische en intellectuele verzetsbeweging tegen de Franse revolutie. Deze beweging wou geen terugkeer naar het ancien régime zoals de contraverlichting, maar streefde naar een andere moderniteit dan de radicale verlichtingsdenkers. Eentje die niet gebaseerd is op verlichtingswaarden als gelijkheid, vrijheid en democratie in een ideologische betekenis. Maar wel op ongelijkheid en leidersfiguren die spreken voor het volk: een antidemocratie. Denk aan het grote voorbeeld van Bart De Wever, Edmund Burke, hij was samen met Herder het fundament van die antiverlichtingstraditie.»

De N-VA is onder andere voor holebirechten. Is dat dan geen verlichtingswaarde?

Maly: «Als conservatief en Vlaams nationalist zat De Wever aanvankelijk in dezelfde niche als het Vlaams Belang. Om zich te onderscheiden van het Vlaams Belang beriep hij zich op de verlichting. Zo is hij inderdaad voor holebirechten. Maar dat maakt hem nog geen verlichtingsdenker, het is slechts een vernislaagje, waaronder zich een diepgeworteld antiverlichtingsdenken bevindt.»

AANPASSEN OF OPKRASSEN

Als je N-VA’ers vraagt naar hun ideologie, antwoorden ze “nationalisme”. Dat zou grondig verschillen van het etnische en culturele nationalisme van het Vlaams Blok.

Maly: «Alhoewel ze nationalisme niet zien als een ideologie, zetten ze zich inderdaad in de markt met een ‘nieuw nationalisme’. Een humanitair nationalisme voor de eenentwintigste eeuw, vrij van de zonden van het verleden. Maar het bloed-en-bodem-nationalisme van een Vlaams Blok vind je wel degelijk terug bij N-VA. Wij zijn dan Vlamingen omdat we hier geboren zijn, Nederlands spreken en dus dezelfde normen en waarden delen. Fictie volgens mij, maar zo zegt De Wever het letterlijk. Dat wordt aangevuld met een zogezegd civiel nationalisme. Iedereen is welkom als ze maar onze taal leren spreken en normen en waarden overnemen. Daar valt het masker: vreemdelingen mogen enkel lid van de club worden als ze “echte Vlamingen” worden. Wat is dan het verschil met het “aanpassen of opkrassen” van het Vlaams Blok?»

«Wij, de bloed-Vlamingen, hebben bijvoorbeeld automatisch recht op een sociale woning. Mijn vrouw met Turkse roots moet eerst bewijzen dat ze goed Nederlands spreekt, als het van Liesbeth Homans (Antwerps OCMW-voorzitter voor N-VA, red.)afhangt. Terwijl sommige Vlamingen niet eens voor die taaltesten zouden slagen. In Asse gaat N-VA nog verder: de gemeente moet huizen opkopen en die enkel aanbieden aan mensen met Nederlands als moedertaal. Dat is pure discriminatie: hoe kan je ooit je moedertaal veranderen?»

Hun centrale argument is dat België geen democratie is, maar een optelsom van twee democratieën. Het stemgedrag in Vlaanderen en Wallonië verschilt toch inderdaad grondig?

Maly: «Die oneliner kan je enkel begrijpen als je het democratiebegrip van N-VA onderschrijft. Voor haar is democratie de stem van het volk. Dan geloof je dat het volk met één stem kan spreken. Nochtans, ik ben een Vlaming en De Wever spreekt nooit in mijn naam. Ik word nooit meegerekend, tenzij als “slechte Vlaming”. Men creëert een ideaaltypische, rechtse Vlaming en doet alsof alle Vlamingen zo zijn.»

«Er zijn inderdaad verschillen in stemgedrag tussen Vlaanderen en Wallonië, maar die zijn het gevolg van een homogeniserende en communautaire bril. In de realiteit zijn de concrete levensomgevingen van mensen, zoals verschillen in stemgedrag tussen stad en platteland, veel relevanter om die verschillen te verklaren. Bovendien zie je vanuit historisch perspectief dat die verschillen helemaal geen structurele culturele uitingen zijn. Nu is de PS de grootste, enkele verkiezingen terug was het nog MR. Kortom, die oneliner toont de nationalistische invulling van democratie door N-VA.

Paradoxaal genoeg steunt deze nationalistische partij wel het Europese project.

Maly: «Die steun is strategisch en voorwaardelijk. Eerst en vooral wil men zich onderscheiden van het Vlaams Blok als een partij die wel open staat voor de wereld. Ten tweede is die steun erg voorwaardelijk. Het is een Europa van naties, geen federaal Europa zoals Guy Verhofstadt wil. Logisch, want N-VA gelooft niet in een ‘democratie’ met meerdere identiteiten. Op Europees niveau is vanuit die logica nooit een democratie mogelijk. Tot slot steunen ze de Europese unie omdat die dezelfde economische politiek voert als de N-VA. Namelijk het neoliberalisme.»

NEOLIBERALE AGENDA

Neoliberalisme: de term is gevallen. Wat verstaat u onder dat hedendaagse politieke buzzword?

Maly: «Je mag dat niet begrijpen als een ideologie die alleen maar zo weinig mogelijk overheid wil. Concurrentie tussen bedrijven staat centraal. Overheidsingrijpen is geen probleem voor neoliberalen, zolang die gericht is op het bevorderen van de concurrentie en de marktwerking. Gelijkheid en sociale voorzieningen nastreven is echter een taboe.»

Neoliberalisme en nationalisme: wat is dan het middel en wat is het doel?

Maly: «Die vraag krijg ik zo vaak dat ik plan er een boek over te schrijven. (lacht) De Wever is een nationalist maar ziet neoliberalisme als noodzakelijke voorwaarde voor een onafhankelijke natie. Je moet immers een bloeiende economie hebben.»

«Omgekeerd heeft neoliberalisme nationalisme nodig. Je economie moet globaal zijn met een vrijheid van kapitaal, maar de politiek en dus de democratie moeten nationaal blijven. Zo heeft ze geen macht over die globale economie. Een perfecte beschrijving van onze huidige situatie. N-VA onderschrijft het neoliberalisme, zolang haar nationalistische idealen maar niet in gevaar komen.»

Vinden we de invloeden van het neoliberale denken dan niet terug bij alle politieke partijen? Het is toch geen monopolie van de N-VA?

Maly: «Een hegemonie zou Gramsci het noemen. De besparingspolitiek van Wilfried Martens in de jaren ’80 heeft het neoliberalisme in België geïmporteerd. Vanaf de 90 is het neoliberalisme hegemonisch. Sinsdien wordt ‘de economie’ steeds meer begrepen als een systeem op zich, wat totale onzin is. Economie staat niet los van de politiek, daar worden heel wat machtsbeslissingen genomen.»

«Stilaan wordt echter duidelijk dat deze dominantie van het neoliberalisme niet eeuwig is. Het neoliberalisme werkt niet, tenzij voor een kleine elite. Vroeger hing economische groei tenminste samen met stijgende lonen. Deze basis van de welvaartstaat is volledig losgelaten.»

Waarom horen we dit verhaal zo weinig in de media?

Maly: «In de eerste plaats dankzij het fantastische retorische talent van De Wever, hij communiceert zich als gematigd en intellectueel. Bovendien verkoopt De Wever zeer goed. Veel journalisten ontbreekt het echter ook aan historische kennis, laat staan dat ze de wortels van de verlichting beheersen of de tijd hebben om een scherpe analyse te maken van de ideologie van N-VA.»