De raaskalderij van Peter De Roover

Enkele bespiegelingen na een debat over diversiteit

Gisteren zat ik in de Vooruit op een TEDX-achtig evenement rond diversiteit van de faculteit sociale en politieke wetenschappen van de UGent. Een van de andere sprekers was Peter De Roover van N-VA. De Roover beloofde niet aan politiek te doen … dat was meteen de eerste belofte die sneuvelde. Met stijgende verbazing heb ik een speech aangehoord die niet anders te typeren is dan als ‘onzin’. Ik heb het dan nog niet over de schandalige banalisering en herdefiniëring van woorden als vooroordeel, discriminatie en apartheid, maar in eerste instantie over het compleet fictieve karakter van zijn verbeelding. Volg even mee.

de roover

De Roover deelde met ons de ‘wijsheid’ dat de mens bestaat uit twee dominante behoeften: zin voor herkenbaarheid en zin voor avontuur. Sommige mensen zijn avontuurlijker dan anderen, maar herkenbaarheid is cruciaal want dat geeft ons rust, aldus De Roover. Het is die herkenbaarheid die ons toelaat om niet teveel te moeten denken (dat schijnt lastig te zijn aldus deze ex-leraar). Want als alles herkenbaar is moeten we niet meer denken. We kunnen dan lustig ‘discrimineren’ op basis van vooroordelen. Dat geeft ‘ons’ blijkbaar rust. Want zegt De Roover we kiezen een restaurant (we discrimineren om het in de woorden van De Roover te zeggen) op basis van vooroordelen en niet op basis van kennis of gegronde oordelen op basis van feiten. We kijken blijkbaar niet naar ons eten, we weten blijkbaar niet dat er zoiets is als de voedselinspectie. Nee, we doen dat blijkbaar op vooroordelen. En dat is normaal.

Discriminatie en vooroordelen worden in het discours van De Roover niet alleen genormaliseerd en gebanaliseerd (we doen het allemaal), ze worden ook gezien als goed, als deel van de menselijke aard. Impliciet zien we hier de fictie van de homogene natie actief: herkenbaarheid is herkenbaarheid in een nationale natie waar iedereen dezelfde variant van het Nederlands spreekt, dezelfde dingen eet in dezelfde plaatsen, dezelfde waarden en normen deelt… ‘Wij’ zijn dan water, ‘zij’ zijn dan olie en dat mixt niet. De Roover is niet veel ‘onder de mensen’ geweest in de laatste decennia. Die wereld van nationale herkenbaarheid is pure ideologie, het is een wensbeeld, geen realiteit. Autochtonen zijn geen homogeen blok van herkenbaarheid. We hebben linksen en rechtsen. We hebben armen en rijken. We hebben bedrijfsleiders en werknemers, grungers, hipphoppers, emo’s, moslims, atheisten, katholieken, holebi’s, transgenders, skaters en bmx’ers, … Onder het laagje retoriek van De Roover gaapt de absolute leegte.

De realiteit vandaag is superdiversiteit en dat is voor elk van ons zo. Het idee bijvoorbeeld dat Belgen leven in een louter lokale Vlaamse wereld is foutief. We kunnen bijvoorbeeld een sociologisch fenomeen als ‘de hipsters’ en de bijhorende opstoot aan ‘authentieke’ koffiebars, barista’s, fixies, platen en zoverder niet begrijpen als we louter lokaal kijken. Het is een trans-nationaal fenomeen en het biedt – om de woorden van de Roover te gebruiken – herkenbaarheid: autochtonen en allochtonen kunnen hipsters zijn en delen veel meer met elkaar dan dat ze ooit zullen delen met De Roover. Dus zelfs al aanvaarden we dat herkenbaarheid een oerbehoefte is van de mens, dan zegt  niets dat die herkenbaarheid zich moet beperken tot de bruine bar van café de postduif in de kerkstraat.

Maar terug naar het verhaaltje van De Roover. Omdat die (nationale) herkenbaarheid zo belangrijk is moet we die afdwingen. En dat wil de linkerzijde niet, aldus De Roover, die wil immers apartheid. Links zou groepsidentiteiten willen verheffen tot norm, tot het organisatieprincipe van de samenleving. Nog los van het feit dat De Roover ‘apartheid’ hier ontdoet van zijn historische betekenis, is dit uiteraard onzin. Ik had immers net het punt gemaakt dat we met zijn allen tot heel veel verschillende groepen behoren, afhankelijk van de context, de tijd en de activiteit. De studenten in de zaal waren gedurende het debat een groep. Ze waren student en zullen dat waarschijnlijk nog een viertal jaar blijven. Ze waren mogelijks, toen ze even op Twitter zaten, ook even Twitteraar, vriend of collega. En toen De Roover begon over de Vlamingen waren ze misschien even Vlaming of Belg of antinationalist. En pas toen Youssef El Moussaoui vroeg naar de nationaliteit van mensen in het publiek werd deze groepsidentiteit geactiveerd. En na het debat verdween de groep: sommigen gingen op café en waren hiphopper, andere waren gewoon  ‘zatte student’ en weer anderen gingen flink slapen om morgen de flinke student te zijn. Identiteit is dus niet te herleiden tot nationale identiteit zoals De Roover ons wil aanpraten.

De Roover heeft duidelijk niet goed opgelet de laatste jaren. Dat belette hem niet om nog wat door te ratelen. Zij – links- vinden dat alles maar moet kunnen…  Nochtans zijn ‘wij’ aldus De Roover een democratie. En een democratie is volgens hem een systeem met twee fundamenten: er is een meerderheid en een minderheid. De meerderheid kan de wetten maken als ze daarvoor een meerderheid hebben. De andere moeten zich schikken.  Kortom, in navolging van zijn Grote Leider, definieert De Roover een democratie als een dictatuur van de meerderheid. Eenmaal die meerderheid iets beslist moet de minderheid zijn mond houden.  Kortom, een klassieke antiverlichtingspositie die de rechten van de mens met de voeten veegt in naam van de bescherming van de herkenbaarheid.

De Roover zou toch eens moeten bijlezen over die vermeende linkse vijand of op tijd komen zodat hij hen toch hoort praten. Dan zou hij doorhebben dat democratie, en gelijke universele rechten voor elke mens het strijdtoneel is van links. Dat dus niet ‘alles maar moet kunnen’, maar dat we een rechtvaardige samenleving willen hebben waar het gelijkheidsbeginsel – het fundament van een democratie – een feit is. Iets wat vandaag absoluut niet het geval is. We leven in een samenleving die gekenmerkt wordt door diepe ongelijkheid. We leven in een samenleving waar mensen afhankelijk van hun statuut, hun identiteit of althans de perceptie van hun identiteit ongelijke sociale, politieke, economische en religieuze rechten hebben. Dat is dus een democratisch probleem.

Dat is een politiek probleem en de partij van de heer De Roover is daar een structureel onderdeel van. Zijn partij maakt van die herkenbaarheid een instrument om rechten van mensen voorwaardelijk te maken (eerst Nederlands leren, dan pas recht op een sociale woning) en ondermijnt zo de democratie en de rechten van de mens.

De Roover verdient dan ook één pluim, hij was eerlijk. Hij heeft – il faut le faire-  openlijk gepleit voor discriminatie als een ‘normaal’ gegeven op een avond die in het teken staat van diversiteit. Dat is inderdaad best hoe we die partij begrijpen, als een partij die het onlegitimeerbare tracht te legitimeren.

