[Voorsmaakje] Mensenlandschappen in de 21ste eeuw

Het einde van de jaren 80 en het begin van de jaren 90 van vorige eeuw luidde een decennium in vol veranderingen op wereldschaal. We zagen niet alleen de instorting van het Sovjetrijk en de communistische regimes in Oost-Europa, het is ook in die jaren dat de wereld de val van het apartheidsregime in Zuid-Afrika aanschouwt, dat China zich inschakelt in de kapitalistische wereldeconomie, dat India sterke economische hervormingen doorvoert, en dat de EU met het Verdrag van Maastricht de binnengrenzen opent. Het zijn ook de jaren waarin ‘the coalition of the willing’ ondersteund door een gigantisch propaganda-initiatief de tweede Golfoorlog opstart.[1] CNN was in enkele weken een fenomeen en introduceerde de globaal gemediatiseerde samenleving. Het neoliberalisme kreeg in die periode meer en meer voet aan de grond. In verschillende Europese landen raakt het thema van migratie gepolitiseerd (en gepolariseerd, door de opkomst en doorbraak van extreemrechtse partijen), en maakt het integratiedebat opgang. De korte tijdspanne waarin we al deze immense politiek-economische veranderingen waarnemen is een goede illustratie van het schokeffect dat de wereld ondergaat vanaf 1989.[2]

1989 luidt een nieuwe fase in van de globalisering: de neoliberale globalisering. Globalisering, migratie en diversiteit zijn op zich geen nieuwe fenomenen. De globalisering is eeuwenoud en mensen migreren al van oudsher. Wat we de moderniteit noemen is in essentie een periode van globalisering. De verlichting, het kapitalisme en het kolonialisme zijn allemaal geglobaliseerde fenomenen. En toch leven we in nieuwe tijden. Wat deze tijd nieuw maakt is de intensiteit, de snelheid, de kwaliteit en kwantiteit waarmee deze fase van de globalisering zich ontplooit. In die jaren 90 zien we de doorbraak van een heel nieuwe wereldorde en dat heeft meteen materiële gevolgen. Onze wereld krijgt een nieuwe structuur. Sommige grenzen vervallen, andere worden makkelijker over te steken. Maar er worden ook nieuwe grenzen opgetrokken. Dit alles vertaalt zich onder andere in heel nieuwe migratiepatronen en migratietrajecten. De gevolgen van deze nieuwe realiteit zijn fundamenteel. De veranderingen in de mensenlandschappen van de 21ste eeuw gebeuren niet in een vacuüm maar zijn steeds meer globaal geconnecteerd. De homogene natie is vandaag meer dan ooit pure fictie, we leven in tijden van superdiversiteit.

De methode
Superdiversiteit is het voorsmaakje van de wereld van morgen. Veranderlijkheid, hypermobiliteit, complexiteit en geglobaliseerde connectiviteit zijn er kernwoorden van. Wat vandaag is, kan morgen evengoed weer verdwenen zijn. We leren dan ook maar beter nu wat die superdiversiteit met zich meebrengt en hoe we die nieuwe realiteit kunnen zien als een hefboom voor een betere en rechtvaardigere wereld voor iedere mens. De basis van een adequaat beleid is zoals altijd een gedegen beschrijving en analyse van deze nieuwe realiteit.

De centrale doelstelling van dit boek bestaat er dan ook uit om die complexiteit in kaart te brengen en een kader aan te reiken om die nieuwe realiteit verstaanbaar te maken. Hiervoor vertrekken we vanuit de methode van Linguistic Landscape research of taalkundig landschapsonderzoek. In deze relatief jonge onderzoekstraditie wordt taal niet gezien als iets dat zich louter manifesteert in de hoofden van mensen, in teksten voor institutionele consumptie of in interactie tussen mensen, maar als een inherent deel van onze fysieke omgeving. Zeker in urbane contexten zijn we constant omgeven door taal.[3] Reclameborden trachten ons te verleiden om zaken te kopen, vitrines lokken ons in winkels, verkeersborden geven ons richtlijnen, posters nodigen ons uit, graffiti ’s en tags trekken onze aandacht, … Maar ook het soort architectuur, de wijze waarop gebouwen aangekleed zijn, de geluiden die we horen maken allemaal samen de betekenis die we toekennen aan een wijk, een plaats.[4]

Taal en taalgebruik worden hier gehanteerd als een instrument om de realiteit empirisch in kaart te brengen. Centraal in onze benadering van taalkundig landschapsonderzoek staat taal-in-beweging. De nadruk ligt op het in kaart brengen van de complexiteit en veranderlijkheid, op meertaligheid en migratie, op gelaagdheid van wijken en stratificatie in deze wijken. Het taalkundig landschap-onderzoek injecteren we daarom met etnografie.[5] De redenen hiervoor zijn simpel. We kunnen de verschillende talen en taaluitingen in een wijk niet begrijpen zonder ze in een bredere context te plaatsen. Die context is per definitie een complexe, gelaagde en gestratificeerde context. De fysieke ruimte is immers ook altijd een sociale, culturele en politieke ruimte: een ruimte die zaken aanbiedt en mogelijk maakt, die aanzet tot bepaalde patronen van sociaal gedrag, daartoe uitnodigt of dat gedrag zelfs voorschrijft of net verbiedt. Een ruimte is dus nooit een niemandsland, maar altijd iemands ruimte. Het is een historische ruimte en dus steeds een ruimte vol codes, verwachtingen, normen en tradities. Elke ruimte is een ruimte van macht die gecontroleerd wordt door sommige mensen en dus ook sommige mensen controleert.

Bovendien is er niet één centrum in een stad of een wijk, maar zien we onze steden beter als polycentrisch en elk van die centra (school, administratie, pleintje, slager, ….) stelt verschillende verwachtingen ten aanzien van haar gebruikers.[6] Als je spreekt met je baas of met de politie, dan wordt je verondersteld om je anders te gedragen en anders te spreken dan tijdens een scherp cafégesprek met een goede vriend. Als we de wijk die we bestuderen willen begrijpen kan het fotografisch in kaart brengen van die wijk slechts een startpunt zijn. We beperken ons dus niet een ‘snapshot’ –onderzoek.

Het in kaart brengen van de verschillende talen in verschillende omgevingen met verschillende functies voor verschillende gebruikers binnen één wijk is louter het startpunt van ons onderzoek. Daarom zijn we als ‘antropologen’ aan de slag gegaan in de wijken. Bovendien zijn we geen buitenstaanders die even aan participerende observatie doen en daarna de wijk achter ons laten. De wijken die we bestuderen zijn ook de wijken waar we al jaren in leven en/of werken. Dat is van belang omdat we zo een langere termijn perspectief hebben op de ontwikkelingen in deze wijken. Dat betekent echter niet dat we de wijk louter ‘kennen’ als gebruiker, we hebben ze ook ervaren als bewoner, en we hebben er onze eigen zone van belangenbehartiging in gesitueerd. Dit boek is zo gezien weldegelijk ook een lange termijn onderzoeksproject geworden. Deze unieke combinatie van gebruiker, bewoner, belanghebbende en onderzoeker laat ons toe om de complexiteit van de wijk in kaart te brengen, zowel in haar ‘objectieve’ als in haar ‘subjectieve’ dimensies. De etnografische methode stelt ons in staat om strikt empirisch te werk gaan. We werken van onderen uit: we brengen in kaart wat er is en werken vandaaruit naar boven.

Dit boek
We schrijven dit boek vanuit een nieuw perspectief omdat we denken dat de huidige blik van politici en beleidsmakers op de samenleving niet alleen hopeloos verouderd is, maar omdat ze ook meer en meer uiterst negatieve effecten genereert. In het eerste hoofdstuk duiden we superdiversiteit als een nieuw paradigma. We zijn van oordeel dat dit nieuwe paradigma veel nauwkeuriger de huidige realiteit in kaart brengt en dus ook veel beter geschikt is als basis om na te denken over een sterk beleid. In dit eerste hoofdstuk schetsen we de globale en lokale context waarin superdiversiteit geboren wordt. De nadruk ligt er op het feit dat superdiversiteit een empirisch gegeven is.

Vervolgens valt het boek uiteen in twee grote delen die nauw verbonden zijn met elkaar. In het eerste deel beschrijven we hoe die superdiversiteit zich manifesteert in ons land. In eerste instantie lijsten we hiervoor een aantal cijfers en empirische gegevens op over die superdiversiteit en tonen de effecten van deze fase van de globalisering op de bevolkingssamenstelling en de infrastructuur van België in het algemeen. Maar er is meer, we duiden aan de hand van concrete voorbeelden hoe de bestaande cijfers over afkomst, religie en taal onvermijdelijk leiden tot een enorme simplificatie van de realiteit. Superdiversiteit rijmt op complexiteit en het is die complexiteit die we moeten begrijpen willen we een gedegen beleid kunnen voeren.

Om die complexiteit te begrijpen en te duiden gaan we vervolgens in de diepte. Elke auteur bekijkt telkens één wijk in één stad door de lens van die superdiversiteit. Joachim Ben Yakoub brengt de wijk rond de Fortstraat in Brussel in kaart. Ben Yakoub analyseert hoe de historische migratiestromen zich settlen in Sint-Gillis en in de Fortstraat in het bijzonder. Hij toont aan hoe die verschillende fases van migratie een gevolg zijn van zowel globale als lokale beslissingen en gebeurtenissen. Bovendien schetst hij hoe ze resulteren in een gelaagde, gestratificeerde en geglobaliseerde gemeente.

Ico Maly zoomt dan weer in op de buurt rond de Wondelgemstraat in de 19de eeuwse gordel van Gent. Maly toont de historische lagen van de buurt rond de Wondelgemstraat en beschrijft de straat als een ruimte waarin heel veel verschillende schaalniveaus interveniëren. Enkel als we die verschillende schaalniveaus in rekening brengen, kunnen we de samenstelling van de wijk begrijpen, zo besluit hij zijn onderzoek.

Jan Blommaert toont ons zijn oud Berchem in Antwerpen als een wijk vol verandering en complexiteit. Blommaert zoomt in op wat de samenhang in oud Berchem genereert. De wijk is arm en superdivers. Vanuit de gangbare paradigma’s zou dat moeten resulteren in ‘onleefbaarheid’. Dat is echter niet het geval. Blommaert verklaart hoe dat komt.

Het is vanuit die empirische oefening in het eerste deel van het boek dat we in het tweede deel kijken naar wat de effecten zijn van het huidige beleid op die superdiverse realiteit. Het ontstaan van superdiversiteit heeft een sterke impact gehad op het beleid ten aanzien van migratie en diversiteit.[7] Het is immers in de jaren dat we superdiversiteit zien ontstaan dat er voor het eerst een migratie-, asiel- en integratiebeleid tot stand komt in België. Als inleiding op dit tweede deel contrasteert Ico Maly in hoofdstuk 6 de realiteit van superdiversiteit en de multiculturele consensus die door politici en journalisten uitgedragen wordt.

Ico Maly en Jan Blommaert tonen in hoofdstuk 7 hoe de opkomst van superdiversiteit parallel loopt met opkomst van nationalisme en neoliberalisme. Beide ideologieën krijgen hun vertaling in het integratie-en migratiebeleid en leiden –ondanks de mooie emancipatievlag waaronder dit beleid vaart- de facto tot ongelijkheid en een ondermijning van de democratie.

In hoofdstuk 8 schetst Ico Maly de contouren van een toekomstperspectief op een goede samenleving, een samenleving die de superdiversiteit een plaats geeft terwijl ze de democratie opbouwt en verdiept. Hiervoor gaat hij kijken naar wat we kunnen leren van de geschriften van de radicale verlichtingsdenkers over democratie en universele mensenrechten.

Jan Blommaert besluit dit boek in hoofdstuk 9 met de vaststelling dat ons denken over de samenleving anachronistisch is. De samenleving, de wereld is grondig veranderd de laatste decennia, maar het denken over die wereld gebeurt nog altijd in de termen van het verleden. Hij houdt dan ook een pleidooi om de oude vormen en gedachten te laten sterven.

Het mag duidelijk zijn. De oefening die voor ons ligt is zowel antropologisch, historisch, sociologisch, sociolinguïstisch, filosofisch en onvermijdelijk ook politiek van aard. Politiek niet alleen door het thema an sich, maar ook politiek in de gevolgen en de doelstellingen van dit onderzoek. We gaan na aan welke voorwaarden een toekomstig beleid moet voldoen willen we werken aan een rechtvaardige samenleving, een democratie die zijn basisprincipes niet verloochend en dus effectief werk maakt van een samenleving waar eenieder effectief kan genieten van zijn onvervreemdbare rechten Vooraleer we kunnen nadenken over politiek en beleid in tijden van superdiversiteit is het van belang dat we inzicht verwerven in die nieuwe realiteit.

