De boekbespreking als politiek wapen

Een analyse van Absillis ‘vernietigende’ recensie van N-VA – Analyse van een politiek ideologie

 

Interessant. Een dikke 3 jaar na de publicatie van mijn doctoraat verschijnt een bespreking ervan in Wetenschappelijke Tijdingen van de hand van Absillis. Het wordt heel snel opgepikt door Het Pallieterke, De Bron en enkele andere obscure (extreem)-rechtse en Vlaamse nationalistische media. Eindelijk, na drie lange jaren wachten, de zo noodzakelijke vernietigende bespreking. Het was wachten totdat het zou opduiken in de mainstream media. Vrijdag was het zover. De Morgen interviewde Bruno De Wever en bracht de ‘vernietigende recensie’ ter sprake. Van de marge naar de mainstream.

 

3dedrukNVA-AnalyseVanEenPolitiekeIdeologie

De bespreking

Volgens Bruno De Wever bewijst de recensie dat ik  (1) methodologische fouten heb gemaakt en  (2) dat het boek een foute cover heeft.  De eigenlijke bespreking verwijt me  voornamelijk een discours analist te zijn en in het bijzonder een leerling te zijn van Jan Blommaert en Jef Verschueren. Meer dan de helft van die recensie gaat dan ook over de invloed van een studie van Blommaert en Verschueren gepubliceerd in de jaren 90.

De bespreking tracht een soort discours-analyse toe te passen op mijn doctoraat. Het is interessant te zien hoeveel gewicht toegekend wordt aan de cover-foto. Zowel Bruno De Wever als Kevin Absillis suggereren dat EPO de afbeelding bewust voorzien heeft van een (schaduwsnorretje) zodat  De Wever op Hitler zou gelijken. Wat men lijkt te missen, is dat dit een originele Belga persfoto is van N-VA op hun propaganda tournee. De schaduw onder de neus is een normale schaduw van de neus, en is dus niet het gevolg van de A in de titel. Het is er al helemaal niet opgezet door de grafisch ontwerper, maar is deel van het origineel.

cover en orgineel

Heel interessant is ook hoe Bruno De Wever dit reproduceert in het interview met De Morgen:

“Neem alleen nog maar de cover van dat boek van Maly: N-VA. Analyse van een politieke ideologie. Absillis toont duidelijk aan hoe men door de plaatsing van de titel waarschijnlijk heel bewust een hitlersnorretje op de foto van mijn broer wil suggereren.” (De Morgen, 2016)

De hedge ‘waarschijnlijk’ raakt ondergesneeuwd onder de hyperbolen: ‘toont duidelijk’, ‘heel bewust’.  Bruno De Wever steunt volledig op de bespreking van Absillis en toont daarbij vooral aan dat hij geen discoursanalist is. De claim van De Wever in het interview, zich baserend op de recensie van Absillis is een methodologische fout. Een fundament van een discoursanalyse is dat je meerdere data moet hebben ter ondersteuning van je claims. Meer nog, je analyse van het hele corpus, moet ook terug te vinden zijn in één tekst (staat netjes vermeld in het methodologisch hoofdstuk van mijn doctoraat). In dit geval zou Absillis op zijn minst een interview of zo moeten kunnen opdiepen waarin ik zou stellen dat de N-VA fascistisch zou zijn. Ik daag hem uit om dat te doen. Dergelijke data bestaat niet. Mocht Absillis zijn huiswerk goed gedaan hebben, dan zou hij zien dat ik in het boek, in alle interviews , debatten en artikelen altijd expliciet heb gezegd dat N-VA en De Wever volgens mij niet fascistisch zijn. Wat me trouwens niet altijd in dank is afgenomen. Hun analyse van de cover wordt tegengesproken door alle andere data die ik heb geproduceerd.

De ‘analyse’ van de recensent vertelt ons veel  meer over de methodologie van de recensent en zijn doeleinden, dan over mijn of EPO’s intenties. Deze opener van de bespreking zet de toon. De introductie is de eerste indicatie dat Absillis zelf een intentieproces opzet; nota bene iets dat hij mij verwijt. In de 39-pagina’s lange recensie produceert Absillis één argument: Het onderzoek van Maly had van meteen af aan de intentie om De Wever en zijn N-VA te beschadigen.

Nu zijn intenties  in wezen irrelevant in de beoordeling van wetenschappelijk onderzoek. Men kan perfect de intentie hebben om arbeiders aan de band efficiënter in te zetten (of in links jargon: te onderdrukken en uit te persen) en daarover een stevig wetenschappelijk doctoraat schrijven. De intentie en de ideologie van de onderzoeker zijn niet relevant in de beoordeling van een wetenschappelijk werk. Einsteins relativiteitstheorie is niets minder waard omdat hij een communist is. Maar, als men dan toch mijn intentie wil weten dan kan men die krijgen: het doctoraat is er gekomen om ‘inzicht’ te verwerven in het discours en het succes van N-VA. Hoe kan De Wever het constructivisme rijmen met nationalisme? Nationalisme met verlichting. Hoe kan het dat De Wever ook bij linksen als een toffe pee wordt beschouwd. In mijn eerste publicaties over het thema, dus lang voor de publicatie van mijn doctoraat was mijn analyse ook gematigder. In Het rijpen van de Geesten bijvoorbeeld, werd enkel het uitsluitend karakter van het N-VA nationalisme aangehaald en haar neoliberale economische politiek. Niet dat dit alles ter zake doet, een wetenschappelijk onderzoek beoordeelt men op zijn wetenschappelijke merites niet op de intentie of politieke voorkeur van de onderzoeker.

 

De recensent en zijn politieke strijd

Laat we de bewijzen à charge ten gronde bekijken. Volgens Bruno De Wever zouden er grote problemen zijn met de methodologie van het onderzoek. Misschien interessant om aan te stippen in deze context dat het onderzoek een discoursanalyse is. Ik ben een cultuurwetenschapper en discoursanalist en werk vanuit een etnografisch paradigma. Noch Bruno De Wever (historicus), noch Kevin Absillis (docent Nederlandse letterkunde) zijn etnografen of discours analisten. Benieuwd welke methodologische problemen zij ontdekken in mijn benadering van het etnografisch paradigma.

De claim van De Wever wordt nog vreemder als we de recensie erbij nemen. Absillis schrijft welgeteld 5 lijnen over de methodologie en die zijn louter beschrijvend. Die vijf lijnen worden afgesloten met de volgende zin: ‘Essentiëler voor deze studie is echter het begrippenpaar verlichting en antiverlichting’. Volgens Absillis is er dus niet zozeer een probleem met de methode maar met het begrippenpaar verlichting en antiverlichting. Concreter, het grote probleem is volgens Absillis het gebruik van welbepaalde wetenschappers over de verlichting en antiverlichting. Dit zal een terugkerend motief worden in de bespreking, ik kom daar straks op terug.

Vooral het gebruik van Sternhell’s werk over de antiverlichting moet het ontgelden. Dat ik evengoed gebruik maak van Israel, Blom, Foucault en Hobsbawm in mijn benadering moet even wijken voor de duidelijkheid van zijn argument. Dat ik de originele geschriften van radicale verlichtingdenkers als  Paine en Condorcet gebruik naast de literatuur die gematigde verlichtingsdenkers als Jefferson, Locke, Rousseau en Kant achtergelaten hebben, wordt niet opgemerkt. Dat ik mij baseer op literatuur van conservatieve en antiverlichtingsdenkers als Herder, Renan, De Maistre, Taine en Burke en vele anderen ontgaat hem blijkbaar ook. Het punt is, ik gebruik ‘de foute literatuur’ – lees ik citeer Sternhell – aldus Absillis. Israel, Hobsbawm en Sternhell, het zijn niet meteen lichtgewichten in de academische wereld.

Het ontgaat hem ook dat ik geen enkele van die auteurs klakkeloos volg in hun categoriseringen. Volgens Israel is Herder een radicale verlichtingsfilosoof. Ik volg hem daar niet, je moet er nog maar ‘Another Philosophy’ bijnemen van Herder om te weten dat hij heel duidelijk probeert een filosofie te ontwikkelen die lijnrecht ingaat tegen het denken van de radicale Franse filosofen. Dat ik die categoriseringen niet volledig volg, betekent echter niet dat je de impact van die radicale verlichting kan afwijzen of het ontstaan van de antiverlichting ontkennen. Dat er wel degelijk een ideologische strijd was binnen en tegen de (radicale) verlichting en dat die ideeënstrijd niet alleen relevant is om de dialectiek van het verleden te begrijpen, maar ook van het heden, lijkt mij onomstreden. Dat ik de verlichting niet zozeer bekijk in haar historische realiteitspolitiek, maar vanuit het perspectief van de ideeën van grote denkers ontgaat hem ook. Dat ik een onderscheid maak tussen de gematigde (en onverdedigbare) verlichting en de radicale verlichtingsdenkers ontgaat hem. Dat ik een onderscheid maak tussen counter-enlightenment (dat vaak samenvalt met denkers die Israel als gematigde verlichting omschrijft) en antiverlichting ook. Antiverlichting en counter-enlightenment zijn trouwens niet inwisselbaar. De Counter-enlightenment wil terug naar het ancien régime, de antiverlichting wil een andere moderniteit dan de (radicale) verlichtingsdenkers.

Zijn suggestie op het einde van zijn bespreking, dat ik ‘de Verlichting’ in zijn geheel verdedigen is nogal onzinnig (lees mijn inleiding voor de Gentse Feesten debatten hierover), want dan zou ik met Kant ook verlichte despoten moeten verdedigen. Er zijn nogal wat schrijfsels van mij te vinden waarin ik dat expliciet ontken. Ik voel me dan ook niet aangesproken, als hij mij als een verdediger van het kolonialisme en imperialisme wil neerzetten. Ik zie niet in waarom ik niet kan stellen dat de radicale verlichtingsdenkers ons de ideeën van democratie, mensenrechten en sociale zekerheid geschonken hebben, en tegelijkertijd de historische periode die gekend staat als de verlichting sterk kan bekritiseren. Dat is iets wat Paine al deed in de 18de eeuw.