Advertisements

[In De Morgen] Waar de minderheid de meerderheid is

In Vlaanderen is Genk een unicum, als enige stad die meer inwoners telt met buitenlandse dan met Belgische roots. Voor de inwoners van de mijnstad is multiculturaliteit echter de normaalste zaak.

Philip Gallasz en Sofie Vanlommel

Klik hier voor de reportage

Democratie in tijden van superdiversiteit

Over de nood aan utopistiek

“De multiculturele samenleving is failliet. In naam van de vrijheid geen hoofddoeken aan het loket. De islam bedreigt onze waarden. De tolerantiedrempel is overschreden. Er is dringend nood aan actie, de tijdbom tikt”, zo bulderen vele politici al jaren.

De multiculturele samenleving staat in onze mediadebatten al decennia synoniem met problemen. Het is echter niet de multiculturele samenleving die failliet is – die is immers een feit, of we dat nu leuk vinden of niet. Meer nog, we leven vandaag niet langer in een multiculturele samenleving, maar in een superdiverse samenleving. Niet die samenleving is failliet, maar het beleid ten aanzien van die superdiversiteit is bankroet. Het beleid resulteert al jaren in de feitelijke afbouw van onze democratie. De vaak hysterische mediadebatten fungeren zo als politiek-ideologische instrumenten voor de constructie van andere samenlevingen. In deze debatten rijgt men de ene sappige oneliner aan de andere hyperbool. Het multiculturele debat wordt in apocalyptische termen gevoerd. Het hoeft geen betoog dat dit ons weinig vooruit helpt. Dergelijk bombastisch taalgebruik is niet geschikt om onze samenleving empirisch te analyseren. Daarvoor hebben we een concreter en nauwkeuriger arsenaal nodig. Het is immers enkel door de complexiteit van de samenleving van vandaag te beschrijven en in rekening te brengen dat we kunnen werken aan een betere samenleving voor morgen.

In deze paper schets ik de contouren van een toekomstperspectief op een goede samenleving, een samenleving die de superdiversiteit een plaats geeft terwijl ze de democratie opbouwt en verdiept. Ik doe dit door het huidige debat in een historisch perspectief te plaatsen. Meer bepaald ga ik na welke lessen de radicale verlichtingsdenkers ons kunnen leren. Daarvoor zoom ik in op democratie, mensenrechten en het universalisme van verlichtingsdenkers als Paine, Condorcet en Jefferson. Vervolgens schets ik de samenleving waar we vandaag in leven, namelijk een superdiverse en door en door geglobaliseerde samenleving. Ik ga daarbij na wat die realiteit betekent voor het democratisch gehalte van onze samenleving. Ik eindig met een pleidooi voor het investeren in een utopistiek rond democratie en superdiversiteit.

Een verkorte versie van deze analyse verscheen DenkMee-krant van Jong CD&V

Het multiculturele debat en de tirannie van de meerderheid

De multiculturele samenleving zorgt al meer dan twee decennia voor verhitte en circulaire debatten (Maly, 2007 & 2009). De dominante thema’s waarover mediafiguren debatteren zijn opvallend gelijkaardig en komen steeds terug. Van de hoofddoek tot halalvlees, van een gebrek aan integratie tot radicalisering en terrorisme; om de zoveel tijd beheerst één van deze thema’s het mediatieke debat. Deze debatten kleuren niet alleen onze blik, ze veranderen de samenleving.

Vooruitgang is in die debatten zelden te bespeuren. Dezelfde (schijn)argumentaties komen steeds terug, ook al had de argumentatie al van in den beginne niet veel om het lijf. Diversiteit wordt in al die debatten niet zelden voorzien van een associatie met problemen. Problemen die, afgaande op die mediadebatten, vooral door moslims veroorzaakt zouden worden. De vaststelling dat onze samenleving niet langer multicultureel is, maar superdivers belooft dan ook niet veel goeds voor veel publieke opiniemakers en politici. Teveel diversiteit wordt gezien als “a recipe for disaster”. De oplossing voor die diversiteit wordt gevonden in inburgering: ze moeten zich cultureel inpassen in “onze cultuur”.

Die gedachtesprongen vertellen veel over hoe we als samenleving omgaan met deze nieuwe superdiverse realiteit. Ze tonen niet alleen een intellectuele armoede, ze zijn het gevolg van een ideologisch project dat haaks staat op een superdiverse en geglobaliseerde wereld en op ramkoers ligt met een verlichte samenleving, met een democratie. Willen we als samenleving en als mensheid democratisch omgaan met die superdiversiteit, dan is het hoog tijd om een heel andere weg in te slaan.

Sommige lezers zullen na het lezen van bovenstaande alinea’s waarschijnlijk de opmerking maken dat het hele inburgeringsbeleid en de mediadebatten over die superdiverse samenleving net in het teken staan van de democratie. Want, kunnen zij aanvoeren, die debatten staan krom van de engagementen aan de democratie. Het hele inburgeringsbeleid wordt toch in de markt gezet als een instrument tot emancipatie en gelijke kansen? De mediatieke aanvallen op de islam worden toch gevoerd onder de vlag van de democratie? Om de democratie te vrijwaren, zo voeren die intellectuele elites in de talloze mediadebatten dan aan, moeten zij inburgeren, want ‘hun cultuur’ of ‘hun religie’ zou botsen met ‘onze waarden’.

Vanuit een historisch en democratisch perspectief is die visie echter uiterst problematisch. Maar ook met de blik op de toekomst gericht biedt deze visie geen toekomstperspectief die werkelijk in staat is een goede samenleving op te bouwen. Democratie wordt in die discoursen niet alleen begrepen als een eigenschap van ons, van onze samenleving, maar ook als een instrument voor exclusie in plaats van inclusie. In die debatten wordt democratie niet gebruikt in haar historische en dus ideologische betekenis, maar als een cultuurkenmerk van ‘ons’. Wij zijn dan democraten, wij aanvaarden de scheiding kerk en staat, wij zijn voor gelijkheid man en vrouw, … En zij? Zij worden afgebeeld als ons spiegelbeeld.

We kennen deze riedeltjes ondertussen al en weinigen stellen er zich vragen bij. We zouden dat nochtans beter wel doen; dan pas worden de verborgen agenda’s en de gevolgen duidelijk. Vooreerst is het opmerkelijk dat deze ‘cultuurkenmerken’ slechts een zeer summiere selectie zijn van de rechten die we kennen als de mensenrechten. Bovendien zijn het net die waarden die in het dominante discours over de islam worden gezien als on-islamitisch. Meteen wordt ook duidelijk dat dit net het doel is, die waarden worden opgerakeld als onderscheid tussen ‘ons’ en ‘de ander’. Een hoofddoek wordt dan meteen neergezet als een eenduidig symbool van onaangepastheid, van fundamentalisme en onderdrukking. En dus moet de hoofddoek in naam van de vrijheid verdwijnen. Om de vrijheid te vrijwaren, moeten ‘we’ ‘hun’ godsdienstvrijheid opofferen. Zij moeten worden als ‘wij’; enkel dan kunnen ze vrij zijn. Enkel dan is men neutraal, aldus intellectuelen als Vermeersch.

