Hart boven hard en de stem van het volk

Hart boven Hard is, tot spijt van wie het benijdt, goed op weg om een historisch fenomeen te worden in onze contreien. Zonder noemenswaardige middelen en drijvend op de tomeloze en onbezoldigde inzet van vele individuen, kleine en grote middenveldorganisaties en duizenden militanten en sympathisanten is er een beweging opgestaan die niet alleen een ander beleid, maar ook een andere samenleving wil. Dat indrukwekkende succes van een spontane en piepjonge burgerbeweging gaat echter in grote mate voorbij aan ‘onze pers’. De mainstream-media fungeren daardoor als objectieve bondgenoten van deze rechtse regering: ze zijn willens nillens een back up van rechtse politici en hun Twitter –en Facebookclubs die de beweging willen neer zetten als ‘een mantelorganisatie van de vakbonden’.  Die rechtse activiteit op sociale media en de uitlatingen van rechtse politici wijzen schijnbaar paradoxaal op de politieke kracht van deze nieuwe beweging. Hart boven hard ondermijnt het idee dat rechts een claim kan leggen op ‘de stem van het volk’ en net dat wil de rechterzijde ten allen prijze vermijden.

Van twee individuen naar een burgerbeweging

Hart boven hard gaat hard, heel hard. In augustus 2014 stuurden twee bezorgde burgers, Wouter Hillaert en Hugo Franssen een mail rond naar middenveldorganisaties, activisten, cultuurinstellingen, jeugdverenigingen, natuurverenigingen, academici en cultuurproducenten om hun bezorgdheid te uiten omtrent de besparingsplannen van de nieuwe regering. Ze nodigden deze actoren uit om een vergadering te beleggen. Sindsdien is er veel gebeurd. Heel veel. We zijn nu een viertal maanden verder en Hart boven Hard is uitgegroeid tot een heuse burgerbeweging, met een uitzonderlijke mobilisatiekracht. Elke betoging, elke staking en elk evenement dat wordt opgezet  binnen de schoot van deze beweging mobiliseert al snel honderden tot duizenden mensen over heel België.

hartbovenhard

Opmerkelijk is dat dit alles gerealiseerd worden zonder noemenswaardige middelen. De betrokken individuen geven enkele giften en de organisaties geven wat ze kunnen. De ene organisatie kopieert flyers, de andere betaalt drukwerk en nog een andere organisatie host de website op haar server. De url  www.hartbovenhard.be is dan weer een gift van de Verenigde Verenigingen. Zij hadden in de aanloop van de verkiezingen een actie met de slogan Hart boven Hard. En net deze gift wordt vandaag onderwerp van de politieke strijd om de beweging te framen als ‘een mantelorganisatie’ van de vakbonden. Het is blijkbaar moeilijk te geloven dat, in deze tijden van professionalisering en individualisering, er een beweging opgebouwd wordt op basis op solidariteitsnetwerken tussen individuen en organisaties.Het kost nochtans niet veel moeite om na te gaan dat de site bijvoorbeeld gehost wordt door een sociaal-artistiek-gezelschap. Dat cultuurhuizen, jeugdverenigingen en bibliotheken mee hun schouders onder het initiatief zetten. Dat activisten van allerlei pluimage, academici en kunstenaars deze beweging dragen. Dat er mensen actief zijn met zeer uiteenlopende politieke voorkeuren, van christendemocraten, over Groenen en sociaaldemocraten tot en met anarchisten, syndicalisten, communisten, socialisten, andersglobalisten, ….Autochtoon en allochtoon, atheïsten, moslims en christenen strijden zij aan zij voor een betere samenleving. En net daar zit de mobilisatie – en discursieve kracht van deze beweging en net daar ligt de rechterzijde wakker van.

De rechterzijde in het defensief

In tegenstelling tot vele media heeft de rechterzijde de beweging en haar mobilisatiekracht wel degelijk opgemerkt. Er is dan ook een heuse strijd losgebarsten op de sociale media waar rechtse politici en hun militanten er alles aan doen om het maar niet te hebben over de inhoud van het verzet. Politiek is altijd een strijd om betekenis en de rechterzijde tracht op dit moment met alle mogelijke middelen het verzet af te schilderen als irrelevant, irrealistisch (er is geen alternatief weet je wel) en als ‘politiek’ (lees het is het werk van enkele wereldvreemde linkse rakkers en conservatieve vakbonden).

De redenen van die verbeten strijd hoeven we niet ver te zoeken. Sinds jaar en dag claimt rechts ‘de stem van het volk’. Enkel zij zijn realistisch, enkel zij komen op voor ‘de verandering die de Vlaming wil’. Vandaag wordt het steeds moeilijker voor die rechterzijde om die claims geloofwaardig te houden. Zelfs toonaangevende liberale economen spreken zich uit tegen het gevoerde beleid, linkse economen tonen wetenschappelijk aan hoe dit beleid resulteert in diepe ongelijkheid en zelfs de OESO zet vandaag de strijd tegen ongelijkheid op de agenda. En nu blijkt ook nog eens dat ‘het gewone volk’ in grote getallen pleit voor een vermogensbelasting. Het succes van Hart boven hard is een indicator van deze veranderingen.

Na decennia van vox populisme bij de rechtse partijen en hun militanten (wij zijn de stem van het volk, de Vlaming heeft gekozen, …) wordt vandaag heel duidelijk dat een groot deel van de Vlamingen en de Belgen hun eigen stem claimen en die stem gaat diametraal in tegen het dominante discours. Ze weerklinkt bovendien dagelijks op sociale media, tijdens de betogingen en stakingen. En opvallend: steeds meer burgers laten hun stem horen tijdens de vele meetings, evenementen en acties van Hart boven hard. Die acties kennen telkens een overdonderend en bovendien heel zichtbaar succes, want fysieke aanwezigheid gaat gepaard overdonderend geshared en getweet op sociale media.

Rechtse media?

Het is dan ook des te vreemder om te moeten vaststellen dat de ‘kwaliteitsjournalisten’ van de grote media die massale aanwezigheid op deze vele actie, evenementen en meetings schijnbaar collectief gemist hebben, of hoogstens als een voetnoot behandelen. De mobilisatiekracht van Hart boven Hard staat in schril contrast met de berichtgeving over die beweging. Na de eerste nationale betoging, met een zeer zichtbare aanwezigheid van Hart boven Hard, was het de volgende dag met een vergrootglas zoeken naar enig woord over de beweging in onze media. De honderd amokmakers stonden toen centraal.

Op de nationale stakingsdag van 15 december zette de beweging tientallen evenementen op over heel België. Deze acties konden overal op een vrij verpletterend succes rekenen. Vreemd dat vooral de lokale media dit geregistreerd hebben. De grote kwaliteitsmedia waren blijkbaar net te laat, genoten van een snipperdag of vonden het weinig nieuwswaardig.

In onze massamedia wordt vooral ruimte gereserveerd voor de hinder van de acties, hun economische kost, de rellen of de fratsen van één vakbondsdame in de H&M. En hoeft het te verbazen dat ook onze rechtse politici en hun militanten louter focussen op deze fait divers. Het is op dit vlak dat onze vrije media functioneren als een steunpilaren van rechts. De focus van onze media laat de rechtse politici toe om het verzet af te schilderen als uitzonderlijk, onrealistisch, hinderlijk en schadelijk. Het is dan allemaal het werk van de conservatieve vakbonden, de oppositie of de wereldvreemde linksen en radicalen. In zoverre men hierin slaagt kan de rechterzijde binnen het raamwerk van onze media blijven claimen dat men ‘de stem van het volk’ vertolkt.

De mainstreampers verzaakt hier duidelijk aan haar democratische opdracht. En dat is heus niet alleen het geval bij de typische ‘werkgeverskranten’. Ook een ‘linkse krant’ als De Morgen ontsnapt niet aan de verleiding. Yves Desmet slaagt er bijvoorbeeld in om Hart boven hard neer te zetten als een mantelorganisatie van de vakbonden die ‘de ongebonden burger’ onterecht voor haar kar spant.  De ‘linkse krant’ fungeert op dat moment als een regimepers in dienst van de politieke rechterzijde. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de rechtse Twitter –en Facebook-clubs er als de kippen bij zijn om Hart boven Hard af te doen als de vakbonden in disguise. Net zoals De Wever de vakbonden neerzet als ‘de gewapende arm van de PS’, zetten de rechtse militanten Hart boven Hard neer als deel van de vakbonden en dus als irrelevant. En De Morgen levert hier extra munitie.

sintactie hartbovenhard

Succes tegen de stroom in

Het is echter opmerkelijk dat deze strijd van de rechterzijde en de negatie van de pers geen effect lijkt te hebben op de mobilisatiekracht van de beweging. Hart boven hard bundelt nu al 15 000 bezorgde burgers en 1000 organisaties. Die organisaties zijn heus niet alleen de vakbonden of het klassieke middenveld, ook bibliotheken, hogescholen, interculturele organisaties en cultuurhuizen bundelen de krachten. De beweging heeft, en ook dat is uniek in de geschiedenis, haar eigen media. De beweging is niet afhankelijk van die mainstreammedia maar communiceert via haar eigen website, via micromedia als De Wereld Morgen en Kif Kif en sociale media als Facebook en Twitter. De beweging heeft dus haar eigen informatie –en mobilisatienetwerk.

Ziehier het probleem van de rechterzijde. Maar ook het probleem van de massamedia. De geloofwaardigheid van beide staat op het spel. Hoe langer deze spelers dit verzet negeren of trachten af te doen als irrelevant, hoe steviger het verzet zal worden en hoe meer de geloofwaardigheid van de regering en de media op de helling komt te staan.

De burgerbeweging Hart boven hard is net hierom historisch. Ze maakt van onderuit duidelijk dat rechts geen claim kan leggen op ‘de stem van het volk’. En ze maakt duidelijk dat de massamedia niet meer dominant zijn in het bepalen van mobilisatie en beeldvorming. De enorme mobilisatiekracht die Hart boven hard en de vakbonden hebben getoond in de laatste maanden doorprikt de dominante discoursen van de laatste decennia. Hart boven hard toont aan dat België helemaal geen land is van twee publieke opinies (een rechts Vlaanderen en een links Wallonië) of twee democratieën. De beweging toont aan dat er wel ruimte is voor een alternatief en dat daar bovendien een stevig draagvlak voor bestaat.