Belangrijker in het licht van de bespreking, is dat ik in mijn doctoraat niet de verdediging van de verlichting op mij neem, maar net de claims van De Wever en zijn N-VA op de verlichting analyseer. Absillis kan moeilijk het onderscheid maken tussen analyse en verdediging.  Het zijn De Wever‘s uitspraken – het zijn de data- die het noodzakelijk maken om die geschiedenis in mijn analyse te betrekken. Het zou van mij een slechte discoursanalist en cultuurwetenschapper maken als ik die niet  betrek in die analyse. Intertekstualiteit (impliciete en expliciete) is van cruciaal belang binnen elk politiek discours: alle woorden en discoursen hebben een geschiedenis van gebruik. Zeker als men die geschiedenis expliciet oproept, zoals De Wever die zich positioneert als in lijn met de verlichting en een volgeling van Burke, dan is het de job van de discoursanalist om dit te onderzoeken. In die zin heb ik veel te danken aan De Wever, het is dankzij hem dat ik al die primaire bronnen heb mogen lezen. En dat was een heel leerrijke en plezierige trip.

 

De foute vragen

Absillis geeft eigenlijk nergens kritiek ten gronde op de analyse en de methodologie. Wat Absillis stoort – naast de conclusie dat N-VA een anti-verlichtingsideologie uitdraagt –  is dat ik (1) allerhande vragen die hij interessant vindt, niet heb beantwoord en (2) niet de literatuur gebruik die hij vindt dat ik moet gebruiken. Zo wordt me verweten dat ik geen studie gemaakt heb van de impact van Herder en Burke op het Vlaams nationalisme. Blijkbaar had ik dus eerst hierover een doctoraat moeten schrijven, vooraleer ik iets mag zeggen over Herderiaans nationalisme binnen het Vlaams nationalisme. Bovendien haast Absillis zich, na zich verschillende alinea’s te hebben uitgesloofd om de impact van Herder op het Vlaams nationalisme in vraag te stellen, met de stelling dat Herder wellicht wel een grote impact heeft gehad op het Vlaams nationalisme. Geen enkele inhoudelijke tegenwerping op mijn vaststellingen dus, integendeel.

Hetzelfde met Burke. Absillis vindt mijn vaststelling van de invloed van Burke op De Wever evident en makkelijk. Dus terug geen enkele inhoudelijke kritiek op wat ik zeg. Ik krijg enkel het verwijt  volgende vragen niet te beantwoorden: “Hoe leest De Wever Burke? Hoe verhoudt die lezing zich tot Maly’s eigen, grondige en systematische lectuur van Burke? Welke rol heeft Burke gespeeld in de geschiedenis van de Vlaamse beweging? Als die rol minimaal zou zijn, waarom is De Wever dan zo door Burke aangetrokken? En waarom heeft het tot De Wever geduurd voordat Burke en zijn ‘identiteitsconcept’ in het Vlaams-nationalistische denken werden geïntroduceerd?”  Enkel de onderzoeksvragen die Absillis als relevant beschouwd, mogen worden beantwoord. Absillis voelt zich de hoeder van de juiste vraag, de pater die het juiste denken oplegt.

Idem met de claim dat De Wever een neoliberale nationalist is. Terug geen enkele kritiek op de analyse an sich, die analyse wordt niet vermeld (terwijl Absillis 39 pagina’s ter beschikking heeft!). Wel worden terug andere vragen gesuggereerd. Hij noemt “N-VA-voorzitter namelijk een “neoliberale nationalist”, maar gaat licht over de vaststelling dat pleiten voor zo veel mogelijk vrije marktwerking en een principiële achterdocht tegenover de overheid zich moeilijk laten verzoenen met waarden als gemeenschapszin, sociale cohesie en nationale solidariteit. Is De Wevers nationalistische discours dan onderschikt aan een neoliberale agenda of is het eerder omgekeerd? En hoe verhoudt De Wevers neoliberalisme zich tot de verlichting en de erfenis van de Vlaamse beweging?’” Nog los van het feit dat verschillende vragen wel worden beantwoord in het boek, wijs ik er graag op dat de these dat nationalisme en neoliberalisme de laatste decennia hand in hand gaan, geen nieuwe vaststelling is.  David Harvey (die stond niet op Absillis’ lijst van verboden boeken) gaat in zijn werk over neoliberalisme uitvoerig in op die verhouding.  We hoeven trouwens maar aan Thatcher te denken, of later aan het discours van New Labour (Fairclough schreef hier een interessant boekje over, maar die staat hoogst waarschijnlijk op de verboden lijst van Absillis).

 

De foute literatuur

Het belangrijkste argument van Absillis tegen mijn doctoraat is niet zozeer mijn analyse an sich, maar de literatuur waarop ik me baseer. Als ik over het Vlaams nationalisme spreek,  mag ik me niet baseren op Louis Vos, Lode Wils, Jan Blommaert, Marc Reynebeau, Morelli en Hobsbawm. Als ik over nationalisme schrijf, mag ik me niet op Anderson, Billig, Hobsbawm, Gellner, Blommaert en Hroch baseren. En ik mag me niet baseren op Israel, Condorcet, Paine, De Tocqueville, Rousseau en Kant als ik over de verlichting schrijf. En ik mag me al helemaal niet baseren op Sternhell als ik over de anti-verlichting schrijf. Ik moet me dan weer wel baseren op Lakoff  en dus linguïstische (en geen sociolinguïstische) analyses maken. Uiteraard mag ik me niet baseren op discoursanalisten zoals Hymes, Foucault, Fairclough, Billig en al zeker niet op Blommaert en Verschueren.

En zo komen we geleidelijk aan bij hetgeen Absillis echt viseert: De contestatie van het Vlaamse nationalisme door linkse intellectuelen en culturo’s zoals dat in het lingo heet.  Absillis’ stelling is bekend, links moet het nationalisme niet bekampen, maar omarmen en inzetten voor de linkse strijd. Jan Blommaert en Jef Verschueren, die doorheen de hele bespreking geregeld opduiken, zijn vanuit dit perspectief uitermate problematisch in zijn ogen. Zij hebben, aldus Absillis, een enorme impact gehad met hun boek Het Belgische migrantendebat op het verzet van linkse culturo’s en intellectuelen tegen het concrete Vlaams nationalisme.

Het is dan ook opvallend dat er slechts 12 van de 39 pagina’s gewijd worden aan mijn doctoraat.  Op de andere pagina’s wordt de invloed van ‘Het migrantendebat’ van Blommaert en Verschueren besproken. Zij zouden de houding van links ten opzichte van het Vlaams nationalismhebben bepaald en ‘de foute’ boeken binnengebracht hebben in het debat (lees: de werken van Hobsbawm, Anderson en Gellner) over nationalisme. Mijn doctoraat wordt als emblematisch neergezet wordt voor alles wat fout is aan de linkse houding ten aanzien van nationalisme in de laatste twee decennia:

Maly’s conclusie negeert dat sinds de doorbraak van het Vlaams Blok in de jaren 1990 wellicht geen enkele ideologie fel­ler en openlijker werd gecontesteerd dan nationalisme in het algemeen en Vlaams-nationalisme in het bijzonder. De doorbraak van de N-VA naar het centrum van de po­litieke macht heeft daar al met al niet zo veel aan veranderd.”

Absillis maakt hier typische fout: hij verwart tegenspraak met macht. Dat N-VA de grootste partij is van Vlaanderen, dat er op de PVDA na geen Belgische partijen zijn of dat de BRT VRT is geworden, dat is allemaal niet relevant. Een wetenschapper als Billig, zou daar iets anders over denken, maar die staat niet op de goede literatuurlijst. Wat Absillis niet lijkt te zien, is de machtsongelijkheid. De reële impact van die intellectuelen en culturo’s wordt niet in ogenschouw genomen. Een hegemonie is nooit totaal, er is altijd verzet. Het verzet wordt echter niet gehoord, belachelijk gemaakt, geïnstrumentaliseerd, geneutraliseerd of in de marge geduwd. Dat wil niet zeggen dat ze er niet is, ze heeft gewoon weinig impact, weinig macht.

Het is dan ook opvallend dat een bespreking die niet ingaat op de methode van het onderzoek, die geen enkele feitelijke fout aanhaalt, maar enkel wijst op ‘de foute literatuur’ en extra (interessante) onderzoeksvragen suggereert, heel snel opgepikt wordt om een onderzoek af te maken. Terwijl datzelfde medium nog nooit een letter heeft vuilgemaakt aan dat onderzoek. Laat staan dat De Morgen zou rapporteren dat het onderzoek nu ook in een internationale top journal als Nations and Nationalism is gepubliceerd. Het zegt iets over wat gezien wordt als normaal en wat gezien wordt als niet normaal in onze Vlaamse samenleving. Het kaartenhuis van Absillis stort onherroepelijk ineen.

 

De verborgen politiek van de recensent

‘Mijn doctoraat’ is maar een opstapje om het echte stokpaardje van Absillis boven te halen: De verdediging van (links) nationalisme. De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet. Freud zou het woordje projectie bovenhalen, maar die staat zeker ook op de foute literatuurlijst. Onder het mom van een objectieve recensie, smokkelt Absillis niet al te subtiel trouwens, zijn eigen politieke strijd binnen: de opleving van het Linkse nationalisme. Ik wens hem daarbij alle succes.

 

  1. Graag maak ik van de gelegenheid gebruik even te wijzen op een reeks feitelijke fouten in de bespreking. De cover is niet door Epo gemaakt (de Colofon checken is altijd handig). Ik ben nooit voorzitter geweest van Kif Kif, maar coördinator. Kif Kif was geen minderhedenplatform, maar een intercultureel platform. Ik ben geen politiek wetenschapper, maar een cultuurwetenschapper. Kif Kif is niet aan elkaar geschreven. Facebook en Instagram worden met hoofdletters geschreven. Sternhell is met ll –geschreven.