Neutraliteit in deze betekenis is natuurlijk het platweg opleggen van één visie aan anderen. Ze is met andere woorden onderdrukkend en heeft met vrijheid niets van doen. Ze is gebaseerd op de macht van één groep over de andere. Dat is geen democratie, maar een tirannie van de meerderheid. In tijden van superdiversiteit is een dergelijke benadering van de samenleving gedoemd om te leiden tot polarisering, onderdrukking en conflicten. Het idee van godsdienstvrijheid gestoeld op de scheiding van Kerk en Staat was dan ook niet toevallig een idee dat rijpte in tijden van godsdienstoorlogen. Locke pleitte in zijn “on toleration” voor godsdienstvrijheid, inclusief het belijden van die godsdienst in groep en in het openbaar. Het was volgens hem aan het individu om te bepalen wat hij geloofde of niet geloofde, de staat had daar – zolang die de beleving van de civiele rechten van anderen niet schond- volgens hem niets in te zeggen. Spinoza, Paine en bij uitbreiding alle radicale verlichtingsdenkers pleitten niet louter voor tolerantie, maar zagen godsdienstvrijheid en vrije meningsuiting als een recht voor eenieder. Dit recht was voor deze radicale verlichtingsdenkers een van de vele onvervreemdbare rechten die alle mensen hadden. Willen we de democratie en de mensenrechten overeind houden, dan kunnen we dus maar best onze geschiedenis kennen. Anders verkoopt men ons een dictatuur in naam van de democratie.

Democratie en mensenrechten

Democratie en mensenrechten zijn twee zijden van dezelfde medaille. De mensenrechten zoals die tot uiting komen in de Franse en Amerikaanse verklaring van de 18de eeuw spruiten voort uit de intellectuele traditie van de radicale verlichtingsdenkers en vormen de basis van een verlichte democratie. Deze radicale verlichtingsdenkers, in tegenstelling tot hun gematigde collega’s zoals Hume, Voltaire of Kant, hielden onverkort pleidooi voor democratie en mensenrechten. Zij schonken ons de ideeën dat we allen geboren worden met dezelfde, onvervreemdbare rechten; dat we allen vrij en gelijk zijn en dat de staat een instrument is voor alle burgers om deze rechten te garanderen en te verwezenlijken. Dat zijn tevens de fundamenten van een democratie.

Condorcet, die mee de pen vasthield van de eerste versie van La Declaration, zag de Mensenrechten als een instrument om een goede samenleving op te bouwen. De mensenrechten waren volgens hem lang niet volledig, maar moesten gaandeweg uitgebreid worden zodat ze het geluk van eenieder konden vergroten. Volgens de verlichtingsdenkers was de democratie het systeem bij uitstek om die rechten te garanderen. Ten grondslag van de democratie ligt namelijk het idee dat we allen gelijk zijn en dat we dus allen dezelfde rechten hebben.

De democratie moet er dan ook zijn voor eenieders belangen en niet alleen voor de belangen van de meerderheid. Immers, zodra de meerderheid zijn wil doordrijft ten koste van de minderheden leven we niet meer in een democratie, maar in een despotisch regime. Dat is de reden waarom Rousseau een onderscheid maakte tussen “the will of all” en “the general will” (Todorov, 2010). “The will of all” is de mechanische som van de verschillende stemmen en zou in theorie unaniem moeten zijn, maar in de praktijk betekent ze voor Rousseau de stem van de meerderheid. “The general will” daarentegen neemt de verschillen in rekening. De basis van die algemene wil is dus het idee dat we allen gelijk zijn voor de wet en dat dus geen enkele burger kan uitgesloten worden of als inferieur beschouwd worden. Deze algemene wil is dus niet de som van de verschillende individuele identiteiten en meningen, maar bestaat uit het zoeken naar een algemeen belang dat alle verschillen recht aan doet.

De verlichte democratie is onvermijdelijk gestoeld op “the general will”. Enkel daardoor kan ze verbinden, ze tracht de belangen en rechten van eenieder in de samenleving te realiseren en niet het belang of de visie van de meerderheid te realiseren ten koste van de minderheden. Verkozenen in een democratie moeten dus regeren in het belang van alle onderdanen, niet alleen in het belang van degenen die hen verkozen hebben. Vanuit deze opvatting van democratie heeft iedereen dan ook te winnen met democratie. De reden waarom de tweede Belgische revolutie in 1830 slaagt, is omdat ze vertrekt vanuit dit perspectief. Enkel zo wordt een gemeenschappelijk strijddoel geschapen voor zowel katholieken en liberalen. De Belgische natie moest ‘[…] voortaan bestaan uit gelijke staatsburgers met als leuze ‘vrijheid in alles voor allen’. (Wils)

Vanuit dit historisch perspectief op democratie als filosofisch en politiek idee leren we twee zaken. Ten eerste zien we dat de zogenaamde verlichtingsadepten in het huidige maatschappelijk debat een geperverteerde visie van democratie en mensenrechten naar buiten brengen. Ten tweede leren we dat deze historische visie op democratie binnen het radicale verlichtingsdenken uitermate relevant is in de huidige context van globalisering en superdiversiteit net omdat ze vertrekt vanuit natuurlijke en onvervreemdbare rechten van elk individu en niet vanuit de dominantie van de meerderheid.

Universalisme

Een derde ingrediënt die deze radicale verlichtingsdenkers ons twee eeuwen geleden aanreikten was universalistisch denken. Veel van deze intellectuelen leefden niet binnen de contouren van één grondgebied maar in een globale wereld. Thomas Paine vocht in Ierse revoluties, was in Amerika ten tijde van de Amerikaanse revolutie en in Frankrijk ten tijde van de Franse revolutie. Thomas Jefferson verbleef niet louter in Amerika, maar trachtte vanuit Parijs de Amerikanen te overtuigen om de Franse revolutie te steunen. D’Holbach studeerde net zoals Voltaire in Leiden. Hume bezocht dan weer zijn Franse geestesgenoten enz enz. Niet alleen hun dagelijkse praktijk was globaal, ook hun denken was kosmopolitisch.

De verlichting is vanaf de start heel duidelijk universeel georiënteerd (Sternhell, 2010). ‘Universalism was one of the quintessential characteristics of the Enlightenment’, schrijft Israel (2011). De filosofen dachten volgens Hobsbawm (1962) niet in national(istisch)e termen, maar in termen van universele eenheid van de mensheid. En ook Israel (2011) benadrukt dat: ‘[…] the concept of distinct ‘national’ enlightenments seems to me altogether invalid […]’. Iedere mens, waar ook ter wereld, heeft dezelfde natuurlijke en onvervreemdbare rechten.

De mensenrechten waren voor hen per definitie universeel en dus geldig voor elk individu. Bovendien waren die rechten onvervreemdbaar. Iedereen was er onverkort eigenaar van en niemand mocht deze rechten inperken, ook democratisch verkozen leiders niet. Condorcet pleitte in de 18de eeuw niet alleen voor gelijke rechten voor man en vrouw, hij hield ook vurige pleidooien voor gelijke rechten van zwarten en voor de afschaffing van de slavernij. Meer nog, deze denkers waren niet louter papieren tijgers, ze streden actief voor een betere samenleving. Zo was Condorcet ook sterk actief in de lobbygroep “Society of the friends of Negroes” die actief ijverde voor de gelijkberechtiging van zwarten in tijden dat dit lang niet evident was.