Hart boven hard en de revitalisatie van de democratie

Dit verzet van onderuit is een welkome revitalisatie van onze democratie.  De laatste 25 jaar is ‘democratie’, onder aanstuwen van het Vlaams Blok, geherdefinieerd als ‘de stem van het volk’. Zo konden de meest antidemocratische standpunten doorgaan als democratische meningen. De Wever is daar vandaag het meest zichtbare symbool van. Hoewel hij geen lid is van de federale regering  komt hij steeds op de proppen met de slogan dat ‘er geen alternatief is’, ‘dat dit of dat geen optie is‘ of ‘dat we dan maar beter de democratie kunnen afschaffen’ als de regering moet luisteren naar het verzet. En zo wordt nogmaals duidelijk dat De Wever en zijn maats democratie begrijpen als een ‘dictatuur van de meerderheid’. Eenmaal er verkiezingen geweest zijn, moeten de burgers hun klep houden als het van deze politici afhangt. Dat is uiteraard een antidemocratische invulling van democratie en net dat wordt vandaag steeds meer duidelijk voor steeds meer mensen.

Hart boven hard en de vakbonden tonen ons terug dat democratie een groot verhaal is, een verhaal waar burgers hun rechten niet verliezen nadat ze gaan stemmen zijn. Hart boven hard zorgt voor een lichtpunt in een democratie die al decennialang in diepe crisis zit.

Hart boven hard is een zegen voor de democratie.

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen, coördinator van Kif Kif en gastprofessor Politiek en Cultuur aan het RITS in Brussel. Hij publiceert al jaren over beeldvorming, media, identiteitsvorming, racisme, nationalisme, (super)diversiteit, democratie en de strijd voor vrijheid en gelijkheid. @icomaly – https://www.facebook.com/imaly1

Advertisements

[SAMPOL] De Gravensteengroep, de discursieve linkerflank van N-VA (Lange versie)

Verkiezingen winnen doet een partij niet in zijn eentje. Verkiezingen worden maar gewonnen als men de brede lagen van de bevolking aanspreekt. Het discours moet normaal worden bevonden en moet door die bevolking worden begrepen als goed voor hen. Hoewel N-VA een rechtse, neoliberale en radicale Vlaams nationalistische partij is, wordt ook de linkerflank zoveel mogelijk afgedekt. Dat gebeurt niet alleen door Bracke die bij zijn overstap naar de politiek uitriep dat hij voor een linkse partij heeft gekozen of doordat Homans om de haverklap benadrukt dat N-VA sociaal is maar niet socialistisch. Een belangrijke speler die het discours van N-VA van legitimiteit voorziet, zo betoogt Ico Maly, staat officieel buiten de partij. De Gravensteengroep moeten we volgens hem zien als de discursieve linkervleugel van de N-VA. In deze bijdrage analyseert hij het discours van die groep progressieve intellectuelen. Meer bepaald heeft hij aandacht voor de intertekstuele relatie tussen het ‘linkse discours van de Gravensteengroep’ en het discours van N-VA.

Klik hier voor de korte versie zoals het verschenen is in SAMPOL

 

De Gravensteengroep: progressief, links en Vlaams nationalistisch?

De Gravensteengroep is een merkwaardig project. De groep, bestaande uit intellectuelen kunstenaars en actieve burgers uit het middenveld, is gestart met de boodschap dat de groep de Vlaamse eisen uit de klauwen van de rechterzijde wou halen. Zo luidt het in de eerste twee paragrafen van het eerste manifest van de groep:

 

‘De ondertekenaars van dit manifest, die zich de Gravensteengroep noemen, vertrekken vanuit verschillende politieke en ideologische uitgangspunten, maar zijn het eens in hun gehechtheid aan de democratie en de mensenrechten. Zij stellen de waarden van vrijheid, gelijkheid, solidariteit en wederzijds respect centraal, en wijzen alle vormen van racisme en xenofobie radicaal af.

 

Zij zijn echter verontrust door het feit dat in de recente discussies over de staatshervorming de indruk wordt gewekt dat redelijke en rechtvaardige Vlaamse eisen telkens weer met een (extreem-) rechts gedachtegoed worden geassocieerd.’[1]

De groep profileert zich vanaf de start als niet-(extreem)rechts, meer nog als anti-(extreem)rechts. Uit deze paragrafen leren we dat het pluralisme aan politieke en ideologische uitgangspunten die de groep kenmerkt een pluralisme is in het centrum en aan de linkerzijde van het politieke spectrum. Het cement van de groep is hun streven naar vrijheid, gelijkheid, solidariteit en respect. Kortom, de Gravensteengroep presenteert zich enerzijds als een verlichtingsproject en anderzijds als een project die de ‘redelijke en rechtvaardige Vlaamse eisen’ voor een staatshervorming wil ontdoen van haar (extreem)-rechts imago. In deze analyse gaan we na in hoeverre die zelfbeschrijving ook spoort met de Gravensteenpraktijk.

De leden van deze groep zijn niet de minste. Etienne Vermeersch, Ludo Abicht, Jean-Pierre Rondas, Bart Maddens, Jef Turf, Tinneke Beeckman, Jan Van Duppen, Luc Doorslaer, Eric Defoort, Willy Courteaux, Edi Clijsters, Jo Decaluwe, Piet van Eeckhaut, Karel Gacoms, Paul Ghijsels, Nelly Maes, Chris Michel, Yves Panneels, Hugo Stevens, Johan Swinnen, Frans-Jos Verdoodt en Jan Verheyen vormen samen de Gravensteengroep. Overlopen we de staat van dienst van deze Gravensteners, dan wordt meteen duidelijk wat wordt bedoeld met het pluralistisch karakter van de groep. Enerzijds zien we mensen als Abicht, Turf en bijvoorbeeld van Eeckhaut die een linkse historiek hebben. Abicht kwam in 2012 op voor Rood, Turf is voorzitter geweest van de communistische partij, Van Eeckhaut is van sp.a-signatuur, Etienne Vermeersch staat gekend als een links intellectueel en ook Tinneke Beeckman profileert zich expliciet als links. Naast deze mensen met een links etiket zien we heel veel bekenden opduiken uit de Vlaams nationalistische strijd die een veel minder links imago uitdragen. Bart Maddens gaf zijn naam aan de Maddens-doctrine en is dus de vader van de verrotingsstrategie. Eric Defoort is een Vlaams nationalistisch historicus en moeilijk als links te categoriseren. Nelly Maes is ex-Volksunie en nu N-VA en ook Jan Verheyen en Jean-Pierre Rondas cirkelen rond N-VA. Chris Michel, de stichter van de Gravensteengroep, is twee jaar woordvoerder geweest van Geert Bourgeois. Het initiatief voor deze groep komt uit N-VA-hoek, niet vanuit de linkerzijde.

Het pluralisme van de Gravensteengroep wordt zo al iets duidelijker. We zien een mengeling van stemmen. Enerzijds een groep die dicht bij N-VA staat en anderzijds een groep  linkse intellectuelen met een Vlaams hart. Echter, belangrijker is of de groep haar inhoudelijke doelstellingen waarmaakt. De relevante vraag is dus of de Gravensteengroep er inderdaad in slaagt om de staatshervorming en de Vlaamse eisen in het perspectief te plaatsen van de verlichtingsstrijd voor meer democratie, meer vrijheid en meer gelijkheid. Slaagt de Gravensteengroep, ondanks een groot aantal N-VA’ers en sympathisanten om een onafhankelijke, progressieve en linkse koers te varen. Deze vragen onderzoeken we hieronder aan de hand van het Gravensteenboek: Land op de tweesprong.

Rondas over het Gravensteenboek

Dit Gravensteenboek is een luxe-uitgave van de ondertussen tien manifesten van de groep, aangevuld met individuele bijdragen van de Gravensteners (expliciet onder eigen naam en verantwoordelijkheid) en foto’s van de Gravenstener Johan Swinnen. Het boek opent met een stukje van Vermeersch over het ontstaan van de groep gevolgd door een ‘Ten geleide’ over de auteurs van het boek. Het eerste inhoudelijk stuk is van de hand van Jean-Pierre Rondas en biedt uitleg ‘Over het Gravensteenboek.’

Die eerste duiding van Rondas is verhelderend. Het toont ons een heel ander plaatje dan de links pluralistische vlag waaronder de groep vaart doet vermoeden. De hele bijdrage spreekt niet in een linkse taal, maar in de intertekstuele traditie van het conservatisme. Rondas spreekt in dezelfde woorden als De Wever of het ‘conservatieve wonderkind’ Thierry Baudet. In die traditie staat de natie voorop. Meer nog de natie is een entiteit op zich die zich onvermijdelijk beweegt op het pad naar de natiestaat. De politieke problemen die België vandaag kent zijn in die logica te herleiden tot het gevolg van het onvoltooid streven van de Vlaamse natie naar een eigen staat:

‘Deze crisis heeft onderhand het karakter van een permanente toestand aangenomen. Historisch gezien is dat ook logisch, want het gaat om een fase in de lange ontwikkeling van natievorming in de Lage Landen, waarbij de Vlaamse natie zich al van voor de Eerste Wereldoorlog aan het losweken is uit de Belgische constructie.’[2]

 

Dit citaat leert ons veel en dit om verschillende redenen. Duidelijk wordt dat Rondas de staatshervorming ziet als een gevolg van de opmars van de Vlaamse natie. Bovendien wordt ook duidelijk dat de natie an sich wordt gezien als een sociale en historische actor. Het zijn in het perspectief van Rondas niet zozeer individuen, politici en drukkingsgroepen die de natie boetseren door middel van een politiek-ideologische machtsstrijd. De natie is historisch gegroeid, ze is er gewoon en zit opgesloten in de Belgische constructie. Rondas hanteert in deze inleiding een klassiek nationalistisch discours veeleer dan een links of democratisch discours. Onderliggend aan deze uitspraken ligt een organisch nationalisme dat de Vlaamse natie voorstelt als echt, natuurlijk en gevormd door de geschiedenis. De Belgische staat daarentegen wordt niet alleen neergezet als een constructie en dus niet natuurlijk maar ideologisch, maar ook als een gevangenis die de Vlaamse natie onderdrukt. Dat verklaart dan de zogenaamde Vlaams nationalistische grondstroom.

