De boekbespreking als politiek wapen

Een analyse van Absillis ‘vernietigende’ recensie van N-VA – Analyse van een politiek ideologie

 

Interessant. Een dikke 3 jaar na de publicatie van mijn doctoraat verschijnt een bespreking ervan in Wetenschappelijke Tijdingen van de hand van Absillis. Het wordt heel snel opgepikt door Het Pallieterke, De Bron en enkele andere obscure (extreem)-rechtse en Vlaamse nationalistische media. Eindelijk, na drie lange jaren wachten, de zo noodzakelijke vernietigende bespreking. Het was wachten totdat het zou opduiken in de mainstream media. Vrijdag was het zover. De Morgen interviewde Bruno De Wever en bracht de ‘vernietigende recensie’ ter sprake. Van de marge naar de mainstream.

 

3dedrukNVA-AnalyseVanEenPolitiekeIdeologie

De bespreking

Volgens Bruno De Wever bewijst de recensie dat ik  (1) methodologische fouten heb gemaakt en  (2) dat het boek een foute cover heeft.  De eigenlijke bespreking verwijt me  voornamelijk een discours analist te zijn en in het bijzonder een leerling te zijn van Jan Blommaert en Jef Verschueren. Meer dan de helft van die recensie gaat dan ook over de invloed van een studie van Blommaert en Verschueren gepubliceerd in de jaren 90.

De bespreking tracht een soort discours-analyse toe te passen op mijn doctoraat. Het is interessant te zien hoeveel gewicht toegekend wordt aan de cover-foto. Zowel Bruno De Wever als Kevin Absillis suggereren dat EPO de afbeelding bewust voorzien heeft van een (schaduwsnorretje) zodat  De Wever op Hitler zou gelijken. Wat men lijkt te missen, is dat dit een originele Belga persfoto is van N-VA op hun propaganda tournee. De schaduw onder de neus is een normale schaduw van de neus, en is dus niet het gevolg van de A in de titel. Het is er al helemaal niet opgezet door de grafisch ontwerper, maar is deel van het origineel.

cover en orgineel

Heel interessant is ook hoe Bruno De Wever dit reproduceert in het interview met De Morgen:

“Neem alleen nog maar de cover van dat boek van Maly: N-VA. Analyse van een politieke ideologie. Absillis toont duidelijk aan hoe men door de plaatsing van de titel waarschijnlijk heel bewust een hitlersnorretje op de foto van mijn broer wil suggereren.” (De Morgen, 2016)

De hedge ‘waarschijnlijk’ raakt ondergesneeuwd onder de hyperbolen: ‘toont duidelijk’, ‘heel bewust’.  Bruno De Wever steunt volledig op de bespreking van Absillis en toont daarbij vooral aan dat hij geen discoursanalist is. De claim van De Wever in het interview, zich baserend op de recensie van Absillis is een methodologische fout. Een fundament van een discoursanalyse is dat je meerdere data moet hebben ter ondersteuning van je claims. Meer nog, je analyse van het hele corpus, moet ook terug te vinden zijn in één tekst (staat netjes vermeld in het methodologisch hoofdstuk van mijn doctoraat). In dit geval zou Absillis op zijn minst een interview of zo moeten kunnen opdiepen waarin ik zou stellen dat de N-VA fascistisch zou zijn. Ik daag hem uit om dat te doen. Dergelijke data bestaat niet. Mocht Absillis zijn huiswerk goed gedaan hebben, dan zou hij zien dat ik in het boek, in alle interviews , debatten en artikelen altijd expliciet heb gezegd dat N-VA en De Wever volgens mij niet fascistisch zijn. Wat me trouwens niet altijd in dank is afgenomen. Hun analyse van de cover wordt tegengesproken door alle andere data die ik heb geproduceerd.

De ‘analyse’ van de recensent vertelt ons veel  meer over de methodologie van de recensent en zijn doeleinden, dan over mijn of EPO’s intenties. Deze opener van de bespreking zet de toon. De introductie is de eerste indicatie dat Absillis zelf een intentieproces opzet; nota bene iets dat hij mij verwijt. In de 39-pagina’s lange recensie produceert Absillis één argument: Het onderzoek van Maly had van meteen af aan de intentie om De Wever en zijn N-VA te beschadigen.

Nu zijn intenties  in wezen irrelevant in de beoordeling van wetenschappelijk onderzoek. Men kan perfect de intentie hebben om arbeiders aan de band efficiënter in te zetten (of in links jargon: te onderdrukken en uit te persen) en daarover een stevig wetenschappelijk doctoraat schrijven. De intentie en de ideologie van de onderzoeker zijn niet relevant in de beoordeling van een wetenschappelijk werk. Einsteins relativiteitstheorie is niets minder waard omdat hij een communist is. Maar, als men dan toch mijn intentie wil weten dan kan men die krijgen: het doctoraat is er gekomen om ‘inzicht’ te verwerven in het discours en het succes van N-VA. Hoe kan De Wever het constructivisme rijmen met nationalisme? Nationalisme met verlichting. Hoe kan het dat De Wever ook bij linksen als een toffe pee wordt beschouwd. In mijn eerste publicaties over het thema, dus lang voor de publicatie van mijn doctoraat was mijn analyse ook gematigder. In Het rijpen van de Geesten bijvoorbeeld, werd enkel het uitsluitend karakter van het N-VA nationalisme aangehaald en haar neoliberale economische politiek. Niet dat dit alles ter zake doet, een wetenschappelijk onderzoek beoordeelt men op zijn wetenschappelijke merites niet op de intentie of politieke voorkeur van de onderzoeker.

 

De recensent en zijn politieke strijd

Laat we de bewijzen à charge ten gronde bekijken. Volgens Bruno De Wever zouden er grote problemen zijn met de methodologie van het onderzoek. Misschien interessant om aan te stippen in deze context dat het onderzoek een discoursanalyse is. Ik ben een cultuurwetenschapper en discoursanalist en werk vanuit een etnografisch paradigma. Noch Bruno De Wever (historicus), noch Kevin Absillis (docent Nederlandse letterkunde) zijn etnografen of discours analisten. Benieuwd welke methodologische problemen zij ontdekken in mijn benadering van het etnografisch paradigma.

De claim van De Wever wordt nog vreemder als we de recensie erbij nemen. Absillis schrijft welgeteld 5 lijnen over de methodologie en die zijn louter beschrijvend. Die vijf lijnen worden afgesloten met de volgende zin: ‘Essentiëler voor deze studie is echter het begrippenpaar verlichting en antiverlichting’. Volgens Absillis is er dus niet zozeer een probleem met de methode maar met het begrippenpaar verlichting en antiverlichting. Concreter, het grote probleem is volgens Absillis het gebruik van welbepaalde wetenschappers over de verlichting en antiverlichting. Dit zal een terugkerend motief worden in de bespreking, ik kom daar straks op terug.

Vooral het gebruik van Sternhell’s werk over de antiverlichting moet het ontgelden. Dat ik evengoed gebruik maak van Israel, Blom, Foucault en Hobsbawm in mijn benadering moet even wijken voor de duidelijkheid van zijn argument. Dat ik de originele geschriften van radicale verlichtingdenkers als  Paine en Condorcet gebruik naast de literatuur die gematigde verlichtingsdenkers als Jefferson, Locke, Rousseau en Kant achtergelaten hebben, wordt niet opgemerkt. Dat ik mij baseer op literatuur van conservatieve en antiverlichtingsdenkers als Herder, Renan, De Maistre, Taine en Burke en vele anderen ontgaat hem blijkbaar ook. Het punt is, ik gebruik ‘de foute literatuur’ – lees ik citeer Sternhell – aldus Absillis. Israel, Hobsbawm en Sternhell, het zijn niet meteen lichtgewichten in de academische wereld.

Het ontgaat hem ook dat ik geen enkele van die auteurs klakkeloos volg in hun categoriseringen. Volgens Israel is Herder een radicale verlichtingsfilosoof. Ik volg hem daar niet, je moet er nog maar ‘Another Philosophy’ bijnemen van Herder om te weten dat hij heel duidelijk probeert een filosofie te ontwikkelen die lijnrecht ingaat tegen het denken van de radicale Franse filosofen. Dat ik die categoriseringen niet volledig volg, betekent echter niet dat je de impact van die radicale verlichting kan afwijzen of het ontstaan van de antiverlichting ontkennen. Dat er wel degelijk een ideologische strijd was binnen en tegen de (radicale) verlichting en dat die ideeënstrijd niet alleen relevant is om de dialectiek van het verleden te begrijpen, maar ook van het heden, lijkt mij onomstreden. Dat ik de verlichting niet zozeer bekijk in haar historische realiteitspolitiek, maar vanuit het perspectief van de ideeën van grote denkers ontgaat hem ook. Dat ik een onderscheid maak tussen de gematigde (en onverdedigbare) verlichting en de radicale verlichtingsdenkers ontgaat hem. Dat ik een onderscheid maak tussen counter-enlightenment (dat vaak samenvalt met denkers die Israel als gematigde verlichting omschrijft) en antiverlichting ook. Antiverlichting en counter-enlightenment zijn trouwens niet inwisselbaar. De Counter-enlightenment wil terug naar het ancien régime, de antiverlichting wil een andere moderniteit dan de (radicale) verlichtingsdenkers.

Zijn suggestie op het einde van zijn bespreking, dat ik ‘de Verlichting’ in zijn geheel verdedigen is nogal onzinnig (lees mijn inleiding voor de Gentse Feesten debatten hierover), want dan zou ik met Kant ook verlichte despoten moeten verdedigen. Er zijn nogal wat schrijfsels van mij te vinden waarin ik dat expliciet ontken. Ik voel me dan ook niet aangesproken, als hij mij als een verdediger van het kolonialisme en imperialisme wil neerzetten. Ik zie niet in waarom ik niet kan stellen dat de radicale verlichtingsdenkers ons de ideeën van democratie, mensenrechten en sociale zekerheid geschonken hebben, en tegelijkertijd de historische periode die gekend staat als de verlichting sterk kan bekritiseren. Dat is iets wat Paine al deed in de 18de eeuw.

Belangrijker in het licht van de bespreking, is dat ik in mijn doctoraat niet de verdediging van de verlichting op mij neem, maar net de claims van De Wever en zijn N-VA op de verlichting analyseer. Absillis kan moeilijk het onderscheid maken tussen analyse en verdediging.  Het zijn De Wever‘s uitspraken – het zijn de data- die het noodzakelijk maken om die geschiedenis in mijn analyse te betrekken. Het zou van mij een slechte discoursanalist en cultuurwetenschapper maken als ik die niet  betrek in die analyse. Intertekstualiteit (impliciete en expliciete) is van cruciaal belang binnen elk politiek discours: alle woorden en discoursen hebben een geschiedenis van gebruik. Zeker als men die geschiedenis expliciet oproept, zoals De Wever die zich positioneert als in lijn met de verlichting en een volgeling van Burke, dan is het de job van de discoursanalist om dit te onderzoeken. In die zin heb ik veel te danken aan De Wever, het is dankzij hem dat ik al die primaire bronnen heb mogen lezen. En dat was een heel leerrijke en plezierige trip.

 

De foute vragen

Absillis geeft eigenlijk nergens kritiek ten gronde op de analyse en de methodologie. Wat Absillis stoort – naast de conclusie dat N-VA een anti-verlichtingsideologie uitdraagt –  is dat ik (1) allerhande vragen die hij interessant vindt, niet heb beantwoord en (2) niet de literatuur gebruik die hij vindt dat ik moet gebruiken. Zo wordt me verweten dat ik geen studie gemaakt heb van de impact van Herder en Burke op het Vlaams nationalisme. Blijkbaar had ik dus eerst hierover een doctoraat moeten schrijven, vooraleer ik iets mag zeggen over Herderiaans nationalisme binnen het Vlaams nationalisme. Bovendien haast Absillis zich, na zich verschillende alinea’s te hebben uitgesloofd om de impact van Herder op het Vlaams nationalisme in vraag te stellen, met de stelling dat Herder wellicht wel een grote impact heeft gehad op het Vlaams nationalisme. Geen enkele inhoudelijke tegenwerping op mijn vaststellingen dus, integendeel.

Hetzelfde met Burke. Absillis vindt mijn vaststelling van de invloed van Burke op De Wever evident en makkelijk. Dus terug geen enkele inhoudelijke kritiek op wat ik zeg. Ik krijg enkel het verwijt  volgende vragen niet te beantwoorden: “Hoe leest De Wever Burke? Hoe verhoudt die lezing zich tot Maly’s eigen, grondige en systematische lectuur van Burke? Welke rol heeft Burke gespeeld in de geschiedenis van de Vlaamse beweging? Als die rol minimaal zou zijn, waarom is De Wever dan zo door Burke aangetrokken? En waarom heeft het tot De Wever geduurd voordat Burke en zijn ‘identiteitsconcept’ in het Vlaams-nationalistische denken werden geïntroduceerd?”  Enkel de onderzoeksvragen die Absillis als relevant beschouwd, mogen worden beantwoord. Absillis voelt zich de hoeder van de juiste vraag, de pater die het juiste denken oplegt.

Idem met de claim dat De Wever een neoliberale nationalist is. Terug geen enkele kritiek op de analyse an sich, die analyse wordt niet vermeld (terwijl Absillis 39 pagina’s ter beschikking heeft!). Wel worden terug andere vragen gesuggereerd. Hij noemt “N-VA-voorzitter namelijk een “neoliberale nationalist”, maar gaat licht over de vaststelling dat pleiten voor zo veel mogelijk vrije marktwerking en een principiële achterdocht tegenover de overheid zich moeilijk laten verzoenen met waarden als gemeenschapszin, sociale cohesie en nationale solidariteit. Is De Wevers nationalistische discours dan onderschikt aan een neoliberale agenda of is het eerder omgekeerd? En hoe verhoudt De Wevers neoliberalisme zich tot de verlichting en de erfenis van de Vlaamse beweging?’” Nog los van het feit dat verschillende vragen wel worden beantwoord in het boek, wijs ik er graag op dat de these dat nationalisme en neoliberalisme de laatste decennia hand in hand gaan, geen nieuwe vaststelling is.  David Harvey (die stond niet op Absillis’ lijst van verboden boeken) gaat in zijn werk over neoliberalisme uitvoerig in op die verhouding.  We hoeven trouwens maar aan Thatcher te denken, of later aan het discours van New Labour (Fairclough schreef hier een interessant boekje over, maar die staat hoogst waarschijnlijk op de verboden lijst van Absillis).

 

De foute literatuur

Het belangrijkste argument van Absillis tegen mijn doctoraat is niet zozeer mijn analyse an sich, maar de literatuur waarop ik me baseer. Als ik over het Vlaams nationalisme spreek,  mag ik me niet baseren op Louis Vos, Lode Wils, Jan Blommaert, Marc Reynebeau, Morelli en Hobsbawm. Als ik over nationalisme schrijf, mag ik me niet op Anderson, Billig, Hobsbawm, Gellner, Blommaert en Hroch baseren. En ik mag me niet baseren op Israel, Condorcet, Paine, De Tocqueville, Rousseau en Kant als ik over de verlichting schrijf. En ik mag me al helemaal niet baseren op Sternhell als ik over de anti-verlichting schrijf. Ik moet me dan weer wel baseren op Lakoff  en dus linguïstische (en geen sociolinguïstische) analyses maken. Uiteraard mag ik me niet baseren op discoursanalisten zoals Hymes, Foucault, Fairclough, Billig en al zeker niet op Blommaert en Verschueren.

En zo komen we geleidelijk aan bij hetgeen Absillis echt viseert: De contestatie van het Vlaamse nationalisme door linkse intellectuelen en culturo’s zoals dat in het lingo heet.  Absillis’ stelling is bekend, links moet het nationalisme niet bekampen, maar omarmen en inzetten voor de linkse strijd. Jan Blommaert en Jef Verschueren, die doorheen de hele bespreking geregeld opduiken, zijn vanuit dit perspectief uitermate problematisch in zijn ogen. Zij hebben, aldus Absillis, een enorme impact gehad met hun boek Het Belgische migrantendebat op het verzet van linkse culturo’s en intellectuelen tegen het concrete Vlaams nationalisme.

Het is dan ook opvallend dat er slechts 12 van de 39 pagina’s gewijd worden aan mijn doctoraat.  Op de andere pagina’s wordt de invloed van ‘Het migrantendebat’ van Blommaert en Verschueren besproken. Zij zouden de houding van links ten opzichte van het Vlaams nationalismhebben bepaald en ‘de foute’ boeken binnengebracht hebben in het debat (lees: de werken van Hobsbawm, Anderson en Gellner) over nationalisme. Mijn doctoraat wordt als emblematisch neergezet wordt voor alles wat fout is aan de linkse houding ten aanzien van nationalisme in de laatste twee decennia:

Maly’s conclusie negeert dat sinds de doorbraak van het Vlaams Blok in de jaren 1990 wellicht geen enkele ideologie fel­ler en openlijker werd gecontesteerd dan nationalisme in het algemeen en Vlaams-nationalisme in het bijzonder. De doorbraak van de N-VA naar het centrum van de po­litieke macht heeft daar al met al niet zo veel aan veranderd.”

Absillis maakt hier typische fout: hij verwart tegenspraak met macht. Dat N-VA de grootste partij is van Vlaanderen, dat er op de PVDA na geen Belgische partijen zijn of dat de BRT VRT is geworden, dat is allemaal niet relevant. Een wetenschapper als Billig, zou daar iets anders over denken, maar die staat niet op de goede literatuurlijst. Wat Absillis niet lijkt te zien, is de machtsongelijkheid. De reële impact van die intellectuelen en culturo’s wordt niet in ogenschouw genomen. Een hegemonie is nooit totaal, er is altijd verzet. Het verzet wordt echter niet gehoord, belachelijk gemaakt, geïnstrumentaliseerd, geneutraliseerd of in de marge geduwd. Dat wil niet zeggen dat ze er niet is, ze heeft gewoon weinig impact, weinig macht.

Het is dan ook opvallend dat een bespreking die niet ingaat op de methode van het onderzoek, die geen enkele feitelijke fout aanhaalt, maar enkel wijst op ‘de foute literatuur’ en extra (interessante) onderzoeksvragen suggereert, heel snel opgepikt wordt om een onderzoek af te maken. Terwijl datzelfde medium nog nooit een letter heeft vuilgemaakt aan dat onderzoek. Laat staan dat De Morgen zou rapporteren dat het onderzoek nu ook in een internationale top journal als Nations and Nationalism is gepubliceerd. Het zegt iets over wat gezien wordt als normaal en wat gezien wordt als niet normaal in onze Vlaamse samenleving. Het kaartenhuis van Absillis stort onherroepelijk ineen.

 

De verborgen politiek van de recensent

‘Mijn doctoraat’ is maar een opstapje om het echte stokpaardje van Absillis boven te halen: De verdediging van (links) nationalisme. De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet. Freud zou het woordje projectie bovenhalen, maar die staat zeker ook op de foute literatuurlijst. Onder het mom van een objectieve recensie, smokkelt Absillis niet al te subtiel trouwens, zijn eigen politieke strijd binnen: de opleving van het Linkse nationalisme. Ik wens hem daarbij alle succes.

 

  1. Graag maak ik van de gelegenheid gebruik even te wijzen op een reeks feitelijke fouten in de bespreking. De cover is niet door Epo gemaakt (de Colofon checken is altijd handig). Ik ben nooit voorzitter geweest van Kif Kif, maar coördinator. Kif Kif was geen minderhedenplatform, maar een intercultureel platform. Ik ben geen politiek wetenschapper, maar een cultuurwetenschapper. Kif Kif is niet aan elkaar geschreven. Facebook en Instagram worden met hoofdletters geschreven. Sternhell is met ll –geschreven.

 

De schuld van het slachtoffer: Racisme à la Homans

De reactie van de Antwerpse schepen van diversiteit Liesbeth Homans op het opiniestuk van Samira Azabar bevestigt een punt dat ik al langer maak inzake de visie van N-VA op racisme: voor racismebestrijding moet je niet bij N-VA zijn. Racisme, als het al erkend wordt door deze partij, wordt niet begrepen als een dominante ideologie die structureel verankerd zit in onze samenleving met alle uiterst nefaste effecten van dien, maar als iets uitzonderlijks dat getriggerd wordt door de slachtoffers zelf. Niet racisme moet bestreden worden, maar de slachtoffers moeten inspanningen leveren. Dat mechanisme is gekend, het heet “blaming the victim”. Hoog tijd om de schepen een kleine introductie aan te bieden inzake racisme. 

Ten eerste is het belangrijk in te zien dat racisme nauw verbonden is met de politiek. Dat politieke aandeel in racisme wordt door Homans resoluut ontkend. De politiek kan volgens haar enkel het bestaande racisme ‘beperken’, niet uitroeien. Racisme lijkt zomaar te ontstaan in de samenleving, de politiek lijkt daar geen rol in te spelen. Voor een schepen van diversiteit verraadt Homans dus bijzonder weinig kaas gegeten te hebben van racisme. Als Homans zich even zou inlezen in de literatuur (ze kan bijvoorbeeld het gratis e-boek Cultu(u)rENpolitiek op KifKif.be downloaden) dan zou ze vaststellen dat de politiek net een cruciale rol speelt in het voeden van racisme. Dan zou ze begrijpen dat het discours over ‘de islam’ zoals het in de laatste decennia gevoerd is racisme genereert. Dan zou ze ook begrijpen dat haar voorzitter in de laatste weken net zijn uiterste best heeft gedaan om dit islamofobe discours verder te verspreiden en te versterken.

Ten tweede: racisme houdt machtsongelijkheid in stand. Racistische discoursen zijn niet louter woorden, ze voeden handelingen van mensen. Deze discoursen creëren ongelijkheid en houden die ongelijkheid in stand door ze voor te stellen als normaal (eigen aan kenmerken van de slachtoffers bijvoorbeeld). Discoursen hebben dus onvermijdelijk een materiële vertaling: ze structureren onze samenleving. De dominante denkbeelden in de samenleving sluipen binnen in het onderwijs en zorgen daar voor ongelijkheid (zie de uitstekende onderzoeken van de UA:http://www.oprit14.be/ ). De dominantie van het racisme is ook de verklaring voor de ongelijke positie op de arbeidsmarkt. Het is dat racisme dat verklaart waarom ook hooggeschoolde ‘allochtonen’ zoveel vaker in de werkloosheid belanden als hun autochtone collega’s. Dat is ook de verklaring van het LiFo-principe (last in, first out) waar ‘allochtonen’ mee te maken hebben in onze samenleving. Dat is ook de verklaring waarom steeds meer ‘allochtonen’ van de tweede en derde generatie België verlaten en in het buitenland werk zoeken. België heeft een structureel racisme probleem en dat is geen nieuw gegeven.