Filosofie stond dus niet los van de samenleving, maar was net een fundament van maatschappelijke en politieke actie. Condorcet droomde van de vrolijke revolutie. Hij wijdde er niet alleen essays aan, hij voegde de daad bij het woord in de eerste revolutionaire regering van Frankrijk. Paine en Barlow hielden een stevig pleidooi voor wat zij een ‘generale revolutie’ noemen tegen vooroordelen en onwetendheid. De verlichte revoluties zijn ook geslaagd in hun universele opzet. Niet alleen zijn de ideeën die deze revoluties gevoed hebben universeel (de radicale verlichtingsdenkers beroepen zich niet louter op een globaal intellectueel debat, ze spelen ook leentje buur bij de oude Grieken, bij de islamitische freethinkers en bij Indische denkers enz.), ook in de praktijk heeft hun strijd universele gevolgen. Paine stelt over de Franse Revolutie heel duidelijk dat ‘there was little that was inherently French about the democratic ideology premeating the Revolution of 1789-1792’, (Israel 2010) Ook Hobsbawm komt tot deze conclusie in zijn klassieke werk ‘The age of revolution’: ‘All of them [de Franse revolutionairen; IM] therefore conceived of revolution as unified and indivisible: a single European phenomenon rather than an aggregate of national or local liberations.’ (Hobsbawm, 1962). Israel (2011) wijst ons er in dit kader zelfs op dat de Nederlandse, Britse, Franse en Duitse verlichtingsdenkers invloed kenden over de hele wereld. Hun ideeën circuleerden in Rusland, Scandinavië, Oostenrijk, Polen, Spanje, Portugal, Griekenland, Amerika en Egypte.

Superdiversiteit en de herschaling van de democratie

Als we ons nu concentreren op de realiteit van vandaag, dan zien we dat deze historische uitstap heel interessante ingrediënten oplevert die oplossingen aanreiken voor de huidige realiteit. Die realiteit is er niet alleen één van globalisering en superdiversiteit, maar steeds meer ook een realiteit van ongelijkheid en democratische afbraak. Bovendien hangen al deze fenomenen in een heel complexe dialectiek samen. Willen we nadenken over een toekomstige goede samenleving, dan dienen we ons bewust te zijn van de complexe realiteit waarin we leven en de samenhang tussen de aangehaalde evoluties. Ik doe hier een summiere en dus onvolmaakte poging.

Sinds de val van de Berlijnse muur stellen we wereldwijd ingrijpende veranderingen vast in migratiegolven en patronen. Simpel gesteld: vòòr de val van die muur en vòòr de verdere eenmaking van de Europese unie zagen we geen Bulgaarse of Poolse nummerplaten rijden op onze wegen. Vandaag zijn die er wel. Vandaag leven we niet meer in een Belgische samenleving met enkele migranten, we leven in een superdiverse samenleving. Superdiversiteit is vandaag de norm – niet ‘Vlaams’. 50% van de leerlingen in onze grootsteden hebben een migratieachtergrond. Op het Belgisch grondgebied leven mensen met roots in bijna 200 verschillende landen. Diversiteit is geen randfenomeen meer. Empirisch gezien is “dé Vlaamse samenleving” – in de zin van 1 volk, 1 natie, 1 taal en 1 cultuur- een fictie. Het is een ideologisch beeld dat weliswaar nog steeds bestaat in de hoofden van veel autochtone Vlamingen, maar niet tastbaar is. De feiten zijn wat ze zijn. We wonen met zijn allen in een superdiverse en sterk geglobaliseerde immigratiesamenleving. Dat is de empirische realiteit.

Het denken in termen van gemeenschappen op basis van afkomst is vandaag extreem moeilijk empirisch te staven. Immers, zelfs binnen één qua waarden en normen verondersteld homogene groep zien we gigantische verschillen. Nationaal denken of culturaliseren is meer dan ooit absoluut onzinnig. Mensen, zelfs mensen met eenzelfde nationaliteit, verschillen mogelijks van religie, van opleiding, van politieke voorkeur, van seksuele voorkeur of van geslacht. Ze hebben andere schoolervaringen of ervaringen met administratie of werk. Ze spreken andere talen en zijn anders gesocialiseerd. Maar er is meer, ze wonen potentieel op verschillende plaatsen in ons land en hebben bijgevolg heel andere leefomgevingen. Een nieuwkomer die terecht komt in de Brugse poort in Gent of Molenbeek in Brussel moet zich in een heel andere buurt nestelen dan een persoon die terechtkomt in Wingene dorp.

Die superdiversiteit is maar mogelijk binnen een globale context. Ze hangt bovendien ook sterk samen met de opkomst van nieuwe media in de jaren 90. Die media laten immers toe dat migranten hun band met het thuisland actief kunnen onderhouden. Migranten communiceerden in de jaren 70 o.a. via cassettebandjes die ze opstuurden naar het thuisland. Die communicatie verliep zeer traag, al snel ging er een maand voorbij vooraleer de communicatie heen en terug was gereisd. Vandaag zorgen email, Facebook, Skype en gsm’s voor een ogenblikkelijk en continu contact. Bovendien kunnen migranten via satelliettelevisie kijken naar het nieuws en de shows uit het thuisland. Dat betekent dat personen die hier geïsoleerd leven een groot sociaal leven kunnen hebben eenmaal ze achter hun pc kruipen (Blommaert en Backus, 2012). Die nieuwe migratie, gekoppeld aan de hedendaagse communicatiemiddelen én aan het beleid van de verschillende Europese lidstaten, zorgt voor die enorme diversiteit aan elementen die het leven tekenen van iedereen in onze samenleving, zowel autochtoon als allochtoon. We bouwen en onderhouden onze identiteit virtueel of fysiek via meerdere media in meerdere landen.

In de laatste twee decennia zien we die superdiversiteit de norm worden. Niet alleen migranten of hun kinderen bouwen immers hun identiteit op in een geglobaliseerde context, ook zogenaamde autochtonen doen dat. De kans is reëel dat jij en je vrienden via Facebook, Twitter, online games of Erasmus-uitwisselingen vriendschapsrelaties onderhouden met mensen uit uiteenlopende hoeken van de wereld. De kans is even reëel dat ze zich oriënteren op een wereldwijde subcultuur. Ze zijn dan skater, hipster, hijabista (Blommaert & Varis, 2012) of neopunker. Wat belangrijk is in hun leven wordt niet meer per sé bepaald door de vriendjes in de straat, maar is vaak globaal gestructureerd en niet zelden ook gecommercialiseerd.

Onze meerlagige identiteiten mogen we dan wel deels globaal construeren, onze democratie speelt gek genoeg nog steeds in een nationale logica (Maly & Blommaert, 2013). Meer nog, als een gevolg van deze globale evoluties zien we al decennia een opstoot van nationalisme. Dat nationalisme stelt zich voor als een antwoord op de onzekerheid en de bedreigingen van de neoliberale globalisering. Tevens pretendeert ze “onze identiteit” te beschermen tegen de invasie van die superdiversiteit. Deze oplossingen zijn echter schijn. De nationalistische reflex ten aanzien van superdiversiteit toont enkel met verve het deficit aan van nationale democratieën.

Dat onze democratie beperkt is tot het nationale niveau, heeft in de praktijk heel ondemocratische effecten. In de praktijk zijn deze democratieën in tijden van superdiversiteit en globalisering immers geen instrumenten meer die rechten realiseren en garanderen. Integendeel, voor steeds meer mensen zijn ze zelfs een rem op het realiseren van die rechten. Concreet vertaalt die nationale democratie zich vandaag in het feit dat we hier samenleven met mensen op één grondgebied die heel verschillende statuten hebben in onze samenleving. Minder eufemistisch betekent dit dat deze mensen verschillende politieke, sociale, culturele en economische rechten hebben. Onze rechten hangen in een wereld van naties’ af van onze nationaliteit, niet van het feit dat we mens zijn. En meteen wordt duidelijk waarom het universele denken zo belangrijk is om te kunnen spreken van een democratie. Als een democratie beperkt blijft tot de natie, dan betekent dat in tijden van superdiversiteit en globalisering dat een van de fundamenten van de democratie weggeslagen is: het gelijkheidsbeginsel.