Bronnen

[1] Maly, I. (red).(2007). Cultu(u)rENpolitiek. Over globalisering, media en culturele identiteiten. Garant: Berchem.
[2] Parkin, D. & Arnaut, A. (2012). Super-diversity & sociolinguistics – a digest. Working Paper:http://www.academia.edu/3851384/Super-diversity_elements_of_an_emerging_…
[3] Pennycook, A., Morgan, B. & Kubota, R.(2013). Series editors’ preface. In Blommaert, J. (2013). Ethnography, superdiversity and Linguistic Landscapes. Chronicles of complexity. Multilingual Matters. Bristol-Buffaolo-Toronto.
[4] Scollon, R. & Scollon, S.W. (2003). Discourses in place : language in the material world. London: Routledge. p.12
[5] Blommaert, J. (2013). Ethnography, superdiversity and Linguistic Landscapes. Chronicles of complexity. Multilingual Matters. Bristol-Buffaolo-Toronto.
[6] Blommaert, J., Collins, J. & Slembrouck, S. (2005). Spaces of multilingualism. Language and Communication 25, 197-216.
[7] Vertovec, S. (2007). Super-diversity and its implications. Ethnic and Racial Studies30 (6), 1024-1054.
Maly, I., Blommaert, J. & Ben Yakoub, J. (2014). Superdiversiteit en democratie. Epo: Berchem.
Blijf op de hoogte door de pagina van het boek te volgen: https://www.facebook.com/superdiversiteitendemocratie

 Image
Advertisements

Democratie in tijden van superdiversiteit

Over de nood aan utopistiek

“De multiculturele samenleving is failliet. In naam van de vrijheid geen hoofddoeken aan het loket. De islam bedreigt onze waarden. De tolerantiedrempel is overschreden. Er is dringend nood aan actie, de tijdbom tikt”, zo bulderen vele politici al jaren.

De multiculturele samenleving staat in onze mediadebatten al decennia synoniem met problemen. Het is echter niet de multiculturele samenleving die failliet is – die is immers een feit, of we dat nu leuk vinden of niet. Meer nog, we leven vandaag niet langer in een multiculturele samenleving, maar in een superdiverse samenleving. Niet die samenleving is failliet, maar het beleid ten aanzien van die superdiversiteit is bankroet. Het beleid resulteert al jaren in de feitelijke afbouw van onze democratie. De vaak hysterische mediadebatten fungeren zo als politiek-ideologische instrumenten voor de constructie van andere samenlevingen. In deze debatten rijgt men de ene sappige oneliner aan de andere hyperbool. Het multiculturele debat wordt in apocalyptische termen gevoerd. Het hoeft geen betoog dat dit ons weinig vooruit helpt. Dergelijk bombastisch taalgebruik is niet geschikt om onze samenleving empirisch te analyseren. Daarvoor hebben we een concreter en nauwkeuriger arsenaal nodig. Het is immers enkel door de complexiteit van de samenleving van vandaag te beschrijven en in rekening te brengen dat we kunnen werken aan een betere samenleving voor morgen.

In deze paper schets ik de contouren van een toekomstperspectief op een goede samenleving, een samenleving die de superdiversiteit een plaats geeft terwijl ze de democratie opbouwt en verdiept. Ik doe dit door het huidige debat in een historisch perspectief te plaatsen. Meer bepaald ga ik na welke lessen de radicale verlichtingsdenkers ons kunnen leren. Daarvoor zoom ik in op democratie, mensenrechten en het universalisme van verlichtingsdenkers als Paine, Condorcet en Jefferson. Vervolgens schets ik de samenleving waar we vandaag in leven, namelijk een superdiverse en door en door geglobaliseerde samenleving. Ik ga daarbij na wat die realiteit betekent voor het democratisch gehalte van onze samenleving. Ik eindig met een pleidooi voor het investeren in een utopistiek rond democratie en superdiversiteit.

Een verkorte versie van deze analyse verscheen DenkMee-krant van Jong CD&V

Het multiculturele debat en de tirannie van de meerderheid

De multiculturele samenleving zorgt al meer dan twee decennia voor verhitte en circulaire debatten (Maly, 2007 & 2009). De dominante thema’s waarover mediafiguren debatteren zijn opvallend gelijkaardig en komen steeds terug. Van de hoofddoek tot halalvlees, van een gebrek aan integratie tot radicalisering en terrorisme; om de zoveel tijd beheerst één van deze thema’s het mediatieke debat. Deze debatten kleuren niet alleen onze blik, ze veranderen de samenleving.

Vooruitgang is in die debatten zelden te bespeuren. Dezelfde (schijn)argumentaties komen steeds terug, ook al had de argumentatie al van in den beginne niet veel om het lijf. Diversiteit wordt in al die debatten niet zelden voorzien van een associatie met problemen. Problemen die, afgaande op die mediadebatten, vooral door moslims veroorzaakt zouden worden. De vaststelling dat onze samenleving niet langer multicultureel is, maar superdivers belooft dan ook niet veel goeds voor veel publieke opiniemakers en politici. Teveel diversiteit wordt gezien als “a recipe for disaster”. De oplossing voor die diversiteit wordt gevonden in inburgering: ze moeten zich cultureel inpassen in “onze cultuur”.

Die gedachtesprongen vertellen veel over hoe we als samenleving omgaan met deze nieuwe superdiverse realiteit. Ze tonen niet alleen een intellectuele armoede, ze zijn het gevolg van een ideologisch project dat haaks staat op een superdiverse en geglobaliseerde wereld en op ramkoers ligt met een verlichte samenleving, met een democratie. Willen we als samenleving en als mensheid democratisch omgaan met die superdiversiteit, dan is het hoog tijd om een heel andere weg in te slaan.

Sommige lezers zullen na het lezen van bovenstaande alinea’s waarschijnlijk de opmerking maken dat het hele inburgeringsbeleid en de mediadebatten over die superdiverse samenleving net in het teken staan van de democratie. Want, kunnen zij aanvoeren, die debatten staan krom van de engagementen aan de democratie. Het hele inburgeringsbeleid wordt toch in de markt gezet als een instrument tot emancipatie en gelijke kansen? De mediatieke aanvallen op de islam worden toch gevoerd onder de vlag van de democratie? Om de democratie te vrijwaren, zo voeren die intellectuele elites in de talloze mediadebatten dan aan, moeten zij inburgeren, want ‘hun cultuur’ of ‘hun religie’ zou botsen met ‘onze waarden’.

Vanuit een historisch en democratisch perspectief is die visie echter uiterst problematisch. Maar ook met de blik op de toekomst gericht biedt deze visie geen toekomstperspectief die werkelijk in staat is een goede samenleving op te bouwen. Democratie wordt in die discoursen niet alleen begrepen als een eigenschap van ons, van onze samenleving, maar ook als een instrument voor exclusie in plaats van inclusie. In die debatten wordt democratie niet gebruikt in haar historische en dus ideologische betekenis, maar als een cultuurkenmerk van ‘ons’. Wij zijn dan democraten, wij aanvaarden de scheiding kerk en staat, wij zijn voor gelijkheid man en vrouw, … En zij? Zij worden afgebeeld als ons spiegelbeeld.

We kennen deze riedeltjes ondertussen al en weinigen stellen er zich vragen bij. We zouden dat nochtans beter wel doen; dan pas worden de verborgen agenda’s en de gevolgen duidelijk. Vooreerst is het opmerkelijk dat deze ‘cultuurkenmerken’ slechts een zeer summiere selectie zijn van de rechten die we kennen als de mensenrechten. Bovendien zijn het net die waarden die in het dominante discours over de islam worden gezien als on-islamitisch. Meteen wordt ook duidelijk dat dit net het doel is, die waarden worden opgerakeld als onderscheid tussen ‘ons’ en ‘de ander’. Een hoofddoek wordt dan meteen neergezet als een eenduidig symbool van onaangepastheid, van fundamentalisme en onderdrukking. En dus moet de hoofddoek in naam van de vrijheid verdwijnen. Om de vrijheid te vrijwaren, moeten ‘we’ ‘hun’ godsdienstvrijheid opofferen. Zij moeten worden als ‘wij’; enkel dan kunnen ze vrij zijn. Enkel dan is men neutraal, aldus intellectuelen als Vermeersch.

Neutraliteit in deze betekenis is natuurlijk het platweg opleggen van één visie aan anderen. Ze is met andere woorden onderdrukkend en heeft met vrijheid niets van doen. Ze is gebaseerd op de macht van één groep over de andere. Dat is geen democratie, maar een tirannie van de meerderheid. In tijden van superdiversiteit is een dergelijke benadering van de samenleving gedoemd om te leiden tot polarisering, onderdrukking en conflicten. Het idee van godsdienstvrijheid gestoeld op de scheiding van Kerk en Staat was dan ook niet toevallig een idee dat rijpte in tijden van godsdienstoorlogen. Locke pleitte in zijn “on toleration” voor godsdienstvrijheid, inclusief het belijden van die godsdienst in groep en in het openbaar. Het was volgens hem aan het individu om te bepalen wat hij geloofde of niet geloofde, de staat had daar – zolang die de beleving van de civiele rechten van anderen niet schond- volgens hem niets in te zeggen. Spinoza, Paine en bij uitbreiding alle radicale verlichtingsdenkers pleitten niet louter voor tolerantie, maar zagen godsdienstvrijheid en vrije meningsuiting als een recht voor eenieder. Dit recht was voor deze radicale verlichtingsdenkers een van de vele onvervreemdbare rechten die alle mensen hadden. Willen we de democratie en de mensenrechten overeind houden, dan kunnen we dus maar best onze geschiedenis kennen. Anders verkoopt men ons een dictatuur in naam van de democratie.

Democratie en mensenrechten

Democratie en mensenrechten zijn twee zijden van dezelfde medaille. De mensenrechten zoals die tot uiting komen in de Franse en Amerikaanse verklaring van de 18de eeuw spruiten voort uit de intellectuele traditie van de radicale verlichtingsdenkers en vormen de basis van een verlichte democratie. Deze radicale verlichtingsdenkers, in tegenstelling tot hun gematigde collega’s zoals Hume, Voltaire of Kant, hielden onverkort pleidooi voor democratie en mensenrechten. Zij schonken ons de ideeën dat we allen geboren worden met dezelfde, onvervreemdbare rechten; dat we allen vrij en gelijk zijn en dat de staat een instrument is voor alle burgers om deze rechten te garanderen en te verwezenlijken. Dat zijn tevens de fundamenten van een democratie.

Condorcet, die mee de pen vasthield van de eerste versie van La Declaration, zag de Mensenrechten als een instrument om een goede samenleving op te bouwen. De mensenrechten waren volgens hem lang niet volledig, maar moesten gaandeweg uitgebreid worden zodat ze het geluk van eenieder konden vergroten. Volgens de verlichtingsdenkers was de democratie het systeem bij uitstek om die rechten te garanderen. Ten grondslag van de democratie ligt namelijk het idee dat we allen gelijk zijn en dat we dus allen dezelfde rechten hebben.

De democratie moet er dan ook zijn voor eenieders belangen en niet alleen voor de belangen van de meerderheid. Immers, zodra de meerderheid zijn wil doordrijft ten koste van de minderheden leven we niet meer in een democratie, maar in een despotisch regime. Dat is de reden waarom Rousseau een onderscheid maakte tussen “the will of all” en “the general will” (Todorov, 2010). “The will of all” is de mechanische som van de verschillende stemmen en zou in theorie unaniem moeten zijn, maar in de praktijk betekent ze voor Rousseau de stem van de meerderheid. “The general will” daarentegen neemt de verschillen in rekening. De basis van die algemene wil is dus het idee dat we allen gelijk zijn voor de wet en dat dus geen enkele burger kan uitgesloten worden of als inferieur beschouwd worden. Deze algemene wil is dus niet de som van de verschillende individuele identiteiten en meningen, maar bestaat uit het zoeken naar een algemeen belang dat alle verschillen recht aan doet.

De verlichte democratie is onvermijdelijk gestoeld op “the general will”. Enkel daardoor kan ze verbinden, ze tracht de belangen en rechten van eenieder in de samenleving te realiseren en niet het belang of de visie van de meerderheid te realiseren ten koste van de minderheden. Verkozenen in een democratie moeten dus regeren in het belang van alle onderdanen, niet alleen in het belang van degenen die hen verkozen hebben. Vanuit deze opvatting van democratie heeft iedereen dan ook te winnen met democratie. De reden waarom de tweede Belgische revolutie in 1830 slaagt, is omdat ze vertrekt vanuit dit perspectief. Enkel zo wordt een gemeenschappelijk strijddoel geschapen voor zowel katholieken en liberalen. De Belgische natie moest ‘[…] voortaan bestaan uit gelijke staatsburgers met als leuze ‘vrijheid in alles voor allen’. (Wils)

Vanuit dit historisch perspectief op democratie als filosofisch en politiek idee leren we twee zaken. Ten eerste zien we dat de zogenaamde verlichtingsadepten in het huidige maatschappelijk debat een geperverteerde visie van democratie en mensenrechten naar buiten brengen. Ten tweede leren we dat deze historische visie op democratie binnen het radicale verlichtingsdenken uitermate relevant is in de huidige context van globalisering en superdiversiteit net omdat ze vertrekt vanuit natuurlijke en onvervreemdbare rechten van elk individu en niet vanuit de dominantie van de meerderheid.

