De dood van het politieke interview

Maurice_De_Wilde

Is het politieke interview dood, vragen ze zich af bij Hautekiet. Uiteraard is dat politieke interview dood. Niemand die dat ook tegenspreekt, maar men loopt wel netjes rond de olifant. Het politieke interview is niet zozeer dood omdat het niet meer fris klinkt of spannend is. Het is ook niet zozeer dood omdat de politicus mediatraining heeft gehad of debatfiches ter beschikking heeft en daardoor zichzelf niet meer aan de galg praat. Het is dood omdat het interview geformatiseerd is en gecommodificeerd. Het is dan ook al langer dood, het is zachtjes en traag maar zeker doodgeknepen in de laatste decennia. Een politiek interview moet niet spannend zijn, het moet ook niet snel of sappig zijn, het moet de kijker, lezer of luisteraar informeren. En net dat is al lang niet meer het geval: het interview reproduceert propaganda.

De redenen daarvoor zijn lang niet alleen bij de politicus te zoeken of de mediatrainers (al maakt dat de zaak er niet beter op), maar bij de productievoorwaarden van het interview zelf. Een interview is vandaag een performance van 5 minuten op radio en televisie en wordt afgenomen door een interviewer die in het beste geval 1 dag (wat vrij utopisch is vandaag) voorbereidingstijd heeft gehad. Dat betekent dat de interviewer de beleidsnota’s, de andere interviews en alle andere materiaal niet heeft gelezen. Dat materiaal zou zijn vragen scherper en relevanter kunnen maken en het zou de journalist toelaten propaganda-antwoorden te doorprikken. Het betekent ook dat de journalist geen wetenschappelijke literatuur heeft geraadpleegd , laat staan dat de journalist interviews heeft afgenomen met andere mensen (middenvelders, partijgenoten, andere journalisten) om zijn interview met de politicus te verdiepen, om inhoudelijk sterk te staan, onzin en propaganda te doorprikken.

Zo haalt men het ondertussen legendarische interview aan tussen De Vadder en Leterme in de Zevende Dag als illustratie van het feit dat de politicus schuld treft aan de dood van het politieke interview. De ironie wil dat Leterme daar effectief een inhoudelijk antwoord geeft op de vragen van De Vadder, en dus geen debatfiche aframmelt of de lesjes mediatraining reproduceert. Dat fragment is inderdaad een illustratie van de dood van het politieke interview, maar om heel andere redenen. Het toont de extreme formatering van het politieke interview: de politicus mag maar 1 minuut en dertig seconden praten vooraleer hij onderbroken wordt. Zie hier de dood van het politieke interview: iedere nitwit kan antwoorden van  1 minuut 30 seconden debiteren die op een debatfiche staan.

In de evaluatie van het politieke interview wordt vandaag niet zozeer de inhoud van wat gezegd wordt beoordeeld, maar wel de vorm. Het moet sappig, spannend en nieuw zijn. Een goed politiek interview is dan een interview waarin de interviewer ‘hard’ overkomt  en de politicus schijnbaar hard wordt aangepakt. Korte en harde vragen, snel onderbreken en verdacht-makende herformuleringen worden dan gezien als een goed en scherp politiek interview. En net dat is de dood van het politiek interview, want ze doodt de inhoud, de informatie. We leren daar niets mee.

Kortom, de dood van het politieke interview is oud nieuws. De voorbeelden die in Hautekiet aangehaald werden van interviews uit de ‘goede oude tijd’ tonen dat men binnen die context een heel vreemd beeld heeft van een ‘goed politiek interview’. Ik dacht dat we gingen getrakteerd worden op een vintage Maurice De Wilde, een journalist die weken zo niet maanden onderzoek deed vooraleer hij zijn interviews voor uitzending opnam. Wat hem toeliet om die geïnterviewden inhoudelijk het vuur aan de schenen te leggen.

De dood van het politieke interview is het gevolg van de enorme commercialisering en formatisering van het medialandschap. Die evolutie heeft media-politici gebaard die inspelen op die nieuwe realiteit. De BV’s werden politicus en de politici werden BV. Iedereen genoot mediatraining en dat volstaat om je 5 minuten lang als sympathieke pee te verkopen en je programma voor te stellen als goed voor iedereen. En de journalist? Die heeft geen tijd om dat verhaal te onderwerpen aan kritische vragen. Ziedaar de dood van het politiek interview.