Superdiversiteit, utopistiek en de democratische strijd

In het licht van het bovenstaande gaan de vragen die ons vandaag bezig zouden moeten houden over hoe we de idealen van de radicale verlichtingsdenkers vandaag kunnen realiseren. Hoe we in tijden van globalisering en neoliberalisme kunnen bouwen aan goede samenlevingen. Het is via ideeën dat we bouwen aan de samenlevingen van morgen. Enkel als we durven denken en dromen van betere, rechtvaardigere en gelijkere samenlevingen zullen we later in staat zijn om deze te realiseren.

De verlichte revoluties van de 18de en 19de eeuw zijn volgens Israel “revolutions of the mind”. Ze komen voort uit ideeën die velen vandaag als “te abstract” zouden afdoen. Vandaag hebben we een overdosis aan politici en met hen ook veel intellectuelen die zich louter bezig houden met de waan van de dag. Zogenaamd ‘realisme’ viert hoogtij: enkel wat vandaag mogelijk is en lijkt, wat ‘de mensen vandaag willen’ staat op de agenda. Weinigen breken het hoofd over wat zou kunnen of wat zou moeten zijn. Nochtans is er weldegelijk ruimte tot verbetering. Meer nog, er is sterke nood aan. We leven in een tijd waar een heel pak van de verworven rechten –hetgeen ons leven tot een goed leven maakt – onder druk komen te staan of zelfs daadwerkelijk afgebroken worden onder het eufemisme van modernisering. Progressie staat nog zelden gelijk met vooruitgang voor eenieder.

Ik volg dan ook Wallerstein (1996) wanneer hij oproept tot het beoefenen van utopistiek. Utopistiek is volgens de gerenommeerde socioloog niet zomaar een woordspelletje. Terwijl een utopie per definitie verwijst naar iets wat nergens bestaat, wil Wallerstein met zijn pleit voor een utopistiek nadenken over historische alternatieven. In de rijke traditie van de radicale verlichtingsdenkers pleit hij voor wetenschap die ten dienste staat van de creatie van een nieuwe, betere samenleving. Via de utopistiek zouden volgens Wallerstein serieuze analyses moeten gemaakt worden van de historische alternatieven die mogelijk zijn. De utopistiek moet dus niet de perfecte en onvermijdelijke toekomst uittekenen, maar betere, rechtvaardige alternatieven uitdenken die historisch mogelijk zouden kunnen zijn. Geen determinisme bestaand uit een onafwendbaar hemel op aarde, maar politiek, wetenschap, moraal en sociale actie die samenvloeien in een streven naar een betere samenleving.

Deze oefening doen inzake democratie lijkt me in deze tijden van economische, financiële, ecologische en democratische crisissen geen overbodige luxe. Meer nog, het is een absolute noodzaak. Om deze oefening te kunnen maken is de erfenis van de radicale verlichtingsdenkers inzake democratie en mensenrechten van onschatbare waarde. In plaats van te vertrekken van het idee dat de verlichting gerealiseerd is, en haar te zien als een historische feit, moeten we beginnen nadenken hoe we de democratie van de verlichtingsdenkers volledig kunnen realiseren of vrijwaren. Een aantal ingrediënten zijn daarbij duidelijk: gelijke en onvervreemdbare rechten voor eenieder, democratie en universele mensenrechten.

Vraag is nu: hoe realiseren we dat in de geglobaliseerde wereld van vandaag? Hoe realiseren we op wereldschaal gelijke rechten voor eenieder? Is een sociale zekerheid op wereldschaal een oplossing, is het mogelijk? Is een democratie op die schaal wenselijk en hoe verhoudt die zich tot democratie op de andere schalen? Hoe garanderen we vrijheid en gelijkheid voor eenieder op wereldschaal? Onderwijs voor eenieder was één van de basisvoorwaarden van een democratie, zonder democratische mens immers geen democratie. Hoe organiseren we dat en wie organiseert dat? Het losgeslagen economisch systeem zorgt vandaag voor de grootste factoren van onderdrukking, welke alternatieven zijn daarvoor denkbaar en hoe kunnen we die implementeren? Hoe garanderen we de politieke rechten van alle individuen in tijden van hypermobiliteit? Is het normaal dat, als we verhuizen, we ook onze politieke rechten verliezen? Welk politiek systeem laat ons toe om die te behouden en hoe organiseren we zo’n systeem? Hoe garanderen we het universele recht op gezondheidszorg in een meertalige en superdiverse samenleving? Dit recht houdt in dat ieder individu waar ook ter wereld de beste zorgen moet kunnen krijgen, ongeacht zijn of haar nationaliteit. In de praktijk kan dat bijvoorbeeld betekenen dat er steeds tolken ter beschikking moeten kunnen staan van patiënten.

Onze toekomstige samenlevingen zullen meertalige, multiculturele, multireligieuze steden zijn. Ze zullen superdivers zijn, “no matter what”. Willen we staatsstructuren oprichten die voor al deze mensen over de hele wereld het goede leven faciliteren, dan zullen we die moeten uitdenken, want ze zullen er niet spontaan komen. Dat betekent dat we algemene principes moeten hanteren die we in heel concrete situaties op zo’n manier vertalen dat ze bijdragen tot het garanderen van gelijke rechten van eenieder op elk grondgebied. We moeten de oefening maken om de universele rechten van eenieder om te zetten in de praktijk. Er is dus niets abstracts aan de waarden van vrijheid en gelijkheid, integendeel: ze noodzaken een heel concreet dagelijks strijden voor de realisatie van onze onvervreemdbare rechten. Net daarom is het hoog tijd dat we de democratie 2.0 uitdenken en dat we alternatieven voorbereiden. als we ze niet kunnen denken, dan wordt heel moeilijk om ervoor te strijden.

Utopistiek als permanente democratische strijd

Er is dus duidelijk een hoop (denk)werk aan de winkel. Opvallend is dat de grote vragen die ons leven bepalen in wezen weinig gebaat zijn met voorstellingen over ‘ons’ en ‘de ander’, maar veel meer met zaken die ieder van ons, ongeacht ons geloof, onze voorkeuren, onze waarden en normen toelaten om ons leven uit te bouwen zoals wij dat willen. In de debatten over de multiculturele samenleving zien we een complete afwezigheid van een rechtenperspectief, van democratie als groot verhaal. Democratie wordt geen zaak van constante strijd, constante verdieping en verbreding, maar wordt verbeeld als een eigenschap van ‘ons’. En net die beweging zorgt voor een armoede in het denken en een uitholling van democratie. Kritiek, kritisch nadenken en verzet zijn de basis van een democratie, het is hoog tijd dat we dit terug in de praktijk zetten. Als we nu niet denken over alternatieven voor morgen en er voor strijden dan zouden wel eens kunnen wakker worden in een wereld van lang geleden. Een wereld zonder rechten.

Bibliografie

Blommaert, J. & Backus, A. (2012). Superdiverse Repertoires and the individual. Tilburg Papers in Culture Studies.

Blommaert, J. & Varis, P. (2012). How to, how to. The prescriptive micropolitics of Hijabista. Kif Kif:http://www.kifkif.be/actua/how-to-how-to

Condorcet in Lukes, S. & Urbinati N., (2012). Condorcet Political writings. Cambridge, Cambridge University Press.

Decrues, T. (2013). Een paradijs waait uit de storm. Berchem: EPO.

Hobsbawm, E.J. (1962). The age of revolution. Europe 1789-1848. London: Abacus.

Israel, J. (2010). A revolution of the mind. Radical Enlightenment and the intellectual origins of Modern Democracy. Princeton; Oxford: Princeton University Press.
.
Israel, J. (2011).Democractic Enlightenment. Philosophy, Revolution, and Human Rights 1750-1790. Oxford; New York: Oxford University Press.