Universalisme

Een derde ingrediënt die deze radicale verlichtingsdenkers ons twee eeuwen geleden aanreikten was universalistisch denken. Veel van deze intellectuelen leefden niet binnen de contouren van één grondgebied maar in een globale wereld. Thomas Paine vocht in Ierse revoluties, was in Amerika ten tijde van de Amerikaanse revolutie en in Frankrijk ten tijde van de Franse revolutie. Thomas Jefferson verbleef niet louter in Amerika, maar trachtte vanuit Parijs de Amerikanen te overtuigen om de Franse revolutie te steunen. D’Holbach studeerde net zoals Voltaire in Leiden. Hume bezocht dan weer zijn Franse geestesgenoten enz enz. Niet alleen hun dagelijkse praktijk was globaal, ook hun denken was kosmopolitisch.

De verlichting is vanaf de start heel duidelijk universeel georiënteerd (Sternhell, 2010). ‘Universalism was one of the quintessential characteristics of the Enlightenment’, schrijft Israel (2011). De filosofen dachten volgens Hobsbawm (1962) niet in national(istisch)e termen, maar in termen van universele eenheid van de mensheid. En ook Israel (2011) benadrukt dat: ‘[…] the concept of distinct ‘national’ enlightenments seems to me altogether invalid […]’. Iedere mens, waar ook ter wereld, heeft dezelfde natuurlijke en onvervreemdbare rechten.

De mensenrechten waren voor hen per definitie universeel en dus geldig voor elk individu. Bovendien waren die rechten onvervreemdbaar. Iedereen was er onverkort eigenaar van en niemand mocht deze rechten inperken, ook democratisch verkozen leiders niet. Condorcet pleitte in de 18de eeuw niet alleen voor gelijke rechten voor man en vrouw, hij hield ook vurige pleidooien voor gelijke rechten van zwarten en voor de afschaffing van de slavernij. Meer nog, deze denkers waren niet louter papieren tijgers, ze streden actief voor een betere samenleving. Zo was Condorcet ook sterk actief in de lobbygroep “Society of the friends of Negroes” die actief ijverde voor de gelijkberechtiging van zwarten in tijden dat dit lang niet evident was.

Filosofie stond dus niet los van de samenleving, maar was net een fundament van maatschappelijke en politieke actie. Condorcet droomde van de vrolijke revolutie. Hij wijdde er niet alleen essays aan, hij voegde de daad bij het woord in de eerste revolutionaire regering van Frankrijk. Paine en Barlow hielden een stevig pleidooi voor wat zij een ‘generale revolutie’ noemen tegen vooroordelen en onwetendheid. De verlichte revoluties zijn ook geslaagd in hun universele opzet. Niet alleen zijn de ideeën die deze revoluties gevoed hebben universeel (de radicale verlichtingsdenkers beroepen zich niet louter op een globaal intellectueel debat, ze spelen ook leentje buur bij de oude Grieken, bij de islamitische freethinkers en bij Indische denkers enz.), ook in de praktijk heeft hun strijd universele gevolgen. Paine stelt over de Franse Revolutie heel duidelijk dat ‘there was little that was inherently French about the democratic ideology premeating the Revolution of 1789-1792’, (Israel 2010) Ook Hobsbawm komt tot deze conclusie in zijn klassieke werk ‘The age of revolution’: ‘All of them [de Franse revolutionairen; IM] therefore conceived of revolution as unified and indivisible: a single European phenomenon rather than an aggregate of national or local liberations.’ (Hobsbawm, 1962). Israel (2011) wijst ons er in dit kader zelfs op dat de Nederlandse, Britse, Franse en Duitse verlichtingsdenkers invloed kenden over de hele wereld. Hun ideeën circuleerden in Rusland, Scandinavië, Oostenrijk, Polen, Spanje, Portugal, Griekenland, Amerika en Egypte.

Superdiversiteit en de herschaling van de democratie

Als we ons nu concentreren op de realiteit van vandaag, dan zien we dat deze historische uitstap heel interessante ingrediënten oplevert die oplossingen aanreiken voor de huidige realiteit. Die realiteit is er niet alleen één van globalisering en superdiversiteit, maar steeds meer ook een realiteit van ongelijkheid en democratische afbraak. Bovendien hangen al deze fenomenen in een heel complexe dialectiek samen. Willen we nadenken over een toekomstige goede samenleving, dan dienen we ons bewust te zijn van de complexe realiteit waarin we leven en de samenhang tussen de aangehaalde evoluties. Ik doe hier een summiere en dus onvolmaakte poging.

Sinds de val van de Berlijnse muur stellen we wereldwijd ingrijpende veranderingen vast in migratiegolven en patronen. Simpel gesteld: vòòr de val van die muur en vòòr de verdere eenmaking van de Europese unie zagen we geen Bulgaarse of Poolse nummerplaten rijden op onze wegen. Vandaag zijn die er wel. Vandaag leven we niet meer in een Belgische samenleving met enkele migranten, we leven in een superdiverse samenleving. Superdiversiteit is vandaag de norm – niet ‘Vlaams’. 50% van de leerlingen in onze grootsteden hebben een migratieachtergrond. Op het Belgisch grondgebied leven mensen met roots in bijna 200 verschillende landen. Diversiteit is geen randfenomeen meer. Empirisch gezien is “dé Vlaamse samenleving” – in de zin van 1 volk, 1 natie, 1 taal en 1 cultuur- een fictie. Het is een ideologisch beeld dat weliswaar nog steeds bestaat in de hoofden van veel autochtone Vlamingen, maar niet tastbaar is. De feiten zijn wat ze zijn. We wonen met zijn allen in een superdiverse en sterk geglobaliseerde immigratiesamenleving. Dat is de empirische realiteit.

Het denken in termen van gemeenschappen op basis van afkomst is vandaag extreem moeilijk empirisch te staven. Immers, zelfs binnen één qua waarden en normen verondersteld homogene groep zien we gigantische verschillen. Nationaal denken of culturaliseren is meer dan ooit absoluut onzinnig. Mensen, zelfs mensen met eenzelfde nationaliteit, verschillen mogelijks van religie, van opleiding, van politieke voorkeur, van seksuele voorkeur of van geslacht. Ze hebben andere schoolervaringen of ervaringen met administratie of werk. Ze spreken andere talen en zijn anders gesocialiseerd. Maar er is meer, ze wonen potentieel op verschillende plaatsen in ons land en hebben bijgevolg heel andere leefomgevingen. Een nieuwkomer die terecht komt in de Brugse poort in Gent of Molenbeek in Brussel moet zich in een heel andere buurt nestelen dan een persoon die terechtkomt in Wingene dorp.

Die superdiversiteit is maar mogelijk binnen een globale context. Ze hangt bovendien ook sterk samen met de opkomst van nieuwe media in de jaren 90. Die media laten immers toe dat migranten hun band met het thuisland actief kunnen onderhouden. Migranten communiceerden in de jaren 70 o.a. via cassettebandjes die ze opstuurden naar het thuisland. Die communicatie verliep zeer traag, al snel ging er een maand voorbij vooraleer de communicatie heen en terug was gereisd. Vandaag zorgen email, Facebook, Skype en gsm’s voor een ogenblikkelijk en continu contact. Bovendien kunnen migranten via satelliettelevisie kijken naar het nieuws en de shows uit het thuisland. Dat betekent dat personen die hier geïsoleerd leven een groot sociaal leven kunnen hebben eenmaal ze achter hun pc kruipen (Blommaert en Backus, 2012). Die nieuwe migratie, gekoppeld aan de hedendaagse communicatiemiddelen én aan het beleid van de verschillende Europese lidstaten, zorgt voor die enorme diversiteit aan elementen die het leven tekenen van iedereen in onze samenleving, zowel autochtoon als allochtoon. We bouwen en onderhouden onze identiteit virtueel of fysiek via meerdere media in meerdere landen.

In de laatste twee decennia zien we die superdiversiteit de norm worden. Niet alleen migranten of hun kinderen bouwen immers hun identiteit op in een geglobaliseerde context, ook zogenaamde autochtonen doen dat. De kans is reëel dat jij en je vrienden via Facebook, Twitter, online games of Erasmus-uitwisselingen vriendschapsrelaties onderhouden met mensen uit uiteenlopende hoeken van de wereld. De kans is even reëel dat ze zich oriënteren op een wereldwijde subcultuur. Ze zijn dan skater, hipster, hijabista (Blommaert & Varis, 2012) of neopunker. Wat belangrijk is in hun leven wordt niet meer per sé bepaald door de vriendjes in de straat, maar is vaak globaal gestructureerd en niet zelden ook gecommercialiseerd.

Onze meerlagige identiteiten mogen we dan wel deels globaal construeren, onze democratie speelt gek genoeg nog steeds in een nationale logica (Maly & Blommaert, 2013). Meer nog, als een gevolg van deze globale evoluties zien we al decennia een opstoot van nationalisme. Dat nationalisme stelt zich voor als een antwoord op de onzekerheid en de bedreigingen van de neoliberale globalisering. Tevens pretendeert ze “onze identiteit” te beschermen tegen de invasie van die superdiversiteit. Deze oplossingen zijn echter schijn. De nationalistische reflex ten aanzien van superdiversiteit toont enkel met verve het deficit aan van nationale democratieën.

Dat onze democratie beperkt is tot het nationale niveau, heeft in de praktijk heel ondemocratische effecten. In de praktijk zijn deze democratieën in tijden van superdiversiteit en globalisering immers geen instrumenten meer die rechten realiseren en garanderen. Integendeel, voor steeds meer mensen zijn ze zelfs een rem op het realiseren van die rechten. Concreet vertaalt die nationale democratie zich vandaag in het feit dat we hier samenleven met mensen op één grondgebied die heel verschillende statuten hebben in onze samenleving. Minder eufemistisch betekent dit dat deze mensen verschillende politieke, sociale, culturele en economische rechten hebben. Onze rechten hangen in een wereld van naties’ af van onze nationaliteit, niet van het feit dat we mens zijn. En meteen wordt duidelijk waarom het universele denken zo belangrijk is om te kunnen spreken van een democratie. Als een democratie beperkt blijft tot de natie, dan betekent dat in tijden van superdiversiteit en globalisering dat een van de fundamenten van de democratie weggeslagen is: het gelijkheidsbeginsel.

Superdiversiteit, utopistiek en de democratische strijd

In het licht van het bovenstaande gaan de vragen die ons vandaag bezig zouden moeten houden over hoe we de idealen van de radicale verlichtingsdenkers vandaag kunnen realiseren. Hoe we in tijden van globalisering en neoliberalisme kunnen bouwen aan goede samenlevingen. Het is via ideeën dat we bouwen aan de samenlevingen van morgen. Enkel als we durven denken en dromen van betere, rechtvaardigere en gelijkere samenlevingen zullen we later in staat zijn om deze te realiseren.

De verlichte revoluties van de 18de en 19de eeuw zijn volgens Israel “revolutions of the mind”. Ze komen voort uit ideeën die velen vandaag als “te abstract” zouden afdoen. Vandaag hebben we een overdosis aan politici en met hen ook veel intellectuelen die zich louter bezig houden met de waan van de dag. Zogenaamd ‘realisme’ viert hoogtij: enkel wat vandaag mogelijk is en lijkt, wat ‘de mensen vandaag willen’ staat op de agenda. Weinigen breken het hoofd over wat zou kunnen of wat zou moeten zijn. Nochtans is er weldegelijk ruimte tot verbetering. Meer nog, er is sterke nood aan. We leven in een tijd waar een heel pak van de verworven rechten –hetgeen ons leven tot een goed leven maakt – onder druk komen te staan of zelfs daadwerkelijk afgebroken worden onder het eufemisme van modernisering. Progressie staat nog zelden gelijk met vooruitgang voor eenieder.

Ik volg dan ook Wallerstein (1996) wanneer hij oproept tot het beoefenen van utopistiek. Utopistiek is volgens de gerenommeerde socioloog niet zomaar een woordspelletje. Terwijl een utopie per definitie verwijst naar iets wat nergens bestaat, wil Wallerstein met zijn pleit voor een utopistiek nadenken over historische alternatieven. In de rijke traditie van de radicale verlichtingsdenkers pleit hij voor wetenschap die ten dienste staat van de creatie van een nieuwe, betere samenleving. Via de utopistiek zouden volgens Wallerstein serieuze analyses moeten gemaakt worden van de historische alternatieven die mogelijk zijn. De utopistiek moet dus niet de perfecte en onvermijdelijke toekomst uittekenen, maar betere, rechtvaardige alternatieven uitdenken die historisch mogelijk zouden kunnen zijn. Geen determinisme bestaand uit een onafwendbaar hemel op aarde, maar politiek, wetenschap, moraal en sociale actie die samenvloeien in een streven naar een betere samenleving.