 

Advertisements

De raaskalderij van Peter De Roover

Enkele bespiegelingen na een debat over diversiteit

Gisteren zat ik in de Vooruit op een TEDX-achtig evenement rond diversiteit van de faculteit sociale en politieke wetenschappen van de UGent. Een van de andere sprekers was Peter De Roover van N-VA. De Roover beloofde niet aan politiek te doen … dat was meteen de eerste belofte die sneuvelde. Met stijgende verbazing heb ik een speech aangehoord die niet anders te typeren is dan als ‘onzin’. Ik heb het dan nog niet over de schandalige banalisering en herdefiniëring van woorden als vooroordeel, discriminatie en apartheid, maar in eerste instantie over het compleet fictieve karakter van zijn verbeelding. Volg even mee.

de roover

De Roover deelde met ons de ‘wijsheid’ dat de mens bestaat uit twee dominante behoeften: zin voor herkenbaarheid en zin voor avontuur. Sommige mensen zijn avontuurlijker dan anderen, maar herkenbaarheid is cruciaal want dat geeft ons rust, aldus De Roover. Het is die herkenbaarheid die ons toelaat om niet teveel te moeten denken (dat schijnt lastig te zijn aldus deze ex-leraar). Want als alles herkenbaar is moeten we niet meer denken. We kunnen dan lustig ‘discrimineren’ op basis van vooroordelen. Dat geeft ‘ons’ blijkbaar rust. Want zegt De Roover we kiezen een restaurant (we discrimineren om het in de woorden van De Roover te zeggen) op basis van vooroordelen en niet op basis van kennis of gegronde oordelen op basis van feiten. We kijken blijkbaar niet naar ons eten, we weten blijkbaar niet dat er zoiets is als de voedselinspectie. Nee, we doen dat blijkbaar op vooroordelen. En dat is normaal.

Discriminatie en vooroordelen worden in het discours van De Roover niet alleen genormaliseerd en gebanaliseerd (we doen het allemaal), ze worden ook gezien als goed, als deel van de menselijke aard. Impliciet zien we hier de fictie van de homogene natie actief: herkenbaarheid is herkenbaarheid in een nationale natie waar iedereen dezelfde variant van het Nederlands spreekt, dezelfde dingen eet in dezelfde plaatsen, dezelfde waarden en normen deelt… ‘Wij’ zijn dan water, ‘zij’ zijn dan olie en dat mixt niet. De Roover is niet veel ‘onder de mensen’ geweest in de laatste decennia. Die wereld van nationale herkenbaarheid is pure ideologie, het is een wensbeeld, geen realiteit. Autochtonen zijn geen homogeen blok van herkenbaarheid. We hebben linksen en rechtsen. We hebben armen en rijken. We hebben bedrijfsleiders en werknemers, grungers, hipphoppers, emo’s, moslims, atheisten, katholieken, holebi’s, transgenders, skaters en bmx’ers, … Onder het laagje retoriek van De Roover gaapt de absolute leegte.

De realiteit vandaag is superdiversiteit en dat is voor elk van ons zo. Het idee bijvoorbeeld dat Belgen leven in een louter lokale Vlaamse wereld is foutief. We kunnen bijvoorbeeld een sociologisch fenomeen als ‘de hipsters’ en de bijhorende opstoot aan ‘authentieke’ koffiebars, barista’s, fixies, platen en zoverder niet begrijpen als we louter lokaal kijken. Het is een trans-nationaal fenomeen en het biedt – om de woorden van de Roover te gebruiken – herkenbaarheid: autochtonen en allochtonen kunnen hipsters zijn en delen veel meer met elkaar dan dat ze ooit zullen delen met De Roover. Dus zelfs al aanvaarden we dat herkenbaarheid een oerbehoefte is van de mens, dan zegt  niets dat die herkenbaarheid zich moet beperken tot de bruine bar van café de postduif in de kerkstraat.

Maar terug naar het verhaaltje van De Roover. Omdat die (nationale) herkenbaarheid zo belangrijk is moet we die afdwingen. En dat wil de linkerzijde niet, aldus De Roover, die wil immers apartheid. Links zou groepsidentiteiten willen verheffen tot norm, tot het organisatieprincipe van de samenleving. Nog los van het feit dat De Roover ‘apartheid’ hier ontdoet van zijn historische betekenis, is dit uiteraard onzin. Ik had immers net het punt gemaakt dat we met zijn allen tot heel veel verschillende groepen behoren, afhankelijk van de context, de tijd en de activiteit. De studenten in de zaal waren gedurende het debat een groep. Ze waren student en zullen dat waarschijnlijk nog een viertal jaar blijven. Ze waren mogelijks, toen ze even op Twitter zaten, ook even Twitteraar, vriend of collega. En toen De Roover begon over de Vlamingen waren ze misschien even Vlaming of Belg of antinationalist. En pas toen Youssef El Moussaoui vroeg naar de nationaliteit van mensen in het publiek werd deze groepsidentiteit geactiveerd. En na het debat verdween de groep: sommigen gingen op café en waren hiphopper, andere waren gewoon  ‘zatte student’ en weer anderen gingen flink slapen om morgen de flinke student te zijn. Identiteit is dus niet te herleiden tot nationale identiteit zoals De Roover ons wil aanpraten.

De Roover heeft duidelijk niet goed opgelet de laatste jaren. Dat belette hem niet om nog wat door te ratelen. Zij – links- vinden dat alles maar moet kunnen…  Nochtans zijn ‘wij’ aldus De Roover een democratie. En een democratie is volgens hem een systeem met twee fundamenten: er is een meerderheid en een minderheid. De meerderheid kan de wetten maken als ze daarvoor een meerderheid hebben. De andere moeten zich schikken.  Kortom, in navolging van zijn Grote Leider, definieert De Roover een democratie als een dictatuur van de meerderheid. Eenmaal die meerderheid iets beslist moet de minderheid zijn mond houden.  Kortom, een klassieke antiverlichtingspositie die de rechten van de mens met de voeten veegt in naam van de bescherming van de herkenbaarheid.

De Roover zou toch eens moeten bijlezen over die vermeende linkse vijand of op tijd komen zodat hij hen toch hoort praten. Dan zou hij doorhebben dat democratie, en gelijke universele rechten voor elke mens het strijdtoneel is van links. Dat dus niet ‘alles maar moet kunnen’, maar dat we een rechtvaardige samenleving willen hebben waar het gelijkheidsbeginsel – het fundament van een democratie – een feit is. Iets wat vandaag absoluut niet het geval is. We leven in een samenleving die gekenmerkt wordt door diepe ongelijkheid. We leven in een samenleving waar mensen afhankelijk van hun statuut, hun identiteit of althans de perceptie van hun identiteit ongelijke sociale, politieke, economische en religieuze rechten hebben. Dat is dus een democratisch probleem.

Dat is een politiek probleem en de partij van de heer De Roover is daar een structureel onderdeel van. Zijn partij maakt van die herkenbaarheid een instrument om rechten van mensen voorwaardelijk te maken (eerst Nederlands leren, dan pas recht op een sociale woning) en ondermijnt zo de democratie en de rechten van de mens.

De Roover verdient dan ook één pluim, hij was eerlijk. Hij heeft – il faut le faire-  openlijk gepleit voor discriminatie als een ‘normaal’ gegeven op een avond die in het teken staat van diversiteit. Dat is inderdaad best hoe we die partij begrijpen, als een partij die het onlegitimeerbare tracht te legitimeren.

[Veto] De ideologie van Bart De Wever en zijn N-VA gefileerd: “Bloed-Vlamingen en neoliberalen”

Filosoof en cultuurwetenschapper Ico Maly is al langer een luis in de pels van de N-VA. In zijn doctoraat – dat verrassend vlot over de toonbank gaat – analyseert hij de ideologie van de Vlaams-nationalistische partij. Zijn conclusie? De N-VA is een neoliberale partij, gestoeld op een anti-verlichtingsdenken.

SAM RIJNDERS (FOTO: ANDREW SNOWBALL) | Veto

Om met de deur in huis te vallen: wat verstaat u onder de anti-Verlichting?

Ico Maly: «Historisch gezien was de anti-verlichting een ideologische en intellectuele verzetsbeweging tegen de Franse revolutie. Deze beweging wou geen terugkeer naar het ancien régime zoals de contraverlichting, maar streefde naar een andere moderniteit dan de radicale verlichtingsdenkers. Eentje die niet gebaseerd is op verlichtingswaarden als gelijkheid, vrijheid en democratie in een ideologische betekenis. Maar wel op ongelijkheid en leidersfiguren die spreken voor het volk: een antidemocratie. Denk aan het grote voorbeeld van Bart De Wever, Edmund Burke, hij was samen met Herder het fundament van die antiverlichtingstraditie.»

De N-VA is onder andere voor holebirechten. Is dat dan geen verlichtingswaarde?

Maly: «Als conservatief en Vlaams nationalist zat De Wever aanvankelijk in dezelfde niche als het Vlaams Belang. Om zich te onderscheiden van het Vlaams Belang beriep hij zich op de verlichting. Zo is hij inderdaad voor holebirechten. Maar dat maakt hem nog geen verlichtingsdenker, het is slechts een vernislaagje, waaronder zich een diepgeworteld antiverlichtingsdenken bevindt.»

AANPASSEN OF OPKRASSEN

Als je N-VA’ers vraagt naar hun ideologie, antwoorden ze “nationalisme”. Dat zou grondig verschillen van het etnische en culturele nationalisme van het Vlaams Blok.