Locke, J. 1983 [1689]: A letter Concerning toleration. Hackett Publishing Company, INC. Indianapolis.

Maly, I. (red.) (2007). Cultu(u)rENpolitiek. Over media, globalisering en culturele identiteiten. Antwerpen: Garant.

Maly, I. (2009). De Beschavingsmachine. Wij en de islam. Berchem: EPO.

Maly, I (2012). N-VA. Analyse van een politieke ideologie. Berchem: EPO.

Maly, I & Blommaert, J. (2013). ‘Realisme’ als ideologie. superdiversiteit, precariteit en de nood aan Verlichting. In Coussée, F. & Bradt, L. (2013). Jeugdwerk en sociale uitsluiting. Handvatten voor emanciperend jeugdbeleid. Leuven / Den Haag: Acco.

Sternhell, Z. (2010). The Anti-Enlightenment Tradition. New Haven; London: YaleUniversity Press;

Todorov, T. (2010). In defence of the Enlightenment. London: Atlantic Books.

Paine, T. & Linebaugh P. 2009: Peter Linebaugh presents Thomas Paine: rights of man and common sense. Verso, London, New York.

Rousseau, J-J. (1755). Vertoog over de ongelijkheid. Amsterdam: Boom.

Sternhell, Z. (2010). The Anti- Enlightenment Tradition. Yale University Press.

Wallerstein, I (1998). Utopistics. Or, Historical choices of the Twenty-first Century. New York: The new press.

Wills, L. (1992). Van Clovis tot Happart. De lange weg van de naties in de Lage Landen. Antwerpen: Garant.

Verdeel en heers -beeldvorming

Over neoliberalisme, democratie en de nood aan politisering

 In de laatste twee decennia zijn we getuige geweest van een grondige herstructurering van onze samenleving en bij uitbreiding van de wereld. De jaren ‘90 waren de jaren van wat Bush senior ‘De nieuwe wereldorde’ noemde. Het communistisch blok stortte in en het neoliberalisme werd omarmd als winnaar. Overal weergalmde de oneliner ‘there is no alternative’. De vrije markt werd gebombardeerd tot de enige mogelijke weg en het failliet van het socialisme werd van de daken geschreeuwd. Vandaag worden we wakker in een koude en kille samenleving.

Een gepolariseerde samenleving waar de kloof tussen arm en rijk, en tussen armen onderling steeds groter wordt. Migranten, en moslims in het bijzonder, werden kop van jut. Dit nieuwe discours was een glijmiddel om allerhande rechten in te perken en leidde de aandacht af van de sociaaleconomische agenda. De welvaartstaat en onze democratie staan onder druk, dat is het minste dat we kunnen stellen. In dit stuk schetsen we deze evoluties, hun gevolgen en kijken we naar de rol die het middenveld kan opnemen in de strijd voor democratie, vrijheid en gelijkheid.

De context van een democratisch probleem

1989 is een kantelpunt in de geschiedenis (Maly, 2007). Het luidt de wereldwijde doorbraak in van het neoliberalisme enerzijds en betekende een heropleving/herlegitimatie van nationalisme anderzijds. Niet enkel in de voormalige Sovjetrepublieken zien we de groei van een tot dan toe marginaal politiek nationalisme (Hobsbawm, 1994), ook in eigen land is het nationalisme een dominante ideologie. Niet alleen het Vlaams Blok en de Volksunie waren de dragers van dat nationalisme, ook de CVP en de PVV trokken toen voluit de nationalistische kaart op. De Batselier en Abicht zochten toenadering tot de Volksunie door met Coppieters het Sienjaal uit te geven (Blommaert, 2012). Het nationalisme was terug mainstream. De verankeringspolitiek van de prille Vlaamse regering en de campagne Vlaanderen-Europa 2002 waren onomfloerst gericht op Vlaamse nation-building (Blommaert, 2001).

In de jaren tachtig deed ook het neoliberalisme zijn intrede in België. De grootste voorvechter was Verhofstadt, toen beter gekend als ‘da joenk’, en zijn PVV: hij zag een grote kloof tussen de burger en de politiek en die kloof viel samen met het middenveld (Blommaert, 2001; Maly, 2007 & 2009). De vakbonden, straathoekwerkers en belangenverenigingen die de stem vertolken van mensen die vaak in een precaire positie leven, werden gezien als drempels voor een ‘ware democratie’. Democratie werd in ware Vlaams Blok-logica hertaald tot vox populisme. De burger moest rechtstreeks spreken met de politici. En die burger leek vooral wakker te liggen van de vreemdelingen (Blommaert, 2001). Dit Tatcheriaanse discours van Verhofstadt was een frontale aanval op het middenveld met de vakbonden op kop. Het betekende in de praktijk dat het middenveld en bij uitbreiding de linkerzijde het heel moeilijk begon te krijgen.

De val van de muur luidde immers ook het einde in van de angst voor het socialisme bij de werkgevers en de rechtse politieke partijen. Die angst voor het rode gevaar, samen met de goede conjunctuur en de strijd van de arbeidersbewegingen leidden na de Tweede Wereldoorlog tot de uitbouw van de welvaartstaat. Bedrijven, overheid en werknemers sloegen de handen in elkaar voor de uitbouw van een sociale zekerheid. Het onderliggend denkkader bij de uitbouw van die welvaartstaat was dat de belangen van al die partijen werden gezien als complementair (Maes, 2010). Groei stond niet louter in het teken van winst, maar in het teken van welzijn en dus van herverdeling. De welvaartstaat bracht de idealen van de radicale verlichting dichterbij: gelijkheid en vrijheid stonden op de agenda. De politiek zag de staat als een instrument om een goede samenleving uit te bouwen met als doel: het geluk van de bevolking. Rechten hadden we nodig om onze plichten als burger te kunnen vervullen; dat was toen een democratische evidentie. En we waren burger in deze samenleving ten aanzien van de staat: de staat moest onze rechten garanderen.

Die gestage uitbouw van de welvaartstaat komt na de oliecrisis in de jaren 70 in het gedrang (Maes, 2010). De regering Martens voerde in de jaren 80 een neoliberaal beleid gericht op besparen. Het zijn ook de jaren waarin een heel pak van de arbeidsmigranten en hun kinderen structureel in de werkloosheid terechtkomen. Straathoekwerkers en vakbonden trekken aan de alarmbel: zij roepen de politiek op om een beleid van integratie te voeren. Sociaaleconomische integratie wel te verstaan. Zij vreesden immers de groei van een etnische onderklasse. Hun oproepen bleven echter onbeantwoord (Blommaert, 2011). Pas op het einde van de jaren 90 wordt er door de regering geleidelijk aan werk gemaakt van integratie. Dit nieuwe integratiebeleid was echter geen antwoord op de verzuchtingen van die straathoekwerkers, maar op die van een nieuwe politieke partij: het Vlaams Blok.

De uitbouw van het integratiebeleid kan gezien worden als een uiting van die globale veranderingen zoals we ze hierboven geschetst hebben. Nationalisme was de fundamentele premisse van dit integratiebeleid. Samenlevingsproblemen werden culturele problemen en dus moesten nieuwkomers zich integreren in onze cultuur en de taal leren (Maly, 2009). De homogeniteit van de samenleving moest gevrijwaard blijven. Door de probleemdefiniëring over te nemen van het Vlaams Blok en niet van de basiswerkers, legitimeerde men de premissen van het Vlaams Blok.