Deze oefening doen inzake democratie lijkt me in deze tijden van economische, financiële, ecologische en democratische crisissen geen overbodige luxe. Meer nog, het is een absolute noodzaak. Om deze oefening te kunnen maken is de erfenis van de radicale verlichtingsdenkers inzake democratie en mensenrechten van onschatbare waarde. In plaats van te vertrekken van het idee dat de verlichting gerealiseerd is, en haar te zien als een historische feit, moeten we beginnen nadenken hoe we de democratie van de verlichtingsdenkers volledig kunnen realiseren of vrijwaren. Een aantal ingrediënten zijn daarbij duidelijk: gelijke en onvervreemdbare rechten voor eenieder, democratie en universele mensenrechten.

Vraag is nu: hoe realiseren we dat in de geglobaliseerde wereld van vandaag? Hoe realiseren we op wereldschaal gelijke rechten voor eenieder? Is een sociale zekerheid op wereldschaal een oplossing, is het mogelijk? Is een democratie op die schaal wenselijk en hoe verhoudt die zich tot democratie op de andere schalen? Hoe garanderen we vrijheid en gelijkheid voor eenieder op wereldschaal? Onderwijs voor eenieder was één van de basisvoorwaarden van een democratie, zonder democratische mens immers geen democratie. Hoe organiseren we dat en wie organiseert dat? Het losgeslagen economisch systeem zorgt vandaag voor de grootste factoren van onderdrukking, welke alternatieven zijn daarvoor denkbaar en hoe kunnen we die implementeren? Hoe garanderen we de politieke rechten van alle individuen in tijden van hypermobiliteit? Is het normaal dat, als we verhuizen, we ook onze politieke rechten verliezen? Welk politiek systeem laat ons toe om die te behouden en hoe organiseren we zo’n systeem? Hoe garanderen we het universele recht op gezondheidszorg in een meertalige en superdiverse samenleving? Dit recht houdt in dat ieder individu waar ook ter wereld de beste zorgen moet kunnen krijgen, ongeacht zijn of haar nationaliteit. In de praktijk kan dat bijvoorbeeld betekenen dat er steeds tolken ter beschikking moeten kunnen staan van patiënten.

Onze toekomstige samenlevingen zullen meertalige, multiculturele, multireligieuze steden zijn. Ze zullen superdivers zijn, “no matter what”. Willen we staatsstructuren oprichten die voor al deze mensen over de hele wereld het goede leven faciliteren, dan zullen we die moeten uitdenken, want ze zullen er niet spontaan komen. Dat betekent dat we algemene principes moeten hanteren die we in heel concrete situaties op zo’n manier vertalen dat ze bijdragen tot het garanderen van gelijke rechten van eenieder op elk grondgebied. We moeten de oefening maken om de universele rechten van eenieder om te zetten in de praktijk. Er is dus niets abstracts aan de waarden van vrijheid en gelijkheid, integendeel: ze noodzaken een heel concreet dagelijks strijden voor de realisatie van onze onvervreemdbare rechten. Net daarom is het hoog tijd dat we de democratie 2.0 uitdenken en dat we alternatieven voorbereiden. als we ze niet kunnen denken, dan wordt heel moeilijk om ervoor te strijden.

Utopistiek als permanente democratische strijd

Er is dus duidelijk een hoop (denk)werk aan de winkel. Opvallend is dat de grote vragen die ons leven bepalen in wezen weinig gebaat zijn met voorstellingen over ‘ons’ en ‘de ander’, maar veel meer met zaken die ieder van ons, ongeacht ons geloof, onze voorkeuren, onze waarden en normen toelaten om ons leven uit te bouwen zoals wij dat willen. In de debatten over de multiculturele samenleving zien we een complete afwezigheid van een rechtenperspectief, van democratie als groot verhaal. Democratie wordt geen zaak van constante strijd, constante verdieping en verbreding, maar wordt verbeeld als een eigenschap van ‘ons’. En net die beweging zorgt voor een armoede in het denken en een uitholling van democratie. Kritiek, kritisch nadenken en verzet zijn de basis van een democratie, het is hoog tijd dat we dit terug in de praktijk zetten. Als we nu niet denken over alternatieven voor morgen en er voor strijden dan zouden wel eens kunnen wakker worden in een wereld van lang geleden. Een wereld zonder rechten.

Bibliografie

Blommaert, J. & Backus, A. (2012). Superdiverse Repertoires and the individual. Tilburg Papers in Culture Studies.

Blommaert, J. & Varis, P. (2012). How to, how to. The prescriptive micropolitics of Hijabista. Kif Kif:http://www.kifkif.be/actua/how-to-how-to

Condorcet in Lukes, S. & Urbinati N., (2012). Condorcet Political writings. Cambridge, Cambridge University Press.

Decrues, T. (2013). Een paradijs waait uit de storm. Berchem: EPO.

Hobsbawm, E.J. (1962). The age of revolution. Europe 1789-1848. London: Abacus.

Israel, J. (2010). A revolution of the mind. Radical Enlightenment and the intellectual origins of Modern Democracy. Princeton; Oxford: Princeton University Press.
.
Israel, J. (2011).Democractic Enlightenment. Philosophy, Revolution, and Human Rights 1750-1790. Oxford; New York: Oxford University Press.

Locke, J. 1983 [1689]: A letter Concerning toleration. Hackett Publishing Company, INC. Indianapolis.

Maly, I. (red.) (2007). Cultu(u)rENpolitiek. Over media, globalisering en culturele identiteiten. Antwerpen: Garant.

Maly, I. (2009). De Beschavingsmachine. Wij en de islam. Berchem: EPO.

Maly, I (2012). N-VA. Analyse van een politieke ideologie. Berchem: EPO.

Maly, I & Blommaert, J. (2013). ‘Realisme’ als ideologie. superdiversiteit, precariteit en de nood aan Verlichting. In Coussée, F. & Bradt, L. (2013). Jeugdwerk en sociale uitsluiting. Handvatten voor emanciperend jeugdbeleid. Leuven / Den Haag: Acco.

Sternhell, Z. (2010). The Anti-Enlightenment Tradition. New Haven; London: YaleUniversity Press;

Todorov, T. (2010). In defence of the Enlightenment. London: Atlantic Books.

Paine, T. & Linebaugh P. 2009: Peter Linebaugh presents Thomas Paine: rights of man and common sense. Verso, London, New York.

Rousseau, J-J. (1755). Vertoog over de ongelijkheid. Amsterdam: Boom.

Sternhell, Z. (2010). The Anti- Enlightenment Tradition. Yale University Press.

Wallerstein, I (1998). Utopistics. Or, Historical choices of the Twenty-first Century. New York: The new press.

Wills, L. (1992). Van Clovis tot Happart. De lange weg van de naties in de Lage Landen. Antwerpen: Garant.

De toekomst van links

Een pleidooi voor een politics of paradise

De toestand is ernstig. Zoveel zou ondertussen duidelijk moeten zijn. We beleven in de laatste jaren niet alleen een financiële, economische en ecologische crisis, maar ook een politieke. Een crisis van de democratie. Deze crisissen slaan wild om zich heen. De kennis van de oorzaken van deze crisissen is beperkt tot een zeer kleine groep mensen. Een groep die als ze zich mengen in het publieke debat bovendien om de haverklap neergezet wordt als ‘linkie-winkies’, ‘naïeve wereldverbeteraars’, ‘doemdenkers’, ‘populisten’ of met andere onvriendelijke labels. Of je nu een Nobelprijswinnaar bent zoals Krugman of niet, het doet er niet toe: als je niet meegaat met de dominante consensus dan plaats je jezelf buiten het debat. Met als gevolg dat allerhande invloedrijke politici, experts en bedrijfsleiders of hun lobbyisten zonder veel tegengas dezelfde recepten die deze crisissen veroorzaakt hebben opnieuw naar voor kunnen schuiven en zelfs doorduwen. Dat dit vroeg of laat tot menselijke en ecologische drama’s zal leiden staat nu al in de sterren geschreven.

De situatie is dus ernstig en ze plaatst de politiek, en de linkerzijde in het bijzonder, voor gigantische uitdagingen. In deze tekst schets ik een ruwe analyse en enkele van de grote politieke uitdagingen voor de politieke linkerzijde in de volgende dagen, weken, maanden, jaren en decennia.

Een triple van crisissen en andere uitdagingen

In de laatste decennia is het hard gegaan. We leven in tijden van snelle veranderingen en schaalvergroting. Die schaalvergroting kennen we onder de noemer van globalisering en het bepaalt ons leven tot in de kleinste details. Het bepaalt de aanblik van onze stad, wat in de mode is en wat niet, de manier waarop, waarmee en met wie we communiceren, wat we bekijken op televisie en vaak ook of we binnen hier en tien jaar nog een job zullen hebben of niet. Ons leven is geglobaliseerd, dat is een feit. En dat is lang niet altijd een zaak van rozengeur en maneschijn.

Een schets van de context

Het proces van globalisering an sich is niet nieuw. Het is een eeuwenoud proces. Wat wel nieuw is, zijn de schaal, de impact, de inhoud en de snelheid van die globalisering. We leven vandaag dus in een heel specifieke fase van die globalisering die ergens in de jaren 70 van de vorige eeuw gestart is. Die fase van de globalisering drijft op een dominante ideologie. Een ideologie kennen we onder de noemer van het neoliberalisme of in minder beladen termen: de dominantie van de markt in alle domeinen van de samenleving. Sinds de oliecrisis van de jaren 1970 krijgen de neoliberale ideeën meer en meer vrij baan. De Friedmans van deze wereld zien hun ideeën uitgedragen worden door allerhande politici in de meest uiteenlopende landen van de wereld. De neoliberale ideeën vertalen zich in de materiële wereld.

België vormt hierop geen uitzondering. Zeker vanaf de jaren 1980, onder aanstuwen van de regering Martens met ‘da yoenk’ Verhofstadt worden ook hier neoliberale recepten geïntroduceerd om de crisis te lijf te gaan: besparingen, besparingen en besparingen, dat was wat de klok sloeg. Het was een tijd van crisis, maar ook de tijd van de yuppies, van de Millets en de Docksides, van de snobs en van de Jambers reportages over deze figuren maar vooral over de mensen aan de rand van de samenleving. De kloof tussen arm en rijk werd groter en de linkerzijde kwam meer en meer in het defensief te zitten.

Na de val van de Sovjetunie krijgt de hele linkerzijde serieuze klappen. Het socialisme heette failliet te zijn: enkel oude knarren met een acute aanval van nostalgie citeren nog Marx of linkse intellectuelen als Sartre en Barthes. Het socialisme was in crisis. Het was de tijd van de derde weg. Een weg die in wezen de dogma’s van het neoliberalisme omarmde. Het was ook de tijd van de kloof tussen de burger en de politiek. Er was nood aan een nieuwe politieke cultuur, zo heette het dan. Een cultuur waar de politicus ‘dé stem van dé burger’ zou gaan vertolken. De intellectueel zat per definitie in een ivoren toren, kende de ware bezorgdheden van de burger niet. Het anti-intellectualisme voerde de boventoon: geen analyses meer, geen argumenten, maar gevoelens recht uit de buik. Die stem uit de buik was echter een product van een nieuwe speler in het maatschappelijk veld: de communicatiegoeroes. De intrede van (ver)marketing als basis van de politieke communicatie was de essentie van de nieuwe politieke cultuur.

Die vermarkting van de politiek ging hand in hand met de commercialisering van onze media. Onze media mochten geen instrumenten meer zijn van politiek-ideologische emancipatie, maar moesten werken volgens de principes van de markt. De concurrentie werd gepresenteerd als een weldaad voor de kwaliteit van onze kranten. Ideologie werd door steeds meer mensen gezien als iets van het verleden: er werd niet meer gesproken over links en rechts maar over goed bestuur en objectieve berichtgeving. Wat men er niet bij vertelde, was dat de politieke lijn vervangen werd door een commerciële lijn. Winst en verkoopbaarheid werden het te dienen doel, niet politieke emancipatie.

Het is ook in deze periode dat we, deels als een gevolg van de politieke ontwikkelingen, ook heel snelle en ingrijpende veranderingen zien in migratie van mensen. Grenzen vallen weg, mobiliteitsopties nemen toe en de sociaaleconomische ongelijkheid tussen de verschillende delen van de wereld nemen toe. Bovendien zorgen de veranderingen in communicatietechnologieën ervoor dat mensen beelden kunnen ontvangen vanuit alle uithoeken van de wereld en vaak zijn die mensen ook verbonden via die nieuwe wereld. Kort samengevat steeds meer mensen migreren vanuit steeds meer gebieden en eenmaal ze aankomen wil dat niet zeggen dat ze losgesneden zijn van hun land van herkomst. Superdiversiteit is geboren en kleurt meer en meer steden in alle uithoeken van de wereld.

In de laatste decennia is onze wereld zeer sterk veranderd. We kunnen stellen dat het neoliberale marktdenken zijn intrede deed in alle velden van de democratie: de politiek, de media, de overheid en zelfs het onderwijs. Alles moest werken als een bedrijf, ongebreidelde concurrentie was een zegen. De staat moest dringend en permanent op dieet, de privé ging het allemaal wel oplossen: als je de markt haar gang maar laat doen, dan gingen we in een soort paradijs op aarde komen. “There was no alternative”, zo klonk het uit duizenden monden tegelijkertijd.