De Gravensteengroep en de V-partijen zouden dan de grondstroom van Vlaanderen vertegenwoordigen, aldus Rondas. Rondas begrijpt die grondstroom net zoals De Wever als rechts nationalistisch. En meteen wordt ook de ‘wij-zij’ categorisering van N-VA overgenomen die het echte Vlaanderen contrasteert met het Vlaanderen van de cultuurdragers en andere linkse en wereldvreemde stemmen. De Belgische elite en de linkse elite, nogal vaak worden beide trouwens gelijkgesteld onder het label links tout court, worden dan afgebeeld als de krachten van behoud. Zij strijden tegen het Vlaams nationalisme en hebben alle media in handen: ‘(…) de algemene default position in de redactionele koppen blijft steevast kosmopolitisch, dus multiculturalistisch, dus antinationalistisch, en dus tegen meer Vlaanderen.’[3] Twee zaken vallen terug op. Ten eerste krijgen we hier een doordrukje van het bekende motief over ‘de linkse media’. Dat motief circuleert zeer vlot binnen rechts-nationalistische kringen. Ten tweede en ten gronde is het opmerkelijk dat Rondas zich hier expliciet afzet tegen kernelementen uit het verlichtingsproject dat per definitie universalistisch en kosmopolitisch geïnspireerd was.

De gelijkenissen tussen het discours van Rondas en De Wever zijn opvallend. Net zoals De Wever verwijt Rondas die linkse kerk omdat ze deze universele waarden uitdraagt en omdat  ze aan ‘deconstructie en demontage van Vlaanderen’[4] doen. Die linkse kerk vaart dan uitsluitend ‘ten behoeve van één politiek-institutionele keuze, namelijk pro Belgica.’[5] Net zoals De Wever schuwt Rondas de karikatuur niet in de strijd tegen de (linkse) criticasters van het Vlaams nationalistische project. Het is waarschijnlijk geen toeval dat de Gravensteengroep op geen enkel stuk van de Vooruitgroep geantwoord heeft. In het Gravensteenboek wordt de Vooruitgroep wel genoemd, maar nooit wordt er een stelling geanalyseerd of kritiek beantwoord. Dat kan ook niet, want dan blijft de karikatuur die de Gravensteners uitdragen niet overeind. Dan zou duidelijk worden dat die zogenaamde ‘Belgische nationalisten’ helemaal geen Belgicisten zijn, en al helemaal geen nationalisten. Meer nog, het zou duidelijk maken dat de Vooruitgroep helemaal niet pleit om alles op Belgisch niveau te regelen, de groep pleit immers voor een meerlagige oplossing. Ze pleit wel tegen het idee dat de Vlaamse natie een oplossing is voor de problemen waarmee de Belgische staat en democratie kampt en die de neoliberale globalisering met zich meebrengt.

De Gravensteengroep heeft er blijkbaar alle belang bij om een monolitische Belgicistische elite in het leven te roepen om haar project te legitimeren. Zelfs de historische staatshervorming, onder aanvuren van de Vlaams nationalistische Volksunie, wordt in de schoenen van die Belgicistische elite geschoven. Om de Belgische federatie te behouden, zo betoogt Rondas, ‘is men al sinds 1970 aan het parlementair-democratisch systeem beginnen morrelen, via vergrendeling middels speciale meerderheden die de Vlaamse meerderheid moesten neutraliseren. Het Belgische democratische deficit, dat ten koste gaat van alle Belgische burgers.’[6]  Dit democratisch deficit is een reëel probleem, een probleem waar verschillende oplossingen mogelijk zijn. Volgens Rondas kan van een herfederalisering echter geen sprake zijn, enkel veder splitsen wordt gezien als een legitieme oplossing. Hier zien we terug een kernelement opduiken van Rondas zijn betoog, een element dat hij bovendien terug deelt met N-VA. België wordt daarin gelijkgesteld met de blokkering van de democratie, met het installeren en betonneren van grendels die de Vlamingen minoriseren.[7] Minder België staat dan per definitie gelijk met meer democratie. Dat is ook de reden waarom men steevast de Vlaams nationalistische eisen zal verkopen als democratische eisen. In die ‘Vlaamse democratie’ zou er dan eindelijk geregeerd worden volgens de eigenheid van de Vlamingen. In wezen heeft dit echter weinig met democratie te maken. Een dergelijk spreken heeft wel een lange traditie binnen het conservatisme. Impliciet steunt deze retoriek op een vox populisme waarmee Rondas zich opstelt als de vertolker van de Vlaamse democratie, van de stem van het Vlaamse volk. Net zoals Baudet en De Wever begrijpt Rondas democratie als de stem van het volk. Net zoals die twee denkers ziet hij homogeniteit als een voorwaarde van democratie. Nochtans is democratie net het systeem bij uitstek om diversiteit een plaats te geven.

De vaststellingen die we hier maken over het perspectief van Rondas op ‘het Belgische probleem’ zouden kunnen afgedaan worden als loutere toevalligheden. Immers, het is geweten dat Rondas dicht aanschurkt bij de N-VA en bovendien wordt in het boek heel duidelijk gesteld dat de bijkomende teksten naast de manifesten zelf, louter onder de verantwoordelijkheid vallen van de auteur in kwestie en dus niet noodzakelijkerwijs het perspectief van de Gravensteengroep in zijn geheel vertolken. Ondanks deze disclaimer zien we een opmerkelijke consistentie in de verschillende teksten die volgen. Bovendien kunnen we er niet langs dat het stuk van Rondas niet alleen een inleiding is op alle teksten in het boek, het is ook geschreven door de redacteur van het boek. Het algemeen kader dat Rondas schetst is weldegelijk een goede inleiding op de verschillende manifesten en zelfs op de teksten ter persoonlijke titel. We duiden dit hieronder.

Land op de tweesprong: manifesten ter ontgrendeling van Vlaanderen

Het is hier niet de plaats om in detail in te gaan op de verschillende manifesten (de Vooruitgroep heeft dat al met verve gedaan[8]), laat staan op het hele boek. Wat wel interessant is, is om enkele van de opvallende concepten boven te halen uit het discours van de Gravensteengroep en ze naast het discours van N-VA te plaatsen. We starten door het algemeen perspectief van de Gravensteengroep op de Belgische situatie te schetsen en zo ook de positie te bepalen die de Gravensteengroep zichzelf toekent in dat politiek-ideologische en maatschappelijke veld. We zullen hieronder focussen op kernconcepten uit een linkse strijd, een strijd voor verlichting zoals gelijkheid, vrijheid, democratie en solidariteit. We baseren ons hiervoor op respectievelijk het eerste en het tweede Gravensteenmanifest.

De Belgische elite, de status-quo en democratische chantage

Het eerste Gravensteenmanifest start met een expliciete zelfdefiniëring van de groep en haar taak. Duidelijk wordt gemaakt dat de standpunten volgens de auteurs standpunten zijn die strijden voor gelijkheid en vrijheid, voor democratie en de mensenrechten. Kortom, de Gravensteners achten het van groot belang om zichzelf in de markt te zetten als intellectuelen die de erfenis van de verlichting hoog in het vaandel dragen. Opmerkelijk is wel dat ze hun peilen vanaf dag 1 richten op de linkse elite die in wezen conservatief zou zijn:

Dat een flink deel van de Vlaamse culturele wereld de intellectuele moed mist om deze analyse [dat de Belgische constructie onherroepelijk vast zit]  te maken, is onbegrijpelijk. Dat ze zich, samen met de oude Belgische elites, vastklampt aan een Belgische status-quo, is onaanvaardbaar. Dit zelfverklaard ‘progressief Vlaanderen’ stelt zich behoudsgezind op en dreigt de trein van de geschiedenis te missen.’ [9]

Vanaf het eerste manifest is de intertekstuele verbondenheid met het N-VA-discours onmiskenbaar. Terug krijgen we een linkse kerk die belgicistisch is en het status quo bewaart versus de Gravensteengroep die ‘de realiteit’ en zelfs de ‘loop van de geschiedenis kent’ en ze tot uitvoer wil brengen. Die loop van de geschiedenis wordt dan begrepen vanuit de klassiek nationalistische premisse dat de Vlaamse natie een Vlaamse staat moet krijgen. Dat is de ‘onomkeerbare optie op de toekomst.’[10] De oprichting van de Vlaamse natiestaat is de enige oplossing voor ‘de chaos die de Belgische constructie na 177 jaar lapwerk kenmerkt,’ [11] aldus De Gravensteengroep.Wie daartegenin gaat, zoals de culturele wereld en de oude Belgische elite, gaat dan ook in tegen de realiteit. Zij klampen zich dan vast aan de status-quo. Die nadruk op de status quo is ook een buzzwoord uit het N-VA-discours. Terug zien we hetzelfde perspectief om naar de realiteit te kijken zoals Rondas en N-VA reeds voordeden. Links, de culturele wereld en de oude (in de feiten niet meer bestaande) Franstalige Belgische elite in Brussel worden niet alleen voorgesteld als oppermachtig, maar ook als conservatief en beschermers van de  status quo.

De karikatuur regeert. Zij, die linkse kerk, zijn de ware conservatieven. Zij zijn Belgische nationalisten. Zij verknechten Vlaanderen, ze minoriseren Vlaanderen en onderdrukken zo ‘de meerderheid’ en ‘de democratie’. Terug krijgen we de constructie van een eenduidige vijand die alle criticasters van de Vlaamse eisen afschildert als oude belgicisten die de Vlaamse zaak verloochenen tegen de stem van het Vlaamse volk in. Opmerkelijk is ook dat we hier een hele politiek-ideologische uitholling  vaststellen van de termen progressief en conservatief. Deze termen verwijzen in het Gravensteendiscours niet meer naar hun historische betekenis.