Maly: «Alhoewel ze nationalisme niet zien als een ideologie, zetten ze zich inderdaad in de markt met een ‘nieuw nationalisme’. Een humanitair nationalisme voor de eenentwintigste eeuw, vrij van de zonden van het verleden. Maar het bloed-en-bodem-nationalisme van een Vlaams Blok vind je wel degelijk terug bij N-VA. Wij zijn dan Vlamingen omdat we hier geboren zijn, Nederlands spreken en dus dezelfde normen en waarden delen. Fictie volgens mij, maar zo zegt De Wever het letterlijk. Dat wordt aangevuld met een zogezegd civiel nationalisme. Iedereen is welkom als ze maar onze taal leren spreken en normen en waarden overnemen. Daar valt het masker: vreemdelingen mogen enkel lid van de club worden als ze “echte Vlamingen” worden. Wat is dan het verschil met het “aanpassen of opkrassen” van het Vlaams Blok?»

«Wij, de bloed-Vlamingen, hebben bijvoorbeeld automatisch recht op een sociale woning. Mijn vrouw met Turkse roots moet eerst bewijzen dat ze goed Nederlands spreekt, als het van Liesbeth Homans (Antwerps OCMW-voorzitter voor N-VA, red.)afhangt. Terwijl sommige Vlamingen niet eens voor die taaltesten zouden slagen. In Asse gaat N-VA nog verder: de gemeente moet huizen opkopen en die enkel aanbieden aan mensen met Nederlands als moedertaal. Dat is pure discriminatie: hoe kan je ooit je moedertaal veranderen?»

Hun centrale argument is dat België geen democratie is, maar een optelsom van twee democratieën. Het stemgedrag in Vlaanderen en Wallonië verschilt toch inderdaad grondig?

Maly: «Die oneliner kan je enkel begrijpen als je het democratiebegrip van N-VA onderschrijft. Voor haar is democratie de stem van het volk. Dan geloof je dat het volk met één stem kan spreken. Nochtans, ik ben een Vlaming en De Wever spreekt nooit in mijn naam. Ik word nooit meegerekend, tenzij als “slechte Vlaming”. Men creëert een ideaaltypische, rechtse Vlaming en doet alsof alle Vlamingen zo zijn.»

«Er zijn inderdaad verschillen in stemgedrag tussen Vlaanderen en Wallonië, maar die zijn het gevolg van een homogeniserende en communautaire bril. In de realiteit zijn de concrete levensomgevingen van mensen, zoals verschillen in stemgedrag tussen stad en platteland, veel relevanter om die verschillen te verklaren. Bovendien zie je vanuit historisch perspectief dat die verschillen helemaal geen structurele culturele uitingen zijn. Nu is de PS de grootste, enkele verkiezingen terug was het nog MR. Kortom, die oneliner toont de nationalistische invulling van democratie door N-VA.

Paradoxaal genoeg steunt deze nationalistische partij wel het Europese project.

Maly: «Die steun is strategisch en voorwaardelijk. Eerst en vooral wil men zich onderscheiden van het Vlaams Blok als een partij die wel open staat voor de wereld. Ten tweede is die steun erg voorwaardelijk. Het is een Europa van naties, geen federaal Europa zoals Guy Verhofstadt wil. Logisch, want N-VA gelooft niet in een ‘democratie’ met meerdere identiteiten. Op Europees niveau is vanuit die logica nooit een democratie mogelijk. Tot slot steunen ze de Europese unie omdat die dezelfde economische politiek voert als de N-VA. Namelijk het neoliberalisme.»

NEOLIBERALE AGENDA

Neoliberalisme: de term is gevallen. Wat verstaat u onder dat hedendaagse politieke buzzword?

Maly: «Je mag dat niet begrijpen als een ideologie die alleen maar zo weinig mogelijk overheid wil. Concurrentie tussen bedrijven staat centraal. Overheidsingrijpen is geen probleem voor neoliberalen, zolang die gericht is op het bevorderen van de concurrentie en de marktwerking. Gelijkheid en sociale voorzieningen nastreven is echter een taboe.»

Neoliberalisme en nationalisme: wat is dan het middel en wat is het doel?

Maly: «Die vraag krijg ik zo vaak dat ik plan er een boek over te schrijven. (lacht) De Wever is een nationalist maar ziet neoliberalisme als noodzakelijke voorwaarde voor een onafhankelijke natie. Je moet immers een bloeiende economie hebben.»

«Omgekeerd heeft neoliberalisme nationalisme nodig. Je economie moet globaal zijn met een vrijheid van kapitaal, maar de politiek en dus de democratie moeten nationaal blijven. Zo heeft ze geen macht over die globale economie. Een perfecte beschrijving van onze huidige situatie. N-VA onderschrijft het neoliberalisme, zolang haar nationalistische idealen maar niet in gevaar komen.»

Vinden we de invloeden van het neoliberale denken dan niet terug bij alle politieke partijen? Het is toch geen monopolie van de N-VA?

Maly: «Een hegemonie zou Gramsci het noemen. De besparingspolitiek van Wilfried Martens in de jaren ’80 heeft het neoliberalisme in België geïmporteerd. Vanaf de 90 is het neoliberalisme hegemonisch. Sinsdien wordt ‘de economie’ steeds meer begrepen als een systeem op zich, wat totale onzin is. Economie staat niet los van de politiek, daar worden heel wat machtsbeslissingen genomen.»

«Stilaan wordt echter duidelijk dat deze dominantie van het neoliberalisme niet eeuwig is. Het neoliberalisme werkt niet, tenzij voor een kleine elite. Vroeger hing economische groei tenminste samen met stijgende lonen. Deze basis van de welvaartstaat is volledig losgelaten.»

Waarom horen we dit verhaal zo weinig in de media?

Maly: «In de eerste plaats dankzij het fantastische retorische talent van De Wever, hij communiceert zich als gematigd en intellectueel. Bovendien verkoopt De Wever zeer goed. Veel journalisten ontbreekt het echter ook aan historische kennis, laat staan dat ze de wortels van de verlichting beheersen of de tijd hebben om een scherpe analyse te maken van de ideologie van N-VA.»

‘Realisme’ als ideologie

Over superdiversiteit, precariteit en de nood aan Verlichting

Ico Maly & Jan Blommaert

We zijn allen stille getuigen van een hele resem aanvallen op de democratie en de Verlichtingswaarden. Meer, nog die aanval op de waarden van de Verlichting wordt niet bestempeld als radicaal, zelfs niet als politiek-ideologisch, maar als realisme. En net dat toont de hegemonie van dit anti-Verlichtingsdenken.

[ Dit stuk verscheen als onderdeel van het boek Jeugdwerk en sociale uitsluiting. Handvatten voor emanciperend jeugdbeleid
(Redactie: Filip Coussée en Lieve Bradt ). Een initiatief van Uit de marge ]

We leven in een geglobaliseerde wereld. Dat lijkt vandaag een open deur in trappen. En toch. Die globalisering is vaak heel ver weg als we spreken over migratie en diversiteit in onze samenleving. In het maatschappelijk debat en de politiek begint migratie schijnbaar pas als het België binnenkomt. En vanaf dan wordt het behandeld als een Belgisch, meer nog een Vlaams probleem. Een probleem van botsende waarden en normen in een voor de rest homogeen gebied. De ‘oplossing’ wordt dan niet zelden gevonden in een drang naar her-homogeneïsering dat geflankeerd wordt door een repressie- en disciplineringsapparaat. Wij vormen immers een samenleving van rechten én plichten en die plichten moeten afgedwongen worden. Wij moeten ‘onze waarden en normen’ verdedigen. En voegen die stemmen er vaak aan toe: het moet nu maar eens uit zijn met al die toegevingen aan de dominante multiculturalisme-ideologie van de linkse kerk. Het heet dan dat we realistisch moeten zijn. Maar is dat realisme wel zo realistisch? Dat is de centrale vraag waarop deze bijdrage antwoordt.

Globalisering en migratie

België is een immigratiesamenleving (Loobuyck, 2003). Dat is terug niets nieuws, maar het heeft wel verstrekkende consequenties als we het aanvaarden als vertrekpunt van het beleid. Doen we dat, dan aanvaarden we dat migratie van alle tijden is. De menselijke geschiedenis is immers een geschiedenis van migratie (Commers en Blommaert, 2001). Door de globalisering, neoliberalisering en nieuwe, goedkopere transportmiddelen zal de migratie bovendien enkel maar toenemen. Dat blijkt ook uit de cijfers. In 2003 was ongeveer 3% van de wereldbevolking een migrant, ofwel 150 miljoen mensen (Stalker, 2003). In 2010 waren er al 214 miljoen migranten (Standing, 2011) en de voorspelling voor 2050 is dat er ongeveer 450 miljoen migranten zullen zijn (Stalker, 2003). Hoewel de wereldwijde migratiestromen jaar na jaar fluctueren, zien we dus dat migratie op lange termijn steeds toeneemt, ook in België. Ondanks de migratiestop in 1974 en alle extra drempels die de politiek sindsdien geïnstalleerd heeft, is er een ononderbroken toename van migratie naar België tussen 1980 en 2009 . De onvermijdelijke conclusie is dan ook dat ‘ons’ beleid, gericht op het ontmoedigen van migratie naar ons land, bitter weinig impact heeft op de grootorde van de migratie naar België. Migratie is deel van onze condition humaine. Ze zal dan ook niet gestopt worden. Mensen migreren immers niet zomaar.