De financiële, economische en ecologische crisis

De droom blijkt echter een nachtmerrie geproduceerd te hebben. Twee decennia neoliberale hegemonie hebben een reeks crisissen gecreëerd die de limieten tonen van het kapitalistisch systeem. De financiële crisis in 2008 werd al snel een economische crisis die zich sindsdien laat voelen over de hele wereld. De kloof tussen arm en rijk stijgt zienderogen. De situatie in Griekenland, Ierland en IJsland, maar ook Spanje, Portugal en Italië is niet minder dan dramatisch te noemen. In Griekenland is meer dan 43% van de jongeren werkloos en degenen die werken zijn niet zelden ‘working poor’ zonder toekomstperspectieven. De Griekse rijken hebben hun kapitaal buiten Griekenland geparkeerd en dus moeten de midden– en lage klassen de rekening betalen.

In de VS waren in 2011 13 miljoen Amerikanen werkloos. Vergelijk dat met de 6,8 miljoen die werkloos waren in 2007 en we beginnen een idee te krijgen van de sociale gevolgen van deze crisis. Bovenstaande cijfers die Krugman ons geeft zijn gebaseerd op de mensen in de VS die niet aan het werk zijn en actief werk zoeken. Nemen we de brede definitie van werkloosheid, namelijk geen werk hebben, en we komen op 24 miljoen mensen zonder job. Bovendien is een opvallend kenmerk van de werkloosheid in dat land na de crisis, dat het langdurige werkloosheid betreft. 4 miljoen Amerikanen zijn meer dan een jaar werkloos, terwijl dat er voor de crisis slechts 700 000 waren. Kortom, de crisis maakt de werkloosheid structureel.

Wereldwijd zien we, zelfs al voor het uitbreken van de crisis, de groei van wat Guy Standing “the new dangerous class” noemt: het precariaat. Van de neoliberale dogma’s moeten werkgevers ongehinderd hun zin kunnen doen in hun honger naar winst. Dat betekent in de feiten dat we al meer dan twee decennia toegenomen flexiblisering en druk op de lonen te slikken krijgen. Werkgevers eisen loonmatiging, afschaffing van het minimumloon, afschaffing van de indexering, initieel interimarbeid en vandaag ook minijobs. De macht van de vakbonden is hen een doorn in het oog. Deze eisen worden dan ook nog eens politiek vertolkt en helaas niet alleen door de rechterzijde. Ook aan de linkerzijde zien we vertolkers van deze neoliberale eisen. Ze doen dat echter wel in naam van de werkende mens: de welvaart zou enkel op deze manier gered kunnen worden, zo heet het dan.

Het gevolg van deze hegemonie van het neoliberalisme is de groei van een wereldwijde nieuwe klasse. Deze klasse-in-wording is een kind van de politiek van deregulering en re-regulering die er op gericht is om de sociale en collectieve belangen te omzeilen “omdat ze in de weg staan van de concurrentie”. De tijdelijke arbeidscontracten en het gebrek aan sociale bescherming die hieruit voortvloeien zijn een belangrijke oorzaak van precarisatie. Een centraal kenmerk van het precariaat is de sociaaleconomische onzekerheid waarin ze leven. Concreet hebben ze geen/weinig arbeidszekerheid (interim -of seizoensarbeid, flexibele arbeidscontracten zonder voorwaarden… ), geen zeker sociaal inkomen (noch vanuit de werkgevers, noch van de staat) en ze hebben geen werkidentiteit.

Krugman – niet bepaald een extreemlinkse rakker – stelt zeer expliciet dat deze crisis het gevolg is van een verwrongen ideologie. Niet de reële economie en de welvaartsproductie ligt ten grondslag van deze ideologie, maar de productie van winst en onvoorstelbare kapitaalvergaring van een minuscule elite ten koste van het overgrote deel van de wereldbevolking. De gevolgen van deze onstilbare winsthonger worden vandaag overvloedig geïllustreerd: een economische depressie die enkel haar voorgaande kent in de Grote Depressie van de jaren dertig. Een sociale crisis, want de mensen die vandaag in de werkloosheid sukkelen dragen – zoals Krugman terecht onderstreept – vaak de rest van hun leven de gevolgen van. Die sociale crisis blijft niet beperkt tot het leven van individuen, het raakt hele samenlevingen. Zo zien we bijvoorbeeld in Griekenland een enorme opmars van het fascisme en een totale privatisering van de Griekse overheid.

Daar stopt het echter niet. De winsthonger heeft ook zeer grote ecologische gevolgen. Bedrijven die gedreven worden door deze blinde neoliberale logica verspelen ook de zo kostbare natuur. Denken we maar aan de vele olierampen die we de laatste decennia meegemaakt hebben. De eindeloze productie van wegwerpproducten en het gebrek aan investeringen in een duurzame economie zorgen al decennia voor steeds verder opwarmen van de aarde. En ook hier zien we vandaag de desastreuze gevolgen van het kapitalistisch systeem.

De crisis van de democratie

Deze financiële, economische, sociale en ecologische crisissen zijn niet los te koppelen, noch te begrijpen, zonder de crisis van de democratie in rekening te brengen. Immers, in een democratie staat de economie niet los van de politiek. Deze economische politiek is geen nieuw gegeven en ze is maar gevoerd kunnen worden omdat het verzet er tegen te zwak is. De politieke linkerzijde, het middenveld en de democratisch burger hebben gefaald. Ze hebben toegelaten dat de economie los gekoppeld werd van de politiek. Ze hebben zich in de luren laten leggen.

En helaas is dat stadium nog niet voorbij. De neoliberale dogma’s kennen niet alleen hun spreekbuizen over het hele politieke spectrum, die dogma’s zijn al jaren vertaald in de materiële wereld en bepalen ondertussen de horizonten van velen. ‘Dat is nu eenmaal zo’, zo klinkt het uit de monden van velen. ‘De oudere generatie heeft boven hun stand geleefd’, zoals de jongerenvoorzitter van CD&V het stelt en dus moet de staat ontvet worden, de loonlasten moeten dalen en topmanagers moeten veel verdienen want anders hebben we niet ‘de beste managers’. Nochtans zijn deze platitudes helemaal niet zo evident als sommigen bepleiten. Het zijn geen natuurwetten. Het zijn ideologische posities met desastreuze gevolgen voor het gros van de bevolking. Alleen herkennen we ze vaak niet meer als ideologisch rampscenario’s. De ‘gewone man’ ligt er vaak niet wakker van, dergelijk nieuws haalt geen hoge kijkcijfers. Totdat het zijn fabriek is die sluit, totdat het zijn loon is dat als last wordt gezien. Dan komt verzet, maar dat verzet staat vaak alleen, want iedereen is bang zijn job te verliezen.

Ziehier, het failliet van de democratie en de linkerzijde in het bijzonder: gedepolitiseerde burgers die instemmen met platitudes die hun eigen belangen en de belangen van hun dierbaren schaden. De wereld is complexer dan ooit. Er is ook meer informatie dan ooit beschikbaar. Dat betekent echter niet dat we beter geïnformeerd zijn dan vroeger. Het betekent ook niet dat onze democratie steviger staat dan ooit en het betekent nog minder dat links sterker staat dan ooit. De opmars van het neoliberalisme loopt parallel met de teloorgang van de democratische mens en de linkerzijde. En een democratie zonder wakkere democratische burgers is in de feiten geen democratie meer. Daar knelt vandaag ook het schoentje.

De neoliberale logica heeft niet alleen de politiek geïnfecteerd, het heeft ook het onderwijs en de media in haar macht. Het onderwijs heeft dan niet meer tot taak om democratische burgers op te leiden, maar moet gespecialiseerde arbeidskrachten afleveren. Onze media zijn niet in eerste instantie gericht op het informeren van haar burgers, wat hun democratische taak is, maar wil die kijker kluisteren aan het scherm. Entertainment is dan ook meer en meer de regel, ook in informatieve programma’s. Als die democratische burger niet meer opgeleid wordt, en ook niet meer gedegen geïnformeerd, dat wordt die burger niet alleen een werkkracht, maar ook een speelbal. Meer nog, het raakt de democratie zelf in het hart.

Een democratie heeft opgeleide burgers nodig, die hun eigen positie zelfstandig kunnen analyseren. Die politici dagelijks onderwerpen aan kritiek en zo nodig in verzet gaan. De basis van een democratie is immers het idee dat we allen gelijk en vrij geboren zijn en dat politici nooit mogen ingaan tegen deze onvervreemdbare rechten. Democratie is dus niet los te koppelen van het idee van de universele mensenrechten: het recht op werk en op een eerbiedwaardig leven zijn daar dan ook onvermijdelijk deel van. Om te weten of we in een democratie leven dan wel een despotisch regime, of we vrij zijn dan wel onderdrukt, daarvoor is niet alleen gedegen en kwaliteitsvolle informatie noodzakelijk. We hebben dus ook democratische burgers nodig die op een constante basis die analyse voor zichzelf maken en zich zo nodig verenigen om politici tot de orde te roepen.

Die analyse maken is vandaag complexer dan ooit. De vraag die een verlichtingsdenker als Condorcet zich stelde in de 18de eeuw – namelijk of we onder een democratisch dan wel een despotisch regime leven – is niet meer te beantwoorden op nationaal niveau en ook niet louter op politiek niveau: het vereist een gelaagde en multidimensionale analyse. Het uitgangspunt van een dergelijke democratische analyse is het idee dat democratie een ideologie is. Een ideologie gegrondvest op het idee van onvervreemdbare rechten van elk individu. Dat betekent dat in een democratie iedereen gelijke rechten moet genieten en dat dit niet een gunst is die de staat geeft aan haar onderdanen, maar een recht dat eigen is aan het feit dat iemand mens is. Vertrekkende vanuit die premisse, dan zien we dat de idee van onvervreemdbare rechten eigen aan het individu geen feit is. In de praktijk stellen we vast dat die rechten weldegelijk vervreemdbaar zijn: ze hangen immers samen met je nationaliteit. En enkel als je nationaliteit samenvalt met je verblijf in die natie heb je je volle rechten, in alle andere gevallen ben je overgeleverd aan de willekeur van de natie op wiens grondgebied je woont.

Bovenstaande vaststelling heeft vergaande consequenties: we stellen vast dat de basis van een democratie, namelijk het gelijkheidsbeginsel, geen realiteit is. Immers enkel erkende nationale onderdanen genieten volledige rechten, migranten zijn daar in meer of mindere mate van uitgesloten. In tijden van superdiversiteit betekent dit dat er in feite maar weinig democratieën meer zijn. We leven in een land waar mensen naar gelang hun afkomst andere rechten hebben. Sommige hebben al hun rechten, anderen ontberen sommige religieuze, economische of culturele rechten. We leven dus in samenlevingen die gekenmerkt worden door ongelijkheid.

Die ongelijkheid beperkt zich niet tot een ongelijkheid in rechten, maar heel duidelijk zien we ook een steeds grotere sociaaleconomische ongelijkheid. En dan komen we onvermijdelijk tot de vaststelling die ook Luc Huyse maakt, namelijk dat we geen democratische controle hebben over onze economie. Na drie decennia wordt duidelijk dat onze democratie dus heel duidelijk gehandicapt is. Die democratie zit vast op een nationaal niveau, wat meteen ook duidelijk maakt dat wat we ‘de’ economie noemen dan ook aan democratische controle ontsnapt. De democratische keuze van de burger heeft geen invloed op de economische politiek, want de hefbomen van die politiek zitten niet meer op nationaal niveau. De macht van multinationals is globaal van aard en de politiek–economische beslissingen worden genomen op Europees niveau of in ondemocratische clubjes als het IMF en de Wereldbank. Wanneer we een democratische analyse maken van onze eigen positie dan blijkt dat we politiek gezien wel mogen stemmen, maar dat dit op economisch vlak weinig veranderd. In die zin zijn we met zijn allen overgeleverd aan de grillen van ‘de economie’.

Deze analyse toont vooral dat we puur politiek gezien wel in een democratie leven, maar dat die democratie niet mee geëvolueerd is. Meteen wordt ook duidelijk dat de economische crisis per definitie ook een ecologische en politieke crisis is. Meer nog: het is volgens mij fundamenteel een politieke crisis, in die zin dat we afgeleerd hebben om te denken over politieke economie. Dit leert ons drie zaken: 1. De democratische burger is niet meer, 2. Democratie is universeel of is het niet en 3. Niet alleen politiek kan onderdrukken, ook de economie kan onderdrukken. Als we dus willen werken aan een toekomstproject, aan een democratie waar het goede leven voor eenieder centraal stelt, dan moeten we in eerste instantie bouwen aan democratische mensen. Dat houdt in dat we mensen opleiden tot democratische mensen en niet tot werknemers. Politiek is dan ook meer dan ooit van cruciaal belang. Want als de ruimte van de politiek versmalt, dan vergroot voor anderen de ruimte om macht uit te oefen. Dat is – in enkele simpele pentrekken –  een schets van wat in de laatste decennia gebeurd is.