Advertisements

[In Knack] De politieke machine van N-VA hapert

Het N-VA-model is tot in de puntjes uitgewerkt: een robuuste ideologie met een heel lange geschiedenis, verpakt in soundbytes die klaar zijn om opgenomen te worden in de massamedia, zegt Ico Maly. Hun communicatie was hun sterke punt, maar blijkt nu de achilleshiel te bevatten. 

Onder het voorzitterschap van Bart De Wever werkte N-VA als een goed geoliede communicatiemachine. De Wever verscheen altijd ongemeen goed voorbereid aan de debattafel. De wonden van de tegenstrevers waren gekend en de oneliners, metaforen en hyperbolen die erin gestrooid werden, waren vaak meer zoutzuur dan zout. De partij genoot ook van een ‘état de grâce’. Een misstap of overmoedigheid konden nog weggelachen worden met een kwinkslag hier en daar of een guitig lachje. Die tijd lijkt na dit weekend voorbij. De vertoogmachine van N-VA begint serieus te sputteren en dat is ook af te lezen aan de peilingen.

Het communicatiemodel van De Wever en zijn partij is simpel maar duidelijk. N-VA spreekt vanuit de underdogpositie (ook al zitten ze al jaren aan de beleidstafel) en keren zich tegen ‘de elite’. De partij stelt zich bij momenten zelfs op als een activistische middenveldorganisatie. In het vizier liggen de PS, de zogenaamde linkse kerk en uiteraard ook de vakbonden en de mutualiteiten. Zij liggen in de weg om Vlaanderen om te vormen tot een neoliberaal werkgeversparadijs. De opeenvolging van N-VA-acties naar het middenveld spreekt boekdelen.

Zo rijdt N-VA in 2005 onder leiding van De Wever met 12 camions vol namaakgeld naar Wallonië om de ondoorzichtige ‘transfers’ aan te klagen. In wezen heeft men hier natuurlijk de interpersoonlijke solidariteit in het vizier. De aanval van N-VA op het ACW was nooit gezien in ons land. Een politieke partij die open en bloot in de juridische aanval gaat tegen een vakbond. Ook hier vaart de partij onder de vlag van openheid en transparantie, maar het verzwakken van dit kritisch middenveld is de ware betrachting. Het is ook geen toeval dat Zuhal Demir er weer als de kippen bij was om te trachten de meer-uitkeringen van de RVA in de schoenen te schuiven van de vakbonden. Net zoals het geen toeval was dat de ondervoorzitter van N-VA Kaprijke Baeke vanuit zijn functie bij het Vlaams Huisartsensyndicaat een aanval inzette op de socialistische mutualiteiten.

N-VA doet aan politiek in een gramsciaanse zin: de geesten van de mensen moeten worden veroverd. Als we met zijn allen overtuigd zijn dat het middenveld corrupt is, dan houdt niemand N-VA tegen om dat middenveld te muilkorven. Communicatie in en via de (massa)media is voor N-VA dan ook van cruciaal belang. Het N-VA-model is tot in de puntjes uitgewerkt: een robuuste ideologie met een heel lange geschiedenis, verpakt in soundbytes die klaar zijn om opgenomen te worden in de massamedia. De Wever communiceerde bovendien niet alleen puur politiek, hij en zijn kompanen investeerden ook sterk in de communicatie van identiteit. De Wever is de man die het kan, die zowel in zijn privé als in de politiek de moed en de kracht had om alles te veranderen. N-VA eigent zich een imago aan van rechtlijnig, moreel en doortastend. Een partij die tegen de stroom in durft gaan, die echte verandering zal realiseren voor de mensen.

Vandaag blijkt dat net in die communicatiemachine de achillespees zit. De identiteit die N-VA zich aanmeet, botst steeds meer met hun politieke communicatie en praktijk. Niet alleen de goedlachse De Wever maar ook de onelinerspuwende De Wever die tegen de establishmentstroom ingaat is verdwenen. De Wever en zijn N-VA zijn vandaag zelf de macht en ze lopen er wat verzuurd bij. Het wordt steeds meer mensen duidelijk dat die kracht van verandering op de meeste vlakken geen verandering ten goede is. In tijden van crisis keer op keer de vakbonden viseren terwijl Jan Jambon de frauderende diamantairs de handen boven het hoofd houdt, maakt natuurlijk duidelijk dat de verandering die N-VA op het oog heeft niet meteen een sociale verandering zal zijn. De besparingen in het kritische middenveld bevestigen dat nogmaals. De puinhoop in Turnhout is niet meteen goede reclame en in Aalst bespaart men 20% op de overheidsdiensten, maar investeert men wel sterk in Vervlaamsing. De verandering betekent in de praktijk een verarming op alle mogelijke vlakken.