Ten derde is racisme een strafbaar feit. Racisme is dus niet relatief, het is een misdaad tegen de mensheid. De wet an sich zal het racisme inderdaad niet doen verdwijnen. Het afdwingen en toepassen van de wet zal dat wel doen. Daar wringt het schoentje: de wet is in België vaak niet toepasbaar wegens gebrek aan bewijslast (tastbare bewijzen zijn zeldzaam, werkgevers weten ondertussen dat ze niet moeten schrijven dat iemand niet aanvaard is omdat hij Turk is). Kif Kif roept daarom al jaren op dat de politiek werk maakt van een juridisch kader om praktijktests uit te voeren. Oorverdovende stilte, dat is wat de politiek laat horen. Homans is dan ook ronduit cynisch als ze enerzijds stelt dat justitie haar werk moet doen met betrekking tot racisme, maar er meteen bij zegt dat we niet op de wet moeten rekenen om racisme te bestrijden. Als het van N-VA afhangt zal dat inderdaad de realiteit zijn en blijven. Zo is haar partijgenoot Theo Francken van oordeel dat het Centrum (voor Gelijkheid van kansen en Racismebestrijding) geen juridische strijd moet voeren tegen racisme en de Antwerpse fractieleider van N-VA, Gantman, vindt zelfs dat het moet afgeschaft worden. N-VA is ook effectief een tegenstander van praktijktests.

De tekst van Homans is dus uiterst leerrijk. Het toont aan dat we van Homans en haar partij weinig moeten verwachten in de strijd tegen racisme. Niet de racist moet aangepakt worden als het van N-VA af hangt, maar het slachtoffer moet veranderen. Dat heeft het voordeel van de duidelijkheid: racisme wordt ongemoeid gelaten.

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen (Universiteit Tilburg), licentiaat in de Vergelijkende Cultuurwetenschappen en postlicentiaat in de Ontwikkelingssamenwerking, optie politiek en conflict (UGent). Hij is coördinator van Kif Kif  en gastprofessor Politiek en Cultuur aan het Rits. Hij schreef o.a. ‘N-VA | Analyse van een politieke ideologie’ (EPO, 2012) en ‘De beschavingsmachine. Wij en de islam’ (EPO, 2009). Op 20 februari 2014 stelt hij samen met Jan Blommaert & Joachim Ben Yakoub het boek ‘Superdiversiteit en Democratie’ voor. 

 

>>> Klik hier voor de brief van Liesbeth Homans.

>>> Klik hier voor de brief van Samira Azabar (Motief vzw, BOEH) eerder deze week: ‘Antwerpen, ik hou van u, ik walg van u’ (een reactie op een Brief van Riadh Bahri (Een))

>>>> Lees hier het Kif Kif dossier ‘Racisme is…’ 

[SAMPOL] De Gravensteengroep, de discursieve linkerflank van N-VA (Lange versie)

Verkiezingen winnen doet een partij niet in zijn eentje. Verkiezingen worden maar gewonnen als men de brede lagen van de bevolking aanspreekt. Het discours moet normaal worden bevonden en moet door die bevolking worden begrepen als goed voor hen. Hoewel N-VA een rechtse, neoliberale en radicale Vlaams nationalistische partij is, wordt ook de linkerflank zoveel mogelijk afgedekt. Dat gebeurt niet alleen door Bracke die bij zijn overstap naar de politiek uitriep dat hij voor een linkse partij heeft gekozen of doordat Homans om de haverklap benadrukt dat N-VA sociaal is maar niet socialistisch. Een belangrijke speler die het discours van N-VA van legitimiteit voorziet, zo betoogt Ico Maly, staat officieel buiten de partij. De Gravensteengroep moeten we volgens hem zien als de discursieve linkervleugel van de N-VA. In deze bijdrage analyseert hij het discours van die groep progressieve intellectuelen. Meer bepaald heeft hij aandacht voor de intertekstuele relatie tussen het ‘linkse discours van de Gravensteengroep’ en het discours van N-VA.

Klik hier voor de korte versie zoals het verschenen is in SAMPOL

 

De Gravensteengroep: progressief, links en Vlaams nationalistisch?

De Gravensteengroep is een merkwaardig project. De groep, bestaande uit intellectuelen kunstenaars en actieve burgers uit het middenveld, is gestart met de boodschap dat de groep de Vlaamse eisen uit de klauwen van de rechterzijde wou halen. Zo luidt het in de eerste twee paragrafen van het eerste manifest van de groep:

 

‘De ondertekenaars van dit manifest, die zich de Gravensteengroep noemen, vertrekken vanuit verschillende politieke en ideologische uitgangspunten, maar zijn het eens in hun gehechtheid aan de democratie en de mensenrechten. Zij stellen de waarden van vrijheid, gelijkheid, solidariteit en wederzijds respect centraal, en wijzen alle vormen van racisme en xenofobie radicaal af.

 

Zij zijn echter verontrust door het feit dat in de recente discussies over de staatshervorming de indruk wordt gewekt dat redelijke en rechtvaardige Vlaamse eisen telkens weer met een (extreem-) rechts gedachtegoed worden geassocieerd.’[1]

De groep profileert zich vanaf de start als niet-(extreem)rechts, meer nog als anti-(extreem)rechts. Uit deze paragrafen leren we dat het pluralisme aan politieke en ideologische uitgangspunten die de groep kenmerkt een pluralisme is in het centrum en aan de linkerzijde van het politieke spectrum. Het cement van de groep is hun streven naar vrijheid, gelijkheid, solidariteit en respect. Kortom, de Gravensteengroep presenteert zich enerzijds als een verlichtingsproject en anderzijds als een project die de ‘redelijke en rechtvaardige Vlaamse eisen’ voor een staatshervorming wil ontdoen van haar (extreem)-rechts imago. In deze analyse gaan we na in hoeverre die zelfbeschrijving ook spoort met de Gravensteenpraktijk.

De leden van deze groep zijn niet de minste. Etienne Vermeersch, Ludo Abicht, Jean-Pierre Rondas, Bart Maddens, Jef Turf, Tinneke Beeckman, Jan Van Duppen, Luc Doorslaer, Eric Defoort, Willy Courteaux, Edi Clijsters, Jo Decaluwe, Piet van Eeckhaut, Karel Gacoms, Paul Ghijsels, Nelly Maes, Chris Michel, Yves Panneels, Hugo Stevens, Johan Swinnen, Frans-Jos Verdoodt en Jan Verheyen vormen samen de Gravensteengroep. Overlopen we de staat van dienst van deze Gravensteners, dan wordt meteen duidelijk wat wordt bedoeld met het pluralistisch karakter van de groep. Enerzijds zien we mensen als Abicht, Turf en bijvoorbeeld van Eeckhaut die een linkse historiek hebben. Abicht kwam in 2012 op voor Rood, Turf is voorzitter geweest van de communistische partij, Van Eeckhaut is van sp.a-signatuur, Etienne Vermeersch staat gekend als een links intellectueel en ook Tinneke Beeckman profileert zich expliciet als links. Naast deze mensen met een links etiket zien we heel veel bekenden opduiken uit de Vlaams nationalistische strijd die een veel minder links imago uitdragen. Bart Maddens gaf zijn naam aan de Maddens-doctrine en is dus de vader van de verrotingsstrategie. Eric Defoort is een Vlaams nationalistisch historicus en moeilijk als links te categoriseren. Nelly Maes is ex-Volksunie en nu N-VA en ook Jan Verheyen en Jean-Pierre Rondas cirkelen rond N-VA. Chris Michel, de stichter van de Gravensteengroep, is twee jaar woordvoerder geweest van Geert Bourgeois. Het initiatief voor deze groep komt uit N-VA-hoek, niet vanuit de linkerzijde.

Het pluralisme van de Gravensteengroep wordt zo al iets duidelijker. We zien een mengeling van stemmen. Enerzijds een groep die dicht bij N-VA staat en anderzijds een groep  linkse intellectuelen met een Vlaams hart. Echter, belangrijker is of de groep haar inhoudelijke doelstellingen waarmaakt. De relevante vraag is dus of de Gravensteengroep er inderdaad in slaagt om de staatshervorming en de Vlaamse eisen in het perspectief te plaatsen van de verlichtingsstrijd voor meer democratie, meer vrijheid en meer gelijkheid. Slaagt de Gravensteengroep, ondanks een groot aantal N-VA’ers en sympathisanten om een onafhankelijke, progressieve en linkse koers te varen. Deze vragen onderzoeken we hieronder aan de hand van het Gravensteenboek: Land op de tweesprong.

Rondas over het Gravensteenboek

Dit Gravensteenboek is een luxe-uitgave van de ondertussen tien manifesten van de groep, aangevuld met individuele bijdragen van de Gravensteners (expliciet onder eigen naam en verantwoordelijkheid) en foto’s van de Gravenstener Johan Swinnen. Het boek opent met een stukje van Vermeersch over het ontstaan van de groep gevolgd door een ‘Ten geleide’ over de auteurs van het boek. Het eerste inhoudelijk stuk is van de hand van Jean-Pierre Rondas en biedt uitleg ‘Over het Gravensteenboek.’

Die eerste duiding van Rondas is verhelderend. Het toont ons een heel ander plaatje dan de links pluralistische vlag waaronder de groep vaart doet vermoeden. De hele bijdrage spreekt niet in een linkse taal, maar in de intertekstuele traditie van het conservatisme. Rondas spreekt in dezelfde woorden als De Wever of het ‘conservatieve wonderkind’ Thierry Baudet. In die traditie staat de natie voorop. Meer nog de natie is een entiteit op zich die zich onvermijdelijk beweegt op het pad naar de natiestaat. De politieke problemen die België vandaag kent zijn in die logica te herleiden tot het gevolg van het onvoltooid streven van de Vlaamse natie naar een eigen staat:

‘Deze crisis heeft onderhand het karakter van een permanente toestand aangenomen. Historisch gezien is dat ook logisch, want het gaat om een fase in de lange ontwikkeling van natievorming in de Lage Landen, waarbij de Vlaamse natie zich al van voor de Eerste Wereldoorlog aan het losweken is uit de Belgische constructie.’[2]

 

Dit citaat leert ons veel en dit om verschillende redenen. Duidelijk wordt dat Rondas de staatshervorming ziet als een gevolg van de opmars van de Vlaamse natie. Bovendien wordt ook duidelijk dat de natie an sich wordt gezien als een sociale en historische actor. Het zijn in het perspectief van Rondas niet zozeer individuen, politici en drukkingsgroepen die de natie boetseren door middel van een politiek-ideologische machtsstrijd. De natie is historisch gegroeid, ze is er gewoon en zit opgesloten in de Belgische constructie. Rondas hanteert in deze inleiding een klassiek nationalistisch discours veeleer dan een links of democratisch discours. Onderliggend aan deze uitspraken ligt een organisch nationalisme dat de Vlaamse natie voorstelt als echt, natuurlijk en gevormd door de geschiedenis. De Belgische staat daarentegen wordt niet alleen neergezet als een constructie en dus niet natuurlijk maar ideologisch, maar ook als een gevangenis die de Vlaamse natie onderdrukt. Dat verklaart dan de zogenaamde Vlaams nationalistische grondstroom.

De Gravensteengroep en de V-partijen zouden dan de grondstroom van Vlaanderen vertegenwoordigen, aldus Rondas. Rondas begrijpt die grondstroom net zoals De Wever als rechts nationalistisch. En meteen wordt ook de ‘wij-zij’ categorisering van N-VA overgenomen die het echte Vlaanderen contrasteert met het Vlaanderen van de cultuurdragers en andere linkse en wereldvreemde stemmen. De Belgische elite en de linkse elite, nogal vaak worden beide trouwens gelijkgesteld onder het label links tout court, worden dan afgebeeld als de krachten van behoud. Zij strijden tegen het Vlaams nationalisme en hebben alle media in handen: ‘(…) de algemene default position in de redactionele koppen blijft steevast kosmopolitisch, dus multiculturalistisch, dus antinationalistisch, en dus tegen meer Vlaanderen.’[3] Twee zaken vallen terug op. Ten eerste krijgen we hier een doordrukje van het bekende motief over ‘de linkse media’. Dat motief circuleert zeer vlot binnen rechts-nationalistische kringen. Ten tweede en ten gronde is het opmerkelijk dat Rondas zich hier expliciet afzet tegen kernelementen uit het verlichtingsproject dat per definitie universalistisch en kosmopolitisch geïnspireerd was.

De gelijkenissen tussen het discours van Rondas en De Wever zijn opvallend. Net zoals De Wever verwijt Rondas die linkse kerk omdat ze deze universele waarden uitdraagt en omdat  ze aan ‘deconstructie en demontage van Vlaanderen’[4] doen. Die linkse kerk vaart dan uitsluitend ‘ten behoeve van één politiek-institutionele keuze, namelijk pro Belgica.’[5] Net zoals De Wever schuwt Rondas de karikatuur niet in de strijd tegen de (linkse) criticasters van het Vlaams nationalistische project. Het is waarschijnlijk geen toeval dat de Gravensteengroep op geen enkel stuk van de Vooruitgroep geantwoord heeft. In het Gravensteenboek wordt de Vooruitgroep wel genoemd, maar nooit wordt er een stelling geanalyseerd of kritiek beantwoord. Dat kan ook niet, want dan blijft de karikatuur die de Gravensteners uitdragen niet overeind. Dan zou duidelijk worden dat die zogenaamde ‘Belgische nationalisten’ helemaal geen Belgicisten zijn, en al helemaal geen nationalisten. Meer nog, het zou duidelijk maken dat de Vooruitgroep helemaal niet pleit om alles op Belgisch niveau te regelen, de groep pleit immers voor een meerlagige oplossing. Ze pleit wel tegen het idee dat de Vlaamse natie een oplossing is voor de problemen waarmee de Belgische staat en democratie kampt en die de neoliberale globalisering met zich meebrengt.

De Gravensteengroep heeft er blijkbaar alle belang bij om een monolitische Belgicistische elite in het leven te roepen om haar project te legitimeren. Zelfs de historische staatshervorming, onder aanvuren van de Vlaams nationalistische Volksunie, wordt in de schoenen van die Belgicistische elite geschoven. Om de Belgische federatie te behouden, zo betoogt Rondas, ‘is men al sinds 1970 aan het parlementair-democratisch systeem beginnen morrelen, via vergrendeling middels speciale meerderheden die de Vlaamse meerderheid moesten neutraliseren. Het Belgische democratische deficit, dat ten koste gaat van alle Belgische burgers.’[6]  Dit democratisch deficit is een reëel probleem, een probleem waar verschillende oplossingen mogelijk zijn. Volgens Rondas kan van een herfederalisering echter geen sprake zijn, enkel veder splitsen wordt gezien als een legitieme oplossing. Hier zien we terug een kernelement opduiken van Rondas zijn betoog, een element dat hij bovendien terug deelt met N-VA. België wordt daarin gelijkgesteld met de blokkering van de democratie, met het installeren en betonneren van grendels die de Vlamingen minoriseren.[7] Minder België staat dan per definitie gelijk met meer democratie. Dat is ook de reden waarom men steevast de Vlaams nationalistische eisen zal verkopen als democratische eisen. In die ‘Vlaamse democratie’ zou er dan eindelijk geregeerd worden volgens de eigenheid van de Vlamingen. In wezen heeft dit echter weinig met democratie te maken. Een dergelijk spreken heeft wel een lange traditie binnen het conservatisme. Impliciet steunt deze retoriek op een vox populisme waarmee Rondas zich opstelt als de vertolker van de Vlaamse democratie, van de stem van het Vlaamse volk. Net zoals Baudet en De Wever begrijpt Rondas democratie als de stem van het volk. Net zoals die twee denkers ziet hij homogeniteit als een voorwaarde van democratie. Nochtans is democratie net het systeem bij uitstek om diversiteit een plaats te geven.

De vaststellingen die we hier maken over het perspectief van Rondas op ‘het Belgische probleem’ zouden kunnen afgedaan worden als loutere toevalligheden. Immers, het is geweten dat Rondas dicht aanschurkt bij de N-VA en bovendien wordt in het boek heel duidelijk gesteld dat de bijkomende teksten naast de manifesten zelf, louter onder de verantwoordelijkheid vallen van de auteur in kwestie en dus niet noodzakelijkerwijs het perspectief van de Gravensteengroep in zijn geheel vertolken. Ondanks deze disclaimer zien we een opmerkelijke consistentie in de verschillende teksten die volgen. Bovendien kunnen we er niet langs dat het stuk van Rondas niet alleen een inleiding is op alle teksten in het boek, het is ook geschreven door de redacteur van het boek. Het algemeen kader dat Rondas schetst is weldegelijk een goede inleiding op de verschillende manifesten en zelfs op de teksten ter persoonlijke titel. We duiden dit hieronder.

Land op de tweesprong: manifesten ter ontgrendeling van Vlaanderen

Het is hier niet de plaats om in detail in te gaan op de verschillende manifesten (de Vooruitgroep heeft dat al met verve gedaan[8]), laat staan op het hele boek. Wat wel interessant is, is om enkele van de opvallende concepten boven te halen uit het discours van de Gravensteengroep en ze naast het discours van N-VA te plaatsen. We starten door het algemeen perspectief van de Gravensteengroep op de Belgische situatie te schetsen en zo ook de positie te bepalen die de Gravensteengroep zichzelf toekent in dat politiek-ideologische en maatschappelijke veld. We zullen hieronder focussen op kernconcepten uit een linkse strijd, een strijd voor verlichting zoals gelijkheid, vrijheid, democratie en solidariteit. We baseren ons hiervoor op respectievelijk het eerste en het tweede Gravensteenmanifest.

De Belgische elite, de status-quo en democratische chantage

Het eerste Gravensteenmanifest start met een expliciete zelfdefiniëring van de groep en haar taak. Duidelijk wordt gemaakt dat de standpunten volgens de auteurs standpunten zijn die strijden voor gelijkheid en vrijheid, voor democratie en de mensenrechten. Kortom, de Gravensteners achten het van groot belang om zichzelf in de markt te zetten als intellectuelen die de erfenis van de verlichting hoog in het vaandel dragen. Opmerkelijk is wel dat ze hun peilen vanaf dag 1 richten op de linkse elite die in wezen conservatief zou zijn:

Dat een flink deel van de Vlaamse culturele wereld de intellectuele moed mist om deze analyse [dat de Belgische constructie onherroepelijk vast zit]  te maken, is onbegrijpelijk. Dat ze zich, samen met de oude Belgische elites, vastklampt aan een Belgische status-quo, is onaanvaardbaar. Dit zelfverklaard ‘progressief Vlaanderen’ stelt zich behoudsgezind op en dreigt de trein van de geschiedenis te missen.’ [9]

Vanaf het eerste manifest is de intertekstuele verbondenheid met het N-VA-discours onmiskenbaar. Terug krijgen we een linkse kerk die belgicistisch is en het status quo bewaart versus de Gravensteengroep die ‘de realiteit’ en zelfs de ‘loop van de geschiedenis kent’ en ze tot uitvoer wil brengen. Die loop van de geschiedenis wordt dan begrepen vanuit de klassiek nationalistische premisse dat de Vlaamse natie een Vlaamse staat moet krijgen. Dat is de ‘onomkeerbare optie op de toekomst.’[10] De oprichting van de Vlaamse natiestaat is de enige oplossing voor ‘de chaos die de Belgische constructie na 177 jaar lapwerk kenmerkt,’ [11] aldus De Gravensteengroep.Wie daartegenin gaat, zoals de culturele wereld en de oude Belgische elite, gaat dan ook in tegen de realiteit. Zij klampen zich dan vast aan de status-quo. Die nadruk op de status quo is ook een buzzwoord uit het N-VA-discours. Terug zien we hetzelfde perspectief om naar de realiteit te kijken zoals Rondas en N-VA reeds voordeden. Links, de culturele wereld en de oude (in de feiten niet meer bestaande) Franstalige Belgische elite in Brussel worden niet alleen voorgesteld als oppermachtig, maar ook als conservatief en beschermers van de  status quo.

De karikatuur regeert. Zij, die linkse kerk, zijn de ware conservatieven. Zij zijn Belgische nationalisten. Zij verknechten Vlaanderen, ze minoriseren Vlaanderen en onderdrukken zo ‘de meerderheid’ en ‘de democratie’. Terug krijgen we de constructie van een eenduidige vijand die alle criticasters van de Vlaamse eisen afschildert als oude belgicisten die de Vlaamse zaak verloochenen tegen de stem van het Vlaamse volk in. Opmerkelijk is ook dat we hier een hele politiek-ideologische uitholling  vaststellen van de termen progressief en conservatief. Deze termen verwijzen in het Gravensteendiscours niet meer naar hun historische betekenis.

In die historische betekenis strijden progressieven voor het realiseren van de verlichte samenleving. Zij verdedigen de waarden van de radicale verlichting: vrijheid, gelijkheid van elk individu. Progressieven zetten dus in op universele rechten, op democratie en solidariteit georganiseerd op een zo groot mogelijke schaal. De democratie is een instrument om dat mogelijk te maken. Democratie is dan een groot verhaal dat niet te herleiden is tot louter verkiezingen en al helemaal niet te herleiden is tot ‘de stem van het volk’, tot populisme. De radicale verlichtingsstrijd staat haaks op het organisch nationalisme. De verlichting ijvert voor universele rechten, voor een kosmopolitisme, voor een stelselmatige uitbreiding van de democratie en voor een uitbreiding van de solidariteit. Het is net het conservatisme en zeker het revolutionair conservatisme dat ijvert voor het particuliere. De morele orde en de gezondheid van het kostbare weefsel van de natie primeert voor conservatieven altijd op de rechten van het individu.[12]

In het discours van de Gravensteners zijn degene die pleiten om de solidariteit op een zo’n groot mogelijk schaal te houden echter de conservatieven. Terwijl het beperken van de solidariteit tot de Vlaamse natie voorgesteld wordt als progressief. Deze omkering is cruciaal om de vlag waaronder de Gravensteengroep vaart geloofwaardig te houden. Immers, moest de groep deze termen met hun historische betekenis hanteren, dan zou duidelijk worden dat hun nationalisme enkel maar als conservatief te brandmerken valt, zeker als ze dan nog eens gepaard gaat met een strijd tegen individualisme, kosmopolitisme en de nadruk op een ‘gezond sociaal weefsel’[13] waarin iedere nieuwkomer, en dus ook Franstaligen, zich moeten inburgeren. Centraal element hierin is, zoals in elk volksnationalistisch discours: ‘de taal.’[14]

Net zoals alle nationalisten staat taal bovenaan het prioriteitenlijstje van de Gravensteengroep: de taal is gansch dat volk niet waar. Dat vertaalt zich in een heel scherpe visie op meertaligheid en vooral op het spreken van Frans op het Vlaamse grondgebied. Zolang de Franstaligen niet akkoord gaan met die plicht om Nederlands te spreken op het Vlaamse territorium en zich te schikken naar de ‘Vlaamse meerderheidscultuur’ ondergraven ze volgens de Gravensteengroep ‘het principe van de politieke solidariteit tussen de gewesten, en meteen ook van de Belgische federale structuur op zich.’[15] Om die taal en de vergaande autonomie van de Vlaamse natie af te dwingen, dreigt de Gravensteengroep ermee om die sociaaleconomische solidariteit op te blazen. Solidariteit is dus niet het strijddoel van de Gravensteengroep, maar wordt gehanteerd een chantage-instrument. Taal en de natie primeren duidelijk op de centrale waarde van een links gedachtegoed: de herverdelende, interpersoonlijke solidariteit.