De realiteit is dat migratie niet alleen een menselijk fenomeen is, het is ook een bij uitstek geglobaliseerd fenomeen. De literatuur spreekt over push en pull-factoren die nationale en internationale migratiestromen sturen (zie bv. Stalker, 2003). Push-factoren zijn dan bijvoorbeeld de algemene slechte sociaaleconomische situatie in het thuisland (bedrijven verdwijnen of verhuizen, jobs verdwijnen of zijn er nooit geweest, mismatch tussen werkbevolking en jobs, slechte lonen, …). Uiteraard speelt ook de politieke constellatie een grote rol: dictaturen, autoritaire regimes en (burger)oorlogen produceren politieke vluchtelingen. Maar ook ecologische rampen vormen belangrijke push-factoren voor migratie, zowel in één land als tussen landen. Daarnaast zijn er ook pull-factoren, factoren eigen aan de regio waar men naartoe vlucht. Terug zien we daar de sociaaleconomische situatie opduiken. Een goede economische conjunctuur trekt mensen aan die een beter leven zoeken en trekt ook buitenlandse investeerders en multinationale bedrijven aan. Een land of bepaalde sectoren in een land kunnen ook kampen met een tekort aan arbeidskrachten (gaande van ‘vuil’ werk tot topjobs) waardoor die organisaties of de landen zelf migratie organiseren. Het grootste deel van de migratie in België voor 1974 is daar een voorbeeld van. Ons land ging actief op zoek naar buitenlandse werkkrachten en organiseerde ook actief de migratie naar België. Globaal genomen kan je de pull-factoren samenvatten als een droom op een betere toekomst die geassocieerd wordt met een regio.

Concreet betekent dit alles dat gebeurtenissen aan de ene kant van de wereld effecten genereren in een hele andere uithoek van de wereld. Dit perspectief maakt duidelijk dat migratie niet alleen voorkomt in een geglobaliseerd systeem, ze wordt er ook door voortgestuwd. Summier samengevat kunnen we de impact van die globalisering aan het werk zien binnen drie domeinen die elk een invloed uitoefenen op die migratiestromen. (1) Een geglobaliseerd economisch systeem, (2) Een geglobaliseerd ecologisch systeem en (3) een geglobaliseerd politiek systeem.

Als we in de kernlanden van ons wereldsysteem een massale ecologische voetafdruk hebben, vertaalt zich dat niet alleen in zure regen bij ons. Het zorgt ook voor overstromingen, hongersnoden of vervuiling honderden en duizenden kilometers verder, waardoor mensen gedwongen worden te migreren. De opwarming van de aarde is, net zoals migratie, geen nationaal gegeven en de effecten ervan zijn dat ook niet. Hetzelfde verhaal gaat op voor de politieke polis die de wereld aan het worden is. De aanslagen van 9/11 zorgden bijvoorbeeld niet alleen voor doden in New York en Washington, ze zorgden ook voor een grote economische kost en het opgang trekken van een gigantische oorlogsmachine die Afghanistan en Irak overhoop gebombardeerd heeft. De migratiestromen uit die landen komen nog altijd toe in de rest van de wereld. Ook bij ons, waar ongeveer 2% van de wettelijke migratie bestaat uit Irakese vluchtelingen . Dat alles is niet nieuw. Zo zorgde ook de Irak-oorlog in het begin van de jaren negentig voor een stijging van Irakese migranten, net zoals het vallen van de Berlijnse muur en later de Sovjet-Unie hun sporen nalieten in de migratie naar Europa en België (Vertovec, 2007). Ook de geglobaliseerde, neoliberale economieën zorgen ervoor dat Vlaanderen niet meer los kan gedacht worden van de wereld (Standing, 2011). Massale herstructureringen in China zorgen uiteindelijk voor nieuwe Chinese migranten in België. Multinationale bedrijven trekken een multinationaal werkleger aan. Bedrijven delokaliseren, ze doen aan outsourcing en insourcing. Neoliberalisering en migratie gaan hand in hand. Meer nog, zoals we straks zullen duiden, migranten vormen het schaduwleger van die neoliberalisering (Standing, 2011, p.91).

België is geen eiland in de wereld. De nationale overheden hebben weinig impact op de migratiestromen, hun migratiebeleid heeft echter wel een grote impact op het soort samenleving dat daarmee geconstrueerd wordt. Het zijn immers de nationale overheden die het statuut bepalen van de migrant in de samenleving. Sinds de migratiestop in België zien we bijvoorbeeld dat meer dan 90% van de aanvragen niet resulteert in een verblijfsvergunning. Dat betekent niet dat de migratie gestopt is. De migranten leven wel degelijk in België, maar worden in de illegaliteit geduwd, met alle gevolgen van dien voor hen en onze samenleving. Migratie is niet gestopt de laatste decennia en die migratie heeft een geheel nieuwe samenleving geschapen.

Het ontstaan van superdiversiteit

De globalisering en de doorbraak van het neoliberalisme na de val van de Berlijnse muur zorgen voor een nieuwe wereldorde en een heel nieuwe migratie. We spreken vanaf dat moment van superdiversiteit. Superdiversiteit beschrijft als concept die nieuwe migratie die zich vanaf de jaren 90 in ongeveer alle Europese steden voltrokken heeft en de samenstelling van alle landen grondig veranderd heeft. We krijgen dan een enorme ‘diversifiëring van de diversiteit’ in de migratie. België vormt daarop geen uitzondering. In Gent leven er ondertussen 160 nationaliteiten , in Antwerpen leven er 170 nationaliteiten en in Brussel 174 . Brussel is een klassiek voorbeeld van die superdiversiteit. Minder dan de helft van de Brusselse bevolking is van Belgische origine; een derde komt uit een niet-Europees land (Corijn en Vloeberghs, 2009). Superrijk en superarm wonen er zij aan zij. Geen enkele taal is een meerderheidstaal in Brussel en er is ook geen hegemonische meerderheidscultuur (Blommaert, 2011a). Die superdiversiteit kleurt niet alleen de grootsteden, ze kleurt België. Op het Belgisch grondgebied leven in totaal mensen uit 194 verschillende landen . België is dus niet te verwarren met een homogene natie, waar ook enkele migranten aanwezig zijn. Superdiversiteit is in België de norm. Van homogeniteit is al lang geen sprake meer. Die superdiversiteit slaat bovendien niet enkel op diversiteit qua afkomst. In tegendeel, het benadrukt, zoals aangestipt, net de diversificatie binnen de diversiteit, ook binnen één ‘etnische groep’. Naast de klassieke elementen als geslacht, politieke voorkeur, leeftijd en religie, slaat die superdiversiteit ook op een hele resem andere variabelen zoals de verschillende immigratiestatussen en de bijhorende (ingeperkte) rechten van nieuwkomers, hun onderwijs- en arbeidservaring en hun ervaringen met administraties. Maar ook de plaats waar migranten wonen in ons land en hun relatie met onze overheidsinstellingen zijn factoren die bepalend zijn in de aard van diversiteit en dus in de aard van onze samenleving. Superdiversiteit houdt een multidimensioneel perspectief in op diversiteit. Het concept stelt de diverse reeks invloeden centraal die samen komen in het leven van mensen en hun leven conditioneren (Vertovec, 2007).

Die superdiversiteit is maar mogelijk binnen die globale context. Ze hangt bovendien ook sterk samen met de opkomst van nieuwe media in de jaren 90. Die media laten immers toe dat migranten hun band met het thuisland actief kunnen onderhouden. Migranten communiceerden in de jaren 70 o.a. via cassettebandjes die ze opstuurden naar het thuisland. Die communicatie verliep zeer traag, al snel ging er een maand voorbij vooraleer de communicatie heen en terug reisde. Vandaag zorgen email, Facebook, Skype, gsm’s, … voor een ogenblikkelijk en continu contact. Bovendien kunnen migranten via satelliettelevisie kijken naar het nieuws en de shows uit het thuisland. Dat betekent dat personen die hier geïsoleerd leven een groot sociaal leven kunnen hebben eenmaal ze achter hun pc kruipen (Blommaert en Backus, 2012). Die nieuwe migratie, gekoppeld aan de hedendaagse communicatiemiddelen én aan het beleid van de verschillende Europese lidstaten zorgt voor die enorme diversiteit aan elementen die het leven tekenen van iedereen in onze samenleving, zowel autochtoon als allochtoon. We bouwen en onderhouden onze identiteit virtueel of fysiek via meerdere media in meerdere landen.

Superdiversiteit betekent bijvoorbeeld dat een label als ‘Irakese allochtoon’ helemaal geen duidelijk beschrijvend concept is. Het kan de meest uiteenlopende personen beschrijven en dit ongeacht de vooronderstelde gelijkenissen die we projecteren op Irakezen. Zo kan die Irakese migrant gevlucht zijn na het stopzetten van de eerste Amerikaanse bombardementen in de jaren 90 en in wezen een laagopgeleide Koerd zijn die hier in België niet erkend wordt als legale vluchteling en dus al 10 jaar een clandestien leven leidt in Antwerpen en in het zwart werkt. Daarnaast kan datzelfde label verwijzen naar een net aangekomen migrant uit Irak die gevlucht is voor het sektarisch geweld in zijn land en in het bijzonder gevlucht is omdat zijn leven bedreigd werd als gevolg van zijn collaboratie met de bezettende macht. Die man is hoogopgeleid, pragmatisch gelovig, hevig tegenstander van Saddam, liberaal, Amerika-minded en hevig tegenstander van het sektarisch geweld. Bovendien wil hij, als het mogelijk is, zo snel mogelijk naar Engeland verhuizen want daar heeft hij familie wonen. Een laatste kandidaat kan vrouw zijn, niet gelovig, socialist en een hoog opgeleide kunstenares die bovendien vanuit België nog steeds actief is in het verzet in haar thuisland. Elk van deze migranten past onder het label Irakese vluchteling en toch hebben ze bitter weinig gemeen met elkaar.