In die historische betekenis strijden progressieven voor het realiseren van de verlichte samenleving. Zij verdedigen de waarden van de radicale verlichting: vrijheid, gelijkheid van elk individu. Progressieven zetten dus in op universele rechten, op democratie en solidariteit georganiseerd op een zo groot mogelijke schaal. De democratie is een instrument om dat mogelijk te maken. Democratie is dan een groot verhaal dat niet te herleiden is tot louter verkiezingen en al helemaal niet te herleiden is tot ‘de stem van het volk’, tot populisme. De radicale verlichtingsstrijd staat haaks op het organisch nationalisme. De verlichting ijvert voor universele rechten, voor een kosmopolitisme, voor een stelselmatige uitbreiding van de democratie en voor een uitbreiding van de solidariteit. Het is net het conservatisme en zeker het revolutionair conservatisme dat ijvert voor het particuliere. De morele orde en de gezondheid van het kostbare weefsel van de natie primeert voor conservatieven altijd op de rechten van het individu.[12]

In het discours van de Gravensteners zijn degene die pleiten om de solidariteit op een zo’n groot mogelijk schaal te houden echter de conservatieven. Terwijl het beperken van de solidariteit tot de Vlaamse natie voorgesteld wordt als progressief. Deze omkering is cruciaal om de vlag waaronder de Gravensteengroep vaart geloofwaardig te houden. Immers, moest de groep deze termen met hun historische betekenis hanteren, dan zou duidelijk worden dat hun nationalisme enkel maar als conservatief te brandmerken valt, zeker als ze dan nog eens gepaard gaat met een strijd tegen individualisme, kosmopolitisme en de nadruk op een ‘gezond sociaal weefsel’[13] waarin iedere nieuwkomer, en dus ook Franstaligen, zich moeten inburgeren. Centraal element hierin is, zoals in elk volksnationalistisch discours: ‘de taal.’[14]

Net zoals alle nationalisten staat taal bovenaan het prioriteitenlijstje van de Gravensteengroep: de taal is gansch dat volk niet waar. Dat vertaalt zich in een heel scherpe visie op meertaligheid en vooral op het spreken van Frans op het Vlaamse grondgebied. Zolang de Franstaligen niet akkoord gaan met die plicht om Nederlands te spreken op het Vlaamse territorium en zich te schikken naar de ‘Vlaamse meerderheidscultuur’ ondergraven ze volgens de Gravensteengroep ‘het principe van de politieke solidariteit tussen de gewesten, en meteen ook van de Belgische federale structuur op zich.’[15] Om die taal en de vergaande autonomie van de Vlaamse natie af te dwingen, dreigt de Gravensteengroep ermee om die sociaaleconomische solidariteit op te blazen. Solidariteit is dus niet het strijddoel van de Gravensteengroep, maar wordt gehanteerd een chantage-instrument. Taal en de natie primeren duidelijk op de centrale waarde van een links gedachtegoed: de herverdelende, interpersoonlijke solidariteit.

Voor de Gravensteengroep bestaat enkel de natie, de Vlaamse natie in opmars. Dat is het begin en het einde van de argumentatiehorizon. Centrale eisen van dit eerste Gravensteenmanifest in 2008 zijn, naast de taalkwestie op het grondgebied,  het respect voor ‘grens en ruimte’[16], de onmiddellijke splitsing van BHV en de ‘reële tweetaligheid in Brussel.’[17] Enkel dan is een confederaal België mogelijk, zo niet is het splitsen geblazen: ‘wie een hervorming in deze democratische zin afwijst, pleit in feite voor de ontbinding van die staat.’ [18] Vanaf het eerste manifest is de positie van de Gravensteengroep in feite al zeer duidelijk: het gaat om de Vlaamse natie, dat is democratie. De intertekstuele verbondenheid met het N-VA-discours is overduidelijk.

Solidariteit en solidariteit is twee

Het loont de moeite om even verder in te gaan op het concept solidariteit. Een analyse van de betekenis die aan het concept solidariteit toegekend wordt is een interessant instrument om te bepalen welke traditie voorrang heeft in de Gravensteenstrijd.  Solidariteit is immers niet alleen een kernconcept van elk links denken maar heeft ook een lange nationalistische traditie. In die linkse traditie verwijst solidariteit naar herverdeling, naar het recht op een menswaardig leven en dus naar de universele rechten van de mens. In een nationalistische traditie à la Renan verwijst solidariteit echter naar iets helemaal anders: naar nationale lotsverbondenheid en dus een sterke nationale identiteit. Of zoals De Wever het benoemt: de ‘spontane solidariteit’ die ontstaat als er een gezond kostbaar weefsel is binnen de natie.

Maken we die analyse dan zien we dat verbondenheid het kernwoord is als de Gravensteengroep spreekt over solidariteit. Zo wijst de groep in haar tweede Gravensteenmanifest er initieel terecht op dat solidariteit als instrument voor de bewerkstelliging van gelijkheid centraal staat in het verlichtingsdenken en in het socialisme. Ze wijst er ook terecht op dat binnen het socialisme solidariteit als grensoverschrijdend en dus universeel gedacht werd. En de groep wijst er ook terecht op dat dit ideaal vaak niet gerealiseerd werd. De groep wijst er ook terecht op dat in het links denken solidariteit niet verwijst naar liefdadigheid maar naar herverdeling via een sociale structuur gericht op het verminderen van ongelijkheid.

De eerste paragrafen van dit tweede manifest indexeren een verlichte positie inzake solidariteit. Meer nog, ze laten uitschijnen dat de Gravensteengroep zelfs een socialistisch perspectief op solidariteit zou aanhangen. Die lezing van de positie van de Gravensteengroep komt echter te vroeg. Na deze uiteenzetting van de historische politieke ideologische strijd over de betekenis van solidariteit verduidelijkt de groep haar eigen lezing. Die lezing is duidelijk gekoppeld aan haar nationalistische strijd. Want zo betogen de Gravensteners:

“dit principe wordt in de huidige Belgische context misbruikt. Wie in dit land durft te pleiten voor het verder ontwikkelen van de regionale solidariteit, die vandaag één van de wezenlijke voorwaarden vormt voor het behoud van de solidariteit in België, wordt bij voorbaat verdacht gemaakt.”

Een eigen Vlaamse solidariteit is voor deze Gravensteners de basis voor het behoud van de solidariteit op het Belgische niveau. Daarom zijn er in dit land hoogdringend institutionele hervormingen nodig. Enkel als  ‘Het naast elkaar bestaan van deelstaten, als gelijkwaardige partners, biedt mogelijke garanties voor een reële én realiseerbare solidariteit, voor een op maat gemaakte invulling van regionale behoeften en individuele noden, en voor het aanpassen van onze sociale zekerheid aan nieuwe internationale uitdagingen.’ [19]  Er komen twee argumenten bovendrijven: (1) Solidariteit moet gekoppeld worden aan de Vlaamse (deel)staat om ‘realistisch’ te zijn. (2) Enkel op het Vlaamse niveau kan onze sociale zekerheid de ‘internationale uitdagingen aan’ aldus de Gravensteengroep. We overlopen eerst het eerste argument, we eindigen met de idee dat splitsing van de sociale zekerheid het antwoord is op ‘de internationale uitdagingen’.

De Gravensteners betogen dus dat een solidariteit op het Belgische niveau compleet onhaalbaar is omdat er geen politieke solidariteit is. Enkel een Vlaamse solidariteit is ‘realistisch’ want gebaseerd op onze individuele behoeften en noden. In naam van de verlichting argumenteren tegen uitbreiding van solidariteit, tegen universalisme en dus ook tegen idealisme en vooruitgang is natuurlijk heel vreemd. Moesten de verlichtingsdenkers gedacht hebben in termen van realisme dan hadden we vandaag geen democratie, geen mensenrechten en geen sociale zekerheid. Het argument van de Gravensteengroep past dan ook in een heel andere, maar even oude politieke traditie. Dit is een klassiek antiverlichtingsargument. Alle antiverlichtingsdenkers hebben twee eeuwen lang strijd gevoerd tegen ‘de utopie’ van de radicale verlichting. Allen hielden een pleidooi voor ‘realisme’ en tegen abstractie. Allen benadrukten dat de utopie van vrijheid, gelijkheid, solidariteit, democratie en universele mensenrechten tot drama’s gingen leiden en onrealiseerbaar waren want indruisend tegen de natuurlijke orde. Van Burke over Renan tot De Wever: allen zien ze de rechten van de mens als te abstract. De Gravensteengroep spreekt in diezelfde traditie als ze zeggen dat solidariteit enkel op een nationale basis kan functioneren.

‘Solidariteit moet de relatie tussen individu en maatschappij regelen. Zij vormt een reactie tegen het vooropstellen van het eigen belang en betekent een bewuste keuze voor de verbondenheid met anderen.’ [20]

Het gaat dus niet over automatische en onvoorwaardelijke solidariteit als deel van de onvervreemdbare rechten van elk individu, maar over wederkerigheid. Over voor wat hoort wat, over vrijwillige solidariteit en nationalistische solidariteit. Solidariteit wordt ook door de Gravensteengroep gekoppeld aan nationale identiteit. Enkel als er nationale verbondenheid is, kan er solidariteit zijn. Deze definitie stelt een nationalistische interpretatie voorop van solidariteit. Solidariteit stoelt dan niet op het onvervreemdbare en universele recht van elk individu op gelijkheid, maar

op de idee van gelijkwaardigheid en verdraagzaamheid. Het veronderstelt wederkerigheid    en vrijwilligheid. Wie zich solidair verklaart, aanvaardt een gedeelde verantwoordelijkheid.’ [21]

De solidariteit van de Gravensteengroep is een nationalistische solidariteit zoals Renan en De Wever het voor ogen hebben: het gaat dan in eerste instantie over ‘verbondenheid met andere leden van de gemeenschap’, veeleer dan dat men spreekt over herverdeling en gelijkheid. De universele dimensie van solidariteit valt weg. Niet de mensheid bepaalt de visie op solidariteit maar de natie. We horen hier terug geen links discours, maar een nationalistisch discours. Een discours ook over wederkerige, voorwaardelijke én vrijwillige solidariteit. Enkel als je bijgedragen hebt, kan je rekenen op solidariteit. Solidariteit moet voor de Gravensteners niet in eerste instantie gelijkheid realiseren door te herverdelen, maar ‘moet de relatie tussen individu en maatschappij’[22]   regelen. Maatschappij lezen we hier dan ook het best als een synoniem met de Vlaamse natie. Deze invulling van solidariteit is immers een springplank voor het ontmantelen van België en dus ook de ontmanteling van de bestaande geïnstitutionaliseerde solidariteit.