Voor de Gravensteengroep bestaat enkel de natie, de Vlaamse natie in opmars. Dat is het begin en het einde van de argumentatiehorizon. Centrale eisen van dit eerste Gravensteenmanifest in 2008 zijn, naast de taalkwestie op het grondgebied,  het respect voor ‘grens en ruimte’[16], de onmiddellijke splitsing van BHV en de ‘reële tweetaligheid in Brussel.’[17] Enkel dan is een confederaal België mogelijk, zo niet is het splitsen geblazen: ‘wie een hervorming in deze democratische zin afwijst, pleit in feite voor de ontbinding van die staat.’ [18] Vanaf het eerste manifest is de positie van de Gravensteengroep in feite al zeer duidelijk: het gaat om de Vlaamse natie, dat is democratie. De intertekstuele verbondenheid met het N-VA-discours is overduidelijk.

Solidariteit en solidariteit is twee

Het loont de moeite om even verder in te gaan op het concept solidariteit. Een analyse van de betekenis die aan het concept solidariteit toegekend wordt is een interessant instrument om te bepalen welke traditie voorrang heeft in de Gravensteenstrijd.  Solidariteit is immers niet alleen een kernconcept van elk links denken maar heeft ook een lange nationalistische traditie. In die linkse traditie verwijst solidariteit naar herverdeling, naar het recht op een menswaardig leven en dus naar de universele rechten van de mens. In een nationalistische traditie à la Renan verwijst solidariteit echter naar iets helemaal anders: naar nationale lotsverbondenheid en dus een sterke nationale identiteit. Of zoals De Wever het benoemt: de ‘spontane solidariteit’ die ontstaat als er een gezond kostbaar weefsel is binnen de natie.

Maken we die analyse dan zien we dat verbondenheid het kernwoord is als de Gravensteengroep spreekt over solidariteit. Zo wijst de groep in haar tweede Gravensteenmanifest er initieel terecht op dat solidariteit als instrument voor de bewerkstelliging van gelijkheid centraal staat in het verlichtingsdenken en in het socialisme. Ze wijst er ook terecht op dat binnen het socialisme solidariteit als grensoverschrijdend en dus universeel gedacht werd. En de groep wijst er ook terecht op dat dit ideaal vaak niet gerealiseerd werd. De groep wijst er ook terecht op dat in het links denken solidariteit niet verwijst naar liefdadigheid maar naar herverdeling via een sociale structuur gericht op het verminderen van ongelijkheid.

De eerste paragrafen van dit tweede manifest indexeren een verlichte positie inzake solidariteit. Meer nog, ze laten uitschijnen dat de Gravensteengroep zelfs een socialistisch perspectief op solidariteit zou aanhangen. Die lezing van de positie van de Gravensteengroep komt echter te vroeg. Na deze uiteenzetting van de historische politieke ideologische strijd over de betekenis van solidariteit verduidelijkt de groep haar eigen lezing. Die lezing is duidelijk gekoppeld aan haar nationalistische strijd. Want zo betogen de Gravensteners:

“dit principe wordt in de huidige Belgische context misbruikt. Wie in dit land durft te pleiten voor het verder ontwikkelen van de regionale solidariteit, die vandaag één van de wezenlijke voorwaarden vormt voor het behoud van de solidariteit in België, wordt bij voorbaat verdacht gemaakt.”

Een eigen Vlaamse solidariteit is voor deze Gravensteners de basis voor het behoud van de solidariteit op het Belgische niveau. Daarom zijn er in dit land hoogdringend institutionele hervormingen nodig. Enkel als  ‘Het naast elkaar bestaan van deelstaten, als gelijkwaardige partners, biedt mogelijke garanties voor een reële én realiseerbare solidariteit, voor een op maat gemaakte invulling van regionale behoeften en individuele noden, en voor het aanpassen van onze sociale zekerheid aan nieuwe internationale uitdagingen.’ [19]  Er komen twee argumenten bovendrijven: (1) Solidariteit moet gekoppeld worden aan de Vlaamse (deel)staat om ‘realistisch’ te zijn. (2) Enkel op het Vlaamse niveau kan onze sociale zekerheid de ‘internationale uitdagingen aan’ aldus de Gravensteengroep. We overlopen eerst het eerste argument, we eindigen met de idee dat splitsing van de sociale zekerheid het antwoord is op ‘de internationale uitdagingen’.

De Gravensteners betogen dus dat een solidariteit op het Belgische niveau compleet onhaalbaar is omdat er geen politieke solidariteit is. Enkel een Vlaamse solidariteit is ‘realistisch’ want gebaseerd op onze individuele behoeften en noden. In naam van de verlichting argumenteren tegen uitbreiding van solidariteit, tegen universalisme en dus ook tegen idealisme en vooruitgang is natuurlijk heel vreemd. Moesten de verlichtingsdenkers gedacht hebben in termen van realisme dan hadden we vandaag geen democratie, geen mensenrechten en geen sociale zekerheid. Het argument van de Gravensteengroep past dan ook in een heel andere, maar even oude politieke traditie. Dit is een klassiek antiverlichtingsargument. Alle antiverlichtingsdenkers hebben twee eeuwen lang strijd gevoerd tegen ‘de utopie’ van de radicale verlichting. Allen hielden een pleidooi voor ‘realisme’ en tegen abstractie. Allen benadrukten dat de utopie van vrijheid, gelijkheid, solidariteit, democratie en universele mensenrechten tot drama’s gingen leiden en onrealiseerbaar waren want indruisend tegen de natuurlijke orde. Van Burke over Renan tot De Wever: allen zien ze de rechten van de mens als te abstract. De Gravensteengroep spreekt in diezelfde traditie als ze zeggen dat solidariteit enkel op een nationale basis kan functioneren.

‘Solidariteit moet de relatie tussen individu en maatschappij regelen. Zij vormt een reactie tegen het vooropstellen van het eigen belang en betekent een bewuste keuze voor de verbondenheid met anderen.’ [20]

Het gaat dus niet over automatische en onvoorwaardelijke solidariteit als deel van de onvervreemdbare rechten van elk individu, maar over wederkerigheid. Over voor wat hoort wat, over vrijwillige solidariteit en nationalistische solidariteit. Solidariteit wordt ook door de Gravensteengroep gekoppeld aan nationale identiteit. Enkel als er nationale verbondenheid is, kan er solidariteit zijn. Deze definitie stelt een nationalistische interpretatie voorop van solidariteit. Solidariteit stoelt dan niet op het onvervreemdbare en universele recht van elk individu op gelijkheid, maar

op de idee van gelijkwaardigheid en verdraagzaamheid. Het veronderstelt wederkerigheid    en vrijwilligheid. Wie zich solidair verklaart, aanvaardt een gedeelde verantwoordelijkheid.’ [21]

De solidariteit van de Gravensteengroep is een nationalistische solidariteit zoals Renan en De Wever het voor ogen hebben: het gaat dan in eerste instantie over ‘verbondenheid met andere leden van de gemeenschap’, veeleer dan dat men spreekt over herverdeling en gelijkheid. De universele dimensie van solidariteit valt weg. Niet de mensheid bepaalt de visie op solidariteit maar de natie. We horen hier terug geen links discours, maar een nationalistisch discours. Een discours ook over wederkerige, voorwaardelijke én vrijwillige solidariteit. Enkel als je bijgedragen hebt, kan je rekenen op solidariteit. Solidariteit moet voor de Gravensteners niet in eerste instantie gelijkheid realiseren door te herverdelen, maar ‘moet de relatie tussen individu en maatschappij’[22]   regelen. Maatschappij lezen we hier dan ook het best als een synoniem met de Vlaamse natie. Deze invulling van solidariteit is immers een springplank voor het ontmantelen van België en dus ook de ontmanteling van de bestaande geïnstitutionaliseerde solidariteit.

Dergelijk discours wordt ook door N-VA uitgedragen. Dit discours over solidariteit steunt op twee fundamenten. Enerzijds op de idee van de Vlaamse natie waarin alle Vlamingen zich verbonden weten en anderzijds het bekende verhaal van rechten en plichten. Vanuit het eerste fundament wordt benadrukt dat enkel nationale solidariteit mogelijk en wenselijk is. Enkel als mensen een identiteit delen, zich verbonden voelen, zullen ze solidair willen zijn. Dat is een punt dat Bart De Wever sinds de start van zijn politieke loopbaan reeds benadrukt: de natie is de basis van de solidariteit. Solidair zijn kunnen we in deze logica enkel met mensen waarmee we ons verbonden voelen. De Gravensteengroep herhaalt gewoon die visie. Voor hen is echte solidariteit, net zoals bij De Wever,  solidariteit ‘vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid, vanuit het diepe morele besef dat het normaal is dat wij de medemens hulp bieden, wanneer wij daartoe in staat zijn.’[23]  Opmerkelijk hier is de afwezigheid van de koppeling tussen gelijkheid, vrijheid en universaliteit. Gelijkheid was volgens de radicale verlichtingsdenkers de universele dimensie van vrijheid. Enkel als we gelijk waren konden we vrij zijn. Deze referentie naar de verlichtingstraditie ontbreekt in de definiëring van solidariteit. We krijgen wel intertekstuele referenties naar nationalistische en conservatieve opvattingen over solidariteit in woorden als: moreel besef, hulp geven aan de medemens als we daarvoor genoeg middelen hebben. Wij bepalen dus zelf als we solidair zijn en hoe we solidair zijn.

Er kan ook solidariteit zijn met bevriende naties maar dan moet die solidariteit kaderen in ‘transparante politieke structuren’ en bijdragen tot de ‘responsabilisering van de regionale besturen.’  Naties moeten er zelf voor kiezen om solidair te willen zijn. Het zijn in deze nationalistische logica niet individuen die onderling solidair zijn via de staat, maar de natie die kiest om solidair te zijn met een andere natie (waarmee men schijnbaar doelt op Wallonië). Solidariteit met Wallonië is dan maar mogelijk als Wallonië zich politiek solidair verklaard met Vlaanderen, of in andere woorden als de Franstalige politici instemmen met de Vlaamse eisen voor een confederaal België. Solidariteit is hier terug voorwaardelijk. Enkel als Vlaanderen haar eigen solidariteitsmechanismen (lees geld en macht) in handen krijgt is Vlaanderen volgens de Gravensteners nog bereid om solidair te zijn met Wallonië maar wel op Vlaamse voorwaarden. Net zoals N-VA gebruikt de Gravensteengroep solidariteit als een responsabiliseringsmechanisme. Mooie termen als transparantie verhullen dat men de facto de interpersoonlijke solidariteit opblaast. En ook dat heeft ze gemeen met N-VA die in naam van de efficiëntie, transparantie en de oversolidariteit strijdt tegen de interpersoonlijke solidariteit.

Ook het idee van wederkerigheid en vrijwilligheid dat voor de Gravensteners een integraal onderdeel uitmaakt van de solidariteit, toont aan dat hier een heel andere solidariteit naar voor geschoven wordt dan degene die links traditioneel naar voorschuift. Links ziet solidariteit als herverdeling met als doel gelijkheid tussen individuen te bewerkstelligen. De conservatieve en nationalistische solidariteit is gebaseerd op enerzijds vrijwilligheid, anderzijds op wederkerigheid. Met vrijwilligheid wordt verwezen naar het idee dat de Vlamingen zelf moeten kiezen om solidair te willen zijn met de zwakkeren in de samenleving en met bevriende naties zoals Wallonië. Die solidariteit is niet eindeloos, maar is afhankelijk van wat de ontvangers van de solidariteit hebben bijgedragen tot de samenleving. Als ze niets hebben bijgedragen, dan komen ze ook niet in aanmerking voor de solidariteit. Maar ook als de ontvangers hun verantwoordelijkheid niet opnemen, door bijvoorbeeld snel werk te vinden, dan sluiten ze zichzelf ook uit van de solidariteit. Terug is de intertekstuele verbondenheid met de N-VA-retoriek en breder met de conservatieve en nationalistische politiek-ideologische stroming overduidelijk.

De laatste onbeantwoorde vraag is nu of en hoe een dergelijke Vlaams nationale solidariteit een antwoord kan zijn op het internationale neoliberalisme. Het tweede manifest spreekt daar, afgezien van de bovenstaande claim, met geen enkel woord over. Die afwezigheid van expliciete argumenten doet vermoeden dat deze groep van menig is dat enkel een nationale solidariteit voldoende draagvlak heeft en dat die nationale verbondenheid dan het warm nest schept die ons wapent tegen die neoliberale aanval. Hoe het ook mag zijn, het is duidelijk dat een nationale solidariteit, ook op Belgisch niveau in deze tijden van globalisering absoluut niet voldoende is.

De Gravensteengroep houdt hier in naam van het realisme, van de verlichting en zelfs in naam van links een pleidooi om de bestaande solidariteit te ontmantelen en her op te bouwen op Vlaams niveau. Hoe dat men in tijden van neoliberale en rechtse dominantie in Vlaanderen ooit een versteviging van de solidariteit kan realiseren in deze context wordt niet beargumenteert. Hoe dat het naar beneden herschalen van solidariteit, en dus een solidariteit voor ‘het eigen volk’ voorop stelt, ooit kan zorgen voor een bredere solidariteit is een vraagteken natuurlijk. Vandaag zien we dat het Belgische niveau al schromelijk te kort schiet om gelijkheid te realiseren voor eenieder. De hypermobiliteit van de 21ste eeuw vertaalt zich immers in de aanwezigheid van heel veel verschillende nationaliteiten op één grondgebied. Aangezien onze rechten gekoppeld zijn aan onze nationaliteit betekent dat in de praktijk een toename van ongelijkheid. De solidariteitsmechanismen sluiten nu al mensen uit, dat kan echter ondervangen worden als we een uitbreiding krijgen van de solidariteit. Solidariteit kan niet behouden blijven op een loutere nationale schaal. De droom van een verlichte, universele solidariteit is een noodzaak in tijden van globalisering en superdiversiteit. De Gravensteengroep leidt ons naar de andere richting.

 

De Gravensteengroep als discursieve linkervleugel van N-VA

Het besluit kan niet anders dan hard zijn. De Gravensteengroep is in eerste instantie en nationalistische groep en net door haar nationalisme ondermijnt ze de solidariteit. De Belgische solidariteit willen ze ontmantelen om in de plaats een Vlaamse sociale zekerheid op te bouwen in een rechts en neoliberaal Vlaams landschap. De facto zou dat dus twee maal een verzwakking betekenen van de solidariteit. Bovendien is die solidariteit absoluut geen afdoend antwoord op de neoliberale globalisering. De Gravensteengroep spreekt duidelijk in dezelfde intertekstuele traditie als N-VA: die van het organisch nationalisme en de antiverlichtingstraditie.

Waar de Volksunie gekend stond voor haar linkse en rechtse vleugel binnen de partij, kan ook N-VA steunen op een ‘prominente linkervleugel’. Bovendien heeft die linkervleugel meer macht omdat ze in de perceptie zelfs los staat van die partij. Het zijn linkse intellectuelen die hetzelfde discours uitten als N-VA. Dit is een ideaal instrument in de strijd om de Vlaams nationalistische ideologie te hegemoniseren. Het profiel van N-VA is immers uitgesproken rechts, neoliberaal en nationalistisch, haar imago is echter dat van een rechts gematigde, democratische en nationalistische partij. Het imago van de Gravensteengroep en haar discours versterken het imago van N-VA als een redelijke partij nogmaals: zelfs linkse intellectuelen vertellen hetzelfde.

Het project van de Gravensteengroep is des te opmerkelijker omdat ze het aura van links en progressief nog steeds meedraagt in de perceptie van velen. Nochtans is na tien manifesten en een heus boek met dezelfde manifesten en individuele bijdragen van de auteurs meer en meer duidelijk dat er maar een iets bovenaan de agenda staat van die Gravensteengroep en dat is de Vlaams nationalistische strijd. Onderliggend aan alle manifesten is het idee van de Vlaamse natie, het idee van een homogeen Vlaanderen, het idee van België als een land met twee gemeenschappen, twee naties. En net omdat ze België zien als twee naties, moet het land in het beste geval omgevormd worden tot een confederatie, in het slechtste moet het geheel splitsen.

Dat er in België echter veel meer gemeenschappen en identiteiten zijn, lijkt niet bij de Gravensteners op te komen. Superdiversiteit wordt ontkend, en als de aanwezigheid van diversiteit al wordt erkend, dan moet die zo snel mogelijk weggewerkt worden: allochtonen moeten inburgeren. Maar niet alleen allochtonen moeten Vlamingen worden, ook Brussel in zijn geheel moet in de nationalistische logica geduwd worden. Brussel mag geen gewest worden. Hoewel een moderne visie op stedenbeleid ons noodzaakt om in te zien dat Brussel best uitgebreid wordt en meer bevoegdheden krijgt, zien we bij de Gravensteners daarover enkel maar walging. Brussel moet onder koloniale voogdij van Vlaanderen en Wallonië komen te staan.[24] Een standpunt dat ze terug delen met N-VA. België moet absoluut in het format van twee naties worden geduwd. En zo wordt het primaat van de nationalistische ideologie van de Gravensteners nogmaals duidelijk geïllustreerd. Niet meer democratie staat voorop, maar de Vlaamse natie.

Dat dit nationalistische denkkader centraal staat, blijkt ook uit het feit dat in alle bijdragen uit het boek de kerndomeinen van het nationalisme besproken worden: territorium, identiteit en verbondenheid, taal,  nationale solidariteit, de natie en haar staat(svorming). Meer nog, in de feiten zien we niet alleen gelijkaardige denktrends en argumentatie- of non-argumentatielijnen als N-VA. De concepten, zinnen, ideeën, oneliners en verwoordingen, ideeën en eisen tot de presentatie van hun positie toe, zijn bij momenten letterlijke kopieën van het N-VA-discours. We zien niet alleen impliciete intertekstualiteit, maar heel vaak ook een expliciete intertekstuele verbondenheid met N-VA en het discours van De Wever in het bijzonder. Omgekeerd wordt ook duidelijk dat De Wever met aandacht luistert naar die Gravensteengroep en ook haar concepten overneemt. Zo laat hij in zijn 11 juli-speech van 2012 het volgende citaat optekenen:

‘In dit land werd de meerderheid al institutioneel geminoriseerd door de grendelgrondwet. Nu wordt de meerderheid ook politiek en democratisch geminoriseerd. De meerderheid van dit land, de gemeenschap die bovenmatig bijdraagt  tot de staatsfinanciën, is de minderheid geworden in de huidige federale regering.’[25]

De Wever hanteert hier niet alleen een van de centrale concepten van de Gravensteengroep (zie bv. het concept de grendelgrondwet van 1970) maar ook de centrale idee van een democratie die herleid wordt tot de dictatuur van een demografische meerderheid. De intertekstuele verbondendheid tussen het N-VA-discours en het discours van de Gravensteengroep is manifest en expliciet. In de feiten fungeert de Gravensteengroep als niets anders dan de ‘linkervleugel’ in disguise van de N-VA.

 

 


[1] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[2] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg pg.13

[3] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg 2012 pg.14

[4] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg 2012 pg.14

[5] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg 2012 pg.14

[6] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg 2012 pg.13

[7] Rondas, J-P, (2012). Grendel is een monster in Beowulf. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[8] Zie de website van de Vooruitgroep voor alle analyses, reacties en opiniestukken: http://vooruitgroep.wikidot.com/teksten

[9] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest: Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[10] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[11] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[12] Zie hiervoor o.a. Israel, J. (2010). A revolution of the mind. Radical Enlightenment and the intellectual origins of Modern Democracy. Princeton; Oxford: Princeton University Press.  En Israel, J. (2011).Democractic Enlightenment. Philosophy, Revolution, and Human Rights 1750-1790. Oxford & New York: Oxford university Press. Sternhell, Z. (1995). Neither right, nor left: Fascist ideology in France. Princeton, New Jersey: Princeton University Press. ; Sternhell, Z. (1996). The intellectual revolt against liberal democracy 1870-1945, Jerusalem: The Israel academy of sciences and humanities.; Sternhell, Z., (2010). The Anti-Enlightenment Tradition. New Haven; London: Yale University Press.

[13] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[14] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[15] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.29

[16] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.29

[17] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.29

[18] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.29

[19] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[20] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[21] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[22] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[23] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[24] Vooruitgroep, 2011: Principes of willekeur? De Vooruitgroep verwerpt twee van de drie Gravensteenprincipes. http://vooruitgroep.wdfiles.com/local–files/teksten/Vooruitgroep%20opiniestuk%2015.pdf

[In Knack] De juridische strijd tegen racisme is doorn in het oog van N-VA

De strijd voor de mensenrechten is in de N-VA-logica ondergeschikt aan het belang van de natie en de vermeende overtuigingen van de Vlamingen. Racisme moet niet bestraft of vervolgd worden. Inzetten op de morele opvoeding en harmonieuze integratie: enkel dan kunnen ‘zij’ aanvaard worden als volwaardige Vlamingen.

N-VA-fractieleider in Antwerpen André Gantman laat er geen misverstand over bestaan: het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding (CGKR) moet opgedoekt worden, niet omdat ze te weinig juridische strijd voert tegen discriminatie, maar omdat die juridische strijd ‘niet productief’ is. Morele opvoeding, daar moet op ingezet worden. Afgaande op zijn opeenvolging van controversiële uitspraken zou het publiek kunnen vermoeden dat Gantman een soort losgeslagen einzelgänger is die het zorgvuldig geconstrueerde imago van N-VA als een gematigd rechtse partij steeds opnieuw vakkundig doorprikt. Niets is minder waar.

Dit stuk verscheen ook op Knack.be

Neutraal in de strijd tegen racisme

Al in 1997 wou Geert Bourgeois de werking van het Centrum inperken. N-VA is nooit afgeweken van deze Volksunielijn, in tegendeel. De juridische strijd tegen racisme en discriminatie is een ware doorn in het oog van de partij. ‘Zo’n centrum moet informatie vergaren en de overheid correct inlichten, maar moet niet de plaats van de politiek of het gerecht innemen,’ zei Bart De Wever in 2006.’ Het is dan ook geen toeval dat De Wever sterk gekant was tegen het racismeproces van het Centrum en de Liga voor de mensenrechten tegen het Vlaams Blok omdat het precedentwaarde had. En ook in 2011 is de partij duidelijk: ‘Het repressieve karakter, zoals het beginnen van rechtszaken, behoort niet tot de job.’