De nieuwe migratie is dus uitermate complex. En dat is niet alleen een gevolg van het migrerend individu zelf. Het is ook een gevolg van het migratiebeleid van de westerse landen die vanaf midden jaren 70 steeds meer het migratiebeleid gaan afstemmen op het tegenhouden van migratie. Met als gevolg dat het aandeel clandestiene migratie hand om hand toeneemt. De legale migratie bestaat dan voornamelijk uit gezinsmigratie, migratie van ambachtslui en topprofessionals. De migratie is gelaagd en produceert superdiversiteit. Die superdiversiteit is sinds de jaren 90 in opmars en zorgt niet alleen voor invloedrijke herstructureringen in de bevolkingssamenstelling, maar ook in de structuur van onze samenleving en het beleid zelf (Vertovec, 2007; Blommaert, 2011).We lijsten enkele centrale evoluties op:

(1) Het uitzicht van onze steden is grondig veranderd. Niet alleen het straatbeeld in de kern van grote steden is veranderd, ook de bewoners van wijken zijn veranderd. Er ontstaan enclaves van rijke migranten zoals Europarlementariërs of topprofessionals. Die ghetto’s zijn het voorrecht voor de rijken of ze nu autochtoon, dan wel allochtoon zijn. De etnische wijken van weleer zijn vandaag superdiverse wijken. En die wijken zijn gestratificeerd. Gaande van nieuwe migranten zonder papieren die moeten bedelen of in het zwart de afwas doen in een restaurant om te overleven, over de tweede generatie Turkse of Marokkaanse Vlaming die een bakkerij of restaurant heeft, tot de kindsoldaat uit Soedan die als rapper tracht zijn bestaan op te bouwen in Gent of Antwerpen.
(2) De migratie an sich is veranderd. Niet alleen vanuit het perspectief van de landen van herkomst en de toename van het aantal landen waaruit mensen o.a. naar ons land migreren, maar ook het profiel van de migrant binnen één emigratieland is uiterst divers geworden. Uit Indië komen bijvoorbeeld zowel topprofessionals uit de IT-wereld, als migranten die hier werken als burgerlijk ingenieur, filosoof, afwasser of bediende in een nachtwinkel. Meer nog, ook de migratiepatronen zelf zijn uitermate complex geworden (Blommaert, 2011a): migranten gaan niet meer van land A naar land B; maar bewegen in complexe trajecten van land A naar land B, dan naar C, terug naar A, dan naar D, B, C, en terug naar A. Ze zijn niet allemaal meer per definitie resident, hebben niet het voornemen hun toekomst op één plaats in de wereld uit te bouwen.
(3) Door de opkomst van de nieuwe media, gaande van de gsm tot en met het hele Web2.0, chatsystemen en Skype, is de menselijke communicatie sterk veranderd. Dat heeft grote gevolgen voor cultuurproductie, maar ook voor identificatie en identiteitsvorming. Ze zorgen niet alleen voor nieuwe vormen van spreken en schrijven, ze zorgen ook voor nieuwe transnationale sociale relaties en heel nieuwe vormen van identiteitproductie . Via Facebook of Twitter wordt dagelijks gewerkt aan designidentiteiten (Blommaert en Rampton, 2012), maar ook aan gigantische sociale netwerken waar alles openbaar is en verbonden. Van homogene nationale culturen is geen sprake meer, als er al ooit sprake van geweest zou zijn. Allochtonen en autochtonen produceren identiteit in een geglobaliseerde en gemediatiseerde ruimte.

Homogeneïsering en culturalisering

Net op het moment dat die superdiversiteit opgang maakt binnen de globalisering, ontstaat binnen verschillende Europese naties een nationalistische opstoot. In eigen land was die zichtbaar met de opkomst van het Vlaams Blok, maar ook in het door CVP-gestuurde verankeringsdebat en in de burgermanifesten van Verhofstadt. Dat nationalisme vertaalde zich onder andere in de focus en problematisering van de aanwezigheid van de migranten uit ‘de pre-jaren 90 migratie’ en hun nakomelingen. Hun aanwezigheid en vooral hun cultuur werd steeds meer gezien als de oorzaak van talloze samenlevingsproblemen (zie Maly, 2007; 2009). Hoewel deze superdiversiteit heel ons land kleurt vanaf die jaren 90, wordt hierover in het maatschappelijk debat nauwelijks gesproken. België en Vlaanderen worden tegen de realiteit in gezien als homogene gebieden die geconfronteerd worden met de aanwezigheid van ‘vreemde culturen’. Migratie wordt gezien als een tijdbom (Blommaert en Verschueren, 1992). Om die bom te ontmantelen kiest de overheid tot op vandaag voor een dubbele strategie:

(1) Migratie beheren:
(a) Zo weinig mogelijk slechte (of beter: arme en laagopgeleide) migratie toelaten. Dit heeft een extreem verstrakt asielsysteem als gevolg voor de niet gewilde migratie, waardoor het aandeel clandestiene migratie toeneemt.
(b) Het faciliteren van gewilde migratie, dat is migratie voor knelpuntberoepen of de migratie van topprofessionals.

(2) Diversiteit beheren:
(a) Als (niet-gewilde) migranten alsnog in ons land binnen geraken met een verblijfsvergunning, dan moeten ze onze waarden en normen aanleren en de taal. Ze moeten zich inschakelen in ‘de Vlaamse cultuur’.
(b) Daarvoor worden rechten (recht op werk, recht op een goed leven, stemrecht, recht op arbeidsbemiddeling, recht op een woning, …) voorwaardelijk gemaakt. Migranten hebben maar volledige rechten als ze (1) een verblijfsvergunning hebben, (2) ingeburgerd zijn, (3) de taal kennen en (4) de nationaliteit verwerven (En dan nog kan niemand hen de vrijheid van racisme garanderen). Als migranten hier niet aan voldoen worden ze onderworpen aan repressie en uitsluiting.

Dit nieuwe beleid weerspiegelt een omslag in macht en in de dominante ideologie (Maly, 2007; 2009; Arnaut et al., 2009; Blommaert en Verschueren, 1998). Die nieuwe hegemonie laat zich duidelijk zien in wat destijds het integratiedebat werd genoemd. Waar integratie na de oliecrisis in de jaren 70 met de massale werkloosheid onder allochtonen als gevolg, door straathoekwerkers en vakbonden gebruikt werd binnen een sociaaleconomische logica, integratie staat dan gelijk met werk hebben, zien we in het integratieparadigma van de overheid van meet af aan een dominante culturele dimensie opduiken (Blommaert, 2011b). Met het opduiken van die culturele dimensie ontstaat vanaf de jaren 90, onder aanstuwen van het Vlaams Blok, een massale culturalisering van maatschappelijke problemen. Werkloosheid van migranten, hun slechte schoolresultaten, homofobie, ongelijke genderverhouding, criminaliteit en terrorisme worden vanaf dan problemen met ‘hun cultuur’, met ‘hun religie’ (Maly, 2007). Die culturalisering loopt bovendien parallel met de individualisering van maatschappelijke problemen ten dienste van de neoliberale dromen: werkloosheid is geen gevolg meer van de structuur van de economie, maar een probleem eigen aan het individu. Beide evoluties leiden tot een enorme vernauwing en verstrakking in het migratie -en integratiebeleid. Het beleid vertrekt vanuit het idee dat er zoiets bestaat als een homogene Vlaamse cultuur met duidelijke waarden en normen, gedragen door een taal. Een cultuur bovendien die inherent superieur is aan die van de nieuwkomers. De oplossingen voor ‘het probleem diversiteit’ worden dus niet gevonden in het inzetten op het verdiepen van de democratie en het extra inzetten op werk of het realiseren van gelijke rechten. Er wordt ingezet op culturele integratie: zij moeten onze waarden, normen en taal eigen maken. Met de komst van het inburgeringsbeleid wordt dit de taak van elkeen. Pas als je ingeburgerd bent, ben je ook een volwaardig burger met volwaardige rechten. Die verschuiving past binnen een algemene verschuiving in de politiek waarbij structureel denken plaatst maakt voor de verantwoordelijkheid van het individu. Het is het individu dat zich moet aanpassen, ‘verbeteren’, niet het systeem.

Het nationalisme maakt de kern uit van dit migratie-en inburgeringsverhaal. De onderliggende premisse van het integratiebeleid is immers dat we de samenleving maar leefbaar kunnen houden als er homogeniteit is, als iedereen dezelfde waarden en normen bezit en uitdraagt. En uiteraard moet men Nederlands spreken in Vlaanderen. Deze premissen zijn vandaag hegemonisch (Maly, 2012). Het beleid vertrekt bijgevolg nog steeds van de idee dat migratie iets vervelends is. Iets uitzonderlijks bovendien dat gestopt moet worden aan onze grenzen. Althans de slechte migratie moet ten allen prijze tegengehouden worden: arme, onopgeleide migranten en voor sommigen moet er zelfs geselecteerd worden op religie (Crols, 2011). Dit doet men letterlijk door de installatie van hekken, politiecontrole, uitgebreide asielprocedures, de oprichting van opvangcentra, …. Migranten moeten door een heleboel procedures geraken vooraleer ze hier effectief ook mogen verblijven. Pas als die migranten volledig geassimileerd zijn, verwerven ze gelijke rechten.

De “realisme”-ideologie, disciplinering en de uitholling van de democratie

Dit integratie -en migratiebeleid vertrekt dus vanuit de idee dat ze migratie kan tegengaan en controleren door ze te homogeniseren. Om dit te kunnen realiseren worden de rechten van de ‘anderen’ voorwaardelijk gemaakt. Dit beleid wordt niet alleen voorgesteld als zijnde een uiting van realisme: van het aanvaarden van de realiteit zoals ze is, ze wordt voorgesteld als noodzakelijk; als de enige optie willen we onze samenleving leefbaar houden. Elk ander perspectief wordt begrepen als een uiting van ideologie of utopie die onze samenleving zou kapot maken. Enkel anti-migratie en assimilatie is realistisch en dat terwijl in de feiten heel duidelijk is dat die zogenaamde uiting van realisme puur ideologisch is:

(1) Ze vertrekt immers van het beeld van de homogene natie die er is en gevrijwaard moet blijven, terwijl de realiteit superdiversiteit is.
(2) Ze vertrekt vanuit de idee dat migratie nog steeds ‘de oude migratie’ betreft, terwijl migratie vanaf de jaren 90 superdivers van aard is.
(3) Ze vertrekt van de idee dat migratie niet alleen problematisch is, maar ook niet normaal is. Terwijl migratie van alle tijden is en steeds toeneemt.
(4) Ze vertrekt van de idee dat migratie te stoppen is, als we maar hard genoeg zijn. Dergelijk beleid creëert echter clandestiene migratie in plaats van migratie te stoppen.
(5) Ze vertrekt van de ideologische idee dat problemen in de samenleving zuiver culturele problemen zijn. Nochtans weten we al langer dat sociaaleconomische problemen de grootste verklaringsgrond bieden voor criminaliteit en samenlevingsproblemen.