Van valse oplossingen naar een Politicus of Paradise

Vanuit bovenstaande analyse wordt meteen duidelijk dat nationalisme en meer neoliberalisme geen antwoorden zijn op deze crisissen, wel integendeel. Als we in deze tijden onze democratie naar een kleinere schaal verhuizen (Vlaanderen) dan gaan we de tegenovergestelde richting uit. Dan zullen onze politici niet meer, maar net minder in de pap te brokken hebben ten aanzien van de economische politiek. En ook vanuit een rechtenperspectief biedt deze kleine schaal geen meerwaarde in tijden van superdiversiteit. Het mag duidelijk zijn: onze democratie moet een schaalvergroting kennen. Ze moet uitgebreid worden naar Europa en uiteindelijk zelfs de wereld. Onze democratie moet immers macht kunnen uitoefenen op dezelfde schaal waarop multinationals opereren. De schaal van onze democratie verkleinen kan enkel maar zorgen voor neoliberaal beleid of een verscherping van dat neoliberaal beleid, ze biedt echter geen enkel alternatief voor de huidige crisissen, maar biedt meer van hetzelfde.

Meer van hetzelfde, dat is wat we sinds 2008 meemaken. Waar politici zich stoer op de borst klopten bij het begin van deze economische depressie dat zoiets nooit meer mocht gebeuren, zien we het tegenovergestelde. Meer neoliberalisme, dat is wat we gekregen hebben in de laatste jaren. Niet alleen mag de werkende bevolking in België maar ook in Griekenland de factuur betalen van de winsthonger van de banken, we krijgen daarenboven nog eens besparing na besparing te verduren. Krugman stelt terecht dat dit de snelste weg is naar een herhaling van 2008. De nationale en Europese overheden zijn ons kapot aan het besparen en degene die breed lachen zijn opnieuw de banken en grote multinationals. De strijd van Meyrem Almaci rond het dossier Dexia is dan ook een uiterst noodzakelijke strijd, die helaas te weinig steun vindt bij de andere partijen. Peter Mertens heeft dan ook gelijk dat er al jaren een grote hold-up bezig is en dat dit gebeurt onder onze ogen. Vandaag besparen de Grieken zich kapot, neemt de Europese Bank de waardeloze schuldpapieren van Griekenland over van de banken. En de banken, die maken terug winst op de kap van het volk.

Dat er iets moet veranderen mag ondertussen duidelijk zijn. Meer nog, er dient behoorlijk wat te veranderen. Het is hoog tijd dat de linkerzijde haar historische opdracht terug opneemt en inzet op eenpolitics of paradise. Concreet: net zoals de radicale verlichtingsdenkers twee eeuwen terug hun ideeën inzetten om een betere wereld te creëren, zo is dat ook vandaag onze opdracht. En die droom van een betere wereld is opmerkelijk gelijkaardig: het gaat over de creatie van een wereld waar de universele mensenrechten niet dienen om ons op de borst te kloppen, anderen uit te sluiten en oorlogen te legitimeren. Integendeel: het gaat erom die mensenrechten te realiseren voor elkeen op deze planeet. De opdracht die voor ons ligt, is dezelfde die de radicale verlichtingsdenkers wilden uitvoeren. Hun strijd is lang niet gestreden.

Centraal in die strijd staat het idee dat we allemaal vrij en gelijk geboren worden met onvervreemdbare rechten. Die strijd is onvermijdelijk een strijd die vertrekt van een universeel perspectief en per definitie antinationalistisch. In tijden van globalisering en superdiversiteit kan het niet zijn dat onze rechten afhangen van onze nationaliteit. Het onderwijs en de werkgevers vragen meer en meer dat we hypermobiel zijn: we moeten werken en studeren over de nationale grenzen heen, maar als we dat doen dan verliezen we telkens een aantal van onze rechten. Als we in een ander land wonen dan verliezen we vaak niet enkel onze politieke rechten, maar bijvoorbeeld ook onze pensioenrechten. Dat vereist natuurlijk een politieke strijd op een supranationaal niveau. Het betekent dan ook dat de linkerzijde zich moet organiseren en verenigen op dat supranationaal niveau rond een strijd voor democratische schaalvergroting: eerst op Europees niveau, later op wereldniveau. Dat is een verderzetting van de strijd van radicale verlichtingsdenkers. Zij zagen democratie immers als een systeem om de universele mensenrechten te realiseren: democratie en een universele strijd was van meet af aan de bedoeling. De radicale verlichtingsdenkers spraken niet zomaar over een generale revolutie, een revolutie die hele wereld in haar ban zou nemen.

Die universele democratische strijd is op de lange termijn niet alleen de enige mogelijkheid om die droom van de universele mensenrechten realiseren, het is ook de enige mogelijkheid om terug democratische controle te verwerven over de losgeslagen economie. Het idee dat we een duurzame economie zullen hebben door alles maar aan de markt over te laten dat is een illusie. De markt stelt winst centraal, niet het algemeen belang. Als we dus een ecologisch duurzame economie willen verkrijgen, dan zal dat niet spontaan door de markt gebeuren: we moeten er dus democratische controle over kunnen uitoefenen. Vandaag spelen multinationals echter met veel gemak landen tegen elkaar uit, van democratische controle is geen sprake. Meer nog, die multinationals spellen de nationale overheden niet zelden de les.

Het mag duidelijk zijn dat niet de waan van de dag, maar net de lange termijn centraal moet staan in deze strijd. En die lange strijd begint zoals altijd bij een democratische mens. Het onderwijs mag dus niet herleid worden tot een fabriekje die werknemers produceert, maar moet onze jongeren opleiden tot democratische burgers. Burgers die het belang kunnen inschatten van een democratie, maar die zich vooral bewust zijn van hun rechten en uitgerust worden met de kennis om hun eigen positie in de samenleving en in de wereld te analyseren. Verzet, sociale en politieke strijd zijn dan geen vieze woorden of oubollig, maar nemen terug de kern in van de democratische ideologie. Het strijden naar een betere wereld is een strijd van ons allen.

Dat betekent meteen ook dat onze media moeten onttrokken worden aan de commerciële logica: niet de kijkcijfers moeten het kwaliteitscriterium zijn, maar de wijze van informeren is van belang. Dat media entertainment bieden is op zich geen probleem, maar de media moeten ons ook toelaten ons diepgaand te informeren. De kwaliteit van de democratie hangt af van de wijze waarop democratische burgers geïnformeerd zijn en hoe ze die informatie analyseren. Kwaliteitsvolle media die ons diepgaand informeren over onze democratische belangen zijn dan ook een conditio sine qua non voor een gezonde democratie.

In het kort moet de politiek linkerzijde terug een groot verhaal ontwikkelen: een echt alternatief toekomstproject. Dat toekomstperspectief moet geen utopie zijn, maar moet gebaseerd zijn op kennis van de reële mogelijke alternatieven. Wallerstein noemt dit de nood aan een utopistiek. Utopistiek is volgens de gerenommeerde socioloog niet zomaar een woordspelletje. Terwijl een utopie per definitie verwijst naar iets wat nergens bestaat, wil Wallerstein met zijn pleit voor een utopistiek nadenken over historische alternatieven. In de rijke traditie van de radicale verlichtingsdenkers pleit hij voor wetenschap die ten dienste staat van de creatie van een nieuwe, betere samenleving. Via de utopistiek zouden volgens Wallerstein serieuze analyses moeten gemaakt worden van de historische alternatieven die mogelijk zijn. De utopistiek moet dus niet de perfecte en onvermijdelijke toekomst uittekenen, maar betere, rechtvaardige alternatieven uitdenken die historisch mogelijk zouden kunnen zijn. Geen determinisme bestaand uit een onafwendbaar hemel op aarde, maar politiek, wetenschap, moraal en sociale actie die samenvloeien in een streven naar een betere samenleving.

Politieke partijen aan de linkerzijde moeten dan ook weer meer soortelijk gewicht geven aan hun studiediensten, aan linkse denktanks zoals de Vooruitgroep of Oikos. Het is pas wanneer we onze geschiedenis kennen en niet meer bang zijn om intellectuele arbeid te verrichten om kritische en empirische analyses te maken van de huidige realiteit dat we ruimte zullen vinden om realistische alternatieven uit te denken. En het is pas wanneer we dergelijke alternatieven kunnen denken dat we ervoor kunnen strijden. Er is dus denkwerk én sociale en politieke strijd nodig. Die betere wereld zal er niet vanzelf komen. We zullen er, net zoals in het verleden, verdomd hard voor moeten strijden. We starten dan ook beter vandaag dan morgen.

Ico Maly

Deze tekst is de basis voor de speech van Ico Maly tijdens het zomerweekend van Groen!  

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen (Universiteit Tilburg), licentiaat in de Vergelijkende Cultuurwetenschappen en post-licentiaat in de Ontwikkelingssamenwerking, optie politiek en conflict (Universiteit Gent). Hij publiceert al jaren over beeldvorming, racisme, nationalisme, (super)diversiteit, democratie en de strijd voor vrijheid en gelijkheid. Hij is coördinator van Kif Kif en schreef o.a. N-VA | Analyse van een politieke ideologie (EPO, 2012) en De beschavingsmachine. Wij en de islam (EPO, 2009). Onder zijn redactie verscheen eerder Cultu(u)rENpolitiek, dat in 2008 de publieksprijs van boekhandel De Groene Waterman won. Samen met Jan Zienkowski was hij redacteur van het e-boek: “Het rijpen van de geesten” (Kif Kif).

[Veto] De ideologie van Bart De Wever en zijn N-VA gefileerd: “Bloed-Vlamingen en neoliberalen”

Filosoof en cultuurwetenschapper Ico Maly is al langer een luis in de pels van de N-VA. In zijn doctoraat – dat verrassend vlot over de toonbank gaat – analyseert hij de ideologie van de Vlaams-nationalistische partij. Zijn conclusie? De N-VA is een neoliberale partij, gestoeld op een anti-verlichtingsdenken.

SAM RIJNDERS (FOTO: ANDREW SNOWBALL) | Veto

Om met de deur in huis te vallen: wat verstaat u onder de anti-Verlichting?

Ico Maly: «Historisch gezien was de anti-verlichting een ideologische en intellectuele verzetsbeweging tegen de Franse revolutie. Deze beweging wou geen terugkeer naar het ancien régime zoals de contraverlichting, maar streefde naar een andere moderniteit dan de radicale verlichtingsdenkers. Eentje die niet gebaseerd is op verlichtingswaarden als gelijkheid, vrijheid en democratie in een ideologische betekenis. Maar wel op ongelijkheid en leidersfiguren die spreken voor het volk: een antidemocratie. Denk aan het grote voorbeeld van Bart De Wever, Edmund Burke, hij was samen met Herder het fundament van die antiverlichtingstraditie.»

De N-VA is onder andere voor holebirechten. Is dat dan geen verlichtingswaarde?

Maly: «Als conservatief en Vlaams nationalist zat De Wever aanvankelijk in dezelfde niche als het Vlaams Belang. Om zich te onderscheiden van het Vlaams Belang beriep hij zich op de verlichting. Zo is hij inderdaad voor holebirechten. Maar dat maakt hem nog geen verlichtingsdenker, het is slechts een vernislaagje, waaronder zich een diepgeworteld antiverlichtingsdenken bevindt.»

AANPASSEN OF OPKRASSEN

Als je N-VA’ers vraagt naar hun ideologie, antwoorden ze “nationalisme”. Dat zou grondig verschillen van het etnische en culturele nationalisme van het Vlaams Blok.

Maly: «Alhoewel ze nationalisme niet zien als een ideologie, zetten ze zich inderdaad in de markt met een ‘nieuw nationalisme’. Een humanitair nationalisme voor de eenentwintigste eeuw, vrij van de zonden van het verleden. Maar het bloed-en-bodem-nationalisme van een Vlaams Blok vind je wel degelijk terug bij N-VA. Wij zijn dan Vlamingen omdat we hier geboren zijn, Nederlands spreken en dus dezelfde normen en waarden delen. Fictie volgens mij, maar zo zegt De Wever het letterlijk. Dat wordt aangevuld met een zogezegd civiel nationalisme. Iedereen is welkom als ze maar onze taal leren spreken en normen en waarden overnemen. Daar valt het masker: vreemdelingen mogen enkel lid van de club worden als ze “echte Vlamingen” worden. Wat is dan het verschil met het “aanpassen of opkrassen” van het Vlaams Blok?»

«Wij, de bloed-Vlamingen, hebben bijvoorbeeld automatisch recht op een sociale woning. Mijn vrouw met Turkse roots moet eerst bewijzen dat ze goed Nederlands spreekt, als het van Liesbeth Homans (Antwerps OCMW-voorzitter voor N-VA, red.)afhangt. Terwijl sommige Vlamingen niet eens voor die taaltesten zouden slagen. In Asse gaat N-VA nog verder: de gemeente moet huizen opkopen en die enkel aanbieden aan mensen met Nederlands als moedertaal. Dat is pure discriminatie: hoe kan je ooit je moedertaal veranderen?»