Het Centrum moet volgens N-VA volledig neutraal zijn, absurd genoeg ook in de strijd tegen racisme. Nochtans is die juridische strijd volledig in lijn met de wettelijke opdracht van het Centrum. Meer nog, het is niet alleen een expliciete taak van het CGKR om juridisch te ageren tegen discriminatie, de bevoegdheden en de onafhankelijkheid van het Centrum zouden nog uitgebreid en versterkt moeten worden volgens mensenrechtenspecialiste Eva Brems (Groen). Enkel dan kan het Centrum op Europees niveau volwaardig meespelen en erkend worden door de Verenigde Naties.

De Vlaamse opinie vs Mensenrechten

Voor N-VA mag het Centrum echter enkel ‘een positief verhaal brengen’. In de woorden van Gantman heet dit vandaag ‘morele opvoeding’ en bijdragen tot ‘harmonieuze integratie’. Organisaties als het Centrum moeten inzetten op die integratie, want racisme dat is vaak niet meer dan een cover up voor persoonlijke mislukkingen, dixit Liesbeth Homans. Lees: ze kunnen geen Nederlands en zijn geen Vlaming onder de Vlaming.

Bovendien, zo verduidelijkte Homans wars van elke kennis van de mensenrechten: racisme is geen misdaad tegen de menselijkheid. Het Centrum moet dus vooral gericht zijn op inburgeren. Het moet daarom ook een Vlaams Centrum worden, aldus Theo Francken. Want enkel dan kan het ‘minder wereldvreemd de praktijk benaderen’, en dat is nodig want nu kunnen ‘hun voorstellen op weinig tot geen steun rekenen van Vlaanderen’. Niet de universele mensenrechten, maar de Vlaamse publieke opinie moet de moraal maken.

De strijd voor de mensenrechten is in de N-VA-logica ondergeschikt aan het belang van de natie en de vermeende overtuigingen van de Vlamingen. Racisme moet niet bestraft of vervolgd worden. Inzetten op de morele opvoeding en harmonieuze integratie: enkel dan kunnen ‘zij’ aanvaard worden als volwaardige Vlamingen. In naam van ons allen wil men de verzekering van de mensenrechten ondergraven. Dat men daarmee het fundament van de democratie ondergraaft, namelijk het gelijkheidsbeginsel, is blijkbaar van geen tel. Gantman is goed geïntegreerd in de antiverlichtingsideologie van N-VA. Dat is helaas geen geruststelling. Integendeel.

Ico Maly is doctor in de cultuurwetenschappen, coördinator van Kif Kif en auteur van ‘N-VA. Analyse van een politieke ideologie’

‘Scientific’ Nationalism. N-VA, banal nationalism and the battle for the Flemish nation

This paper investigates how the discursive battle for the Flemish nation is waged by politicians of the Flemish nationalist party N-VA (New Flemish Alliance) in Belgium. More specifically, it analyzes the ways in which the N-VA tries to establish a banal Flemish nationalism in the context of a super-diverse Belgium (Blommaert, Rampton & Spotti (eds.), 2011). We thereby focus on the use and role of social sciences in the nationalist construction and deconstruction of the Flemish nation state. Anderson, Gellner, Hroch and Billig are being integrated in the discourse and strategy of the party to establish a Flemish nation. Especially the work of Billig plays a major role in the (communication) strategy of the party. It will be argued that N-VA uses the famous work of Michael Billig – Banal nationalism – as a manual for the construction of the Flemish nation state.

Keywords: N-VA, De Wever, the Flemish nation, banal nationalism, media, ideology, hegemony, Hroch, Anderson, Billig.

Introduction

Nation-building, especially in its early stages, has always had a direct connection with intellectuals, and, more specifically, with committed intellectuals in the Marxist sense of the word (Sternhell, 2010). Hobsbawm (1992) stresses that in the first decades of its existence the nation was a (petit) elite-affaire par excellence. The nation was born, constructed through and reproduced by the writings of intellectuals such as Edmund Burke, Johann Gottfried Herder, Ernest Renan, and Hippolyte Adolphe Taine. That’s why Hobsbawm (1992) discarded most of the 19th century literature on nations and nationalism. It is in this context that we should understand the harsh and by now famous words of this renowned historian:

‘[…] I cannot but add that no serious historian of nations and nationalism can be a committed political nationalist […] Nationalism requires too much belief in what is patently not so.’ (Hobsbawm, 1992: 12)

This qualification by Hobsbawm receives a new dimension if we contrast it with the present-day political developments in Flanders, i.e. the northern part of Belgium. Since 2004, we have seen a new Flemish nationalist party, namely N-VA (The New Flemish Alliance), rising under the leadership of an intellectual, and, more specifically, under the leadership of a historian specialized in the study of nations and nationalism. This chairman of the party, Bart De Wever, not only presents himself as a politician, but is also active in the public debate as a columnist and explicitly positions himself as a historian and intellectual. What is more, De Wever regularly quotes several leading scientists on nationalism and even defines his political project by employing concepts used by the most eminent scientists in this field.

In this paper I analyze how the Flemish nationalistic political party N-VA uses insights from social sciences in their battle for the establishment of an independent Flemish nation state. This will be explained in detail below, but for now we can say that the chairman of N-VA, Bart De Wever, is obviously familiar with the literature on nationalism. In a former life he was an assistant at the history department of the University of Leuven, Belgium, where he was working on a PhD on Flemish nationalism after the Second World War. Although he didn’t finish his PhD, he still uses, as I shall demonstrate, the insights he gathered during his study in the political battle for the Flemish nation state. For now we can say that De Wever, in his frequent columns in the mainstream Belgian media, regularly quotes Benedict Anderson, Ernest Gellner, Miroslav Hroch, and Michael Billig. Especially insights from Billig’s work concern us here the most, because De Wever quotes him several times when he describes the goal of his party establishing a banal Flemish nationalism (De Wever, 2011b & 2011e).

Before we can focus on this battle for a banal Flemish nationalism, we need to go back in time. To understand this battle waged by N-VA, it is useful to sketch a brief history of the party within the general tradition of Flemish nationalism.

Belgium, Flemish nationalism and N-VA: a short history

When Belgium was established in 1830, it was, in line with the Herderian paradigm, established as a monolingual state with French as the official national language (Reynebeau, 2009). In reality the new nation was multilingual. The elites in Flanders, Brussels and Wallonia spoke French, but most of the common people in Flanders only spoke Dutch. In that sense the Flemish dialects can be seen as a proto-national bound as Hobsbawm (1992) defines it. This doesn’t mean that the Flemings saw themselves as a different people or as constituting a different nation. In fact, in 1830 there were no Flemings or Walloons (Wils, 1992; Vos, 1994; Reynebeau, 2009). Rather, at the time Belgian nationalism was the dominant sound as all Belgians were united in their battle against the common enemy: the Dutch ruler Willem I. However, it did not take very long before the one language-regime –all the official communication was limited to French- in Belgium would lead to the establishment of a Flemish Movement. That Movement was not initially directed against the Belgian nation; rather, cultural and language rights of Dutch-speaking Flemings within the framework of a single Belgian nation were the goal at the time (Wils, 1992). This Movement was for the most part a movement of the liberal and progressive Flemish petit bourgeois. This underlines the point made by Hobsbawm (1992) that nationalism is initially carried by the (petit) elites, not by the common people.

This new Flemish elite in the 19th century is engaged in a battle for political hegemony (Blommaert, 2011) and to fight that battle a whole range of organizations have been established that function as an ideological apparatus in the Althusserian (1971) sense. We have witnessed the birth of Flemish theatre companies, literary circles, student unions (Vos, 1994) and Flemish magazines and papers (De Bens, 2001). From 1870 onwards, the Flemish cultural battle has not only given birth to the idea that the Flemings are one people, but also established a much wider institutional base. Not only was there a fairly broad movement constituted out of several cultural civic organizations, but the movement also became integrated in the dominant Belgian political parties (the liberals and after 1870 mostly within the Catholic party). This growing institutional support is paralleled with an ideological shift within the Flemish movement towards a linguistic, cultural and organic nationalism. However, the success of this Flemish nationalism in the next decennia isn’t just based on its demands in the fields of language and culture. Blommaert stresses that “The nationalist elite could thus ride on the waves of social unrest and demands for social, economic and political enfranchisement of the masses of the population […]” (Blommaert, 2011: 246) Even though the Flemish movement became more political and more radical at the end of the 19th and the beginning of the 20th century, it wasn’t yet directed against Belgium. On the contrary, the Flemish identity was still embedded within the Belgian national feeling (Vos, 1999). But this was all about to change.

Within a couple of decennia, roughly between 1870 and 1930, we see that the Flemish Movement changes into a full-blown Flemish nationalist movement with “the language is the whole people” as its central slogan (Roosens, 1981). This change translates into a collaboration between a small fraction of the Flemish Movement and the German occupiers between 1914 and 1918. This collaboration is rather small-scale, and so are its consequences for the Flemish movement after the war, however, with the exception of one crucial element. According to Wills (1992), one lasting consequence of the collaboration during the First World War is the idea that Flanders is disconnected from Belgium; even more so, within parts of the Flemish movement the idea was established that the two ‘identities’ are in contradiction with each other.

In the interwar period we see the further growth of the impact of the Flemish Movement. The Catholic party was an important advocate for the Flemish nationalist demands. They realized the so-called minimum program entirely before the war: higher education, administration and justice in Flanders became monolingually Dutch. But that didn’t prevent the steep electoral rise of several nationalist and even fascist parties in Flanders (such as the Verdinaso and the Vlaams Nationaal Verbond (VNV) (Flemish National Alliance). During the 1930s it is clear that the anti-Enlightenment-ideology (Sternhell, 2010) dominated within the Flemish Movement and in the end even a fascist Flemish nationalism became dominant (Wils, 1992; Sternhell, 1995). This again led to collaboration, this time with the Nazi party during the Second World War. Because of the depth of the collaboration and the high number of collaborators, the consequences for the Flemish nationalist cause were devastating. Whereas before the war the minds of many were ready for the far-reaching demands of the Flemish Movement, after the war the Flemish Movement equaled collaboration with the Nazis in the minds of many.

This wasn’t the end of the Flemish Movement and its political strive for a Flemish nation, on the contrary. As a result of a quite harsh repression of Nazi collaborators and what is known as the Royal Question[i], the Flemish Movement rises from its ashes in the fifties (Wils, 1992; Reynebeau 2009; Blommaert, 2011). And with this resurrection, it didn’t take long before the demand for political autonomy for Flanders was again on the table. With the founding of the Volksunie (The People’s union) in 1954, these political Flemish nationalistic demands would stir all political parties towards more Flemish autonomy. The Volksunie was established after The Second World War as a nationalist party aiming at a federalist Belgium with a high degree of autonomy for Flanders and striving for a general pardon of the Flemish nationalist collaborators with the Nazis. The Volksunie would become the most successful Flemish nationalist party in Belgian history (Blommaert, 2011). When the Volksunie fell apart in 2001 it had fully accomplished its federalist aims. Their first major breakthrough already came in the sixties with the introduction of the famous language frontier. This frontier, while in essence a pragmatic political solution, meant a major shift towards a Herderian nationalism in Flanders because it introduced territoriality into the strategy of the Flemish (and Walloon) movement (Blommaert, 2011). In the meanwhile Flanders has become the wealthiest part of the country.

The defining of the language frontier was just the beginning of a whole series of different agreements on further federalization of Belgium (in 1980,1988-1989, 1993, 2001-2003 and in 2011). These reforms in Belgium have resulted in extensive autonomy for the regions and communities in Flanders. What is more, they not only deepen federalism, but they also create national Flemish state structures such as a Flemish government and a Flemish parliament. These developments have further fuelled a Flemish nationalism. The Volkunie lost support, simply because all its political goals were realized and it finally ceased to exist in 2001. The party split in a ‘left’ wing (Spirit) and a ‘right’ wing: the N-VA (The New Flemish Alliance).

N-VA was thus born out of the ashes of the Volksunie and is just like the Volksunie a Flemish nationalist party. Even though N-VA is relatively new in Belgian politics, it thus has quite a long political tradition. That doesn’t mean that N-VA has the same demands and political goals as its mother party, the Volksunie. To name just one example, where the Volksunie strived for and established a federalist Belgium, N-VA sees this legacy from the mother party as ultimately problematic. In contrast, N-VA strives for a ‘confederal’ Belgium in the short run and an independent Flanders in the long run. In the last decade this right wing nationalist party has gained a lot of success and anno 2012 the party has become the biggest political party in Flanders.

The discourse of N-VA is not only a radicalized version of the Flemish nationalist discourse of the Volkunie, but is also a radicalization of the discourse that is also being used by the other Flemish mainstream parties such as the Liberals of Open VLD or the CDV (Catholic Democrats) (Maly, 2012). Moreover, N-VA is not a Flemish nationalistic party that pretends to be open for left- and right-wing activists like the Volksunie did. On the contrary, N-VA, and certainly its chairman Bart De Wever, position N-VA as a right-wing, conservative Flemish nationalist party. N-VA’s nationalism is an updated version of an organic nationalism in the sense of Burke and Herder (Maly, 2012). What is more, just as in the writings of these main theorists of nationalism, the ideological nationalism of N-VA is filled with what Sternhell (2010) calls an anti-Enlightenment ideology. That means concretely that the N-VA nationalism is combined with a battle against the main values of what Israel (2001 & 2010) calls the Radical Enlightenment, namely equality, freedom and democracy. Just like all anti-Enlightenment thinkers, N-VA positions itself as virulently anti-individualist, anti-materialist and anti-socialist in particular (Maly, 2012).

N-VA and the multilayered communication of moderation

Even though N-VA promotes an anti-Enlightenment ideology and a radical separatist agenda (Maly, 2012), the party contrasts itself successfully with the extreme right Vlaams Belang (Flemish Interest). This self-image of the N-VA is picked up by the mass media in Flanders who portray N-VA as a moderate, centrum right and democratic nationalist party. This perception of the party and its electoral success is mainly due to its focus on smart and professional (mass)media communication. The communication of the party is characterized by what Kenneth Burke (1939) called the efficiency of the one voice, implemented through a total organization. The whole party speaks with the voice of De Wever (Maly, 2012). That’s no coincidence, as we learn from the book ‘De Ware De Wever’ (The True De Wever), but a well-considered political strategy. The journalist Kristof Windels who wrote this book while following De Wever daily during his election campaign for the local elections of 2012, mentions that all local N-VA candidates are trained and coached to avoid the freewheeling of one or more local sections of the party (Windels, 2012: 103). All communication by the party is pre-formulated, and nothing is a coincidence (Maly, 2012; Windels, 2012: 90). This pays off, as N-VA keeps all possible dissonance within the party behind closed doors.

This ‘one voice’-strategy already makes it clear that N-VA is quite conscious of the importance of mainstream media for their political project. The party has a multilayered communication strategy that not only focuses on the hard news, but also integrates performances in talk shows, quiz-shows, popular magazines and so on. N-VA, and especially its chairman, are omnipresent in all these media. In the more serious programs we see the dominance of De Wever as the great communicator of the party. His own rhetoric and that of his party is carefully constructed and avoids radical or racist connotation. The central instrument in this rhetoric is the packaging of the message in metaphors and euphemisms. For example, De Wever will never speak of the need of separatism (De Wever, 2010a) but instead speaks of the ‘high heteronomy costs of the blocked democracy of Belgium that can only be fixed if we go for confederalism’. The rhetorical packaging of the agenda thus serves to obscure the actual message.

It is important to stress that N-VA-politicians not only adjust their political communication to the news formats of the commercial media, but they also invest a lot in what Silverstein (2003) calls the ‘communication of identity’. The best-known example of this communication of identity is the mediatization of De Wever’s diet. Before 2012 De Wever was known as a heavily overweight politician. His obesity was even part of his image: De Wever was known as a politician who, like the common man, loved to eat Belgian fries and hamburgers. Even more, he made his weight the subject of numerous sarcastic jokes at his own expense. As a consequence of this self-mockery he gained the image of a funny man. He was seen as “one of us” (Rochtus, 2012).

So when in December 2011 he announced that he was going on a diet, it became big news (Maly, 2012). For several months all media in Flanders regularly reported on the progress that De Wever made with his diet. From highbrow political magazines such as Knack to popular gossip magazines such as Story, De Wever’s fight against his weight was news for more than 10 months. And this diet was quite successful, not to say spectacular. In 6 months he lost 60 kilos. This unusual metamorphosis was soon politically instrumentalized in the central slogan of the election campaign: “the power of change”. De Wever was the prominent face of this campaign. Even though these were local elections, and De Wever ran for the major of Antwerp, billboards with his face and the central slogan appeared in the whole of Flanders. He was and is the face of the party. He is “the power of change”.

In the last 5 years De Wever has become a truly Famous Fleming, which means that he isn’t only in the news, but he is also present in the tabloids, quiz-shows and entertainment shows. There he sells his identity as an intellectual and a man of the people, as a man who has the strength and courage to go on a diet, and a funny man with whom most Flemings would like to go out to have a beer. By communicating all these identities in all these different settings he can reach out to many different target audiences: he’s the intellectual and the common man, the hero and the victim of the political parties in Wallonia who are blamed to demonize him. His first breakthrough in this light was his performance in the very popular Flemish quiz show ‘The smartest man on earth’. The second time he participated in this quiz he not only showed himself as a funny man, he also showed himself, by ending second, as a smart man. An intellectual even, but an intellectual-of-the-people that also reads the tabloids. This status as intellectual is being enhanced by the Latin quotes that De Wever uses at strategic moments. The best know example is the Latin oneliner: Nil Volentibus Arduum (nothing is impossible if you want it). De Wever used this line not only when he won the elections in 2010, he also wore it on a banner when he ran the Antwerp 10 miles after losing his weight.

De Wever himself cherishes and also maintains this status as an intellectual in his opinion articles for papers as De Standaard and De Morgen. In these columns he regularly cites intellectuals such as Glucksmann, Proust, Fukuyama, Kohn, Weber, Cuperus, Machiavelli, Dukakis, Hayek, Friedman, Bush, Warren, Klein, Plasterk, Bredero, Dirks, Meijer, Lambert, Saul, Rawls, Hobbes, Locke, Rousseau, Kouchner, Billig, Mak, Bodifée, Knoop, Gantman, Abicht, Renan, De Tocqueville, Burke, Dalrymple, Clifford, Camus, Kant, Wittgenstein, Hume, Sartre, Canetti and Mommsen. By citing these intellectuals he not only gives his discourse a scientific aura, but even suggests that his political project incorporates the insights of these intellectuals and ‘thus’ his project is harmless: it’s ‘just science’. And so we see that both ways of communicating, the pure political communication and the communication of identity, are both deeply political. The one serves the same goal as the other.

Progressive journalists, Hroch and De Wever’s ‘scientific’ nationalism

The image of De Wever as an intellectual helps to feed the idea that his nationalism is in line with science. His nationalism is then different than the old nationalisms because, to use the words of the famous progressive Flemish columnist Tom Naegels, his nationalism has internalized “the critiques of postmodernism […] without taking over its excesses.” (2011: 7) Naegels therefore calls him “one of the most thoughtful, reasonable and nuanced voices […] within the context of the identity debate that in Europe has already being waged since the eighties and in the last ten years has erupted in all its severity.” (2011: 7) These statements are in many ways quite interesting. What strikes us first of all is the public support that is given to De Wever and his political project by this progressive columnist by writing these lines in the introduction for De Wever’s second book. As we have just seen, in that introduction Naegels positions De Wever as one of the most moderate, nuanced and intellectual voices within what he euphemistically calls ‘the identity debate’. Secondly, we see that the image of De Wever as a person is reflected in the qualification of his project. He is an intellectual and thus his project is also intellectual. De Wever, according to Naegels, ‘is a consistent advocate of a self-conscious, moderate and open nationalism’. (2011: 7).

To say something about De Wever is to say something about the political project of N-VA and vice versa. It is in examples like these that we see that the communication of identity by De Wever is deeply political. The self-image of De Wever and his perception of his own project are not being critically reviewed, but are reproduced as real truths. Even more strikingly, this self-image is being reproduced by journalists who are known to be rather left-wing. In that way De Wever appears in public perception to have the approval of the left wing.

We see the same phenomenon occurring in the already mentioned book The true De Wever. The author of that book, Windels, works as a (sports) journalist for the ‘progressive’ newspaper De Morgen. What is striking about the book is its complete lack of critique, it ‘just’ describes what happens. Windels mostly reproduces the image of De Wever as an intellectual. By following De Wever, Windels comes to notice that De Wever not only read Hroch’s ‘Social Preconditions of National Revival in Europe’, but that he uses the book as a manual for success in his own nationalistic project. Windels writes as follows:

Empirical research, De Wever reads it as some sort of manual for nationalists. ‘You find in it how you should do it’, summarizes De Wever. That’s why the work [of Hroch] made such a big impression on his assistant. He found it extremely tangible. Useable especially. How can you acquire public support for the idea of a nation? That actually stands in the booklet. What does it take? What guarantees ‘success’? Feel free to call it-with some exaggeration- De Wever’s ‘instruction booklet’ ’ (Windels, 2012: 109)

According to this journalist, De Wever uses Hroch to gain success for his own nationalistic project. That’s why De Wever’s discourse focuses

‘[…] on Migration. On safety. On financial transfers between Flanders and Wallonia. […]’ (Windels, 2012: 110).

Windels’s understanding of De Wever’s use of scientific writing is very similar to that of Naegels’s, namely that De Wever is in the first instance a scientist and an intellectual, and as a consequence that his nationalistic project is also completely new. His project is in line with science and, according to Windels, De Wever has left behind everything that was indefensible:

‘De Wever debated constantly with postmodernists during lunch break [at the University of Leuven]. ‘They sat with a whole bunch opposite of me, I sat lonely at the other side. That pures out your thinking. Then you let go of the standpoints that are unsustainable. All the classic nationalistic ideas I had to let go. There all the romance has been kicked out of my body. That wasn’t that hard, because these ideas were already quite loose. The idea that the nation and nationalism are a man-made idea, that I have accepted. No problem. But my defense is simple: everything is man-made.” (Windels, 2012: 113)

Windels, like Naegels, sees and portrays De Wever as an intellectual with an intellectual and scientific vision on nationalism. In that perception De Wever doesn’t stand for a romantic nationalism, his political project is understood as ‘rational’. They portray him as the man who reinvented nationalism so that it is free from the sins of the past. And this idea is constantly linked to the implicit and explicit labeling of De Wever as an intellectual, as a historian and as a former PhD student. The communication of identity is deeply political, it provides support for the nationalist project.

Scientific nationalism and the battle for banal nationalism

The idea that the political project of N-VA is a scientific project instead of a radical, (extreme) right and organic nationalistic political project, is off course an interesting selling argument in the contemporary mainstream media. Strikingly from this perspective, is that this image has also entered the scientific world.