Migratie moest gestopt worden, want de natie stond onder druk. Migratie was een probleem. Een tijdbom die zo snel mogelijk moest ontmanteld worden. Dit kon enkel door enerzijds migratie zoveel mogelijk te stoppen, anderzijds ‘onze waarden en normen’ op te leggen aan ‘die ander’ en ze Nederlands te leren (Maly & Blommaert, 2012). Zij ‘onderdrukken immers hun vrouwen’, zijn ‘niet democratisch’, ‘hun religie is fundamentalistisch’, ze haten het westen,… De idee van de botsende culturen werd, zeker na 9/11 gemeengoed. Het werd zelfs legitiem om terug te spreken in termen van onze superioriteit. Daarom moesten ‘zij’ cultureel geïntegreerd worden, ze moesten zichzelf inburgeren. En om die inburgering af te dwingen werden allerhande rechten voorwaardelijk gemaakt: het recht op een woning werd afhankelijk gemaakt van de wil om het Nederlands te leren. Er werden GAS-boetes ingevoerd die voor het eerst sinds eeuwen ervoor zorgen dat de scheiding der machten geschonden werd. Privacy sneuvelde in naam van onze veiligheid en de strijd tegen terrorisme ten voordele van camera’s.

Dit discours beperkte zich niet tot stoffige beleidsteksten en de pure politiek, maar is tot op vandaag een discours dat in het lang en in het breed gevoerd wordt in onze media. De werking en de structuur van de media veranderden in diezelfde twee decennia zeer grondig. De openbare omroep kreeg concurrentie van verschillende commerciële omroepen. De zuilgebonden kranten werden geïntegreerd in grote commerciële mediaconcerns en werden commerciële producten die zoveel mogelijk lezers moesten verleidden de krant te kopen. Hiervoor werd ingezet op sensationele koppen, licht verteerbaar nieuws met veel foto’s en vaak met een ontstellend gebrek aan nuance. In een dergelijke media gedijt populisme zeer goed en dat wordt nergens treffender geïllustreerd dan in het zogenaamde integratiedebat. (Maly, 2009 & 2012).

Door dat gemediatiseerd debat werd een draagvlak opgebouwd bij de bevolking voor het nieuwe integratiebeleid. Politici, deskundigen en journalisten hebben in de laatste decennia de bevolking leren spreken over migratie, over vreemdelingen, asielzoekers, allochtonen en moslims in het bijzonder. De autochtonen uit de lagere klassen werden opgezet tegen hun allochtone collega’s. Allochtonen werden zowel verweten ‘ons werk af te pakken’ als van de sociale zekerheid te profiteren. De solidariteit tussen de werkende mensen werd gebroken: de blik stond niet meer naar boven gericht, maar naar de collega’s naast zich. Armen verweten andere armen de schuld te zijn van hun eigen armoede. Armoede werd in die periode ook geherdefinieerd: armoede was geen gevolg meer van het economisch systeem, maar werd een individuele verantwoordelijkheid (Maly & Blommaert, 2012).

Superdiversiteit, neoliberalisme en precariteit

De globalisering en de doorbraak van het neoliberalisme na de val van de Berlijnse muur zorgen voor een nieuwe wereldorde en ook een heel nieuwe migratie. We spreken vanaf dat moment van superdiversiteit. Superdiversiteit houdt een multidimensioneel perspectief in op diversiteit. Het concept stelt de diverse reeks invloeden centraal die samen komen in het leven van mensen en hun leven conditioneren (Vertovec, 2007). Naast de klassieke elementen als geslacht, politieke voorkeur, leeftijd en religie, slaat die superdiversiteit ook op een hele resem andere variabelen zoals de verschillende immigratiestatussen en de bijhorende (ingeperkte) rechten van nieuwkomers, hun onderwijs- en arbeidservaring en hun ervaringen met administraties. Maar ook de plaats waar migranten wonen in ons land en hun relatie met onze overheidsinstellingen zijn factoren die bepalend zijn in de aard van diversiteit en dus in de aard van onze samenleving.

Superdiversiteit beschrijft als concept die nieuwe migratie die zich vanaf de jaren 90 in ongeveer alle Europese steden voltrokken heeft en de samenstelling van alle landen grondig veranderd heeft. Die superdiversiteit kleurt niet alleen de grootsteden, ze kleurt België. Op het Belgisch grondgebied leven in totaal mensen uit 194 verschillende landen. België is dus niet te verwarren met een homogene natie, waar ook enkele migranten aanwezig zijn. Terwijl in de media gefocust werd op die ‘oude migratie’ en de nood tot (her)homogenisering om de natie te redden, onderging onze samenleving diepgaande en structurele veranderingen. Superdiversiteit is in België de norm. Van homogeniteit is al lang geen sprake meer.

Toch blijft onze regering steeds meer inzetten op culturele integratie, inburgering en het stellen van extra voorwaarden vooraleer migranten alle rechten hebben. Ongewilde migratie, lees migratie van armen, moet zoveel mogelijk gestopt worden. Al deze beleidsopties vertrekken vanuit een rechts nationalistisch en niet vanuit een democratisch perspectief. Ondanks alle mooie woorden die gehanteerd worden in het migratiedebat zoals democratie, verlichting en mensenrechten zien we dat deze woorden gebruikt worden om anderen uit te sluiten, om ze minder rechten te geven. Rechten worden voorwaardelijk gemaakt. Bovendien zorgt het dominante discours over ‘de onaangepastheid’ van migranten en de nood aan culturele integratie voor een opstoot van racisme. Migranten worden dag in en dag uit afgerekend op ‘hun graad van integratie’: als ze werk zoeken, als ze een appartement willen huren of als ze willen uitgaan worden ze door autochtonen beoordeeld.

Bovendien gebeurt dit alles binnen een neoliberale economische context. In die context functioneert iedereen als een kleine mini-onderneming die moet zorgen dat hij of zij geïntegreerd blijft. Immers, in de laatste decennia is de verhouding tussen burger en politiek geherdefinieerd. Het is niet langer de staat die ons onze rechten garandeert, vandaag zijn we daar voor een groot stuk zelf verantwoordelijk voor. Vandaag staan plichten en verantwoordelijkheid, zoals dat dan zo mooi heet, voorop. We moeten zelf zorgen dat we een job blijven hebben, we moeten flexibel zijn en ons ten allen tijde herscholen. We moeten tevreden zijn met interimcontracten en werken onder enorme druk. We moeten onze (aanvullend) pensioen zelf bijeen sparen en we kunnen maar beter maken dat we een hospitalisatieverzekering hebben. Sociaaleconomisch geïntegreerd blijven is vandaag moeilijker dan ooit, en het is een individuele verantwoordelijkheid geworden. Steeds meer mensen vallen uit de boot, de kloof tussen rijk en arm wordt steeds groter. Sociaaleconomische integratie is vandaag de opdracht van eenieder, niet alleen van allochtonen. Hoewel die laatste groep, als een gevolg van de dominante beeldvorming en bijgaand beleid, meer kans maakt om tot die lagere klassen te behoren.