Dergelijk discours wordt ook door N-VA uitgedragen. Dit discours over solidariteit steunt op twee fundamenten. Enerzijds op de idee van de Vlaamse natie waarin alle Vlamingen zich verbonden weten en anderzijds het bekende verhaal van rechten en plichten. Vanuit het eerste fundament wordt benadrukt dat enkel nationale solidariteit mogelijk en wenselijk is. Enkel als mensen een identiteit delen, zich verbonden voelen, zullen ze solidair willen zijn. Dat is een punt dat Bart De Wever sinds de start van zijn politieke loopbaan reeds benadrukt: de natie is de basis van de solidariteit. Solidair zijn kunnen we in deze logica enkel met mensen waarmee we ons verbonden voelen. De Gravensteengroep herhaalt gewoon die visie. Voor hen is echte solidariteit, net zoals bij De Wever,  solidariteit ‘vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid, vanuit het diepe morele besef dat het normaal is dat wij de medemens hulp bieden, wanneer wij daartoe in staat zijn.’[23]  Opmerkelijk hier is de afwezigheid van de koppeling tussen gelijkheid, vrijheid en universaliteit. Gelijkheid was volgens de radicale verlichtingsdenkers de universele dimensie van vrijheid. Enkel als we gelijk waren konden we vrij zijn. Deze referentie naar de verlichtingstraditie ontbreekt in de definiëring van solidariteit. We krijgen wel intertekstuele referenties naar nationalistische en conservatieve opvattingen over solidariteit in woorden als: moreel besef, hulp geven aan de medemens als we daarvoor genoeg middelen hebben. Wij bepalen dus zelf als we solidair zijn en hoe we solidair zijn.

Er kan ook solidariteit zijn met bevriende naties maar dan moet die solidariteit kaderen in ‘transparante politieke structuren’ en bijdragen tot de ‘responsabilisering van de regionale besturen.’  Naties moeten er zelf voor kiezen om solidair te willen zijn. Het zijn in deze nationalistische logica niet individuen die onderling solidair zijn via de staat, maar de natie die kiest om solidair te zijn met een andere natie (waarmee men schijnbaar doelt op Wallonië). Solidariteit met Wallonië is dan maar mogelijk als Wallonië zich politiek solidair verklaard met Vlaanderen, of in andere woorden als de Franstalige politici instemmen met de Vlaamse eisen voor een confederaal België. Solidariteit is hier terug voorwaardelijk. Enkel als Vlaanderen haar eigen solidariteitsmechanismen (lees geld en macht) in handen krijgt is Vlaanderen volgens de Gravensteners nog bereid om solidair te zijn met Wallonië maar wel op Vlaamse voorwaarden. Net zoals N-VA gebruikt de Gravensteengroep solidariteit als een responsabiliseringsmechanisme. Mooie termen als transparantie verhullen dat men de facto de interpersoonlijke solidariteit opblaast. En ook dat heeft ze gemeen met N-VA die in naam van de efficiëntie, transparantie en de oversolidariteit strijdt tegen de interpersoonlijke solidariteit.

Ook het idee van wederkerigheid en vrijwilligheid dat voor de Gravensteners een integraal onderdeel uitmaakt van de solidariteit, toont aan dat hier een heel andere solidariteit naar voor geschoven wordt dan degene die links traditioneel naar voorschuift. Links ziet solidariteit als herverdeling met als doel gelijkheid tussen individuen te bewerkstelligen. De conservatieve en nationalistische solidariteit is gebaseerd op enerzijds vrijwilligheid, anderzijds op wederkerigheid. Met vrijwilligheid wordt verwezen naar het idee dat de Vlamingen zelf moeten kiezen om solidair te willen zijn met de zwakkeren in de samenleving en met bevriende naties zoals Wallonië. Die solidariteit is niet eindeloos, maar is afhankelijk van wat de ontvangers van de solidariteit hebben bijgedragen tot de samenleving. Als ze niets hebben bijgedragen, dan komen ze ook niet in aanmerking voor de solidariteit. Maar ook als de ontvangers hun verantwoordelijkheid niet opnemen, door bijvoorbeeld snel werk te vinden, dan sluiten ze zichzelf ook uit van de solidariteit. Terug is de intertekstuele verbondenheid met de N-VA-retoriek en breder met de conservatieve en nationalistische politiek-ideologische stroming overduidelijk.

De laatste onbeantwoorde vraag is nu of en hoe een dergelijke Vlaams nationale solidariteit een antwoord kan zijn op het internationale neoliberalisme. Het tweede manifest spreekt daar, afgezien van de bovenstaande claim, met geen enkel woord over. Die afwezigheid van expliciete argumenten doet vermoeden dat deze groep van menig is dat enkel een nationale solidariteit voldoende draagvlak heeft en dat die nationale verbondenheid dan het warm nest schept die ons wapent tegen die neoliberale aanval. Hoe het ook mag zijn, het is duidelijk dat een nationale solidariteit, ook op Belgisch niveau in deze tijden van globalisering absoluut niet voldoende is.

De Gravensteengroep houdt hier in naam van het realisme, van de verlichting en zelfs in naam van links een pleidooi om de bestaande solidariteit te ontmantelen en her op te bouwen op Vlaams niveau. Hoe dat men in tijden van neoliberale en rechtse dominantie in Vlaanderen ooit een versteviging van de solidariteit kan realiseren in deze context wordt niet beargumenteert. Hoe dat het naar beneden herschalen van solidariteit, en dus een solidariteit voor ‘het eigen volk’ voorop stelt, ooit kan zorgen voor een bredere solidariteit is een vraagteken natuurlijk. Vandaag zien we dat het Belgische niveau al schromelijk te kort schiet om gelijkheid te realiseren voor eenieder. De hypermobiliteit van de 21ste eeuw vertaalt zich immers in de aanwezigheid van heel veel verschillende nationaliteiten op één grondgebied. Aangezien onze rechten gekoppeld zijn aan onze nationaliteit betekent dat in de praktijk een toename van ongelijkheid. De solidariteitsmechanismen sluiten nu al mensen uit, dat kan echter ondervangen worden als we een uitbreiding krijgen van de solidariteit. Solidariteit kan niet behouden blijven op een loutere nationale schaal. De droom van een verlichte, universele solidariteit is een noodzaak in tijden van globalisering en superdiversiteit. De Gravensteengroep leidt ons naar de andere richting.

 

De Gravensteengroep als discursieve linkervleugel van N-VA

Het besluit kan niet anders dan hard zijn. De Gravensteengroep is in eerste instantie en nationalistische groep en net door haar nationalisme ondermijnt ze de solidariteit. De Belgische solidariteit willen ze ontmantelen om in de plaats een Vlaamse sociale zekerheid op te bouwen in een rechts en neoliberaal Vlaams landschap. De facto zou dat dus twee maal een verzwakking betekenen van de solidariteit. Bovendien is die solidariteit absoluut geen afdoend antwoord op de neoliberale globalisering. De Gravensteengroep spreekt duidelijk in dezelfde intertekstuele traditie als N-VA: die van het organisch nationalisme en de antiverlichtingstraditie.

Waar de Volksunie gekend stond voor haar linkse en rechtse vleugel binnen de partij, kan ook N-VA steunen op een ‘prominente linkervleugel’. Bovendien heeft die linkervleugel meer macht omdat ze in de perceptie zelfs los staat van die partij. Het zijn linkse intellectuelen die hetzelfde discours uitten als N-VA. Dit is een ideaal instrument in de strijd om de Vlaams nationalistische ideologie te hegemoniseren. Het profiel van N-VA is immers uitgesproken rechts, neoliberaal en nationalistisch, haar imago is echter dat van een rechts gematigde, democratische en nationalistische partij. Het imago van de Gravensteengroep en haar discours versterken het imago van N-VA als een redelijke partij nogmaals: zelfs linkse intellectuelen vertellen hetzelfde.

Het project van de Gravensteengroep is des te opmerkelijker omdat ze het aura van links en progressief nog steeds meedraagt in de perceptie van velen. Nochtans is na tien manifesten en een heus boek met dezelfde manifesten en individuele bijdragen van de auteurs meer en meer duidelijk dat er maar een iets bovenaan de agenda staat van die Gravensteengroep en dat is de Vlaams nationalistische strijd. Onderliggend aan alle manifesten is het idee van de Vlaamse natie, het idee van een homogeen Vlaanderen, het idee van België als een land met twee gemeenschappen, twee naties. En net omdat ze België zien als twee naties, moet het land in het beste geval omgevormd worden tot een confederatie, in het slechtste moet het geheel splitsen.

Dat er in België echter veel meer gemeenschappen en identiteiten zijn, lijkt niet bij de Gravensteners op te komen. Superdiversiteit wordt ontkend, en als de aanwezigheid van diversiteit al wordt erkend, dan moet die zo snel mogelijk weggewerkt worden: allochtonen moeten inburgeren. Maar niet alleen allochtonen moeten Vlamingen worden, ook Brussel in zijn geheel moet in de nationalistische logica geduwd worden. Brussel mag geen gewest worden. Hoewel een moderne visie op stedenbeleid ons noodzaakt om in te zien dat Brussel best uitgebreid wordt en meer bevoegdheden krijgt, zien we bij de Gravensteners daarover enkel maar walging. Brussel moet onder koloniale voogdij van Vlaanderen en Wallonië komen te staan.[24] Een standpunt dat ze terug delen met N-VA. België moet absoluut in het format van twee naties worden geduwd. En zo wordt het primaat van de nationalistische ideologie van de Gravensteners nogmaals duidelijk geïllustreerd. Niet meer democratie staat voorop, maar de Vlaamse natie.

Dat dit nationalistische denkkader centraal staat, blijkt ook uit het feit dat in alle bijdragen uit het boek de kerndomeinen van het nationalisme besproken worden: territorium, identiteit en verbondenheid, taal,  nationale solidariteit, de natie en haar staat(svorming). Meer nog, in de feiten zien we niet alleen gelijkaardige denktrends en argumentatie- of non-argumentatielijnen als N-VA. De concepten, zinnen, ideeën, oneliners en verwoordingen, ideeën en eisen tot de presentatie van hun positie toe, zijn bij momenten letterlijke kopieën van het N-VA-discours. We zien niet alleen impliciete intertekstualiteit, maar heel vaak ook een expliciete intertekstuele verbondenheid met N-VA en het discours van De Wever in het bijzonder. Omgekeerd wordt ook duidelijk dat De Wever met aandacht luistert naar die Gravensteengroep en ook haar concepten overneemt. Zo laat hij in zijn 11 juli-speech van 2012 het volgende citaat optekenen:

‘In dit land werd de meerderheid al institutioneel geminoriseerd door de grendelgrondwet. Nu wordt de meerderheid ook politiek en democratisch geminoriseerd. De meerderheid van dit land, de gemeenschap die bovenmatig bijdraagt  tot de staatsfinanciën, is de minderheid geworden in de huidige federale regering.’[25]

De Wever hanteert hier niet alleen een van de centrale concepten van de Gravensteengroep (zie bv. het concept de grendelgrondwet van 1970) maar ook de centrale idee van een democratie die herleid wordt tot de dictatuur van een demografische meerderheid. De intertekstuele verbondendheid tussen het N-VA-discours en het discours van de Gravensteengroep is manifest en expliciet. In de feiten fungeert de Gravensteengroep als niets anders dan de ‘linkervleugel’ in disguise van de N-VA.