In 2012 Dirk Rochtus from Lessius University College published the article “The rebirth of Flemish Nationalism: assessing the impact of N-VA Chairman Bart De Wever’s Charisma.” in Studies in Ethnicity and Nationalism. In that paper Rochtus – the former vice-chief of Cabinet of minister Bourgeois (N-VA) – in large extent reproduces the discourse of N-VA and its chairman De Wever and the media reporting on N-VA as scientific truths. The success of the party and its chairman is presented as results of what the ‘Flemings want’ and the charisma of De Wever. The project of N-VA is described as a purely democratic political project that has nothing to do with the old nationalisms or with the extreme right Flemish Bloc. The whole communication of N-VA on the nature of her project is simply taken to be true, without any analysis. Rochtus quotes several journalists and De Wever himself to underline the democratic nature of N-VA:

“The electoral victory was also a ‘moral’ victory for De Wever: Flemish nationalism in its democratic form captured a large section of the public vote, and the N-VA deprived the VB [Flemish Bloc] of its monopolization of the ideals of the Flemish Movement. Asked what the VB’s losses meant to him, De Wever answered: ‘the Flemish call for independence again becomes a negotiable and honourable [sic] endeavor For that reason June the 7th was an historical day’ (Van Baelen, 2009). ‘The Black beast has been tamed’, a leftist columnist exclaimed (Naegels, 2009), referring to VB’s defeat. On election day.”(Rochtus, 2012)

What strikes us while analyzing this citation is the fact that Rochtus not only reproduces the words of De Wever as mere truths that don’t need no investigation, he also reproduces the reproductions of the image of N-VA by journalists as scientific proof that De Wever is right about his statements on the democratic nature of N-VA. What De Wever says about N-VA is a fact, not something that needs to be scrutinized. By publishing this article Rochtus grants ‘scientific allure’ to the discourse of De Wever and underlines the image of De Wever as an intellectual.

What the progressive columnist, the journalist and the scientist miss to see, is that the nationalistic project of De Wever an sich isn’t new. De Wever doesn’t include the criticisms of all the intellectuals he cites on nationalism in his project. He just uses what is useful in these scientific researches to sell his nationalism as a moderate nationalism, a democratic nationalism cleared from all the dangers of the old nationalisms. But in reality De Wever thus uses science as a means to strive for classical nationalist hegemony.

From this perspective, there isn’t anything new about the N-VA project. If scratch of the rhetoric, we see that De Wever still tries to sell a very old nationalism. The fact that the above mentioned scientist and journalist don’t detect this, is a consequence of the lack of analysis of the N-VA-project. Rochtus, for example, doesn’t analyze the claims of De Wever, but uses the media-reporting as proof of that the rhetoric of the N-VA-chairman is a scientific fact. By doing so, Rochtus and mainstream media repeat the political communication from N-VA and the reproduction of that image in the mainstream press.

What is new is the package and the communication strategy, a strategy based on a selective reading of scientific work. What is useful on the level of discourse is incorporated in the general communication of the party. The point is that De Wever uses scientific research on nationalism for two reasons:

  1. To sell his nationalism as a safe nationalism, as a humanist and democratic nationalism of the 21st century that has nothing in common with the ‘wrong nationalisms’ of the 19th and 20th century.
  2. To increase insight in the growth of public support for a nationalist cause as a base for the communication strategy in the mass media.

We work out these two points in depth below. To illustrate point 1, we focus on how De Wever understands and uses the famous insights of Anderson who sees the nation as an imagined community. Point 2 will be illustrated with how De Wever uses the research of Michael Billig as a manual to banalize his Flemish nationalist project.

The redefinition of Anderson’s imagined community

From De Wever’s perspective, the view of him as an intellectual and his nationalism as simply reiterating scientific research will not be problematic. Indeed, if this perspective on his project is dominant, then it is a step closer to being normalized. Both of these perceptions establish and underline the idea that his nationalism is unproblematic, normal even. The problem with the suggestion that the nationalism of De Wever is in line with scientific research is that De Wever is quite selective in using the intellectuals whose work he refers to. He selects what is useful for his nationalistic project and discards every critical eye of these intellectuals on nationalism. Only what fits to position his project as a moderate, even a democratic project that’s free of all the sins of the past nationalisms is what he retains.

In the above citation we already saw an implicit reference to Anderson and, more specifically, to his understanding of nationalism as a construction. The fact that De Wever accepts this isn’t as revolutionary as one might imagine. It isn’t even a new idea within nationalist circles, for it echoes for example Renan’s famous speech ‘What is a nation’. Moreover, this acknowledgement by De Wever doesn’t alter in any way his organic view on the nation as we know to exist within the anti-Enlightenment tradition (Sternhell, 2010, Maly, 2012). That becomes especially clear in the use of the work of Anderson in the discourse of De Wever.

On the webpage for De Wever’s second book – Workable Values (2011) – De Wever acknowledges that Calhoun’s “Nations Matter” together with “ […] Social Preconditions of National Revival in Europe by Miroslav Hroch and Imagined Communities by Benedict Anderson laid the foundation of my thinking.”(De Wever, 2011a) It is therefore no coincidence that De Wever several times implicitly refers to Anderson’s famous concept . De Wever, especially when his concept of nationalistic identity comes under attack from political adversaries, suggests that he subscribes to the theory by Anderson. But, if we look closely we see that De Wever provides a rather peculiar interpretation of this theory:

“Identity is, however, no imaginary [ingebeeld] community. It is a represented [verbeelde] community. Yes, identity and nationalism are invented constructions, but all -isms are invented by humans. Are they therefore wrong?’ (De Wever, 2010b)

De Wever uses the ambivalence of the translation of the word “imagined” in Dutch strategically. Imagined can be translated in Dutch as ‘verbeeld’ [represented] and as ‘ingebeeld’ [imagined]. He uses this ambivalence to twist Anderson’s theory . Where Anderson stresses that the rise of capitalist communication media made it possible to imagine a nation, to invent and construct a nation that wasn’t there before, we see that De Wever stresses the fact that the nation is represented, but not imaginary. The nation according to De Wever is somewhere out there as an entity with one national identity. And this last point is interesting because it shows that De Wever uses Anderson to rehabilitate and give legitimation to an old nationalist idea: namely the nation as symbolized in one identity and carried by one language and culture. This becomes clear if we scrutinize all the statements by De Wever on this Flemish identity. If we do that, we see that De Wever stresses the fact that the nation is more than a construction:

“The Flemings are a community of six million people formed by destiny, who can recognize themselves as players of the same team because they have a name. We are “the Flemings”. We know exactly about whom we speak. The Flemings have a definite territory, a common history and a cultural pattern. That binds us to each other at such a level that we can communicate and act with each other more easily than with outsiders. […] There is also a subjective element. You should also want it. If you don’t want to be a Fleming you won’t recognize the objective factors. ‘ (De Wever, 2009)

In the first instance, the conceptualization of objective and subjective elements of the nation echoes Hroch. But whereas Hroch (2000: 11-13) speaks of objective political, social and economic relations between individuals and subjective relations which he understands as a ‘memory’ of some common past, a higher degree of social communication and equality of all members of the group, we see that De Wever sees the territory, the language, the culture and the history as objective factors. Relations become characteristics and subjective elements turn into objective elements. Even more, he positions these factors as things that are just there, not as results of a historic nationalist struggle. So if we scratch the surface of the scientific rhetoric, we find a classical Herderian definition of the nation as a group of people with a name, a territory, a culture and a common language. De Wever sees these as the objective elements of the nation, a definition that in this conception isn’t anywhere to be found in Anderson’s or Hroch’s work.

The concept of imagined community is filled by De Wever with a combination of two concepts of the nation. On the one hand, we distinguish a classical anti-Enlightenment concept of the nation as an organic community that connects all its members through the Dutch language (see f.e. De Wever, 2008a). On the other hand, we see a Renan-like conception of the nation (Renan, 1882) defined as ‘the will to be a Fleming’, the will to reproduce the nation. And to reproduce the nation, according to De Wever, we should cherish what he, like Renan, calls the narrative or mythical history (De Wever, 2012). Therefore De Wever advocates that school should not only teach ‘deconstructivist or factual history’;

‘But we must also know the value of the historical narrative. That historical stories are not just manipulations, but functional stories that connect people in a positive way with each other.’ (De Wever, 2012)

In short, we can establish already that the use of Anderson and Hroch’s concepts is nothing more than a strategic instrument to sell his nationalistic ideas as new, moderate and ‘scientific’. In reality, underneath the science-package we see a classic Herderian concept of the nation. What is more, science is instrumentalized to hegemonize that Herderian nationalism. Every Fleming has to see him- or herself as a Flemish nationalist: Flemish nationalism should become hegemonic. Not surprising, then, is the insight from Windels that the major lesson that De Wever has learned from Hroch is that ‘a nation is an idea that must conquer the heart and soul of the people’ (Windels, 2012: 110). To succeed in that operation, De Wever looks at another heavy-weight in the study of nationalism: Michael Billig.

N-VA, Billig and the battle for a banal nationalism

On several occasions, De Wever has pointed out that he strives for a banal nationalism in the sense that Michael Billig described it: ‘Unlike the nationalism of the established nations (or patriotism) Flemish nationalism doesn’t enjoy the luxury of what Michael Billig described as ‘banal nationalism’, an identity experience that’s not being questioned and whose expression is omnipresent but usually totally unconscious’ (De Wever, 2011b: 47). In De Wever’s perception, the objective basis for the Belgian nation is pulverized by the establishment of different communities (Flanders, Brussels and Wallonia). The establishment of these communities is a consequence of the battle waged by the mother party of N-VA: the Volksunie. The main problem for the nationalist project of N-VA, as De Wever sees it, is that although the battle of the Volksunie created an objective base for the Flemish nation (with its own public broadcasting company, own parliament, own government, etc.), the subjective will of all Flemings to form a nation is not yet strong enough. A lot of Flemings still see themselves as Belgians. De Wever sees the problem as follows:‘[t]he subjective will to form one [Belgian] community, is still stronger but is becoming less motivated from a classical patriotism viewpoint, but arises out of the cherishing of Belgium as non-nation, the country with surrealism as main binder.’ (De Wever, 2010b: 47 ).

So the challenge for De Wever’s nationalist project lies in the creation of the subjective will to form a Flemish nation: “Although the germs of such a banal nationalism in Flanders are present through the political and institutional system and the impact of the media, the strive to bring the Flemings as a community to political autonomy still has to be explicitly articulated.” (De Wever, 2010b: 48) Note here the intertextuality with Billig. De Wever wants a Flemish nationalism that is seen as completely ‘normal’ and natural, a nationalism that is implicit in all talk. De Wever’s goal is a nationalism that functions as a Barthesian zero point. Therefore the subjective basis of the nation has to grow; the Flemings should have the will to become one nation. All Flemings should see themselves as Flemish nationalists who then as a consequence want a Flemish state. Therefore N-VA has to win the Flemish souls (De Wever, 2011d).

 

When De Wever talks about this subjective will to form a nation, he not only echoes Renan’s famous paper, but he also points in the direction of Michael Billig’s Banal nationalism. De Wever has learned a lot from the work of Billig who, in his Banal nationalism, reminds us of the analysis by Roland Barthes. In his path-breaking Mythologies, Barthes (1959) points us towards normality as a site of power: the flag that hangs at the front of a city hall isn’t innocent or powerless. On the contrary, says Barthes, just the fact that nobody notices this flag shows its hegemonic status. Normality is thus the result of established power and that power shapes the views of people.

We can see in the policy and conduct of N-VA that the party has understood this point very well (Maly, 2012). ‘Communication’ is seen in a Whorfian way by N-VA: political talk is equaled with political deeds. ‘Communication’ is seen as an instrument to establish a banal Flemish nationalism. N-VA implements this strategy of normalizing the nation in several domains. Let us now have a look at examples from two domains where N-VA is fighting this ideological battle, namely the role of the mainstream media in the political project of N-VA and the “Flemish character”- policies on the city level.

Mainstream media and the construction of the nation

The mainstream media are seen as crucial instruments in realizing the nationalistic project of N-VA. Their media strategy is directed towards what they call ‘Flemish framing’ (Bracke, 2011). Bracke, now a top N-VA-politician but in a former life one of the leading political journalists in Flanders, regularly criticizes his former employer – the public broadcasting company of Flanders – for promoting the Belgian identity by making programs with titles such as “Made in Belgium” or programs focusing on Belgian scientists or Belgian musicians instead of Flemish ones. We see another instance of this framing in the policy of the N-VA politician and former Minister for Media Geert Bourgeois who wanted to install a quota for Flemish music on the radio. To summarize, we can say that the central element in N-VA’s media strategy is the instrumentalization of the public broadcasting company for the normalization of Flemish nationalism as something uncontroversial and realistic, a Barthesian zero point.

In practice this means that the Flemish public broadcasting (VRT) company should not only promote and help construct the Flemish identity, but it should also not depart from the Flemish nation as its only frame of reference. Therefore not the Belgian national holiday should be celebrated and broadcasted, but the Flemish one. Thus, when in 2011 the VRT would not cover ‘The Gulden Ontsporing’ (a free festival to celebrate the Flemish holiday), Wilfried Vandaele, a Flemish MEP for N-VA, reminded the Minister of Media, Ingrid Lieten that ‘ […] the management agreement clearly [states] that public service broadcasting must strengthen the Flemish identity. Perhaps we should be even clearer in the management agreement that a presence in Brussels on the Flemish holiday is essential.’ (Vandaele, 2011) Public broadcasting services are being understood as necessary instruments to strengthen the subjective will of the Flemish to form a nation. Bracke summarizes this view as follows: ‘ The money of the public broadcasting company should not only be used to create programs’ […] ‘ It can also be deployed in the battle for the soul.’ (Bracke, 2011) Aside from this ‘framing’ policy, the party invests a lot in their political communication. “If one wants to sell his ideas”, says De Wever, “you should try to impose your political language on your opponent. You catch flies with honey, not with vinegar” (De Wever, 2008a: 16).

In line with this, De Wever never speaks of separatism, but instead speaks of the need to restructure Belgian society because of the high heterogeneity costs (De Wever, 2010a). Of course, the underlying message is the same; N-VA strives for an independent Flemish nation. Language and semiotics are seen and being consciously used by N-VA as building blocks for the normalization of the Flemish nation, to build on the subjective will of all Flemings to establish a Flemish nation state. N-VA stands for a ‘hot nationalism’ but puts it in the package of a ‘banal nationalism’.

The nation and the national inspirations of the party are seldom made explicit. On the contrary, in the N-VA-discourse they are constantly used implicitly, as a normality (Maly, 2012). De Wever doesn’t speak about the need for a Flemish nation, but instead he speaks of the need to unblock the Belgian democracy. Note, by the way, that implicitly we see that N-VA is using a rather peculiar definition of democracy. Democracy in the discourse of N-VA isn’t based on freedom, equality, and a constitution like in the Enlightenment tradition (Paine, 1791, Israel, 2010). Democracy, according to De Wever, is based on an identity:

‘Identity gives the answer to the question who belongs to the people and who doesn’t. In that way it creates a democratic community.’ (De Wever, 2011a: 16)

A healthy democracy, according to N-VA, can only be built on one language, one culture and one public opinion. More democracy equals more nationalism in the discourse of N-VA (Maly, 2012). By using this rhetorical strategy, De Wever projects an image of moderateness. By doing so, the nationalistic project of N-VA is redefined as a purely democratic project and thus not to be mistaken for an extreme right or exclusive nationalism. Their separatist agenda is being sold as a democratic battle: the hot nationalism comes in the disguise of a banal one and that isn’t a coincidence.

The city and the construction of the nation: the case of Aalst

Of course this quest for a Flemish nation isn’t restricted to the context of media. Since the city elections of 2012, N-VA is one of the ruling parties in a lot of cities. As a result, we see in cities like Brasschaat, Wijnegem and Aalst the emergence of a new department: a department of Flemish affairs with an N-VA politician as alderman of Flemish affairs. In Aalst, Karim Van Overmeire, a former member of the racist and extreme right Vlaams Belang, takes up this position for N-VA. Even though the policy of the newly elected coalition isn’t available yet, we can get an idea of what policy N-VA has in mind to keep Aalst a Flemish city by looking at the program of N-VA on this issue. A central idea underlying all the propositions is the idea that Aalst has ‘a Flemish character of its own’ (N-VA Aalst, 2012) that is threatened by immigration of people from the big city of Brussels. This arrival of ‘people with other languages’ is a threat ‘to the social cohesion, and is a source of annoyance and concern with the real native population of Aalst’(N-VA Aalst, 2012). Immigration of French-speaking Belgians and non-Belgian migration is seen as a danger. That immigration could (possibly) degrade Aalst to a ‘never ending growing suburb of Brussels’ (N-VA Aalst, 2012). To face these threats, says the brochure, a position for an alderman of Flemish Affairs and Integration has to be created and installed. N-VA Aalst lays out five tracks to conserve this authentic Flemish city by the alderman:

‘1. an open and honest communication to the general public about these issues.

2. maximally slowing down the inward migration, and the import of poverty and backwardness.

3. additional efforts of the local government for the civic integration policy.

4. to prevent ghettoisation.

5. community-enhancing measures.’ (N-VA Aalst, 2012)

We can group the points mentioned into three domains: 1. Communication (1&5), 2. Stopping migration (2) and 3. Integration (3&4). We can see the first four points as a basis for understanding point five that concerns us here the most. The implicit idea underlying all these tracks is the classic nationalist myth of an authentic community of, in this case, real and authentic Flemish people of Aalst that talk Dutch. This is seen as a lost ideal that is threatened by migration. The migration, according to N-VA, is being facilitated and created by the policies of the federal government on the one hand, and the fact that Aalst is geographically situated near the Belgian capital Brussels on the other. Brussels is seen as the cause of the ( undesired) migration towards Aalst. That migration – note that this ‘bad migration’ is equaled with the import of poverty and backwardness – has to be stopped: ‘The policy should aim to keep Aalst compact and livable and thus the city can’t grow any further either in surface, or in number of inhabitants.’(N-VA Aalst, 2012) The city has, according to N-VA, some instruments at hand to do this. If all these measures fail, the migrants have to be integrated to prevent ghettoisation.

For integration to succeed, as De Wever stressed before (2011c), it is a condition sine qua non that there is a strong (Flemish) community with a strong identity, and that’s where track five comes in. This track is introduced by the following sentences:

 

            “For the N-VA, there should be no doubt that Aalst is a Flemish and Dutch city. By         communicating this clearly and behaving consistently, it helps the process of      integrating new residents that speak a foreign language (both French-speaking           Belgians as well as people from other countries).” (N-VA Aalst, 2012)

Note here that N-VA stresses the need of communicating Aalst as a Flemish city where one speaks Dutch as a means to help the integration of new residents. Communication is seen as a central element in the community-building policy of N-VA. Aalst has to be communicated as a Flemish city and therefore N-VA proposes the following communication measures:

  • The strict application of the language legislation in administration (in particular at the counters); only Dutch in the city schools. Only Dutch in childcare.
  • To install a new type of welcome board at the borders (by analogy with various municipalities in Flemish Brabant), new type of street signs, with the icon of the Flemish lion on it and with the street name also mentioned in the local dialect.
  • The flagging of city buildings and the streets: only the flag of the city and of the region. In the towns: the former flag of the municipality also.
  • To promote businesses with a Dutch name in Aalst
  • 11-July-celebration as fully-fledged and contemporary celebration of our [Flemish] national day
  • Consistent reference to the use of Dutch at concessions, permits and authorizations.
  • Spreading a (Flemish) party flag among the inhabitants.

The alderman of Flemish affairs, according to N-VA, should deploy a multilevel plan to construct a national identity. Central to this plan aiming at the banalization of the nation is communication by introducing new street signs, by distributing the Flemish flags, by promoting Dutch shop names, etc. In all this communication we see that Billig’s Banal nationalism is used as a kind of manual. The task of the alderman is to make sure that the Flemish nation is flagged constantly. Concretely, we thus see that N-VA wants the normalization of a hot nationalism. To build a new nationalistic community, N-VA focus on a multilevel strategy: from the mainstream media to the classical political alderman: all are used as platforms to create that homogenous identity in a time of super-diversity.

Conclusion

In this paper I have demonstrated how N-VA and their chairman in particular instrumentalizes scientific research on nations and nationalism for their battle for a Flemish nation. Concretely we established that these scientific authors are used for two goals. The first goal is to project the image that N-VA is striving for a moderate, even a democratic nationalism that is ‘scientific’ in that it is presented as building on established analyses of nationalism. Their nationalism is free from all the faults of the nationalisms of the past. The party creates this image by using the main concepts of famous scholars on nationalism in their own discourse, such as Anderson’s imagined community or Billig’s banal nationalism. This image of the N-VA nationalism as a scientific nationalism is strengthened by the communication of identity by De Wever: he is not only active as a politician in the public debate, but also makes frequent use of the label of intellectual and historian to refer to himself. In his columns in the newspapers De Standaard and De Morgen he regularly cites all the leading intellectuals on nationalism. The result of this strategy is the normalization of the Flemish nationalistic project of N-VA.

The scientific package makes the nationalism acceptable for the wider audience because it gets an intellectual and safe image. Underneath this scientific package though, we see a classical Herderian nationalism based on the idea of a homogenous nation with one people, one identity, one language, one history, one culture. The scientific research doesn’t alter the nationalistic project as such, but is being instrumentalized to create a homogenous people with one identity as a basis for the establishment of an independent Flemish nation.

Here we see the second use of the scientific research in the project of N-VA. Scientific research like that of Hroch and Billig are being used as manuals for the hegemonization of the Flemish national identity and support for the nationalist cause of N-VA. The media communication of the party and especially the policy of the aldermen of Flemish affairs are directed to banalize Flemish nationalism. The party ignores the criticisms voiced by these intellectuals and uses their analysis to hegemonize Flemish nationalism. This ‘scientific’ nationalism is only scientific in the way it uses science as a manual to establish a banal Flemish nationalism as a major step in realizing an independent Flemish nation.

Bibliography

Althusser, L. (1971). On ideology. London: Verso.

Anderson, B. (1983). Imagined communities: reflections on the origin and spread of nationalism. London: Verso.

Barthes, R. (1957). Mythologies. New York: Hill & Wang.

Billig, M. (1995). Banal nationalism. London: Sage.

Blommaert, J. (2011). The long language-ideological debate in Belgium. Journal of Multicultural Discourses, 6(3), (pg. 241-256). London; New York: Routledge.

Blommaert, J., Rampton, B. & Spotti,M. (eds). (2011). Language and superdiversity. In Diversities.Vol. 13. NO.2. 2011.

Burke, K. (1939-1940). The Rhetoric of Hitler’s ‘Battle.’ (Pg. 61-81). In Shapiro, M. (1984).     Language and politics. Oxford: Basil Blackwell.

Bracke, S., (2011). Siegfried Bracke: VRT niet Vlaams genoeg. In De Standaard, 23 februari 2011: http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=UN36MULFenkanaalid=1597ens=1

De Bens, E. (2001). De Pers in België. Het verhaal van de Belgische dagbladpers. Gisteren,      vandaag en morgen. Tielt: Lannoo.

De Wever, B., ( 2012). Wat Lisa Simpson ons over onszelf leert. Essay Bart De Wever over geschiedschrijving en verhalen vertellen. In De Standaard, 24 maart 2012. http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=VB3NSP2D

De Wever, B. (2011).Werkbare Waarden. Kalmthout: Pelckmans.