Hun centrale argument is dat België geen democratie is, maar een optelsom van twee democratieën. Het stemgedrag in Vlaanderen en Wallonië verschilt toch inderdaad grondig?

Maly: «Die oneliner kan je enkel begrijpen als je het democratiebegrip van N-VA onderschrijft. Voor haar is democratie de stem van het volk. Dan geloof je dat het volk met één stem kan spreken. Nochtans, ik ben een Vlaming en De Wever spreekt nooit in mijn naam. Ik word nooit meegerekend, tenzij als “slechte Vlaming”. Men creëert een ideaaltypische, rechtse Vlaming en doet alsof alle Vlamingen zo zijn.»

«Er zijn inderdaad verschillen in stemgedrag tussen Vlaanderen en Wallonië, maar die zijn het gevolg van een homogeniserende en communautaire bril. In de realiteit zijn de concrete levensomgevingen van mensen, zoals verschillen in stemgedrag tussen stad en platteland, veel relevanter om die verschillen te verklaren. Bovendien zie je vanuit historisch perspectief dat die verschillen helemaal geen structurele culturele uitingen zijn. Nu is de PS de grootste, enkele verkiezingen terug was het nog MR. Kortom, die oneliner toont de nationalistische invulling van democratie door N-VA.

Paradoxaal genoeg steunt deze nationalistische partij wel het Europese project.

Maly: «Die steun is strategisch en voorwaardelijk. Eerst en vooral wil men zich onderscheiden van het Vlaams Blok als een partij die wel open staat voor de wereld. Ten tweede is die steun erg voorwaardelijk. Het is een Europa van naties, geen federaal Europa zoals Guy Verhofstadt wil. Logisch, want N-VA gelooft niet in een ‘democratie’ met meerdere identiteiten. Op Europees niveau is vanuit die logica nooit een democratie mogelijk. Tot slot steunen ze de Europese unie omdat die dezelfde economische politiek voert als de N-VA. Namelijk het neoliberalisme.»

NEOLIBERALE AGENDA

Neoliberalisme: de term is gevallen. Wat verstaat u onder dat hedendaagse politieke buzzword?

Maly: «Je mag dat niet begrijpen als een ideologie die alleen maar zo weinig mogelijk overheid wil. Concurrentie tussen bedrijven staat centraal. Overheidsingrijpen is geen probleem voor neoliberalen, zolang die gericht is op het bevorderen van de concurrentie en de marktwerking. Gelijkheid en sociale voorzieningen nastreven is echter een taboe.»

Neoliberalisme en nationalisme: wat is dan het middel en wat is het doel?

Maly: «Die vraag krijg ik zo vaak dat ik plan er een boek over te schrijven. (lacht) De Wever is een nationalist maar ziet neoliberalisme als noodzakelijke voorwaarde voor een onafhankelijke natie. Je moet immers een bloeiende economie hebben.»

«Omgekeerd heeft neoliberalisme nationalisme nodig. Je economie moet globaal zijn met een vrijheid van kapitaal, maar de politiek en dus de democratie moeten nationaal blijven. Zo heeft ze geen macht over die globale economie. Een perfecte beschrijving van onze huidige situatie. N-VA onderschrijft het neoliberalisme, zolang haar nationalistische idealen maar niet in gevaar komen.»

Vinden we de invloeden van het neoliberale denken dan niet terug bij alle politieke partijen? Het is toch geen monopolie van de N-VA?

Maly: «Een hegemonie zou Gramsci het noemen. De besparingspolitiek van Wilfried Martens in de jaren ’80 heeft het neoliberalisme in België geïmporteerd. Vanaf de 90 is het neoliberalisme hegemonisch. Sinsdien wordt ‘de economie’ steeds meer begrepen als een systeem op zich, wat totale onzin is. Economie staat niet los van de politiek, daar worden heel wat machtsbeslissingen genomen.»

«Stilaan wordt echter duidelijk dat deze dominantie van het neoliberalisme niet eeuwig is. Het neoliberalisme werkt niet, tenzij voor een kleine elite. Vroeger hing economische groei tenminste samen met stijgende lonen. Deze basis van de welvaartstaat is volledig losgelaten.»

Waarom horen we dit verhaal zo weinig in de media?

Maly: «In de eerste plaats dankzij het fantastische retorische talent van De Wever, hij communiceert zich als gematigd en intellectueel. Bovendien verkoopt De Wever zeer goed. Veel journalisten ontbreekt het echter ook aan historische kennis, laat staan dat ze de wortels van de verlichting beheersen of de tijd hebben om een scherpe analyse te maken van de ideologie van N-VA.»

[De Gids] Recensie N-VA | Analyse van een politiek ideologie

De Gids over N-VA | Analyse van een politieke ideologie: Als men er de lijvige, goed gedocumenteerde en indrukwekkende analyse over deze partij – het doctoraat van Ico Maly – N-VA. Analyse van een politieke ideologie op naleest krijgt men wel een duister beeld van conservatief-rechts in ons land.

Image

Image

Image

[solidair] Eindejaarsvraagjes

Solidairs eindejaarsvraagjes 2012 (deel 3)

De redactie van Solidair vroeg aan enkele van de markantste en interessantste figuren uit de academische, culturele, politieke, journalistieke en syndicale wereld om terug te blikken op 2012. In één adem peilden we naar de wensen voor 2013.

1. Wie krijgt van u de ‘goed bezig 2012’? Waarom?

2. Wie krijgt van u de ‘rode kaart 2012’? Waarom?

3. Op welk(e) persoonlijk(e), maatschappelijk geëngageerd(e) en solidair(e) actie of standpunt uit 2012 bent u best trots?

4. Wie wenst u wat toe in het jaar 2013, ten goede of ten kwade?

• Bekijk hier het jaaroverzicht 2012 in foto’s

• Solidairs eindejaarsvraagjes (deel 1)

• Solidairs eindejaarsvraagjes (deel 2)

Anne Provoost

Schrijfster

Goed bezig. De Moeder van alle Grote Problemen is nog altijd de overbevolking. Als we toestaan dat mensen onbeperkt blijven ‘procreëren’, zullen we ook moeten blijven toestaan dat kinderen in steeds grotere getale ‘creperen’. Er zijn weinig mensen die dit thema op de agenda durven te zetten. Wie het doet is goed bezig, want hij maakt zichzelf ontzettend onpopulair.

Rode kaart. Ik heb dit jaar kunnen meemaken hoe één burger (haar echtgenoot Manu Claeys van stRaten-generaal, n.v.d.r.) een zorgvuldige reconstructie maakte van de politieke afspraken en de geheime contracten achter de contracten in het dossier van de Oosterweelverbinding. Dat diepgravende dossier werd vervolgens door de Vlaamse pers genegeerd. Ondertussen doen de bouwconsortia en de politici gewoon verder.

Engagement. Ik blijf hopen dat de Vlamingen zich weer wat meer gaan concentreren op het verwerven van een tweede en een derde taal in plaats van zo hard met hun eerste taal bezig te zijn. In mijn moedertaal alleen kan ik niet wonen. Ik zal dus nooit aanvaarden dat talen worden verboden, of dat mensen me op de vingers tikken omdat ik Franse, Duitse of Engelse woorden gebruik.

Wensen. Ik wens de linkerzijde in dit land de kracht toe om te blijven zoeken naar antwoorden die inclusief zijn. Onze omgeving wordt steeds exclusiever: men kijkt naar wat zich in de eigen cirkel bevindt, ziet de waarde ervan, en gaat het vervolgens afschermen. Maar iemand moet toch ook kijken naar wat buiten de eigen cirkel achterblijft? En dat dan aan boord halen? Hoe bewaren we anders ons menselijke gelaat?

Ico Maly

Coördinator Kif Kif

Goed bezig. PVDA in het algemeen en haar studiedienst in het bijzonder. Er was het opmerkelijke verkiezingsresultaat, maar de PVDA-studiedienst heeft ook meermaals heel pertinente gegevens beschikbaar gemaakt voor het brede publiek en zo daadkrachtig de strijd aangegaan met iedereen die onze sociaaleconomische en democratische rechten aantast. De informatie voedde telkens het maatschappelijk debat. Een verademing.

Rode kaart. Interimkantoren en dienstenchequebedrijven die nog altijd discrimineren en de verschillende overheden die geen prioriteit maken van racismebestrijding. Uit de discriminatiebarometer van Kif Kif bleek voor de zoveelste maal dat discriminatie en racisme schering en inslag zijn op de arbeidsmarkt. We brachten manifeste bewijzen van racisme en discriminatie naar voor, maar de politici doen er niets aan.

Engagement. Op de publicatie van mijn doctoraat N-VA. Analyse van een politieke ideologie.

Wensen. Ik wens de verschillende ministers en politici in ons land volgend jaar wat meer sociale empathie toe en inzicht in democratie. Het is helaas nodig.

Karim Zahidi

Wiskundige-filosoof (UA), lid van Ronde Tafel van Socialisten

Goed bezig. DeWereldMorgen, een van de weinige mediakanalen in België die er in slagen om belangrijk nieuws te brengen dat door andere mediakanalen niet wordt opgepikt. Ze brengen verdiepende analyse en achtergrondinformatie die van wezenlijk belang zijn om de wereld te begrijpen (om hem te veranderen). De tientallen vrijwilligers en auteurs die dagelijks in de weer zijn om dit kleine wonder werkelijk te maken verdienen een pluim.

Rode kaart. De Israëlische regering. Eigenlijk verdient ze die rode kaart ieder jaar voor haar bezettingspolitiek: bouw van illegale nederzettingen, willekeurige opsluiting van kinderen en adolescenten, systematische schending van mensenrechten… Dit jaar deed de Israëlische regering er nog een schepje bovenop door de aanval op Gaza, die de dramatische situatie nog wat uitzichtlozer maakte.

Engagement. “Vive la Sociale”, een productie van het Brussels Brecht-Eislerkoor, het Hasselts omroerkoor en fanfare Remork waarin doorheen teksten en liederen de geschiedenis wordt verteld van de sociale strijd. Het is belangrijk om ook vandaag dit verhaal te vertellen en duidelijk te maken dat verzet en strijd onze belangrijkste politieke wapens zijn.

Wensen. Aan zij die dagelijks groot of klein verzet plegen tegen uitbuiting en onderdrukking wens ik het pessimisme van het verstand maar het optimisme van de wil.

Ludo De Brabander

Woordvoerder Vrede vzw

Goed bezig. DeWereldMorgen. Deze alternatieve nieuwssite is erin geslaagd om met een kritische blik een uitgebreid aanbod van onderwerpen te brengen naar een breed publiek. Geëngageerde journalistiek, gebaseerd op duidelijke waarden zoals democratie, rechtvaardigheid, solidariteit en vrede, wat beter is dan de schijnonafhankelijkheid waar grote media graag mee uitpakken.

Rode kaart. Bart De Wever. Hij staat voor alles wat ik verafschuw. Hij kiest voor een egoïstisch neoliberaal Vlaanderen, voor de sterken in de maatschappij. Hij ziet zich als de verdediger van de belangen van de Vlaamse werkgevers. Als deze man aan de macht komt, dan vrees ik de sociale afbraak. Dat is ook de belangrijkste reden waarom hij België wil splitsen: links en de vakbonden moeten verder verzwakt worden.

Engagement. Grootste vredesvlag. In Gent ontvouwden we op 21 september, de internationale dag voor de vrede, de grootste vredesvlag ter wereld met de boodschap: ontwapen om te ontwikkelen. We willen daarmee protesteren tegen het feit dat de wereld in 2011, ondanks de crisis, een recordbedrag van 1,74 miljard dollar besteedde aan militaire uitgaven. Dat geld moet naar broodnodige sociale en milieu-investeringen.

Wensen. Dat de regering durft werk maken van de uitvoering van een passage over massavernietigingswapens in haar eigen regeerakkoord. Daarin staat dat ze zal ijveren voor een verbod op wapensystemen met een willekeurig bereik of die disproportioneel veel slachtoffers maken. In Kleine Brogel liggen nog altijd dergelijke wapens, die inderdaad dringend moeten ontmanteld worden in plaats van gemoderniseerd zoals het Pentagon voorziet.

Marijke Pinoy

Actrice

Goed bezig. Alle mensen die graag in Vlaanderen wonen, en dat zijn er toch nog wat, die het woord Vlaanderen niet te pas en te onpas hebben misbruikt om hun doel te bereiken.

Rode kaart. De media, die mijns bescheiden mening, nog nooit zoveel het woord Vlaanderen in de mond hebben genomen als het afgelopen jaar. Het is een herboren woord, bijna ongenaakbaar en heilig verklaard.

Engagement. Ik probeer mij niet te laten misleiden door oorlogstaal en haatdragende slogans, ik probeer daarentegen het hoofd koel te houden, en aan mijn kinderen door te geven dat oog om oog, tand om tand, tot niets leidt.