 

 


[1] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[2] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg pg.13

[3] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg 2012 pg.14

[4] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg 2012 pg.14

[5] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg 2012 pg.14

[6] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg 2012 pg.13

[7] Rondas, J-P, (2012). Grendel is een monster in Beowulf. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[8] Zie de website van de Vooruitgroep voor alle analyses, reacties en opiniestukken: http://vooruitgroep.wikidot.com/teksten

[9] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest: Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[10] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[11] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[12] Zie hiervoor o.a. Israel, J. (2010). A revolution of the mind. Radical Enlightenment and the intellectual origins of Modern Democracy. Princeton; Oxford: Princeton University Press.  En Israel, J. (2011).Democractic Enlightenment. Philosophy, Revolution, and Human Rights 1750-1790. Oxford & New York: Oxford university Press. Sternhell, Z. (1995). Neither right, nor left: Fascist ideology in France. Princeton, New Jersey: Princeton University Press. ; Sternhell, Z. (1996). The intellectual revolt against liberal democracy 1870-1945, Jerusalem: The Israel academy of sciences and humanities.; Sternhell, Z., (2010). The Anti-Enlightenment Tradition. New Haven; London: Yale University Press.

[13] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[14] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[15] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.29

[16] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.29

[17] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.29

[18] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.29

[19] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[20] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[21] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[22] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[23] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[24] Vooruitgroep, 2011: Principes of willekeur? De Vooruitgroep verwerpt twee van de drie Gravensteenprincipes. http://vooruitgroep.wdfiles.com/local–files/teksten/Vooruitgroep%20opiniestuk%2015.pdf

De toekomst van links

Een pleidooi voor een politics of paradise

De toestand is ernstig. Zoveel zou ondertussen duidelijk moeten zijn. We beleven in de laatste jaren niet alleen een financiële, economische en ecologische crisis, maar ook een politieke. Een crisis van de democratie. Deze crisissen slaan wild om zich heen. De kennis van de oorzaken van deze crisissen is beperkt tot een zeer kleine groep mensen. Een groep die als ze zich mengen in het publieke debat bovendien om de haverklap neergezet wordt als ‘linkie-winkies’, ‘naïeve wereldverbeteraars’, ‘doemdenkers’, ‘populisten’ of met andere onvriendelijke labels. Of je nu een Nobelprijswinnaar bent zoals Krugman of niet, het doet er niet toe: als je niet meegaat met de dominante consensus dan plaats je jezelf buiten het debat. Met als gevolg dat allerhande invloedrijke politici, experts en bedrijfsleiders of hun lobbyisten zonder veel tegengas dezelfde recepten die deze crisissen veroorzaakt hebben opnieuw naar voor kunnen schuiven en zelfs doorduwen. Dat dit vroeg of laat tot menselijke en ecologische drama’s zal leiden staat nu al in de sterren geschreven.

De situatie is dus ernstig en ze plaatst de politiek, en de linkerzijde in het bijzonder, voor gigantische uitdagingen. In deze tekst schets ik een ruwe analyse en enkele van de grote politieke uitdagingen voor de politieke linkerzijde in de volgende dagen, weken, maanden, jaren en decennia.

Een triple van crisissen en andere uitdagingen

In de laatste decennia is het hard gegaan. We leven in tijden van snelle veranderingen en schaalvergroting. Die schaalvergroting kennen we onder de noemer van globalisering en het bepaalt ons leven tot in de kleinste details. Het bepaalt de aanblik van onze stad, wat in de mode is en wat niet, de manier waarop, waarmee en met wie we communiceren, wat we bekijken op televisie en vaak ook of we binnen hier en tien jaar nog een job zullen hebben of niet. Ons leven is geglobaliseerd, dat is een feit. En dat is lang niet altijd een zaak van rozengeur en maneschijn.

Een schets van de context

Het proces van globalisering an sich is niet nieuw. Het is een eeuwenoud proces. Wat wel nieuw is, zijn de schaal, de impact, de inhoud en de snelheid van die globalisering. We leven vandaag dus in een heel specifieke fase van die globalisering die ergens in de jaren 70 van de vorige eeuw gestart is. Die fase van de globalisering drijft op een dominante ideologie. Een ideologie kennen we onder de noemer van het neoliberalisme of in minder beladen termen: de dominantie van de markt in alle domeinen van de samenleving. Sinds de oliecrisis van de jaren 1970 krijgen de neoliberale ideeën meer en meer vrij baan. De Friedmans van deze wereld zien hun ideeën uitgedragen worden door allerhande politici in de meest uiteenlopende landen van de wereld. De neoliberale ideeën vertalen zich in de materiële wereld.

België vormt hierop geen uitzondering. Zeker vanaf de jaren 1980, onder aanstuwen van de regering Martens met ‘da yoenk’ Verhofstadt worden ook hier neoliberale recepten geïntroduceerd om de crisis te lijf te gaan: besparingen, besparingen en besparingen, dat was wat de klok sloeg. Het was een tijd van crisis, maar ook de tijd van de yuppies, van de Millets en de Docksides, van de snobs en van de Jambers reportages over deze figuren maar vooral over de mensen aan de rand van de samenleving. De kloof tussen arm en rijk werd groter en de linkerzijde kwam meer en meer in het defensief te zitten.

Na de val van de Sovjetunie krijgt de hele linkerzijde serieuze klappen. Het socialisme heette failliet te zijn: enkel oude knarren met een acute aanval van nostalgie citeren nog Marx of linkse intellectuelen als Sartre en Barthes. Het socialisme was in crisis. Het was de tijd van de derde weg. Een weg die in wezen de dogma’s van het neoliberalisme omarmde. Het was ook de tijd van de kloof tussen de burger en de politiek. Er was nood aan een nieuwe politieke cultuur, zo heette het dan. Een cultuur waar de politicus ‘dé stem van dé burger’ zou gaan vertolken. De intellectueel zat per definitie in een ivoren toren, kende de ware bezorgdheden van de burger niet. Het anti-intellectualisme voerde de boventoon: geen analyses meer, geen argumenten, maar gevoelens recht uit de buik. Die stem uit de buik was echter een product van een nieuwe speler in het maatschappelijk veld: de communicatiegoeroes. De intrede van (ver)marketing als basis van de politieke communicatie was de essentie van de nieuwe politieke cultuur.

Die vermarkting van de politiek ging hand in hand met de commercialisering van onze media. Onze media mochten geen instrumenten meer zijn van politiek-ideologische emancipatie, maar moesten werken volgens de principes van de markt. De concurrentie werd gepresenteerd als een weldaad voor de kwaliteit van onze kranten. Ideologie werd door steeds meer mensen gezien als iets van het verleden: er werd niet meer gesproken over links en rechts maar over goed bestuur en objectieve berichtgeving. Wat men er niet bij vertelde, was dat de politieke lijn vervangen werd door een commerciële lijn. Winst en verkoopbaarheid werden het te dienen doel, niet politieke emancipatie.

Het is ook in deze periode dat we, deels als een gevolg van de politieke ontwikkelingen, ook heel snelle en ingrijpende veranderingen zien in migratie van mensen. Grenzen vallen weg, mobiliteitsopties nemen toe en de sociaaleconomische ongelijkheid tussen de verschillende delen van de wereld nemen toe. Bovendien zorgen de veranderingen in communicatietechnologieën ervoor dat mensen beelden kunnen ontvangen vanuit alle uithoeken van de wereld en vaak zijn die mensen ook verbonden via die nieuwe wereld. Kort samengevat steeds meer mensen migreren vanuit steeds meer gebieden en eenmaal ze aankomen wil dat niet zeggen dat ze losgesneden zijn van hun land van herkomst. Superdiversiteit is geboren en kleurt meer en meer steden in alle uithoeken van de wereld.

In de laatste decennia is onze wereld zeer sterk veranderd. We kunnen stellen dat het neoliberale marktdenken zijn intrede deed in alle velden van de democratie: de politiek, de media, de overheid en zelfs het onderwijs. Alles moest werken als een bedrijf, ongebreidelde concurrentie was een zegen. De staat moest dringend en permanent op dieet, de privé ging het allemaal wel oplossen: als je de markt haar gang maar laat doen, dan gingen we in een soort paradijs op aarde komen. “There was no alternative”, zo klonk het uit duizenden monden tegelijkertijd.

De financiële, economische en ecologische crisis

De droom blijkt echter een nachtmerrie geproduceerd te hebben. Twee decennia neoliberale hegemonie hebben een reeks crisissen gecreëerd die de limieten tonen van het kapitalistisch systeem. De financiële crisis in 2008 werd al snel een economische crisis die zich sindsdien laat voelen over de hele wereld. De kloof tussen arm en rijk stijgt zienderogen. De situatie in Griekenland, Ierland en IJsland, maar ook Spanje, Portugal en Italië is niet minder dan dramatisch te noemen. In Griekenland is meer dan 43% van de jongeren werkloos en degenen die werken zijn niet zelden ‘working poor’ zonder toekomstperspectieven. De Griekse rijken hebben hun kapitaal buiten Griekenland geparkeerd en dus moeten de midden– en lage klassen de rekening betalen.

In de VS waren in 2011 13 miljoen Amerikanen werkloos. Vergelijk dat met de 6,8 miljoen die werkloos waren in 2007 en we beginnen een idee te krijgen van de sociale gevolgen van deze crisis. Bovenstaande cijfers die Krugman ons geeft zijn gebaseerd op de mensen in de VS die niet aan het werk zijn en actief werk zoeken. Nemen we de brede definitie van werkloosheid, namelijk geen werk hebben, en we komen op 24 miljoen mensen zonder job. Bovendien is een opvallend kenmerk van de werkloosheid in dat land na de crisis, dat het langdurige werkloosheid betreft. 4 miljoen Amerikanen zijn meer dan een jaar werkloos, terwijl dat er voor de crisis slechts 700 000 waren. Kortom, de crisis maakt de werkloosheid structureel.