De Wever, B. (2011a). Advertising site of Workable Values. http://www.werkbarewaarden.be/bart-de-wever/boekentop

De Wever, B. (2011b). Liberalisme en nationalisme. (Pg. 39-48). In De Wever, B. Werkbare Waarden. Kalmthout: Pelckmans. Pg. 47.

De Wever, B. (2011c). Sociaal houvast. (Pg. 116-118). In De Wever, B. Werkbare Waarden. Kalmthout: Pelckmans. (in De Standaard, 2 februari 2010).

De Wever, B. (2011d). Voluit Vlaamse zieltjes winnen. in De Standaard. 7 oktober 2011: http://www.n-va.be/nieuws/opinie/voluit-vlaamse-zieltjes-winnen

De Wever, B., (2011e). ‘Dear Friends, fellow nationalists, what is a nation?’ in De Morgen, 24 oktober 2011.

De Wever, B. (2010a) ‘Een mens die niet verandert, is een saai mens ‘De Wever en Bracke over politiek, IJzertorens en het Vlaamse lied: http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=6C2PU6PI in De Standaard, 8 mei 2010

De Wever, B. (2010b). ‘Identiteit kan een samenleving sterker maken. In De Redactie.be, 28 september 2010: http://www.deredactie.be/cm/VRTnieuws/politiek/1. 872919

De Wever, B., Nieuw-Vlaams magazine, december 2009: Een Vlaming bestaat wel: http://www.n-va.be/files/default/generated/ledenmagazine/n-vm10-09. Pdf

De Wever, B. (2008). Het kostbare weefsel. Vijf jaar maatschappijkritiek. Kapellen: Pelckmans.

De Wever, B. (2008a). Intellectuele eerlijkheid. (Pg. 15-21). In De Wever, B. Het kostbare weefsel. Vijf jaar maatschappijkritiek. Kapellen: Pelckmans. (in De Standaard, 16 augustus 2003). Pg. 16.

Hobsbawm, E. (1992). Nations and nationalism since 1780. Cambridge: Cambridge University Press.

Hroch, M. (2000). Social preconditions of national revival in Europe. A comparative analysis of the social composition of patriotic groups among the smaller European nations. New York: Columbia University Press.

Maly, I. (2012). N-VA. Analyse van een politieke ideologie. Berchem: EPO.

Naegels, T. (2011). Woord Vooraf. Het boek is beter (pg.7-12). In De Wever, B. Werkbare Waarden. Kapellen: Pelckmans.

N-VA Aalst (2012). Verkiezingsprogramma Aalst 2012: http://aalst.n-va.be/verkiezingen2012/programma

Israel, J. (2010). A revolution of the mind. Radical Enlightenment and the intellectual origins of Modern Democracy. Princeton; Oxford: Princeton University Press.

Israel, J. (2011). Democractic Enlightenment. Philosophy, Revolution, and Human Rights 1750-1790. Oxford & New York: Oxford university Press. Naegels, T. (2011). Woord Vooraf. Het boek is beter. (pg.7-12). in De Wever, B. Werkbare Waarden. Kapellen: Pelckmans.

Paine, T. (1791). Rights of Man, part the first. Being an answer to mr. Burke’s attack on the French revolution. (pp. 61-169). In Paine, T. & Linebaugh P. (2009). Peter Linebaugh presents Thomas Paine: rights of man and common sense. Verso, London, New York.

Renan, E. (1882). What is a nation (Que’est-ce que’une nation?): http://ig.cs.tu-berlin.de/oldstatic/w2001/eu1/dokumente/Basistexte/Renan1882EN-Nation.pdf

Reynebeau, M. (1998). De Vlaamse Beweging, een geschiedenis. In Swyngedouw, M. & Martiniello, M. Belgische toestanden. De lotgevallen van een kleine bi-culturele democratie. Antwerpen: Icarus, Anthos.

Reynebeau, M. (2009). Een geschiedenis van België. Tielt: Lannoo.

Rochtus, D. (2012). The rebirth of Flemish nationalism: assessing the impact of N-VA chairman Bart De Wever’s charisma. Studies in Ethnicity and Nationalism, 12: 268–285. doi: 10.1111/j.1754-9469.2012.01174.x

Roosens, A. (1981). De Vlaamse kwestie. ‘Pamflet’ over een onbegrepen probleem. Leuven: Kritak.

Silverstein, M. (2003). Talking Politics. The substance of style from Abe to ‘W.’ Chicago: Prickly Paradigm Press.

Sternhell, Z. (1995). Neither right, nor left: Fascist ideology in France. Princeton, New Jersey: Princeton University Press.

Sternhell, Z., (2010). The Anti-Enlightenment Tradition. New Haven; London: Yale University Press.

Vandaele, W., N-VA persbericht, 29 juni 2011: De Gulden Ontsporing moet op de VRT. http://www.n-va.be/nieuws/persberichten/de_gulden_ontsporing_moet_op_VRT

Vos, L. (1999). Van België naar Vlaanderen (Pg. 91-102) In Deprez, K. & Vos, L. Nationalisme in België. Identiteiten in beweging 1780-2000. Antwerpen, Houtekiet.

Vos, L. (1994). De nationale identiteit in België. Een historisch overzicht . (Pg 120-150) In Detrez, R. & Blommaert, J. Nationalisme, kritische opstellen. Berchem: Epo.

Wils, L. (1992). Van Clovis tot Happart. De lange weg van de naties in de Lage Landen. Berchem: Garant.

Windels, K. (2012). De ware De Wever. Portret van de populairste politicus van het land. Gent: Borgerhoff & Lambergts.

 


[i] The Royal Question refers to the political conflict surrounding the question whether King Leopold III should return to Belgium after World War II. This question was part of a referendum in Belgium. A small majority of the Belgian voted for his return.

Voert N-VA een aanval uit tegen de Belgische democratie en de waarden van de Verlichting?

Ik zal in deze inleiding op het debat deze vraag, mits enkele nuanceringen, met ja beantwoorden. Omdat ik er vanuit ga dat er over democratie en Verlichting geen consensus bestaat, zelfs niet bij de gerespecteerde panelleden van vandaag, zal mijn argumentatie omstandig zijn. Ik zal daarbij een heel eind terug gaan in de tijd vooraleer ik effectief over N-VA en haar project an sich zal spreken.

Democratie en mensenrechten als kinderen van de radicale Verlichting

Meer bepaald dienen we terug te gaan naar de 18de eeuw: de eeuw van de Verlichte revoluties. De eeuw waarin radicale denkers ons de democratie geschonken hebben. In die 18de eeuw zien we een hele resem aan nieuwe ideeën ontstaan die breken met het Ancien Regime. Vrijheid, gelijkheid, tolerantie, solidariteit, gelijke rechten, democratie; het zijn kinderen van een brede politiek-ideologische en emancipatorische strijd. De strijd van de filosofen was in eerste instantie een politieke strijd. Rousseau zei niet zomaar:“I saw that everything essentially depended on politics.” Het was een strijd voor een betere wereld, een emancipatorische strijd van de rede, een verzet tegen onderdrukking. Een strijd voor de autonomie van het individu om zijn leven in vrijheid uit te bouwen.

Ondanks de coherentie in streefdoelen was de Verlichting echter geen consistente theoretische constructie. Meningsverschillen en soms zelfs tegenstrijdige ideeën zijn essentiële karakteristieken van de Verlichting. En hier kom ik meteen bij een eerste noodzakelijke nuance. Er is, zeker als we nadenken over democratie en mensenrechten, niet zoiets als Dé Verlichting. Als we de gerenommeerde historicus Jonathan Israel volgen heeft iedereen die spreekt over dé Verlichting als een coherente theoretische constructie weinig tot niets begrepen van wat er zich in die revolutionaire eeuw afspeelde. “Immers”, zo stelt Israel, “de Verlichting herbergt een hele resem aan verschillende stromingen die vaak diametraal tegenover elkaar staan. Twee belangrijke stromingen binnen die Verlichting, namelijk de gematigde en de radicale Verlichting hebben door de Amerikaanse en Franse revolutie de loop van de geschiedenis gestuurd. Het was echter enkel de radicale stroming die democratie, mensenrechten en de ondeelbaarheid van de mensheid voorstond.”

De gematigde Verlichting zoals die uitgedragen werd door Rousseau, Kant, Hume en Voltaire leidde niet naar democratieën of naar universele mensenrechten. De gematigde Verlichtingsdenkers – Voltaire en Kant bijvoorbeeld – hielden helemaal geen pleidooi voor democratie, maar voor Verlichte monarchieën. Rousseau twijfelde heel sterk aan de mogelijkheid van een democratie in een groot land als Frankrijk. Kant vond democratie zelfs per definitie despotisch. Ook het recht op verzet, zo belangrijk in de ideologie van de revoluties, was niet aanwezig in hun denken. Gelijkheid, nog zo’n centrale waarde van de Verlichte revoluties stond dan weer wel centraal bij Rousseau, Voltaire daarentegen staat tot op vandaag gekend voor zijn misprijzen van de gewone man. Er mogen dan wel een aantal centrale Verlichtingsideeën zijn zoals vrijheid en gelijkheid, dat wil dus niet zeggen dat die door alle denkers die we vandaag als Verlichtingsdenkers beschouwen, gelijk begrepen worden. Deze gematigde Verlichting, die verschillende Verlichte monarchieën baarde, maakte wel de weg vrij voor de radicale Verlichtingsdenkers die vanaf de jaren 1780 dominant gaan worden.

De Amerikaanse revolutie en de strijd tegen de slavernij

De Amerikaanse revolutie is te begrijpen als een compromis tussen de gematigde en de radicale Verlichting. Dit verklaart meteen ook de halfslachtigheid in sommige keuzes van de founding fathers: geen afschaffing van de slavernij en geen doorgedreven democratie. Zelfs in Pennsylvania, waar radicale Verlichtingsdenkers, inclusief Paine, in 1776 een coup pleegden om vervolgens een in grote mate democratische grondwet op te stellen, waren de waarden van de radicale Verlichting niet helemaal in de realiteit vertaald. Ondanks grote verdiensten zoals het toekennen van stemrecht aan ongeveer alle mannelijke volwassenen, waren er tegelijkertijd grote tekorten in het realiseren van het algemene gelijkheidsbeginsel. Pas in 1780 slaagden de radicale denkers erin, met de hulp van de Quakers, om een antislavernij-wet goedgekeurd te krijgen. Maar ook deze wet was onvoldoende: slaven werden maar vrij als ze 28 werden – een leeftijd die ze maar zelden haalden. Deze tekortkomingen werden sterk op de korrel genomen door de Condorcet, Price, Brissot én Paine.

Pleidooi voor democratie en mensenrechten door de radicale Verlichtingsdenkers

Het zijn dus radicale Verlichtingsdenkers zoals Volney, Mirabeau, Barlow, Priestley, Raynal, Paine, Price en de Condorcet die ons de democratie, het gelijkheidsbeginsel en het idee van universele mensenrechten geschonken hebben. Deze radicale Verlichtingsdenkers, in tegenstelling tot hun gematigde collega’s zoals Hume, Voltaire of Kant, hielden onverkort pleidooi voor democratie en mensenrechten.

Zij schonken ons de ideeën dat we allen geboren worden met dezelfde, onvervreemdbare rechten; dat we allen vrij en gelijk zijn en dat de staat een instrument is om deze rechten voor alle burgers te garanderen en te verwezenlijken. Universalisme was in hun denken van onmetelijk belang: het waren rechten van de mensen, van alle mensen. Deze radicale denkers pleitten dan ook voor de afschaffing van de slavernij en de gelijkheid van man en vrouw. Enkel dan kon er volgens hen sprake zijn van een goede samenleving.

Ten grondslag van de democratie ligt dus het idee dat we allen gelijk zijn en dat we allen dezelfde rechten hebben. De democratie moet er zijn voor eenieders belangen en niet alleen voor de belangen van de meerderheid. Immers, zodra de meerderheid zijn wil doordrijft ten koste van de minderheden leven we niet meer in een democratie, maar in een despotisch regime. Dat is de reden waarom zelfs Rousseau een onderscheid maakte tussen ‘the will of all’ en ‘the general will’. ‘The will of all’ is de louter mechanische som van de stemmen van verschillende stromingen en tendenzen en zou in theorie unaniem moeten zijn. Maar in de praktijk, zo stelt Rousseau, wordt dat heel snel de dominantie van de stem van de meerderheid. “The general will” daarentegen neemt de verschillen in rekening. De basis van die algemene wil is dus het idee dat we allen gelijk zijn voor de wet en dat dus geen enkele burger kan uitgesloten worden of als inferieur beschouwd worden. Deze algemene wil is dus niet de som van de verschillende individuele identiteiten en meningen, maar bestaat uit het zoeken naar een algemeen belang dat alle verschillen incorporeert.

Het pre-revolutionaire Frankrijk

Het is geen toeval dat de radicale Verlichtingsdenkers in het pre-revolutionaire Frankrijk deze retoriek van Rousseau gebruikten in hun strijd. Alleen gebruikten zij dit concept, in tegenstelling tot Rousseau, om de nood aan een Verlichte democratie te onderbouwen. Die democratie is onvermijdelijk gestoeld op ‘the general will’: ze moet de rechten van eenieder realiseren en niet het belang of de visie van de meerderheid realiseren ten koste van de minderheden. Verkozenen in een democratie moeten dus regeren in het belang van alle onderdanen en niet alleen in het belang van degenen die hen verkozen hebben – zij zijn immers de dienaars van het volk. Opvallend is bovendien dat de democratie – en hier komt nog een verschil met Rousseau naar boven – door deze radicale Verlichtingsdenkers in universele en niet in nationale termen gedacht wordt. Democratie is een instrument om universele mensenrechten te realiseren en dus niet louter die van een particulier volk.

De Verklaring van De Rechten van de Mens

Niet alleen de democratie, maar ook de mensenrechten zoals die tot uiting komen in de Franse en Amerikaanse verklaring van de 18de eeuw spruiten voort uit de intellectuele traditie van de radicale Verlichtingsdenkers. De Condorcet, die mee de pen vasthield van de eerste versie van La Déclaration,zag de mensenrechten als een instrument om een goede samenleving op te bouwen. De mensenrechten waren volgens hem lang niet volledig, maar moesten gaandeweg uitgebreid worden zodat ze het geluk van eenieder konden vergroten.

Volgens die radicale Verlichtingsdenkers zijn democratie en mensenrechten twee zijden van dezelfde medaille. De democratie was voor deze radicale denkers de enige regeringsvorm die recht doet aan die onvervreemdbare en universele rechten van de mens. En dit precies omdat democratie gebaseerd is op gelijkheid, zoals Israel duidelijk maakt:     Precies zoals het principe van gelijkheid en de morele theorie gebaseerd op rechtvaardigheid en wederkerigheid democratie verankerden in de morele en politieke filosofie van de radicale verlichting, zo was het “gelijkheid” dat deze hele sociale theorie een grondlaag gaf.’   Vrijheid en gelijkheid waren voor deze radicale denkers dan ook onvermijdelijk verbonden met elkaar. Enkel als mensen gelijk waren en dus niet onderdrukt, konden ze vrij zijn.

Hiermee zijn de fundamenten van een Verlichte democratie summier geschetst. Als ik dus spreek over democratie en Verlichting, dan verwijs ik naar dit historisch begrip van deze concepten. Democratie is in dit betoog niet te herleiden tot verkiezingen, het is een ideologie. Nu kan ik eindelijk overgaan naar de eigenlijke antwoorden op de centrale vraag.

N-VA en de anti-Verlichting

Kijken we vanuit dit historisch perspectief naar mensenrechten en democratie, dan wordt meteen duidelijk dat er weinig van die retoriek terug te vinden is bij N-VA. Meer nog, als we het project en het discours van N-VA analyseren, dan zien we dat zij inhaken op een heel andere traditie, namelijk wat Zeev Sternhell de anti-Verlichtingtraditie noemt. Sternhell benadrukt dat de anti-Verlichting als concept een heel belangrijk methodologisch en wetenschappelijk instrument is: ze maakt het immers mogelijk om de opgang van een politiek ideologische tegenbeweging te vatten die minstens even oud is als de Verlichting zelf. Het is ook geen toeval, zo stelt Sternhell dat Nietzsche de eerste was die term Gegen-Aufklärung hanteerde: het was immers in zijn tijd dat die anti-Verlichtingstraditie voor het eerst zeer zichtbaar aanwezig was in het publieke leven.

Die anti-Verlichting was een politiek-ideologische beweging die niet terug wou naar het Ancien Régime, maar een andere moderniteit wou realiseren. Het was een twee eeuwen durende intellectuele revolte tegen rationalisme, intellectualisme, de autonomie van het individu en tegen alles wat de mensheid verenigt: hun bestaan als rationele wezens met natuurlijke en onvervreemdbare rechten. De moderniteit van de anti-Verlichting was daarentegen gebaseerd op alles wat de mensheid verdeelt: geschiedenis, cultuur, taal … De staat wordt in die traditie niet gezien als een instrument om het welzijn van elk individu te realiseren, maar om de samenleving te boetseren op basis van heel andere principes die in essentie alle “het belang van de natie als organische entiteit” vooropstellen.

Hoe divers de Verlichting ook mag geweest zijn, er was een logica en coherentie binnen die brede politiek-ideologische beweging die gericht is op de emancipatie van het individu. Ondanks de grote verschillen tussen Voltaire en Rousseau, tussen Rousseau en de Condorcet, tussen Montesquieu en Diderot of Kant, ze deelden wel een aantal principes die de kern uitmaken van de intellectuele revoluties van de 18de eeuw. En het is net die coherentie, die interne logica van de Verlichting die geviseerd werd door de tegenbeweging. De anti-Verlichtingsbeweging zag de hele Verlichting en de radicale Verlichting in het bijzonder als een aanval op de organische natie. Ze zagen die Verlichte revoluties als de oorzaak van decadentie, het uiteenrafelen van het sociale weefsel, het afglijden naar middelmatigheid en uiteindelijk naar de ondergang van de natie. De anti-Verlichtingsdenkers viseerden daarom Rousseau en zijn strijd voor gelijkheid, ze bestreden met alle mogelijke middelen het idee van universele en onvervreemdbare rechten van de mens en ze hadden een hartstochtelijke hekel aan democratie.

Anti-Verlichtingsliberalisme: De Wever en zijn idool Burke

Opmerkelijk is wel dat ze die Verlichting aanvallen in naam van een soort liberalisme, een anti-Verlichtingsliberalisme. Dit liberalisme kwam vaak onterecht als ongevaarlijk over, aldus Sternhell, want het bedreigde wel degelijk het voortbestaan van de democratie. Het politieke idool van De Wever, Edmund Burke, legde samen met Herder, het fundament van die politiek-ideologische strijd tegen de radicale Verlichting. Burke was een virulent tegenstander van de Verlichtingsideeën en al helemaal van ideeën als de universele en onvervreemdbare rechten van de mens, van democratie en gelijkheid. Zijn steun aan de strijd in Amerika voor meer rechten was een opportunistische steun: hij hoopte dat het toekennen van enkele rechten aan de Amerikanen zou verhinderen dat de ideeën van de radicale Verlichting zouden doorbreken tot in Groot Brittannië en Europa. Toen echter bleek dat de Amerikaanse revolutie geslaagd was, heeft Burke tot aan het uitbreken van de Franse revolutie met geen woord meer gerept over Amerika in de hoop dat de Verlichtingsidealen niet zouden overwaaien tot op het vaste land. Eenmaal de Franse Revolutie dan toch een feit was en het duidelijk werd dat zijn containmentpolitiek overduidelijk gefaald had, liet hij zijn “Reflections on the revolution in France” op de wereld los. Het was het begin van een twee eeuwen durende virulente aanval op die revolutie, haar denkers en haar centrale waarden.

Een opmerkelijke continuïteit

Het is dan ook vreemd om vast te stellen dat in tijden van luidkeelse engagementen aan de Verlichting, de gedachten en zelfs de woorden en zinnen van Burke vandaag nog altijd tot ons spreken door de mond van De Wever. Burke’s gedachtengoed laat zich gelden in de retoriek en de opvattingen van De Wever ten aanzien van de democratie, mensenrechten en de centrale waarden van de radicale Verlichting namelijk vrijheid en gelijkheid. Net zoals Burke hult De Wever zijn discours in een waas van gematigdheid: ook De Wever fulmineert zijn kritiek in naam van de democratie, in naam van de vrijheid. En net zoals Burke ziet De Wever de staat – én de media – als instrumenten om de samenleving te boetseren, met als doel die natie te (re)produceren naar het beeld dat zij ervan hebben. Aalst kan daarbij gezien worden als een volbloed laboratorium. De Wever zelf mag dan wel stellen dat hij het gedachtengoed van Burke aangepast heeft, op de punten van democratie en de Verlichtingswaarden zien we een opmerkelijke continuïteit.

Net zoals de strijd van Burke is de strijd van De Wever in eerste instantie een nationalistische strijd. De natie primeert altijd over het individu. De Wever gaat met zijn N-VA voor niet minder dan een onafhankelijke Vlaamse natie. Die strijd is echter niet ideologisch leeg in de zin dat haar Vlaams nationalisme zowel een linkse als rechtse invulling zou kennen. Het nationalisme van N-VA is heel duidelijk een ideologisch nationalisme in de traditie van de anti-Verlichting. De natie wordt in die traditie begrepen als een objectief waarneembaar organisme en gaat gepaard met een kostbaar weefsel van werkbare waarden. De Wever is daar zeer open over, net zoals over zijn beïnvloeding door Burke. Trouwens niet alleen de titels van De Wevers boeken verwijzen letterlijk naar Burke, hij stelt ook expliciet dat Burke zijn politieke voorbeeld is. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat hij heel wat overneemt van hem, zoals de opvatting dat de natie een organische gegroeide entiteit is die op zich staat en dat die natie niet maakbaar is door de mens. De vernieuwing die De Wever aanbrengt is dat die organische entiteit in zijn discours zowel een etnocultureel gegeven is als een sociale constructie. Die vernieuwing verandert echter ten gronde weinig aan het natiebegrip zoals Burke de natie dacht. Ook bij De Wever bestaat de natiean sich. De Wever onderschrijft in lijn met Anderson dat die natie ook wordt verbeeld, maar ze is niet ingebeeld zo benadrukt De Wever keer op keer. En het is in dat laatste statement dat de angel zit van De Wever’s discours. De Wever lijkt hier in lijn met de wetenschap en lijkt ook afstand te nemen van het natiebegrip uit de anti-Verlichting. Dat is echter vooral schijn, want De Wever benadrukt vanaf dag één herhaaldelijk dat hij gelooft dat die natie een etnocultureel gegeven is en dus niet maakbaar is. Hier zien we meteen een diametraal tegenovergestelde visie dan dat we bij de radicale verlichtingsdenkers ontwaren. Paine zei niet voor niets: “we have it in our power to begin the world over again”

De Wever zit in een heel andere denktraditie. In lijn met alle anti-Verlichtingsdenkers benadrukt hij dat ze organisch gegroeid is en dus niet maakbaar is. In de woorden van De Wever klinkt het dan dat de natie gekneed is door de geschiedenis tot een lotsgemeenschap. De natie zorgt er voor De Wever voor dat we met zijn allen een objectieve identiteit hebben. En die nationalistische identiteit moet gereproduceerd worden. Het gevolg is gelijkaardig aan wat Burke vooropstelt in zijn strijd: de Natie moet gekoesterd worden, no matter what. Dit verklaart waarom alle anti-Verlichtingsdenkers, inclusief De Wever zich zo verzette tegen revoluties. Maar er is meer, het verklaart ook waarom De Wever heel andere opvattingen heeft over democratie en de kernbegrippen uit de radicale verlichting. Hoewel De Wever ook zijn engagement uitspreekt aan deze begrippen, zien we dat ze ingevuld worden met een heel andere betekenis: een anti-Verlichtingsbetekenis.