Het gevolg van dit neoliberalisme is de groei van een nieuwe klasse – die Standing het precariaat noemt – als gevolg van een economisch systeem dat de nadruk legt op zo groot mogelijke winsten ten voordele van enkelen en ten koste van de samenleving. Ten koste van onze democratie. Dat precariaat is een klasse in wording die gekenmerkt wordt door enerzijds bestaans-en werkonzekerheid en anderzijds door minder sociale, culturele, politieke, economische rechten. Dat precariaat is een globale klasse geschapen door het neoliberalisme en is gekenmerkt door superdiversiteit. In ons land zien we een oververtegenwoordiging van zogenaamde allochtonen in deze klasse. Dat is enerzijds het gevolg van het gevoerde integratiebeleid, en anderzijds door het structurele racisme. Het beleid organiseert ongelijkheid en het dominante discours versterkt die productie van ongelijkheid. Concreet houdt dit in dat we leven in een samenleving waar mensen ongelijke rechten hebben en dat wordt genormaliseerd door de heersende beeldvorming als een zaak van realisme (Maly & Blommaert, 2012). Dat schept een dijk van een democratisch probleem; immers een democratie is gegrondvest op het idee dat we allemaal gelijke, onvervreemdbare rechten hebben. Dat iedereen in die samenleving recht heeft op een goed leven.

Het middenveld en de toekomst van de democratie

Het was geen toeval dat Verhofstadt zijn pleidooi voor neoliberalisme combineerde met een aanval op het middenveld. De vakbonden en het kritische middenveld vormden immers een dam tegen zijn neoliberale dromen. Het is helaas Verhofstadt die aan het langste eind getrokken heeft. Het middenveld zit al enkele decennia in de hoek waar klappen vallen. Het gevolg is een vergaande depolitisering van dat middenveld. Het middenveld is vandaag vaak geïnstrumentaliseerd als een uitvoerder van het beleid. Het middenveld werkt niet meer bottom-up, maar top-down. Niet de stem van haar achterban wordt naar buiten gebracht, maar de stem van het beleid. Dat betekent in de praktijk vaak een gebrek aan kritiek. Dat is terug een democratisch probleem. De Tocqueville (1835) waarschuwde al in de 18de eeuw dat een democratie zonder middenveld, zonder kritische tegenmachten in de feiten geen democratie is.

Dergelijke kritische tegenmacht kan maar bestaan als er gedegen informatie voorhanden is, als er goed geïnformeerde democratische burgers zijn. Zonder informatie, is er geen tegenmacht. De radicale verlichtingsdenkers lieten dan ook niet na om te wijzen op het belang van een goed onderwijs en gedegen media als voorwaarden voor een gezonde democratie (zie bv. Jefferson en Paine). De commercialisering van de media is dus een democratisch probleem. En het is hier dat het middenveld een eerste daad van verzet kan plegen: namelijk door vanuit haar expertise te bouwen aan ruimtes voor diepgang. Vandaag zorgt het internet voor ongekende mogelijkheden voor informatieverspreiding gaande van eigen website, sociale media als micromedia zoals Kif Kif en De Wereldmorgen. Het ontsluiten en diepgaand informeren van mensen is een cruciale stap in het heropbouwen van onze democratie in tijden van globalisering, superdiversiteit en neoliberalisme. Dat vereist dat er terug denkwerk verricht wordt over schijnbaar zeer abstracte zaken, die in wezen zeer praktisch zijn. Namelijk hoe zorgen we dat het idee van onvervreemdbare rechten eigen aan het individu eindelijk gerealiseerd wordt. Hoe zorgen we dat democratie terug begrepen wordt als een groot verhaal. Als een ideologie met als fundament vrijheid en gelijkheid. Hoe bouwen we aan zo’n democratie in tijden van globalisering en hypermobiliteit. Hoe stoppen we de ‘verdeel -en heers’-beeldvorming? Hoe tonen we aan de armen en uitgestotenen dat ze in hetzelfde schuitje zitten, dat ze dezelfde democratische strijd moeten voeren. En nog belangrijker hoe voeren we die strijd?

Met informatie en denkwerk, hoewel uiterst noodzakelijk, alleen zullen we er niet komen. De bestaande negatieve beeldvorming over moslims of de afbraak van de democratie en de welvaartstaat is niet louter een zaak van tekort aan kennis, het is een gevolg van een politiek-ideologische strijd. Dat betekent dan ook dat het louter aanbieden van informatie niet voldoende is. Die informatie moet de basis vormen van acties. Als het middenveld terug een fundament wil zijn van de democratie en de strijd voor democratisering, dan moet ze onvermijdelijk instappen in een politiek-ideologische strijd. Het middenveld moet van onderuit naar boven werken en dus moet ze zich onafhankelijk en kritisch opstellen ten aanzien van het beleid, van politici, van werkgevers en van de media. Het middenveld moet de rol opnemen van waakhond van de democratie. Zij moet politici controleren, ze moet kijken of het beleid ten goede komt van alle mensen op het grondgebied en ze moet zich verzetten tegen het beleid dat vrijheid, gelijkheid, democratie en onvervreemdbare rechten in het gedrang brengt. Het middenveld moet terug politiserend werken. Ze moet haar achterban informeren, opleiden en mobiliseren. En dat is een dringende opdracht, want de diagnose is ernstig. Onze democratie en onze rechten zijn in snel tempo aan het afkalven. Vijf voor twaalf, dat was gisteren.

Dit stuk werd eerder gepubliceerd in Terzake-magazine

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen en coördinator van Kif Kif. Hij schreef o.a. N-VA | Analyse van een politieke ideologie (EPO, 2012).

Bronnen.

Blommaert, J. (2001). Ik stel vast. Politiek taalgebruik, politieke vernieuwing en verrechtsing. Berchem: EPO.
Blommaert, J. (2011a). ‘Superdiversiteit’, KifKif.be: http://kifkif.riffle.be/actua/superdiversiteit.
Blommaert, J. (2011b). De heruitvinding van de samenleving. Berchem: EPO.
Blommaert, J. (2011). Burgerschap, integratie en ander fraais: drie problemen.http://feweb.uvt.nl/pdf/2010/InleidingJanBlommaert.pdfHobsbawm, E. (1992). Nations and nationalism since 1780. Cambridge: Cambridge University Press.
Blommaert, J. (2012). Over links en nationalisme: De Kloof tussen Abicht en de realiteit. http://www.kifkif.be/actua/over-links-en-nationalisme-de-kloof-tussen-ab…
De Tocqueville, A. (1835). Democratie: wezen en oorsprong. Kapellen: Agora Pelckmans.
Maes, J. (2012). Uw sociale zekerheid in gevaar. Berchem: EPO.
Maly, I. (red.) (2007). Cultu(u)rENpolitiek. Over media, globalisering en culturele identiteiten. Berchem: Garant.
Maly, I. (2009). De beschavingsmachine. Wij en de islam. Berchem: EPO.
Maly, I. (2012). De stilte in het debat. Over macht, anti-Verlichting en superdiversiteit. Vlaams Marxistisch Tijdschrift:http://www.imavo.be/vmt/1216-Maly.pdf.
Maly I. (2012). N-VA. Analyse van een politieke ideologie. Berchem: EPO.
Maly I & Blommaert, J. (2012). ‘Realisme’ als ideologie. Over superdiversiteit, precariteit en de nood aan Verlichting” (Kif Kif, 9/1/2013 – oorspr. bijdrage in: Filip Coussée & Lieve Bradt, red.: “Jeugdwerk en sociale uitsluiting. Handvatten voor emanciperend jeugdbeleid”, 2013):
Standing, G. (2011). The Precariat. The New Dangerous Class. London: Bloomsburry Academic.
Paine, T. (1791). Rights of Man, part the first. Being an answer to mr. Burke’s attack on the French revolution. (pp. 61-169). In Paine, T. & Linebaugh P. (2009). Peter Linebaugh presents Thomas Paine: rights of man and common sense. Verso, London, New York.
Vertovec, S. (2007). Super-diversity and its implications. In Ethnic and Racial Studies, 30: 6, 1024-154.