Wereldwijd zien we, zelfs al voor het uitbreken van de crisis, de groei van wat Guy Standing “the new dangerous class” noemt: het precariaat. Van de neoliberale dogma’s moeten werkgevers ongehinderd hun zin kunnen doen in hun honger naar winst. Dat betekent in de feiten dat we al meer dan twee decennia toegenomen flexiblisering en druk op de lonen te slikken krijgen. Werkgevers eisen loonmatiging, afschaffing van het minimumloon, afschaffing van de indexering, initieel interimarbeid en vandaag ook minijobs. De macht van de vakbonden is hen een doorn in het oog. Deze eisen worden dan ook nog eens politiek vertolkt en helaas niet alleen door de rechterzijde. Ook aan de linkerzijde zien we vertolkers van deze neoliberale eisen. Ze doen dat echter wel in naam van de werkende mens: de welvaart zou enkel op deze manier gered kunnen worden, zo heet het dan.

Het gevolg van deze hegemonie van het neoliberalisme is de groei van een wereldwijde nieuwe klasse. Deze klasse-in-wording is een kind van de politiek van deregulering en re-regulering die er op gericht is om de sociale en collectieve belangen te omzeilen “omdat ze in de weg staan van de concurrentie”. De tijdelijke arbeidscontracten en het gebrek aan sociale bescherming die hieruit voortvloeien zijn een belangrijke oorzaak van precarisatie. Een centraal kenmerk van het precariaat is de sociaaleconomische onzekerheid waarin ze leven. Concreet hebben ze geen/weinig arbeidszekerheid (interim -of seizoensarbeid, flexibele arbeidscontracten zonder voorwaarden… ), geen zeker sociaal inkomen (noch vanuit de werkgevers, noch van de staat) en ze hebben geen werkidentiteit.

Krugman – niet bepaald een extreemlinkse rakker – stelt zeer expliciet dat deze crisis het gevolg is van een verwrongen ideologie. Niet de reële economie en de welvaartsproductie ligt ten grondslag van deze ideologie, maar de productie van winst en onvoorstelbare kapitaalvergaring van een minuscule elite ten koste van het overgrote deel van de wereldbevolking. De gevolgen van deze onstilbare winsthonger worden vandaag overvloedig geïllustreerd: een economische depressie die enkel haar voorgaande kent in de Grote Depressie van de jaren dertig. Een sociale crisis, want de mensen die vandaag in de werkloosheid sukkelen dragen – zoals Krugman terecht onderstreept – vaak de rest van hun leven de gevolgen van. Die sociale crisis blijft niet beperkt tot het leven van individuen, het raakt hele samenlevingen. Zo zien we bijvoorbeeld in Griekenland een enorme opmars van het fascisme en een totale privatisering van de Griekse overheid.

Daar stopt het echter niet. De winsthonger heeft ook zeer grote ecologische gevolgen. Bedrijven die gedreven worden door deze blinde neoliberale logica verspelen ook de zo kostbare natuur. Denken we maar aan de vele olierampen die we de laatste decennia meegemaakt hebben. De eindeloze productie van wegwerpproducten en het gebrek aan investeringen in een duurzame economie zorgen al decennia voor steeds verder opwarmen van de aarde. En ook hier zien we vandaag de desastreuze gevolgen van het kapitalistisch systeem.

De crisis van de democratie

Deze financiële, economische, sociale en ecologische crisissen zijn niet los te koppelen, noch te begrijpen, zonder de crisis van de democratie in rekening te brengen. Immers, in een democratie staat de economie niet los van de politiek. Deze economische politiek is geen nieuw gegeven en ze is maar gevoerd kunnen worden omdat het verzet er tegen te zwak is. De politieke linkerzijde, het middenveld en de democratisch burger hebben gefaald. Ze hebben toegelaten dat de economie los gekoppeld werd van de politiek. Ze hebben zich in de luren laten leggen.

En helaas is dat stadium nog niet voorbij. De neoliberale dogma’s kennen niet alleen hun spreekbuizen over het hele politieke spectrum, die dogma’s zijn al jaren vertaald in de materiële wereld en bepalen ondertussen de horizonten van velen. ‘Dat is nu eenmaal zo’, zo klinkt het uit de monden van velen. ‘De oudere generatie heeft boven hun stand geleefd’, zoals de jongerenvoorzitter van CD&V het stelt en dus moet de staat ontvet worden, de loonlasten moeten dalen en topmanagers moeten veel verdienen want anders hebben we niet ‘de beste managers’. Nochtans zijn deze platitudes helemaal niet zo evident als sommigen bepleiten. Het zijn geen natuurwetten. Het zijn ideologische posities met desastreuze gevolgen voor het gros van de bevolking. Alleen herkennen we ze vaak niet meer als ideologisch rampscenario’s. De ‘gewone man’ ligt er vaak niet wakker van, dergelijk nieuws haalt geen hoge kijkcijfers. Totdat het zijn fabriek is die sluit, totdat het zijn loon is dat als last wordt gezien. Dan komt verzet, maar dat verzet staat vaak alleen, want iedereen is bang zijn job te verliezen.

Ziehier, het failliet van de democratie en de linkerzijde in het bijzonder: gedepolitiseerde burgers die instemmen met platitudes die hun eigen belangen en de belangen van hun dierbaren schaden. De wereld is complexer dan ooit. Er is ook meer informatie dan ooit beschikbaar. Dat betekent echter niet dat we beter geïnformeerd zijn dan vroeger. Het betekent ook niet dat onze democratie steviger staat dan ooit en het betekent nog minder dat links sterker staat dan ooit. De opmars van het neoliberalisme loopt parallel met de teloorgang van de democratische mens en de linkerzijde. En een democratie zonder wakkere democratische burgers is in de feiten geen democratie meer. Daar knelt vandaag ook het schoentje.

De neoliberale logica heeft niet alleen de politiek geïnfecteerd, het heeft ook het onderwijs en de media in haar macht. Het onderwijs heeft dan niet meer tot taak om democratische burgers op te leiden, maar moet gespecialiseerde arbeidskrachten afleveren. Onze media zijn niet in eerste instantie gericht op het informeren van haar burgers, wat hun democratische taak is, maar wil die kijker kluisteren aan het scherm. Entertainment is dan ook meer en meer de regel, ook in informatieve programma’s. Als die democratische burger niet meer opgeleid wordt, en ook niet meer gedegen geïnformeerd, dat wordt die burger niet alleen een werkkracht, maar ook een speelbal. Meer nog, het raakt de democratie zelf in het hart.

Een democratie heeft opgeleide burgers nodig, die hun eigen positie zelfstandig kunnen analyseren. Die politici dagelijks onderwerpen aan kritiek en zo nodig in verzet gaan. De basis van een democratie is immers het idee dat we allen gelijk en vrij geboren zijn en dat politici nooit mogen ingaan tegen deze onvervreemdbare rechten. Democratie is dus niet los te koppelen van het idee van de universele mensenrechten: het recht op werk en op een eerbiedwaardig leven zijn daar dan ook onvermijdelijk deel van. Om te weten of we in een democratie leven dan wel een despotisch regime, of we vrij zijn dan wel onderdrukt, daarvoor is niet alleen gedegen en kwaliteitsvolle informatie noodzakelijk. We hebben dus ook democratische burgers nodig die op een constante basis die analyse voor zichzelf maken en zich zo nodig verenigen om politici tot de orde te roepen.

Die analyse maken is vandaag complexer dan ooit. De vraag die een verlichtingsdenker als Condorcet zich stelde in de 18de eeuw – namelijk of we onder een democratisch dan wel een despotisch regime leven – is niet meer te beantwoorden op nationaal niveau en ook niet louter op politiek niveau: het vereist een gelaagde en multidimensionale analyse. Het uitgangspunt van een dergelijke democratische analyse is het idee dat democratie een ideologie is. Een ideologie gegrondvest op het idee van onvervreemdbare rechten van elk individu. Dat betekent dat in een democratie iedereen gelijke rechten moet genieten en dat dit niet een gunst is die de staat geeft aan haar onderdanen, maar een recht dat eigen is aan het feit dat iemand mens is. Vertrekkende vanuit die premisse, dan zien we dat de idee van onvervreemdbare rechten eigen aan het individu geen feit is. In de praktijk stellen we vast dat die rechten weldegelijk vervreemdbaar zijn: ze hangen immers samen met je nationaliteit. En enkel als je nationaliteit samenvalt met je verblijf in die natie heb je je volle rechten, in alle andere gevallen ben je overgeleverd aan de willekeur van de natie op wiens grondgebied je woont.

Bovenstaande vaststelling heeft vergaande consequenties: we stellen vast dat de basis van een democratie, namelijk het gelijkheidsbeginsel, geen realiteit is. Immers enkel erkende nationale onderdanen genieten volledige rechten, migranten zijn daar in meer of mindere mate van uitgesloten. In tijden van superdiversiteit betekent dit dat er in feite maar weinig democratieën meer zijn. We leven in een land waar mensen naar gelang hun afkomst andere rechten hebben. Sommige hebben al hun rechten, anderen ontberen sommige religieuze, economische of culturele rechten. We leven dus in samenlevingen die gekenmerkt worden door ongelijkheid.

Die ongelijkheid beperkt zich niet tot een ongelijkheid in rechten, maar heel duidelijk zien we ook een steeds grotere sociaaleconomische ongelijkheid. En dan komen we onvermijdelijk tot de vaststelling die ook Luc Huyse maakt, namelijk dat we geen democratische controle hebben over onze economie. Na drie decennia wordt duidelijk dat onze democratie dus heel duidelijk gehandicapt is. Die democratie zit vast op een nationaal niveau, wat meteen ook duidelijk maakt dat wat we ‘de’ economie noemen dan ook aan democratische controle ontsnapt. De democratische keuze van de burger heeft geen invloed op de economische politiek, want de hefbomen van die politiek zitten niet meer op nationaal niveau. De macht van multinationals is globaal van aard en de politiek–economische beslissingen worden genomen op Europees niveau of in ondemocratische clubjes als het IMF en de Wereldbank. Wanneer we een democratische analyse maken van onze eigen positie dan blijkt dat we politiek gezien wel mogen stemmen, maar dat dit op economisch vlak weinig veranderd. In die zin zijn we met zijn allen overgeleverd aan de grillen van ‘de economie’.