De antidemocratie en de aanval op de (Belgische) democratie
Die visie op de natie als een organisme met een kostbaar weefsel van werkbare waarden heeft vergaande effecten op de manier waarop N-VA nadenkt over democratie. Meer nog, ze is, zoals ik al betoog in mijn doctoraat en de vele lezingen het afgelopen jaar, de basis voor een vierdubbele aanval op de democratie. Ondanks het feit dat De Wever deze stelling geleuter noemt, is het opmerkelijk dat hij en zijn partijgenoten een jaar lang geen enkele mogelijkheid onbenut gelaten hebben om mijn these rijkelijk te illustreren. Ik herhaal deze aanvallen even en illustreer ze met recente voorbeelden.

  1. Democratie is voor haar maar een democratie als die gestoeld is op een identiteit: het is die identiteit die de grens van de democratie moet bepalen. N-VA zet hier dus een nationalistische definitie neer van democratie: democratie wordt een etnocratie. Een Vlaamse natie waar je rechten afhankelijk zijn van je identiteit. Dat is een regelrechte aanval op de democratie zoals de Verlichtingsdenkers die begrepen. Die democratie is immers gegrond in de theorie van de Natural Law en gaat er dus van uit dat elke burger onvervreemdbare rechten heeft. Dat iedere burger gelijk is aan de andere.

    De Nieuw Vlaamse Alliantie ziet dat enigszins anders. Vlaanderen is in de eerste plaats aan de Vlamingen: zij genieten hun volle rechten. De nieuwkomers moeten zich eerst bekeren tot het Vlamingendom. Dat werd onder andere in Aalst goed geïllustreerd, maar ook de vreemdelingentaks in Antwerpen toont deze logica. Vreemdelingen moesten daar een hogere taks betalen als ze zich wilden inschrijven in het bevolkingsregister. Een compleet onwettelijke daad die o.a. het gelijkheidsprincipe schond. Een politieke daad die ook ongedaan werd gemaakt door de Antwerpse Gouverneur net omdat het illegaal was. De reactie van Homans in De Morgen was veel zeggend: “Er is de juridische werkelijkheid en de feitelijke werkelijkheid. De gouverneur beroept zich vooral op een wet uit 1968. Die bepaalt dat een stad niet de nodige autonomie heeft om een retributie in te voeren op verblijfsdocumenten voor nieuwkomers. Ik erken dat we bij de invoering van de loketretributie geen rekening hebben gehouden met deze vijfenveertig jaar oude wet. Maar ik leef in hedendaags Antwerpen. In 1968 werd de stad nog niet geconfronteerd met 11.000 aanvragen per jaar voor inschrijving aan ons loket vreemdelingenzaken. Vandaag wel.” De rechten van mensen en het gelijkheidsbeginsel worden neergezet als oubollig, voorbijgestreefd en ondergeschikt aan het belang van de homogene natie. Niet het gelijkheidsbeginsel, noch de wetten of de rechten van de mensen vormen de basis van de democratie voor N-VA maar de identiteit, de natie.

  2. Democratie wordt in de communicatie van N-VA ook herleid tot de verkiezingszege. Wie de meerderheid haalt heeft een absoluut recht om te regeren, met carte blanche, zonder tegenstem. Dat blijkt steeds opnieuw als N-VA reageert op kritiek, of tegenmachten. Democratie wordt zo een tijdelijke dictatuur van de meerderheid. Nochtans wijzen de Verlichtingsdenkers erop dat tegenmachten, inherent zijn aan een gezonde democratie. Elke kritische noot bij het N-VA-programma, elk verzet wordt gezien als illegitiem, ondemocratisch en wordt beantwoord met een ideologische aanval.

    Deze aanval op de democratie werd in het laatste jaar rijkelijk geïllustreerd door de N-VA’ers. De Wever zelf illustreerde het principe meermaals door alle media die kritisch waren voor hem of zijn partij meteen te straffen. Hij gaf zijn column bij De Standaard volgens Tom Naegels op omdat hij niet kon leven met hoe er op de opiniepagina’s van die krant over hem en zijn partij geschreven werd. Hij wou niet meer komen naar de regionale Antwerpse zender omdat hij niet gelukkig was met de aandacht die zijn partij kreeg in verhouding met de andere partij. Hij reageerde verkrampt op kritiek van Yves Desmet van De Morgen. En ook het Laatste Nieuws mocht zich laven aan de toorn van De Wever. Daar stopte het niet, het kritische middenveld lag volop in het vizier van N-VA. De oorlog tegen het ACV spreekt voor zich, maar ook de besparingen in de culturele en sociale sector spreken voor zich. N-VA ontplooit een ‘culture war’. Het is geen toeval gebleken dat de door N-VA geleidde coalitie in Herzele meteen na het aantreden begon met het intrekken van alle subsidies voor culturele bewegingen. Democratisch verzet, daar loopt N-VA niet hoog mee op.

  3. Democratie wordt ook begrepen als vox populisme: als ‘de stem van de burger’ die uit de mond van de politici rolt. De Vlaamse democratie is dan gelijk aan de Vlaamse natie en die natie spreekt met één stem door de mond van De Wever. Zij zijn de democraten, de anderen niet. Dergelijke demagogie wordt al door De Tocqueville begrepen als antidemocratisch: immers eigen aan de democratie is dat elk individu rechten heeft, een eigen stem heeft en dat dus niemand het recht heeft om in naam van het volk te spreken. Bovendien is er niet zoiets als één stem of één signaal van het volk.

    De Wever blijft echter spreken in naam van alle Vlamingen. Steeds weer komt de frase uit zijn mond gerold dat dé Vlamingen gekozen hebben voor verandering. Elke kritiek op de regering Di Rupo vertrekt vanuit de premisse dat N-VA spreekt voor het hele Vlaamse volk. Al die andere Vlaamse partijen lijken wel verkozen door Brusselaars of Walen. Ook in Antwerpen zien we deze premisse in actie. De Antwerpenaar zou gekozen hebben voor veranderingen en dus moet N-VA niet regeren voor alle Antwerpenaren, maar enkel voor haar eigen achterban. De sociale initiatieven en de kritische cultuurinstellingen worden gekortwiekt.

  4. De strijd van De Wever is niet alleen een strijd tegen democratie als ideologie, het is ook een aanval op de Belgische democratie in het bijzonder. Enkel een Vlaamse democratie heeft legitimiteit volgens De Wever. En ook op dit domein was de partij heel actief in het laatste jaar. In de steden waar N-VA aan de macht is, wordt heel duidelijk dat zij het stedelijk beleid inzetten om het Vlaams bewustzijn te versterken. Zo zien we in Aalst, Denderleeuw, Kortrijk en Brasschaat een Vervlaamsingspolitiek in werking treden. En ook in Antwerpen waar ondanks drastische besparing toch sterk geïnvesteerd wordt in een grootse viering van 11 juli. In dergelijke feiten zien we de prioriteit van N-VA nogmaals geïllustreerd: de strijd voor de Vlaamse natie. Al de rest is bijzaak.

    Deze vervlaamsingspolitiek is er op gericht een draagvlak uit te bouwen voor een onafhankelijke Vlaamse natie. Enkel die natie is legitiem aldus N-VA. Meer democratie, betekent dan in termen van N-VA meer Vlaamse natie. N-VA en co spreken niet zomaar over Vlaanderen als “mijn democratie “ of Di Rupo is “mijn premier” niet. De idee van de twee democratieën is een efficiënt wapen in de politiek-ideologische strijd van N-VA. Als iedereen deze beschrijving van de realiteit aanvaardt, verwerft de partij macht over de realiteit en komt het doel – een onafhankelijk Vlaanderen – dichterbij. Hoewel België kampt met een democratisch deficit betekent dat nog niet dat België een land is met twee democratieën. Dat is net het doel van N-VA. Het loont dan ook de moeite om deze oneliner te kaderen in die politiek-ideologische strijd van N-VA.

De twee democratieën-oneliner en de strijd tegen de Belgische democratie

België zou in de retoriek van N-VA zomaar, spontaan en natuurlijk verdampen, zonder dat daar een politieke strijd voor gevoerd moet worden. België is immers als een land met 2 democratieën en de middelpuntvliedende krachten zullen die splitsing als vanzelf, met de loop der tijd, bewerkstelligen. N-VA stelt zo de splitsing van het land voor als onvermijdelijk, als de natuurlijke en onomkeerbare loop van de geschiedenis. Elk verzet is dan ook zinloos, want de opmars van de Vlaamse natie is onvermijdelijk. Meer nog, N-VA presenteert die opmars in haar oneliner als al grotendeels gerealiseerd. N-VA-politici brengen de boodschap dat enkel Vlaanderen een legitieme democratie is constant te berde en dat door middel van heel diverse vormen: oneliners, metaforen en parabels. Duidelijk is dat deze oneliner helemaal niet onschuldig is. België verdampt niet zomaar als het gevolg van een soort natuurlijk proces, België wordt actief bestreden door N-VA. Door de Belgische democratie steevast voor te stellen als illegitiem, als een relict van het verleden, vormt deze oneliner ondubbelzinnig een aanval op de democratie.

De partij beperkt zich ook niet tot woorden, we zien die strijd dagelijks in haar politieke daden. Denken we maar aan de tegenkantingen van N-VA om vanuit Vlaanderen mee te helpen met het Federale niveau om de zogenaamde ‘loonlasten’ naar omlaag te halen. Hoewel de partij dit neoliberale geloofspunt over de nood voor lage loonlasten al jaren uitdraagt, weigert ze initieel haar medewerking. Immers zo stelt N-VA-minister Muyters, eerst moeten de bevoegdheden naar Vlaanderen komen. Niet de neoliberale agenda staat bovenaan de agenda, maar de onafhankelijke Vlaamse natie. Het neoliberale project van N-VA staat ten dienste van een onafhankelijk Vlaanderen. De regel voor N-VA op federaal niveau is dan ook dat er pas een federaal akkoord kan goedgekeurd worden door N-VA als en enkel als dat gepaard gaat met een verdere ontmanteling van de Belgische democratie.

In dit perspectief is de communicatie van N-VA tijdens de laatste federale onderhandelingen interessant. N-VA heeft honderden dagen mee onderhandeld om een nieuwe federale regering te vormen. De partij slaagt er niet in om een compromis te aanvaarden en beslist op 7 juli 2011 dat verder onderhandelen op basis van de nota-Di Rupo niet mogelijk was. De Wever voegt er wel aan toe: ‘N-VA blijft beschikbaar om te proberen een regering te vormen, maar alleen als er tegemoet gekomen wordt aan de fundamentele bezwaren.’ Die bezwaren zijn niet min, om niet te zeggen radicaal. De nota-Di Rupo, die door PS, sp.a, Groen, Ecolo, CDH, CD&V, MR en Open VLD gezien wordt als een mogelijke basis voor verdere onderhandelingen, moet van N-VA volledig van tafel. Ook de daaraan voorafgaande nota van Van de Lanotte was geen goede basis om de onderhandelingen verder te zetten. Er moet vertrokken worden van een ‘wit blad’ indien men wil dat N-VA nog meedoet. Bovendien moet er een ‘copernicaanse omwenteling’ worden gerealiseerd die het zwaartepunt legt bij de gemeenschappen. N-VA weet echter zeer goed dat zij op federaal niveau geen meerderheid hebben voor deze eisen, dat is voor De Wever bijzaak. Zij hebben de verkiezingen gewonnen en dus moeten zij het voor het zeggen hebben. Niet het compromis met de andere verkozenen telt, niet het regeren in het belang van elke Belg, maar de eigen nationalistische strijd staat voorop.

De nota-De Wever is voor De Wever het absolute minimum: ‘Dit is mijn minimumbod, ik doe het niet voor minder’, zegt De Wever in Terzake. ‘Wie hier nog wil aan raken,’ zo waarschuwt hij, ‘die zal het hele kaartenhuisje doen instorten.’ Een compromis is enkel mogelijk op hun voorwaarden. Liesbeth Homans, de rechterhand van De Wever, verduidelijkt die positie nog:

Ons neen gaat dieper dan de tegenstelling N-VA en PS. Dit is Vlaanderen tegen Wallonië, en omgekeerd. Met geen enkele Franstalige partij is tegenwoordig een compromis mogelijk. België is de moeilijke optelsom van twee democratieën. Dat getuigt ook de nota-Di Rupo, die verstoken is van enige kennis over Vlaanderen.’

Zo is de cirkel rond. N-VA wil enkel onderhandelen op federaal niveau om ‘het zwaartepunt van de federale staat’ naar de deelstaten te krijgen, om een copernicaanse revolutie te bewerkstelligen. Haar eigen poging om dit op papier te zetten, ziet men niet alleen als een compromis, het is tevens het minimumbod. Enkel een compromis op hun voorwaarden is dus mogelijk: zij spreken immers namens Vlaanderen. ‘Het is Vlaanderen tegen Wallonië en omgekeerd.’ Hoewel N-VA zichzelf opwerpt als de enige legitieme stem van Vlaanderen, onderhandelen de andere Vlaamse partijen verder met de Franstalige partijen én bereiken ze een echt compromis. De N-VA zet meteen een mediatieke catch-22 op:

Door zonder de N-VA te onderhandelen, hebben ze nog twee keuzes: een democratisch onaanvaardbare regering zonder Vlaamse meerderheid of één met een meerderheid, maar dan met de groenen. Daar moeten ze het mee stellen.’

Optie één werd realiteit en sindsdien spreken N-VA-politici consequent over ‘mijn democratie’ of ‘onze democratie’ waar de regering-Di Rupo geen meerderheid heeft. Enkel Vlaanderen is een legitieme ‘democratie’. Daarom weigert N-VA Elio Di Rupo als ‘hun premier’ te erkennen: ‘Hij is een sympathieke man, every inch a gentleman, daarom vind ik het moeilijk om te zeggen, maar ik zeg het toch: Elio Di Rupo is niet mijn premier’, zo stelt De Wever,‘[…] als hij geen meerderheid haalt in mijn democratie, is hij mijn premier niet.’

N-VA verwerpt dus de Belgische democratie. Dat de federale regering een democratische meerderheid heeft op het hele grondgebied, dat doet volgens N-VA niet terzake. Immers, niet België, maar enkel Vlaanderen heeft volgens De Wever legitimiteit. België is niet alleen niet ‘hun democratie’, het is volgens N-VA zelfs helemaal geen democratie. Hoewel de N-VA-blik op België, maar ook de nationalistische definitie van democratie, hegemonisch wordt, verandert dat niets aan het feit dat België tot op heden één land is, één democratie. Dat is heel duidelijk, we hebben één grondwet, één justitie en één wetboek, we hebben één sociale zekerheid, er is één politie, één economische ruimte en er is weldegelijk een taalgrensoverschrijdend middenveld. We hebben wel diverse kieskringen en verschillende gewesten en gemeenschappen. Hoewel die op bepaalde puntenvrij autonoom zijn, ressorteren ze nog altijd onder het Belgische, federale niveau. De website van de Belgische overheid laat daar geen twijfel over bestaan:

België is een democratie. De Belgische staat wordt geleid door volksvertegenwoordigers die het volk zelf kiest. Een democratie steunt op aantal pijlers. Ze eerbiedigt het principe van de rechtsstaat en er gelden vrijheidsrechten zoals de vrijheid van meningsuiting. Wetgeving en rechtspraak zijn essentieel. Een democratisch land houdt vrije verkiezingen waarbij de burgers kunnen kiezen voor verscheidene partijen.’

Het engagement van N-VA aan de democratie is dus enkel een engagement aan de (niet bestaande) ‘Vlaamse democratie’ – lees de Vlaamse natie. Meer nog, N-VA voert een regelrechte en onverholen aanval uit op de Belgische democratie. Vandaag spreken N-VA ’ ers openlijk over Vlaanderen als ‘mijn democratie’ en weigeren ze het resultaat van de Belgische democratie te erkennen. De oneliner over twee publieke opinies en twee democratieën heeft de weg vrijgemaakt voor N-VA om de legitimiteit van België openlijk te betwisten, zonder in Vlaanderen als radicaal bestempeld te worden. Het is opmerkelijk dat het project van N-VA op bitter weinig weerstand stoot. In de media wordt de partij en haar project nog altijd omschreven als centrum en gematigd rechts. Dat is deels een gevolg van de werking van de partij. N-VA zet, in lijn met de antiverlichtingstraditie, volop in op ideologische oorlogsvoering. De partij verkoopt haar project als een gematigd project en investeert daarbij volop in “communicatie”: in oneliners, metaforen en metonymieën. Hierdoor slaagt ze erin om een zeer radicaal project en een anti-Verlichtingsideologie te normaliseren.

De doorbraak van de oneliner van De Wever over democratie gaat gepaard met een afbraak van de oorspronkelijke invulling van democratie én met een frontale aanval op de Belgische democratie. In het kader van deze oneliner wordt de democratie een nationalistisch instrument, gericht op de realisatie van een Vlaamse onafhankelijke natie. In deze oneliner wordt de democratie dus op verschillende manieren ontmanteld. Ten eerste wordt democratie een etnocratie. Ten tweede wordt democratie gelijkgeschakeld met ‘publieke opinie’. En ten derde zien we dat democratie wordt ingevuld als verkiezingen, meer nog als de stem van de overwinnaar van de verkiezingen. Democratie wordt op deze manier een soort tijdelijke dictatuur tot het moment dat er nieuwe verkiezingen zijn.

De anti-Verlichtingsideologie van N-VA

De effecten van dat ideologisch nationalisme blijven daarbij niet beperkt, ze hebben grote consequenties voor de rechten van de mensen en de twee kernwaarden van de verlichting: gelijkheid en vrijheid. Burke had meteen door dat zijn nationalisme een van de krachtigste wapens was tegen de ideeën van de radicale verlichting. Dat zijn ook de gevolgen van het nationalisme dat N-VA hanteert. De natie primeert, de mens is ondergeschikt. De rechten van de mens haalt de N-VA-voorzitter om de haverklap aan om zichzelf en zijn partij te distantiëren van het Vlaams Blok, maar zelf koppelt hij in andere contexten een zeer vreemde betekenis aan deze mensenrechten: ze worden ontdaan van hun Verlichte betekenis en gevuld met een anti-Verlichtingsbetekenis. Ik verklaar me nader:

Een zorgvuldige analyse van de N-VA-retoriek laat zien dat De Wever en zijn partij de mensenrechten niet begrijpen als universele en dus inclusieve standaarden die moeten vertaald worden in de praktijk, maar als een soort erfgoed van ‘ons’: de Westerlingen en de Vlamingen. In die logica zijn ‘wij’ per definitie Verlicht, en zijn ‘zij’ (lees de moslims) dat niet. In deze context tonen de N-VA’ers zich als absolute voorstanders van de Verlichting. Echter, eenmaal het over andere zaken gaat zien we een hele andere logica werken. Dan heet het dat de uitoefening van grondrechten zoals het inroepen van godsdienstvrijheid om een hoofddoek te mogen dragen niet telt, want ‘in de publieke cultuur moet afgewogen worden in functie van het algemeen belang’.Waar men dan steevast aan toevoegt dat het maar evident is dat de publieke cultuur dominant is.

Daar stopt het niet. De Wever is steeds zeer expliciet over zijn begrip van die rechten en de toepassing ervan in de samenleving. Zo stelt hij letterlijk: ‘Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden we wel het discours over de universele mensenrechten, dat ons in staat zou stellen om over de moraliteit van een regime te oordelen, maar als maatstaf voor het dagelijkse sociale verkeer zijn die te abstract.’ Nochtans zijn Verlichtingsdenkers als Condorcet van mening dat die mensenrechten net heel praktisch zijn. Het zijn volgens hen de instrumenten bij uitstek om een goede samenleving te bouwen. En waar De Wever jammert dat die rechten van mensen steeds uitgebreider worden – nog iets dat hij gemeen heeft met Burke – benadrukt Condorcet dat dit een goede zaak is. De mensenrechten, zo schreef Condorcet in de 18[de] eeuw, die zijn niet volledig en moeten uitgebreid worden: dat zag hij als de vooruitgang van de mensheid.

De Wever ziet het helemaal anders. Hij benadrukt steevast de plichten van de mensen ten aanzien van de natie. Die rechten ziet hij als een gevaar. Net zoals alle anti-Verlichtingsdenkers is De Wever immers van mening dat: ‘een samenleving nu eenmaal niet [functioneert] als optelsom van individuele vrijheden.’ Hiermee verwerpt De Wever uiteraard de hele verlichting: er moet meer zijn dan enkel rechten als basis voor een samenleving, aldus De Wever. De Verlichting moet in balans worden gebracht met antiliberale waarden. De Wever ziet het rechtenperspectief als een aanval op de morele gemeenschap, op de traditionele en ‘organische’ moraal.

Teveel nadruk op gelijkheid en vrijheid zorgen er volgens De Wever immers voor dat het kostbare weefsel uiteenrafelt. Ze zorgen voor een ontsporing van de samenleving. Vooral Mei 68 wordt in dit kader door De Wever begrepen als een brug te ver. ‘De sixties’, zo schrijft De Wever: ‘zetten immers ook de hakbijl in het gezonde hout van de traditionele samenleving.’ In zo’n samenleving moet elk akkefietje inderdaad worden opgelost door een derde partij.’ Het is een punt dat De Wever heel vaak aanhaalt: een samenleving die enkel op rechten gebaseerd is, zal noodzakelijkerwijs ontsporen: ‘Exclusief focussen op rechten geeft alleen de illusie van vrijheid, het resultaat is uiteindelijk het omgekeerde.’