Om deze ‘ideologie van het realisme’ waar te maken in een context van globalisering en superdiversiteit wordt een zeer groot anti-migratie-, homogeniserings- en repressie-apparaat ingezet. De beeldvorming over Roma en hun behandeling kan hier als voorbeeld gelden. Roma zijn vanuit de dominante logica van het beleid een probleem. En dat lijkt een cultureel probleem te zijn, eigen aan hen, aan hun cultuur die overlast bezorgt. Terwijl het probleem van de rondreizende Roma in eerste instantie hetzelfde probleem is als dat van een internationaal werkende Vlaamse professor. Het is een probleem van onaangepastheid van onze structuren aan het hypermobiele leven van de 21ste eeuw. Ons beleid is gericht op stabiliteit, langdurig verblijf en de productie van homogeniteit. Het beleid vertrekt echter vanuit de premisse dat we allen sedentaire burgers zijn wiens leven zich enkel en alleen in Vlaanderen afspeelt. Een dergelijk beleid is compleet onaangepast aan de realiteit van vandaag. Die realiteit vraagt een beleid en structuren die elasticititeit als kenmerk hebben. Structuren die kunnen omgaan met veranderlijkheid, met superdiversiteit. Vandaag zien we de omgekeerde richting bij het beleid. Stabiliteit en de constructie van nationale homogeniteit staan centraal. Ten aanzien van de ongewilde migranten wordt door de overheid ingezet op een beschavingsoffensief. Maar dan geen beschavingsoffensief ten dienste van de ontwikkeling van een sterkere democratie of gericht op de uitdieping van de Verlichtingswaarden. Integendeel, we zien een algemeen disciplinerend beschavingsoffensief dat de democratie inperkt en gericht is op het conditioneren van het individu en op de homogenisering van nieuwkomers in het bijzonder (Maly, 2009). In Nederland floreert rond die homogeniseringspolitiek zelfs een uitgebreide privésector (Spotti, 2012). Maar ook de oudkomers zijn blootgesteld aan die homogeniseringspolitiek, denken we maar aan de debatten en regelgeving rond schijnhuwelijken, halalvlees, de bouw van moskeeën, de rituelen bij het offerfeest, de behandeling van de eerste moslimexecutieve, de hoofddoek en de burka.

Het is op dat punt dat de rechterzijde nog steeds aan het strijden is, namelijk om het steeds meer voorwaardelijk maken van de rechten (Maly, 2012). De intentie om Nederlands te leren vooraleer men recht heeft op een sociale woning gaat al niet meer ver genoeg. Ook het recht op bijstand, leefloon, recht op werk, … alles willen sommigen afhankelijk maken van de assimilatie. De stilte waarmee dergelijke voorstellen begroet worden, is beangstigend. Ze toont dat het ‘allochtonendebat’ een machtig instrument is voor de uitholling van de democratie (Maly, 2012). Die aanval op de democratie is een gevolg van het primaat van de homogene natie die voorop gesteld wordt als absoluut. De natie primeert zo over de rechten van het individu en dient als legitimatie voor de uitholling van die rechten. De onderliggende premissen van het huidige beleid zijn enerzijds klassiek nationalistisch van aard (onze natie heeft een taal, een cultuur en een volk. Migranten bedreigen eenheid en moeten daarom gehomogeniseerd worden), anderzijds zien we een neoliberale logica (migranten die knelpuntberoepen invullen of topprofessionals zijn wel welkom en vallen niet onder de inburgeringsplicht). Dit beleid weerspiegelt de globale evoluties sinds de val van de Berlijnse muur. De reactie op de globalisering, superdiversiteit en de hegemonie van het neoliberalisme, is de opkomst van nationalisme gekoppeld aan een neoliberaal economisch beleid en dat over heel Europa (Detrez en Blommaert, 1994). In eigen land worden deze veranderingen enerzijds belichaamd in de opkomst van het Vlaams Blok met een biologisch nationalisme en een expliciet racistische agenda. Anderzijds zien we onder aanstuwen van Verhofstadt de groei van de PVV, later de VLD, en de introductie van de neoliberale dogma’s. Beide ideologieën spelen tot op vandaag een grote rol in het beleid ten aanzien van migratie.

Neoliberalisme, precariaat en denizens

In hetzelfde tijdsgewricht dat we superdiversiteit zien opkomen, verwerft het neoliberalisme de hegemonie. In deze doctrine domineert de economie het hele leven, ze dringt door in de openbare sector en in het individuele leven (Verhaeghe, 2012). De overheid staat in dienst van het bedrijfsleven en de concurrentie. Een flexibele arbeidsmarkt is hiervoor van groot belang: bedrijven willen zonder veel moeite en kosten kunnen ontslaan en aanwerven. En ook de overheid moet functioneren als een bedrijf. Dit alles zorgt er voor dat de relatie tussen burgers en de staat veranderd is. Steeds meer zijn burgers kleine mini-ondernemingen die zichzelf moeten staande houden in een hypercommerciële markt (Blommaert, 2011c). Iedereen moeten zorgen dat hij of zij (sociaaleconomisch) geïntegreerd blijft: we moeten zorgen dat we steeds werk hebben, want met een werkloosheidsuitkering is leven nagenoeg onmogelijk. We moeten geld hebben om onze hospitalisatieverzekeringen te kunnen betalen en ons pensioen zelf samen te sparen. Die hypercommercialisering uit zich niet alleen in een enorme toename van druk om geïntegreerd te blijven, ze brengt ook angst en onzekerheid bij individuen (Verhaeghe, 2012). Binnen deze nieuwe economische orde is er, zo betoogt Standing (2011) overtuigend, naast de internationale elite, het salariaat, de proficians, de oude arbeidersklasse, de werkgevers en de zelfstandigen, een nieuwe klasse aan het groeien: het precariaat. Deze klasse-in-wording is een kind van de neoliberale politiek van deregulering en re-regulering die er op gericht is om de sociale en collectieve belangen te omzeilen “omdat ze in de weg staan van de concurrentie”. Dit leidt in extreme gevallen tot een pleidooi houden voor illegale immigratie (Michaels, 2006). De tijdelijke arbeidscontracten en het gebrek aan sociale bescherming die hieruit voortvloeien zijn een belangrijke oorzaak van precarisatie. Een centraal kenmerk van het precariaat is de sociaaleconomische onzekerheid waarin ze leven. Concreet hebben ze geen/weinig arbeidszekerheid (interim -of seizoensarbeid, flexibele arbeidscontracten zonder voorwaarden, … ), geen zeker sociaal inkomen (noch vanuit de werkgevers, noch van de staat) en ze hebben geen werkidentiteit: “When employed, they are in career-less jobs, without traditions of social memory …” (Standing, 2011, p.12). Dit precariaat is niet homogeen: het is gekenmerkt door superdiversiteit. Het omvat zowel jongeren in armoede die overleven in de marge van de samenleving als de net afgestuurde studenten die via een interimcontract enkele dagen tot weken werken om hun laatste reis te kunnen betalen vooraleer ze de arbeidsmarkt betreden. Het gaat om de alleenstaande moeder die met een tijdelijk contract aan de band staat, maar ook om de zelfstandige Poolse loodgieter die afhankelijk is van zijn multinationale opdrachtgever. Het slaat zowel op de ex-topmanager die op zijn vijftigste op straat staat, op de Belgisch Marokkaanse freelance consulent die in Dubai actief is, als op de Syrische dokter wiens diploma niet erkend wordt in België. Niet iedereen voelt zich of is slachtoffer in het precariaat, maar een groot deel wordt wel degelijk gemarginaliseerd.
We zien hier parallellen tussen het precariaat en superdiversiteit; beide zijn kinderen van de sociale, politieke en economische evoluties sinds 1989. Net op dat moment verkleint/verliest de overheid haar greep op de economie steeds meer. Niet zelden vervult ze zelfs de rol van de beschermer en facilitator van dat neoliberalisme. Tezelfdertijd vergroten zowel de overheid als de economie hun greep op de bevolking. En dat wordt met name duidelijk in het migratie- en integratiebeleid: rechten worden voorwaardelijk gemaakt aan inburgeringseisen. Een andere manier om naar dat precariaat te kijken is net vanuit dit rechtenperspectief. Het precariaat kunnen we dan zien als ’denizens’, ofwel mensen die om de een of andere reden niet over hun volledige civiele, culturele, sociale, economische en politieke rechten beschikken (Standing, 2011, p.14).

De culturalisering en individualisering van allerlei maatschappelijke problemen zorgen ervoor dat die dualisering in onze samenleving niet gezien wordt als een probleem eigen aan de structuur en werking van het politiek-economisch systeem. Bovendien wordt ook niet gezien dat inperking van de staat en de herregulering van de economische ruimte ervoor zorgt dat we fel bestreden rechten in snel tempo verliezen. Opvallend: op het moment dat steeds meer mensen problemen ondervinden om (sociaaleconomisch) te participeren, wordt voor migranten die sociaaleconomische piste ingeruild voor culturele integratie. Die culturele integratie komt in de feiten neer op het stellen van extra voorwaarden. Migranten worden/zijn denizens. Migranten moeten eerst een verblijfsvergunning hebben vooraleer ze kunnen werken. Nieuwkomers moeten op straffe van 5000 euro boete inburgeringscursussen volgen. Huwelijksmigratie wordt onderworpen aan denigrerende en vaak tergend lang durende procedures. De wil om Nederlands te leren wordt gehanteerd als voorwaarde op een sociale woning. En dan wordt er nog niet gesproken over het racisme bij het zoeken naar een job, een huis of een uitgangsgelegenheid.