Wensen. Ik wens iedereen meer mededogen toe, en dat alles  wat gelijker zou verdeeld worden, zodat de sluipende armoede niet nog meer uit de hand loopt. Ik hoop zo dat de Grieken hun trots mogen terugvinden in een land waar cultuur ooit zo vooruitstrevend is geweest. En daarbij hoop ik dat we een solidair Europa mogen zijn.

Rik Vermeersch

Directeur ManiFiesta

Goed bezig. De Rode Duivels, niet alleen omdat ze zich aan het kwalificeren zijn voor Brazilië, maar ook omdat ze geen blad voor de mond nemen. Kompany sprak zich meermaals uit tegen separatisme en Jelle Vossen bracht een solidariteitsbezoek aan het piket van Ford Genk.

Rode kaart. Bart Verhaeghe, eigenaar van Club Brugge. Hij vormt de club om van een familieclub naar een zielloos bedrijf, waar alleen winst telt. Hij is bouwpromotor van Uplace maar ook stichtend lid van patronale denktank Intinera. Itinera vindt dat iedereen tot zijn zeventigste moet werken. Agressieve rijkaards, ze bestaan.

Enagement. Ik ben natuurlijk fier over de collectieve realisatie van ManiFiesta. Dit feest van de solidariteit wordt het jaarlijks rendez-vous van de progressieve onderstroom.

Wensen. Ik hoop dat het Vlaams-nationalisme zijn ware gelaat toont: anti-volks, dikwijls hatelijk ten aanzien van Franstaligen, maar o zo lief voor de rijksten in deze samenleving. Ik wens alle fans van ManiFiesta vooreerst een geslaagde vierde editie. Het moet mogelijk zijn om in 2013 dichter bij de 10.000 bezoekers te komen.

Steven De Geynst

Muffinman, opbouwwerker en ervaringsdeskundige

Goed bezig. De actie “Ieders stem telt” (actie van Samenlevingsopbouw naar aanleiding van de gemeenteraadsverkiezingen, n.v.d.r.), omdat ze inzette op mensen in maatschappelijk kwetsbare posities.

Rode kaart. Maggie De Block. Zij blijft volharden in repressie en is blind voor de naakte cijfers: armoede is vooral een zaak van uitsluiting.

Engagement. The rise of the Muffinman!

Wensen. Seefhoek vooruit!

Stijn Tormans

Journalist Knack

Goed bezig. Kris Fierens en Kristof Van Brussel van Red Het Zeemanshuis. Het in december afgebroken Zeemanshuis was meer dan een lokaal Antwerps dossier, het was een symbool. Een lowbudgethotel waar arme mensen en zeemannen een thuis vonden. Maar ook een fiftiesmonument dat scheef stond en dus bij voorbaat weerloos was tegen politieke belangen en het grote geld.

Rode kaart. De commentaarschrijvers op nieuwsfora, die veranderd zijn in een pool van beledigingen en verwensingen. Leve de polemiek, dat spreekt. Maar vandaag lijkt iedereen wel voortdurend boos en verongelijkt. En vooral: alleman is overtuigd van zijn eigen gelijk, neergepend in erbarmelijk Nederlands. Twijfel werd in 2012 meer dan ooit een schaars goed.

Engagement. Geen enkele.

Wensen. De Vlaamse bevolking en haar leiders: een portie twijfel, wat mildheid. Zelden was de politiek van dit land zo agressief, gestuurd door media- en andere cellen. Desondanks hoop ik dat mensen af en toe scheef blijven staan tegen grondstromen, in naam van de democratie.

Jean Bricmont

Fysicus, professor aan de UCL

Goed bezig. De Franse president François Hollande, die erin slaagde veel Fransen ervan te overtuigen dat verandering mogelijk is, terwijl hij zeer goed wist dat de Europese regels gemaakt zijn, meer bepaald door zijn eigen partij, om elke verandering onmogelijk te maken.

Rode kaart. Alle linkse organisaties en bewegingen in Europa die, onder het mom de revolutie in Syrië (en vorig jaar in Libië) te “steunen” met geen woord reppen over de talrijke schendingen van het internationaal recht waar hun regeringen zich schuldig aan maken in naam van het “recht op inmenging” en “verantwoordelijkheid om te beschermen”.

Engagement. Zoals elk jaar ben ik nergens fier op. Ik begrijp dat de PVDA fier is op haar succes, maar het is een druppel in de zee, als we overwegen dat we totaal niet in staat zijn om ook maar in het, minst weerstand te bieden aan de ontketening van geweld door Amerika en Israël, of ook maar een oplossing te bedenken voor het vernietigen van jobs bij ons en de langzame ineenstorting van onze maatschappijen.

Wensen. Vel sterkt aan Bradley Manning, de Amerikaanse soldaat die de rest van zijn leven in de gevangenis zit omdat hij de oorlogsmisdaden van de Amerikanen in Irak aan het licht bracht, en aan alle andere moedige Amerikanen die strijden tegen het imperialisme in hun eigen land en daarbij soms in de gevangenis terechtkomen, onder de totale onverschilligheid van Europees links, dat enkel “solidair” is met alle revoluties die door de Amerikanen gesteund worden.

Roland Mahauden

Directeur van het Théâtre de Poche

Goed bezig. Aan alle kunstenaars die hun “strijd van de armen” hebben gewonnen door te betogen, en zo Fadila Laanan (PS, minister van Cultuur van de Franse Gemeenschap, n.v.d.r.) ertoe te brengen terug te komen op haar beslissing om te snoeien in het nu al krappe budget voor jonge theatercreaties.

Rode kaart. Aan onze regering die hardnekkig volhoudt de crisis te doen betalen door de werkende mensen, die de werkzoekenden straft als ze geen werk vinden omdat er geen is, en die de deuren van het land wagenwijd openzet voor de grote vermogens uit de buurlanden die op zoek zijn naar een fiscaal toevluchtsoord, terwijl ze die deuren dichtgooit voor asielzoekers die op zoek zijn naar een toevluchtsoord zonder meer.

Engagement. De strijd is nog niet gewonnen, maar nu ik twee keer in Afghanistan ben geweest, heb ik de basis gelegd voor een show met jonge Afghaanse acteurs in hun riskante emancipatiestrijd.

Wensen. Nu ik pas te weten ben gekomen dat mijn huisbaas, van wie ik tegen een peperdure prijs één van zijn vele appartementen huur, geen cent belastingen betaalt op zijn maandelijkse huurinkomsten, wens ik hem en alle andere gelukkige huisbazen in 2013 toe dat ze verder hun zakken kunnen vullen met belastingvrije huurinkomsten.

Zakia Khattabi

Gemeenschapssenatrice, fractievoorzitster van Ecolo

Goed bezig. Voor de Tunesiërs, de Egyptenaren en alle democraten van de Arabische wereld die zich dagelijks inspannen om hun rechten te verdedigen op plaatsen waar de westerse machten (vroeger én nu) de rode loper uitrollen voor Arabische dictators.

Rode kaart. Voor de ‘linksen’ in de regering. Hun ideeën lijken verschraald tot eenheidsworst. Aan politiek doen is een zware verantwoordelijkheid. Onder het mom van ‘gezond beheer’ lijst Elio Di Rupo bijzonder fier een aantal cijfers op om bezuinigingen aan te kondigen. Dat is intellectuele oplichterij. Het zijn geen keuzes die ingegeven zijn door ‘het gezond verstand’, maar keuzes voor een neoliberaal beleid.

Engagement. Dat ik niet heb meegedaan aan de verschraling van het politieke denken. Dat ik mij verzet heb tegen de verruiming van de mogelijkheden om strafrechtelijke vergrijpen af te kopen via minnelijke schikkingen. Het slaat immers vooral op dossiers van fiscale fraude en geeft witteboordcriminelen een specifiek statuut. Bovendien rolt het de rode loper uit voor een klassenjustitie.

Wensen. Ik formuleer geen wensen. Ze hebben geen bindend karakter en stellen alleen de mensen tevreden die erin geloven… Wat ik wél wil doen is me engageren om het project voor een rechtvaardige en solidaire maatschappij te blijven verdedigen.

Aurélie Decoene

Voorzitster Comac (jongerenbeweging PVDA)

Goed bezig. De studenten van Québec, voor de strijd die ze voerden (en gewonnen hebben!) tegen de regering-Charest voor gratis openbaar hoger onderwijs. Het was een massale en creatieve strijd, die op een voorbeeldige manier gebruikmaakte van de sociale media. Bovendien het bewijs dat het de moeite loont om te vechten voor je rechten.

Rode kaart. Onze federale regering die de gemeentelijke administratieve sancties (GAS-boetes) uitbreidde tot allerlei nieuwe soorten inbreuken vanaf 14 jaar. Op die manier wordt het een instrument voor willekeur en repressie in alle richtingen, dat vooral de kinderen uit de volksbuurten zal treffen. Ook heel wat politieke militanten hebben dit jaar al zo’n GAS-boete in de bus gekregen.

Engagement. Op vijf plaatsen organiseerde Comac dit jaar een gezamenlijke blok tussen Kerst en Nieuwjaar en er kwamen meer dan 200 studenten op af, een record! Met dit initiatief helpen we de studenten bij het studeren. En dat in een tijd waarin het steeds moeilijker wordt om te slagen door de onderfinanciering van het onderwijs. Onze collectieve blok toont wat de kracht is van solidariteit.

Wensen. Ik wens de bevolking in Zuid-Europa, die zich verzet tegen de bezuinigingspolitiek van hun regeringen en van de Europese Unie, heel veel moed om de strijd vol te houden.

Raoul Hedebouw

Nationaal woordvoerder PVDA

Goed bezig. De progressieve presidenten in Latijns-Amerika, die elke dag opnieuw laten zien dat een andere wereld mogelijk is en noodzakelijk.

Rode kaart. Voor een groot deel van de politieke klasse in België, voor hun bewuste onmacht ten overstaan van de crisis van het kapitalisme.

Engagement. Niet meteen voor een individu, maar eerder collectief. Het aantreden van twee PVDA-verkozenen in de gemeenteraad bewijst dat steeds meer Luikenaars snakken naar een echte complexloze linkerzijde.

Wensen. Alle Europese volkeren samen wens ik zoveel mogelijk moed in hun verzet tegen dit Europa van het kapitaal.

Peter Mertens

Voorzitter PVDA

Goed bezig. Er zijn vorig jaar tienduizenden mensen voor het eerst van hun leven de straat opgetrokken, overal in Europa. Gepensioneerden, jongeren, mijnwerkers, strijdbare vakbonden, antiracismebewegingen, ecologische bewegingen, middenveldorganisaties… Op het hele continent weerklinkt één luide roep naar echte inspraak, en naar een economie die niet langer gegijzeld wordt door multinationals en banken.

Rode kaart. Een minderheid van de minderheid wordt toegestaan om zich te verrijken ten koste van zware schade aan het algemeen belang. 2012 is het jaar waarin die kleine minderheid niet alleen nog rijker is geworden, maar ook arroganter-dan-ooit. De patroons zwaaien de plak. De traditionele politiek is een blaasbalg geworden van alles wat het establishment meent te moeten zeggen, en ze verdient daarom een dikke rode kaart.

Engagement. Ik ben fier dat ik voorzitter mag zijn van de meest dynamische partij van het land. De diversiteit en de rijkdom die in onze partij aanwezig zijn, is enorm. Overal waar je komt in de sociale actie, kom je wel mensen van onze partij tegen. Als je door ManiFiesta wandelt, zie je mensen uit het hele land, van verschillende afkomst maar toch in een taal die elkaar vindt. Dat is de spiegel van onze partij, en daar kan je alleen maar fier op zijn.

Wensen. Ik wens alle welvaartsmakers een uitstekende gezondheid, veel zelfvertrouwen en doorzettingsvermogen toe. Maar vooral wens ik hen een nieuwe lente toe.

Genomineerd voor de Fraenken Teut 2012

N-VA | Analyse van een politieke ideologie is genomineerd voor de Fraenken Teut 2012.

De Fraenken Teut zet initiatieven en organisaties in de bloemetjes, die al te dikwijls in de marge van de grote verslaggeving blijven. Mensen die eigenlijk alle aandacht verdienen, omdat ze opkomen voor meer rechten, een rechtvaardige en gezonde samenleving, voor betere levensomstandigheden, voor een toegankelijke cultuur, …

De uitreiking van de Fraenken Teut 2012 vindt plaats op de Nieuwjaarsreceptie van de PVDA-Antwerpen op vrijdag 25 januari 2013.

Ico Maly is de auteur van het boek “N-VA, analyse van een politieke ideologie”. Met dit werk brengt de auteur inzicht in het programma en de ideologie van de N-VA. “De grote kracht van de N-VA is de verpakking”, aldus Ico Maly. Doorheen deze verpakking moet men de achterliggende doelstellingen proberen te vatten. “En deze achterliggende doelstellingen zijn radicaal antisociaal, extreemrechts, reactionair en neoliberaal” stelt Ico Maly frank. Nu Bart De Wever burgemeester van Antwerpen is geworden, wordt dit boek een must voor iedereen die het beleid in Antwerpen de komende jaren wil begrijpen.

hier kan je stemmen: http://antwerpen.pvdaplus.be/fraenken-teut-2012