Mei 68 is hier de boosdoener, volgens De Wever. Immers door mei 68 werden die vrijheden te veel uitgediept. ‘Dit alles leidt tot een samenleving van individuen met rechten en vrijheden, maar niet tot een gemeenschap’, aldus De Wever. Volgens hem zorgt die mei 68- generatie voor ‘het steeds sneller wegkwijnen van georganiseerde religie in Europa’ en ontstaat een ‘spirituele leegte in Europa’. De morele orde van de oorspronkelijke organische samenleving wordt aangetast door deze uitbreiding van vrijheden en rechten. Vandaag is er enkel maar vrijheid, wat onvermijdelijk leidt tot onvrijheid, zo vat De Wever het samen met een letterlijke kopie van de woorden van Burke. Immers, als enkel het recht op vrijheid bestaat, dan blijft ‘alleen vadertje staat […] nog over om al die individuele rechten te waarborgen […] Geconfronteerd met die onmogelijke taak kan de overheid niet anders dan haar beslag op de samenleving almaar vergroten en de vrijheid dus feitelijk verminderen.’ Hier zien we heel duidelijk de anti-Verlichtingsvisie van De Wever. Hij beklaagt het verdwijnen van subjectieve, spirituele banden als grondslag om de samenleving te organiseren ten voordele van een objectieve, juridische organisatie van de staat, wat het doel was van de verlichting.

De rationaliteit van de wet en de vrijheid die eruit voortvloeit, ziet hij als een groot probleem, niet als een vooruitgang. Hij ziet het als pure onvrijheid, de wet maakt voor hem niet vrij. Terug debiteert De Wever hier een klassiek geloofspunt uit de anti-Verlichtingstraditie: echte vrijheid ontstaat dan pas als een gezonde natie zichzelf reguleert en er dus geen wetten meer nodig zijn. Om dit te bereiken moeten er volgens De Wever dan ook extra waarden en normen geformuleerd worden die de culturele en morele sokkel bepalen waarop Vlaanderen moet worden georganiseerd. De Wever wil daarvoor niet terug naar de jaren vijftig, maar ziet die jaren wel als een model voor een gezonde samenleving: een samenleving die de nationale identiteit en de waarden en normen verder koestert. En het is die sociale cohesie/controle als een gevolg van dat sterk en gezond kostbaar weefsel dat we moeten terugwinnen aldus De Wever. Dat is ook de reden waarom De Wever de klikoproep van Procureur Dams ondersteunde; iets wat hij trouwens zelf met veel trots in de praktijk bracht met zijn tip over de verdachte handelingen bij zijn buren die een weedplantage zouden uitgebaat hebben. Dat is wat De Wever bedoelt als hij spreekt over actief burgerschap.

De Wever houdt een pleidooi voor de subjectieve gemeenschap. De natie en de nationale identiteit moeten daarom versterkt worden. Eenmaal iedereen tot de gemeenschap wil behoren, zullen er spontaan informele ‘wetten’ opduiken. Als die subjectieve identiteit geïnstalleerd is, zal de ‘organische rechtsstaat’ vanzelf de samenleving reguleren. Eigenlijk zijn er geen wetten meer nodig, want die rechtsstaat werkt onvermijdelijk subjectief en reguleert zichzelf: ze gaat ‘oom agent en oom advocaat ver vooraf ’. Hij is willekeurig (en dus dictatoriaal) georganiseerd. De Wever bestempelt de verlichte democratie die louter steunt op de grondwet als een problematisch gegeven. Daarom moet er een correctie komen op het perspectief dat de wet niet alleen vrij maakt, maar ook de basis is voor de moraal. Dit nochtans klassieke Verlichtingsdenken is voor De Wever de basis van onvrijheid en ontsporingen. Net zoals alle denkers binnen de anti-Verlichtingstraditie bestempelt De Wever de Verlichte democratie als de basis van decadentie. Daarom moet er een correctie komen op die vrijheden. Die correctie zit in een sterke identiteit die zelfbeheersing met zich meebrengt en ‘een gezonde sociale controle’. De organische moraal moet de wet domineren, niet omgekeerd. We horen hier heel sterke echo’s van Burke en Renan. De democratische mens, met zijn vrijheden en rechten, wordt bij De Wever iemand zonder zelfbeheersing die zorgt voor een ontspoorde maatschappij. De wet moet daarom vooraf worden gegaan door de sociale normeringen, eigen aan een gezonde gemeenschap. Enkel een gezonde gemeenschap met een sterke subjectieve identiteit voorkomt ontsporingen, enkel dan is echte vrijheid mogelijk volgens De Wever.

Die ‘vrijheid’ van De Wever heeft niets van doen met de ‘vrijheid’ in de traditie van de radicale Verlichting. Waar voor de Verlichtingsdenkers de wet vrij maakt, gaat De Wever net zoals Dalrymple en anti-Verlichtingsdenkers zoals Berlin uit van negatieve vrijheid. Vrijheid wordt herleid tot vrij zijn van elke (overheids)inmenging. Het klassieke denken van de Verlichting, namelijk dat gelijkheid een voorwaarde is om vrij te zijn verdwijnt. Net zoals het idee van een democratische en dus gedegen opgeleidde en geïnformeerde mens verdwijnt. Vrijheid is de vrijheid van overheidssteun zoals sociale woningen. Want dan bepaalt de staat waar je leeft en ben je onvrij. Hier zien we hoe de anti-Verlichtingsvisie van De Wever en co naadloos overgaat in een neoliberale visie: een smalle staat en een samenleving die zichzelf organiseert doordat ze een sterk identiteitsbesef heeft als gemeenschap.

Vrijheid is dan de vrijheid van overheidssteun en de vrijheid van ondernemen. Het is dan ook geen toeval dat De Wever letterlijk stelt dat echte vrijheid, de vrijheid is die Hayek en Friedman vooropstellen: absolute vrijheid van de ondernemer: niets of niemand, al zeker de staat niet, mag die ondernemers in de weg staan. De strijd tegen ongelijkheid is dan ook een uiterst problematisch gegeven volgens de N-VA-doctrine: het is immers niet aan de overheid om de economie te regelen.

Het actief ingrijpen in de samenleving om gelijkheid te bewerkstelligen, ziet de anti-Verlichtingstraditie als een ‘revolutionair’ of utopisch ingrijpen in de samenleving. Ook op dit vlak toont N-VA zich een klassieke vertegenwoordiger van de anti-Verlichting. Gelijkheid tussen man en vrouw is een tegennatuurlijk streven; enkel gelijkwaardigheid, het vieren van de aangeboren verschillen tussen man en vrouw is haalbaar. Praktijktesten, maar ook de huidige antidiscriminatiewet gaan te ver. Quota zijn een vorm van discriminatie en zijn dus geen legitieme beleidsdaden. De strijd van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding moet in de pas worden gebracht met de Vlaamse opinie en haar belangen. Ook sociaaleconomische gelijkheid behoort niet tot de legitieme politieke doelstellingen. Herverdeling, een actieve politieke strijd tegen ongelijkheid of overheidsingrepen om sociale gelijkheid te realiseren, zijn geen legitieme opties voor N-VA. Ook een focus op gelijkheid, mondt immers onvermijdelijk uit in het tegendeel. Elke ingreep in de samenleving gericht op gelijkheid of vrijheid, ziet N-VA als een aanval op de traditionele orde. Deze verlichtingswaarden ondermijnen een harmonieuze samenleving en kunnen bijgevolg niet anders dan uitmonden in regelrechte rampen.

N-VA, de antidemocratie en de aanval op de radicale Verlichting

Het N-VA-project ontmantelt het idee van de Verlichte staat: een staat die functioneert als een instrument om het goede leven te realiseren. Het warme nest van N-VA die ons moet beschermen tegen de globalisering is een hoax. Immers, de reële bescherming zoals de sociale zekerheid moet er aan geloven en in de plaats moeten we vertrouwen op het idee dat we een spontane solidariteit zullen zien opwellen in de organische natie. Geen sprake meer van rechten, maar van liefdadigheid uit verbondenheid. De idealen van de radicale Verlichting, van de democratie worden hier vernietigd. De natie primeert, de rechten van individuen zijn ondergeschikt.

N-VA zet een aanval op de centrale Verlichtingswaarden gelijkheid en vrijheid

Onderliggend aan de aanval op deze twee principes is het idee dat het belang van de natie met haar traditionele morele waarden moet primeren over de wil van het individu en zijn rechten. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat De Wever heimwee heeft naar de jaren 1950, waar de sociale controle nog bestond en de christelijke en traditionele waarden nog voelbare invloed hadden in de samenleving. Mei 68 en haar revolutionair perspectief op vrijheid en gelijkheid heeft die samenleving vernietigd met alle gekende ontsporingen als gevolg. Zelfmoorden, depressies, criminaliteit of relletjes, ze zijn volgens het N-VA-discours allemaal een gevolg van het moreel hypocriete rechtendiscours van de linkse elite. Het primaat van de natie is het fundament van de aanval van N-VA op de waarden van de Verlichting en de democratie.

Beluister het volledige debat hier

[Veto] De ideologie van Bart De Wever en zijn N-VA gefileerd: “Bloed-Vlamingen en neoliberalen”

Filosoof en cultuurwetenschapper Ico Maly is al langer een luis in de pels van de N-VA. In zijn doctoraat – dat verrassend vlot over de toonbank gaat – analyseert hij de ideologie van de Vlaams-nationalistische partij. Zijn conclusie? De N-VA is een neoliberale partij, gestoeld op een anti-verlichtingsdenken.

SAM RIJNDERS (FOTO: ANDREW SNOWBALL) | Veto

Om met de deur in huis te vallen: wat verstaat u onder de anti-Verlichting?

Ico Maly: «Historisch gezien was de anti-verlichting een ideologische en intellectuele verzetsbeweging tegen de Franse revolutie. Deze beweging wou geen terugkeer naar het ancien régime zoals de contraverlichting, maar streefde naar een andere moderniteit dan de radicale verlichtingsdenkers. Eentje die niet gebaseerd is op verlichtingswaarden als gelijkheid, vrijheid en democratie in een ideologische betekenis. Maar wel op ongelijkheid en leidersfiguren die spreken voor het volk: een antidemocratie. Denk aan het grote voorbeeld van Bart De Wever, Edmund Burke, hij was samen met Herder het fundament van die antiverlichtingstraditie.»

De N-VA is onder andere voor holebirechten. Is dat dan geen verlichtingswaarde?

Maly: «Als conservatief en Vlaams nationalist zat De Wever aanvankelijk in dezelfde niche als het Vlaams Belang. Om zich te onderscheiden van het Vlaams Belang beriep hij zich op de verlichting. Zo is hij inderdaad voor holebirechten. Maar dat maakt hem nog geen verlichtingsdenker, het is slechts een vernislaagje, waaronder zich een diepgeworteld antiverlichtingsdenken bevindt.»

AANPASSEN OF OPKRASSEN

Als je N-VA’ers vraagt naar hun ideologie, antwoorden ze “nationalisme”. Dat zou grondig verschillen van het etnische en culturele nationalisme van het Vlaams Blok.

Maly: «Alhoewel ze nationalisme niet zien als een ideologie, zetten ze zich inderdaad in de markt met een ‘nieuw nationalisme’. Een humanitair nationalisme voor de eenentwintigste eeuw, vrij van de zonden van het verleden. Maar het bloed-en-bodem-nationalisme van een Vlaams Blok vind je wel degelijk terug bij N-VA. Wij zijn dan Vlamingen omdat we hier geboren zijn, Nederlands spreken en dus dezelfde normen en waarden delen. Fictie volgens mij, maar zo zegt De Wever het letterlijk. Dat wordt aangevuld met een zogezegd civiel nationalisme. Iedereen is welkom als ze maar onze taal leren spreken en normen en waarden overnemen. Daar valt het masker: vreemdelingen mogen enkel lid van de club worden als ze “echte Vlamingen” worden. Wat is dan het verschil met het “aanpassen of opkrassen” van het Vlaams Blok?»

«Wij, de bloed-Vlamingen, hebben bijvoorbeeld automatisch recht op een sociale woning. Mijn vrouw met Turkse roots moet eerst bewijzen dat ze goed Nederlands spreekt, als het van Liesbeth Homans (Antwerps OCMW-voorzitter voor N-VA, red.)afhangt. Terwijl sommige Vlamingen niet eens voor die taaltesten zouden slagen. In Asse gaat N-VA nog verder: de gemeente moet huizen opkopen en die enkel aanbieden aan mensen met Nederlands als moedertaal. Dat is pure discriminatie: hoe kan je ooit je moedertaal veranderen?»

Hun centrale argument is dat België geen democratie is, maar een optelsom van twee democratieën. Het stemgedrag in Vlaanderen en Wallonië verschilt toch inderdaad grondig?

Maly: «Die oneliner kan je enkel begrijpen als je het democratiebegrip van N-VA onderschrijft. Voor haar is democratie de stem van het volk. Dan geloof je dat het volk met één stem kan spreken. Nochtans, ik ben een Vlaming en De Wever spreekt nooit in mijn naam. Ik word nooit meegerekend, tenzij als “slechte Vlaming”. Men creëert een ideaaltypische, rechtse Vlaming en doet alsof alle Vlamingen zo zijn.»

«Er zijn inderdaad verschillen in stemgedrag tussen Vlaanderen en Wallonië, maar die zijn het gevolg van een homogeniserende en communautaire bril. In de realiteit zijn de concrete levensomgevingen van mensen, zoals verschillen in stemgedrag tussen stad en platteland, veel relevanter om die verschillen te verklaren. Bovendien zie je vanuit historisch perspectief dat die verschillen helemaal geen structurele culturele uitingen zijn. Nu is de PS de grootste, enkele verkiezingen terug was het nog MR. Kortom, die oneliner toont de nationalistische invulling van democratie door N-VA.

Paradoxaal genoeg steunt deze nationalistische partij wel het Europese project.

Maly: «Die steun is strategisch en voorwaardelijk. Eerst en vooral wil men zich onderscheiden van het Vlaams Blok als een partij die wel open staat voor de wereld. Ten tweede is die steun erg voorwaardelijk. Het is een Europa van naties, geen federaal Europa zoals Guy Verhofstadt wil. Logisch, want N-VA gelooft niet in een ‘democratie’ met meerdere identiteiten. Op Europees niveau is vanuit die logica nooit een democratie mogelijk. Tot slot steunen ze de Europese unie omdat die dezelfde economische politiek voert als de N-VA. Namelijk het neoliberalisme.»

NEOLIBERALE AGENDA

Neoliberalisme: de term is gevallen. Wat verstaat u onder dat hedendaagse politieke buzzword?

Maly: «Je mag dat niet begrijpen als een ideologie die alleen maar zo weinig mogelijk overheid wil. Concurrentie tussen bedrijven staat centraal. Overheidsingrijpen is geen probleem voor neoliberalen, zolang die gericht is op het bevorderen van de concurrentie en de marktwerking. Gelijkheid en sociale voorzieningen nastreven is echter een taboe.»

Neoliberalisme en nationalisme: wat is dan het middel en wat is het doel?

Maly: «Die vraag krijg ik zo vaak dat ik plan er een boek over te schrijven. (lacht) De Wever is een nationalist maar ziet neoliberalisme als noodzakelijke voorwaarde voor een onafhankelijke natie. Je moet immers een bloeiende economie hebben.»

«Omgekeerd heeft neoliberalisme nationalisme nodig. Je economie moet globaal zijn met een vrijheid van kapitaal, maar de politiek en dus de democratie moeten nationaal blijven. Zo heeft ze geen macht over die globale economie. Een perfecte beschrijving van onze huidige situatie. N-VA onderschrijft het neoliberalisme, zolang haar nationalistische idealen maar niet in gevaar komen.»

Vinden we de invloeden van het neoliberale denken dan niet terug bij alle politieke partijen? Het is toch geen monopolie van de N-VA?

Maly: «Een hegemonie zou Gramsci het noemen. De besparingspolitiek van Wilfried Martens in de jaren ’80 heeft het neoliberalisme in België geïmporteerd. Vanaf de 90 is het neoliberalisme hegemonisch. Sinsdien wordt ‘de economie’ steeds meer begrepen als een systeem op zich, wat totale onzin is. Economie staat niet los van de politiek, daar worden heel wat machtsbeslissingen genomen.»

«Stilaan wordt echter duidelijk dat deze dominantie van het neoliberalisme niet eeuwig is. Het neoliberalisme werkt niet, tenzij voor een kleine elite. Vroeger hing economische groei tenminste samen met stijgende lonen. Deze basis van de welvaartstaat is volledig losgelaten.»

Waarom horen we dit verhaal zo weinig in de media?

Maly: «In de eerste plaats dankzij het fantastische retorische talent van De Wever, hij communiceert zich als gematigd en intellectueel. Bovendien verkoopt De Wever zeer goed. Veel journalisten ontbreekt het echter ook aan historische kennis, laat staan dat ze de wortels van de verlichting beheersen of de tijd hebben om een scherpe analyse te maken van de ideologie van N-VA.»

Bourgeois en de dictatuur van de minderheid

Bij het lezen van het interview met Geert Bourgeois in de weekendeditie van De Standaard weet een mens niet of hij moet lachen of huilen. Zijn uitspraken zouden louter lachwekkend zijn, ware het niet dat de consequenties ervan zo dramatisch zijn. De democratie wordt door Bourgeois ontdaan van alle inhoud en ingezet om een puur antidemocratisch voornemen te verkopen als democratie.

Lachwekkend wordt het als Bourgeois stuntelig de communicatie van zijn voorzitter en diens rechterhand na-aapt. Dat de man het ene na het andere woord en zelfs hele oneliners en gedachtesprongen van De Wever en Bracke herhaalt alsof het zijn eigen woorden zijn, werkt bij momenten danig op de lachspieren. Zo kopieert hij Bracke als hij zegt: “Als grote partij mogen we ons niet als Calimero gedragen”. En ook zijn voorzitter wordt letterlijk gereproduceerd als Bourgeois vertelt dat De Wever ‘een fundamentele vrolijkheid’ nastreeft. Ongeveer alle woorden die Bourgeois aaneenrijgt in het interview hebben De Wever of Bracke hem ooit voorgekauwd. Eén stem die door een hele organisatie wordt gecommuniceerd, dat is de basis van goede propaganda.

Echter net omdat Bourgeois geen groot communicator is, maakt hij expliciet wat andere N-VA’ers, in hun voornemen om als gematigd over te komen, impliciet laten. De opvattingen die Bourgeois in de etalage zet zijn bij momenten verstommend. Opmerkelijk aan dit interview is dan ook het ondubbelzinnig karakter ervan. Niemand kan er nog aan twijfelen. Het geduld is op. 2014 is het moment van de waarheid voor N-VA. De partij maakt er steeds minder een geheim van dat ze alles inzet op die verkiezingen. De volgende federale regering, aldus Bourgeois, mag enkel nog het splitsen van de staat begeleiden.

Al snel vergaat het lachen dan ook. De traan komt met het besef dat het de heer Bourgeois bittere ernst is en dat belooft helaas weinig goeds. Bourgeois stelt er een wel heel vreemd idee van democratie tentoon. We leren dat 2014 het jaar van het separatisme is, no matter what. N-VA wil dan een complete Vlaamse autonomie met Brussel als een gedeelde kolonie. Die oekaze wordt desnoods aan de meerderheid van de Belgen en zelfs de Vlamingen opgelegd. Al benoemt Bourgeois het streven van N-VA nog zo vaak hij wil als de ‘democratische legitimiteit’ van een ‘copernicaanse omwenteling’, in de feiten zien we een heel andere realiteit. Het loont dan ook de moeite die twee begrippen in het discours van N-VA even te fileren.

Wat N-VA verstaat onder de copernicaanse omwenteling is nu voor eens en voor altijd duidelijk wanneer Bourgeois zegt: “Alles moet naar Vlaanderen komen: fiscaliteit, werk, sociale zekerheid… gewoon alles”. De strijd van N-VA is een separatistische strijd. Voor degenen die er ooit aan zouden hebben getwijfeld: artikel 1 van de statuten van N-VA is nog altijd het doel, zelfs op korte termijn. Traditiegetrouw wordt die separatistische strijd echter nog altijd verkocht als een democratische strijd. De Wever deed het Bourgeois al jaren voor. Spreek niet over separatisme, want ‘de’ Vlamingen associëren dat met chaos, geweld en barbarij. Je spreekt volgens De Wever dan ook beter over een strijd voor meer democratie. Meer democratie betekent in het N-VA-discours al altijd meer Vlaamse onafhankelijkheid.

Tevens benadrukt de voorzitter van N-VA dan altijd, in zijn hunker naar een gematigd imago, dat hij geen revolutie wil, maar een evolutie die steunt op een democratisch draagvlak. Vandaag weten we wanneer dat draagvlak gerealiseerd is volgens de N-VA’ers. We weten nu wanneer er volgens hen kan overgegaan worden tot een de facto splitsing van het land. We citeren Bourgeois:

“Met veertig procent hebben wij democratische legitimiteit. Dan kunnen de Franstaligen niets anders dan met onze conclusies rekening houden.”

Bourgeois hanteert hier een huiveringwekkend begrip van democratie. Ten eerste zien we dat een relatieve meerderheid in een handomdraai omgezet wordt in een absolute meerderheid. 40 procent halen bij de Vlaamse kiezers is dan blijkbaar genoeg om tegen de wil in van de meerderheid van de Vlamingen, Brusselaars en de kiezers in Wallonië een volledige Vlaamse autonomie af te dwingen. Bourgeois pleit hier onomwonden voor een dictatuur van de N-VA-minderheid. Ten tweede wordt nog maar eens duidelijk dat N-VA de Belgische democratie platweg verwerpt, want met de meerderheid in Brussel en Wallonië moet geen compromis gemaakt worden: zij moeten zich schikken naar een minderheid van de Vlamingen. Ten derde leren we dat N-VA weigert te onderhandelen om een akkoord te bereiken, maar een dictaat oplegt. Ten vierde; als N-VA de grootste partij is in Vlaanderen dan interpreteert zij dat als een vrijkaart om in heel België te doen wat de partij wil. Iedereen moet zich daar naar schikken. N-VA’s wil is wet.

Dergelijke invulling van democratie is ronduit angstaanjagend. Dat dit alles met democratie niets te maken heeft, zou duidelijk moeten zijn. De antidemocratie – het spiegelbeeld van een verlichte democratie – staat centraal in het project van N-VA. De leiders spreken in naam van het volk. Zij bepalen, de anderen moeten slikken. Het volk, ook al is de meerderheid geen voorstander van het N-VA-project moet zwijgen. Wat echter nog het meest angst inboezemt is de stilte. N-VA geraakt al jaren weg met de meest antidemocratische standpunten, maar blijft gezien worden als een normale centrumrechtse, democratische en gematigde partij. Hoog tijd dat er democratisch tegengas komt, zo niet verkwanselen we in snel tempo onze democratie.

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen en coördinator van Kif Kif. Hij schreef o.a. N-VA | Analyse van een politieke ideologie (EPO, 2012).
ImageN-V

[De Gids] Recensie N-VA | Analyse van een politiek ideologie

De Gids over N-VA | Analyse van een politieke ideologie: Als men er de lijvige, goed gedocumenteerde en indrukwekkende analyse over deze partij – het doctoraat van Ico Maly – N-VA. Analyse van een politieke ideologie op naleest krijgt men wel een duister beeld van conservatief-rechts in ons land.

Image

Image

Image