De combinatie tussen de neoliberalisering en de homogeniseringspolitiek heeft verstrekkende gevolgen: beide ideologieën produceren ongelijkheid en uitsluiting en bovendien versterken die elkaar. Migranten en etnische culturele minderheden hebben dus een grote kans om deel uit te maken van het precariaat, maar ze zijn lang niet de enige. Iedereen wordt door de neoliberalisering verantwoordelijk gemaakt voor de eigen integratie in de samenleving, slaag je niet, dan is het je eigen fout. Dan moet je jezelf bijscholen, flexibeler zijn, bereid zijn terug onderaan te beginnen, harder proberen. Kortom, de disciplinering van de nieuwkomers en allochtonen past in een breed beschavingsoffensief dat gericht is op individuele disciplinering. Dat gaat van het verbod op roken en de pleidooien om dat verbod zelfs uit te breiden tot in de woonkamer van de mensen, tot het pleidooi om hen te schrappen uit de ziekteverzekering van de overheid en alle gelijkaardige pleidooien in het kader van gezondheidsrisico’s. Jongeren en mensen in de marge krijgen te maken met GAS-sancties, samenscholingsverboden en aan de kust wordt de Very Irritating Policing ingezet om jongeren in de pas te laten lopen (Debruyne, 2011). In de laatste twee decennia zien we een verschuiving naar het bestrijden van overlast en het garanderen van veiligheid. De sociale overheid wordt steeds smaller, maar haar disciplinerings-, repressie- en uitsluitingsapparaat wordt steeds groter. Het gevolg is de groei van het precariaat, van de denizens.

Die groep groeit over de hele wereld en ze ervaart de volgens Standing de vier A’s: “Anger, anomie, anxiety and alienation” (Standing, 2011, p.18). Het precariaat voelt zich door haar gebrek aan rechten, en haar gebrek aan verbondenheid met en vertegenwoordiging door de staat, bedrijven, vakbonden en sociale organisaties meer en meer een groep op zichzelf. En die groep is net als het economisch systeem dat haar gecreëerd heeft globaal van aard. Globale economische crisissen veroorzaken dan ook globaal verzet en globale opstanden. Dat verzet hebben we in de nasleep van de crisis van 2008 gezien in de zogenaamde Arabische lente, maar ook in de rellen in London, de betogingen in Spanje en Griekenland, het fenomeen van de Indignados en de wereldwijde Occupy -beweging. Dat precariaat is voor Standing (2011) een klasse in wording: “The new dangerous class”. In wording, om dat ze als klasse nog geen eigen identiteit heeft. Ze is zich nog niet bewust van haar objectief bestaan binnen het economisch systeem. Die objectieve klasse is die steeds groeiende groep aan mensen over de hele wereld die dagelijks moeten strijden om geïntegreerd te zijn of terug te worden in de samenleving. Een groep die voor die strijd op zichzelf aangewezen is en zich niet gesteund ziet door de staat of de vakbonden. Net om deze redenen is ze vandaag al een ‘gevaarlijke klasse’. Gevaarlijk omdat er geen richting in zit; het precariaat uit zich bijvoorbeeld in rellen die gericht zijn op het verwerven van statussymbolen (kledij, gsm, muziek, …), maar ook in de groei van extreemrechtse, populistische en nationalistische partijen of in het ontstaan van de EuroMayDay, de Indignado’s of de Occupy-beweging. Die laatste verschijningvormen dragen wel de kiemen van een potentiële klasse identiteit in zich. Ze vormen een intellectuele beweging die zich beroept op het theoretische analyse-arsenaal van auteurs als Bourdieu, Foucault, Habermas, Hardt en Negri, Arendt en Marcuse (Standing, 2011). Ze ontplooit zich op globale schaal en positioneert zich heel duidelijk ten aanzien van het economisch en politiek systeem dat hen ’precariseert’. Die klasse-in-wording is getekend door superdiversiteit en is globaal geconstrueerd en verbonden zowel via web 2.0 als via fysieke connecties.

Het verzet van het precariaat wordt wereldwijd hard aangepakt met een verdere dualisering van de samenleving als gevolg. Cameron stuurt de politie op hen af met onmiddellijke celstraffen als gevolg en dreigt zelfs met het leger. De Occupy-beweging wordt in Amerika hardhandig verdreven. En de Indignado-beweging wordt in Europa in de pas gedwongen van het systeem. Rellen in Brussel of Antwerpen krijgen dan weer met het waterkanon te maken. In de Arabische lente worden politie en leger hardhandig en langdurig ingezet. Duidelijk is alvast dat het ‘realisme’ in het neoliberaal, migratie -en inburgeringsdenken weinig met ‘de realiteit’ te maken heeft, maar des te meer met nationalistische en neoliberale ideologieën die men met een gigantisch repressie-apparaat tracht te realiseren. Het gevolg is de uitholling van de democratie en de groei van het aantal denizens en het precariaat.

Realisme, nationalisme en de nood aan Verlichting?

We zijn allen stille getuigen van een hele resem aanvallen op de democratie en de Verlichtingswaarden. Meer, nog die aanval op de waarden van de Verlichting wordt niet bestempeld als radicaal, zelfs niet als politiek-ideologisch, maar als realisme. En net dat toont de hegemonie van dit anti-Verlichtingsdenken. De stilte en verdeeldheid bij de linkerzijde over dit debat toont aan dat de crisis van de democratie fundamenteel en structureel is. Het antwoord op superdiversiteit en het ontstaan van het precariaat binnen die superdiversiteit betekent vandaag de facto minder democratie, minder vrijheid en minder gelijkheid. Dat leidt tot een steeds grotere tegenstelling tussen het nationalistische en neoliberale beleid dat de elite genegen is en de desastreuze gevolgen van deze politiek in de realiteit. De dualisering neemt toe en onze rechten kalven in snel tempo af. Het is hoog tijd voor een tegenwicht, voor een nieuwe nadruk op de Verlichting als een politiek project. Tijd voor een ‘politics of paradise’ om het in de woorden van Standing (2011) te stellen. Centrale opdracht in dit perspectief is het radicaal inzetten op democratie, vrijheid en gelijkheid in deze globale wereld.

>>>

http://www.nieuwsblad.be/article/detail.aspx?articleid=UD2JI22L
http://www.visitantwerpen.be/docs/stad/bedrijven/actieve_stad/as_tnc/de%…
http://dertien.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=343
http://www.npdata.be/Data/Vreemdelingen/Inhoud.htm
Referenties

Arnaut, K., Bracke, S., Ceuppens, B., De Mul, S., Fadil, N. & Kanmaz, M., (2009). Een Leeuw in een kooi. De grenzen van het multiculturele Vlaanderen. Antwerpen/Amsterdam: Meulenhoff|Manteau.
Blommaert, J. (2011a). ‘Superdiversiteit’, KifKif.be: http://kifkif.riffle.be/actua/superdiversiteit.
Blommaert, J. (2011b). De heruitvinding van de samenleving. Berchem: EPO.
Blommaert, J. (2011). Burgerschap, integratie en ander fraais: drie problemen.http://feweb.uvt.nl/pdf/2010/InleidingJanBlommaert.pdf
Blommaert, J. & Backus, A. (2012). Superdiverse Repertoires and the individual. Tilburg Papers in Culture Studies.
Blommaert, J. & Rampton, B. (2012). Language and Superdiversity. Working Paper, Max Planck Institute for the study of religious and ethnic diversity.
Blommaert, J. & Verschueren, J. (1992). Het Belgisch migrantendebat. Antwerpen: Ipra.
Blommaert, J. & Verschueren, J. (1998). Debating Diversity. Analysing the discourse of tolerance. London & New York: Routledge.
Commers, R. en Blommaert, J. (2001). Het Belgische asielbeleid. Kritische perspectieven. Berchem: Epo.
Corijn, E. & Vloeberghs, E. (2009). Brussel! Brussel: VUB Press.
Crols, F. (2011). Beminde gelovigen van de rechtse kerk: http://www.proflandria.be/?p=588
Debruyne, P. (2011). Over scharreljongeren en legbatterijen. Jongeren in de hedendaagse stad. In Coussée, F. en Mathijsen, C. (red.) Uit de marge van het jeugdbeleid. Werken met maatschappelijk kwetsbare jongeren (pp. 85-93). Leuven & Den Haag: Acco.
Detrez, R. & Blommaert, J. (red.) (1994). Nationalisme. Kritische opstellen. Berchem: EPO.
Loobuyck, P. (2003). Vlaanderen, België en Europa als ‘immigratiesamenlevingen’: Enkele consequenties. Streven, 70 (2003) 8: 715-727.
Maly, I. (red.) (2007). Cultu(u)rENpolitiek. Over media, globalisering en culturele identiteiten. Berchem: Garant.
Maly, I. (2009). De beschavingsmachine. Wij en de islam. Berchem: EPO.
Maly, I. (2012). De stilte in het debat. Over macht, anti-Verlichting en superdiversiteit. Vlaams Marxistisch Tijdschrift:http://www.imavo.be/vmt/1216-Maly.pdf.
Michaels, B. (2006). The Trouble with diversity. how we learned to love identity and ignore equality. New York: Metropolitan Books.
Spotti, M. (2012). Ideologies of succes for superdivers citizens: the duth testing regime for integration and the online private Sector. In: Blommaert, J. & Rampton, B. (2012). Language and superdiversities (pp. 39-52). UNESCO.
Stalker, P. (2003). Internationale migratie. Rotterdam: Lemniscaat.
Standing, G. (2011). The Precariat. The New Dangerous Class. London: Bloomsburry Academic.
Verhaeghe, P. (2012). De neoliberale waanzin. Flexibel, efficiënt en … gestoord.
Brussel: VUBPress
Vertovec, S. (2007). Super-diversity and its implications. In Ethnic and Racial Studies, 30: 6, 1024-154.