Deze analyse toont vooral dat we puur politiek gezien wel in een democratie leven, maar dat die democratie niet mee geëvolueerd is. Meteen wordt ook duidelijk dat de economische crisis per definitie ook een ecologische en politieke crisis is. Meer nog: het is volgens mij fundamenteel een politieke crisis, in die zin dat we afgeleerd hebben om te denken over politieke economie. Dit leert ons drie zaken: 1. De democratische burger is niet meer, 2. Democratie is universeel of is het niet en 3. Niet alleen politiek kan onderdrukken, ook de economie kan onderdrukken. Als we dus willen werken aan een toekomstproject, aan een democratie waar het goede leven voor eenieder centraal stelt, dan moeten we in eerste instantie bouwen aan democratische mensen. Dat houdt in dat we mensen opleiden tot democratische mensen en niet tot werknemers. Politiek is dan ook meer dan ooit van cruciaal belang. Want als de ruimte van de politiek versmalt, dan vergroot voor anderen de ruimte om macht uit te oefen. Dat is – in enkele simpele pentrekken –  een schets van wat in de laatste decennia gebeurd is.

Van valse oplossingen naar een Politicus of Paradise

Vanuit bovenstaande analyse wordt meteen duidelijk dat nationalisme en meer neoliberalisme geen antwoorden zijn op deze crisissen, wel integendeel. Als we in deze tijden onze democratie naar een kleinere schaal verhuizen (Vlaanderen) dan gaan we de tegenovergestelde richting uit. Dan zullen onze politici niet meer, maar net minder in de pap te brokken hebben ten aanzien van de economische politiek. En ook vanuit een rechtenperspectief biedt deze kleine schaal geen meerwaarde in tijden van superdiversiteit. Het mag duidelijk zijn: onze democratie moet een schaalvergroting kennen. Ze moet uitgebreid worden naar Europa en uiteindelijk zelfs de wereld. Onze democratie moet immers macht kunnen uitoefenen op dezelfde schaal waarop multinationals opereren. De schaal van onze democratie verkleinen kan enkel maar zorgen voor neoliberaal beleid of een verscherping van dat neoliberaal beleid, ze biedt echter geen enkel alternatief voor de huidige crisissen, maar biedt meer van hetzelfde.

Meer van hetzelfde, dat is wat we sinds 2008 meemaken. Waar politici zich stoer op de borst klopten bij het begin van deze economische depressie dat zoiets nooit meer mocht gebeuren, zien we het tegenovergestelde. Meer neoliberalisme, dat is wat we gekregen hebben in de laatste jaren. Niet alleen mag de werkende bevolking in België maar ook in Griekenland de factuur betalen van de winsthonger van de banken, we krijgen daarenboven nog eens besparing na besparing te verduren. Krugman stelt terecht dat dit de snelste weg is naar een herhaling van 2008. De nationale en Europese overheden zijn ons kapot aan het besparen en degene die breed lachen zijn opnieuw de banken en grote multinationals. De strijd van Meyrem Almaci rond het dossier Dexia is dan ook een uiterst noodzakelijke strijd, die helaas te weinig steun vindt bij de andere partijen. Peter Mertens heeft dan ook gelijk dat er al jaren een grote hold-up bezig is en dat dit gebeurt onder onze ogen. Vandaag besparen de Grieken zich kapot, neemt de Europese Bank de waardeloze schuldpapieren van Griekenland over van de banken. En de banken, die maken terug winst op de kap van het volk.

Dat er iets moet veranderen mag ondertussen duidelijk zijn. Meer nog, er dient behoorlijk wat te veranderen. Het is hoog tijd dat de linkerzijde haar historische opdracht terug opneemt en inzet op eenpolitics of paradise. Concreet: net zoals de radicale verlichtingsdenkers twee eeuwen terug hun ideeën inzetten om een betere wereld te creëren, zo is dat ook vandaag onze opdracht. En die droom van een betere wereld is opmerkelijk gelijkaardig: het gaat over de creatie van een wereld waar de universele mensenrechten niet dienen om ons op de borst te kloppen, anderen uit te sluiten en oorlogen te legitimeren. Integendeel: het gaat erom die mensenrechten te realiseren voor elkeen op deze planeet. De opdracht die voor ons ligt, is dezelfde die de radicale verlichtingsdenkers wilden uitvoeren. Hun strijd is lang niet gestreden.

Centraal in die strijd staat het idee dat we allemaal vrij en gelijk geboren worden met onvervreemdbare rechten. Die strijd is onvermijdelijk een strijd die vertrekt van een universeel perspectief en per definitie antinationalistisch. In tijden van globalisering en superdiversiteit kan het niet zijn dat onze rechten afhangen van onze nationaliteit. Het onderwijs en de werkgevers vragen meer en meer dat we hypermobiel zijn: we moeten werken en studeren over de nationale grenzen heen, maar als we dat doen dan verliezen we telkens een aantal van onze rechten. Als we in een ander land wonen dan verliezen we vaak niet enkel onze politieke rechten, maar bijvoorbeeld ook onze pensioenrechten. Dat vereist natuurlijk een politieke strijd op een supranationaal niveau. Het betekent dan ook dat de linkerzijde zich moet organiseren en verenigen op dat supranationaal niveau rond een strijd voor democratische schaalvergroting: eerst op Europees niveau, later op wereldniveau. Dat is een verderzetting van de strijd van radicale verlichtingsdenkers. Zij zagen democratie immers als een systeem om de universele mensenrechten te realiseren: democratie en een universele strijd was van meet af aan de bedoeling. De radicale verlichtingsdenkers spraken niet zomaar over een generale revolutie, een revolutie die hele wereld in haar ban zou nemen.

Die universele democratische strijd is op de lange termijn niet alleen de enige mogelijkheid om die droom van de universele mensenrechten realiseren, het is ook de enige mogelijkheid om terug democratische controle te verwerven over de losgeslagen economie. Het idee dat we een duurzame economie zullen hebben door alles maar aan de markt over te laten dat is een illusie. De markt stelt winst centraal, niet het algemeen belang. Als we dus een ecologisch duurzame economie willen verkrijgen, dan zal dat niet spontaan door de markt gebeuren: we moeten er dus democratische controle over kunnen uitoefenen. Vandaag spelen multinationals echter met veel gemak landen tegen elkaar uit, van democratische controle is geen sprake. Meer nog, die multinationals spellen de nationale overheden niet zelden de les.

Het mag duidelijk zijn dat niet de waan van de dag, maar net de lange termijn centraal moet staan in deze strijd. En die lange strijd begint zoals altijd bij een democratische mens. Het onderwijs mag dus niet herleid worden tot een fabriekje die werknemers produceert, maar moet onze jongeren opleiden tot democratische burgers. Burgers die het belang kunnen inschatten van een democratie, maar die zich vooral bewust zijn van hun rechten en uitgerust worden met de kennis om hun eigen positie in de samenleving en in de wereld te analyseren. Verzet, sociale en politieke strijd zijn dan geen vieze woorden of oubollig, maar nemen terug de kern in van de democratische ideologie. Het strijden naar een betere wereld is een strijd van ons allen.

Dat betekent meteen ook dat onze media moeten onttrokken worden aan de commerciële logica: niet de kijkcijfers moeten het kwaliteitscriterium zijn, maar de wijze van informeren is van belang. Dat media entertainment bieden is op zich geen probleem, maar de media moeten ons ook toelaten ons diepgaand te informeren. De kwaliteit van de democratie hangt af van de wijze waarop democratische burgers geïnformeerd zijn en hoe ze die informatie analyseren. Kwaliteitsvolle media die ons diepgaand informeren over onze democratische belangen zijn dan ook een conditio sine qua non voor een gezonde democratie.

In het kort moet de politiek linkerzijde terug een groot verhaal ontwikkelen: een echt alternatief toekomstproject. Dat toekomstperspectief moet geen utopie zijn, maar moet gebaseerd zijn op kennis van de reële mogelijke alternatieven. Wallerstein noemt dit de nood aan een utopistiek. Utopistiek is volgens de gerenommeerde socioloog niet zomaar een woordspelletje. Terwijl een utopie per definitie verwijst naar iets wat nergens bestaat, wil Wallerstein met zijn pleit voor een utopistiek nadenken over historische alternatieven. In de rijke traditie van de radicale verlichtingsdenkers pleit hij voor wetenschap die ten dienste staat van de creatie van een nieuwe, betere samenleving. Via de utopistiek zouden volgens Wallerstein serieuze analyses moeten gemaakt worden van de historische alternatieven die mogelijk zijn. De utopistiek moet dus niet de perfecte en onvermijdelijke toekomst uittekenen, maar betere, rechtvaardige alternatieven uitdenken die historisch mogelijk zouden kunnen zijn. Geen determinisme bestaand uit een onafwendbaar hemel op aarde, maar politiek, wetenschap, moraal en sociale actie die samenvloeien in een streven naar een betere samenleving.

Politieke partijen aan de linkerzijde moeten dan ook weer meer soortelijk gewicht geven aan hun studiediensten, aan linkse denktanks zoals de Vooruitgroep of Oikos. Het is pas wanneer we onze geschiedenis kennen en niet meer bang zijn om intellectuele arbeid te verrichten om kritische en empirische analyses te maken van de huidige realiteit dat we ruimte zullen vinden om realistische alternatieven uit te denken. En het is pas wanneer we dergelijke alternatieven kunnen denken dat we ervoor kunnen strijden. Er is dus denkwerk én sociale en politieke strijd nodig. Die betere wereld zal er niet vanzelf komen. We zullen er, net zoals in het verleden, verdomd hard voor moeten strijden. We starten dan ook beter vandaag dan morgen.

Ico Maly

Deze tekst is de basis voor de speech van Ico Maly tijdens het zomerweekend van Groen!  

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen (Universiteit Tilburg), licentiaat in de Vergelijkende Cultuurwetenschappen en post-licentiaat in de Ontwikkelingssamenwerking, optie politiek en conflict (Universiteit Gent). Hij publiceert al jaren over beeldvorming, racisme, nationalisme, (super)diversiteit, democratie en de strijd voor vrijheid en gelijkheid. Hij is coördinator van Kif Kif en schreef o.a. N-VA | Analyse van een politieke ideologie (EPO, 2012) en De beschavingsmachine. Wij en de islam (EPO, 2009). Onder zijn redactie verscheen eerder Cultu(u)rENpolitiek, dat in 2008 de publieksprijs van boekhandel De Groene Waterman won. Samen met Jan Zienkowski was hij redacteur van het e-boek: “Het rijpen van de geesten” (Kif Kif).