Integratie of mensenrechten?

Bart Sturtewagen ontwaart in De Standaard (28-08-2015) een nieuwe breuklijn in het maatschappelijk debat. De breuklijn ‘scheidt diegenen die vinden dat asiel een door bindende verdragen geregeld mensenrecht is en dus geen verdere discussie behoeft, van hen die best solidair willen zijn met vluchtelingen uit oorlogsgebied, maar daarvoor een afbrokkelend draagvlak zien.’ (De Standaard, 28-08-2015). De ene positie wordt gezien als idealistisch en naïef (pro-mensenrechten), de andere als pragmatisch. Iedereen is voor een humaan asielbeleid zegt Sturtewagen, maar de vraag is hoe we dat aanpakken. Volgens de journalist is de enige goede denkpiste daarbij integratie.

Wie krijgt hierbij geen déja vu? Dit is het denkkader waarbinnen de discussie over migratie zich sinds de jaren 90 voltrekt. De mensenrechtenbenadering heeft al lang het pleit verloren. Integratie wordt al decennia gezien als een ‘realistische’ benadering. Dit ‘realistische perspectief’ steunt op twee pijlers: (1) we trachten de instroom te beperken en (2) eenmaal ze hier rechtmatig zijn dan moeten ze ‘integreren’. Wat het betekent om in ons land te ‘integreren’ heeft in diezelfde tijdspanne een heel andere inhoud gekregen. Grofweg zien we dat integratie niet meer slaat op sociaaleconomische of politieke integratie, maar op culturele integratie.

De nieuwkomer moet Vlaming (niet Belg) onder de Vlamingen worden. Dus op een moment dat we allemaal cultuur maken in transnationale niches (hipsters, skaters, grungers, managers, academici,  …), moeten zij integreren in de ‘Vlaamse cultuur’ vooraleer ze rechten krijgen. Integratie staat al decennia gelijk aan het voorwaardelijk maken van rechten. Eerst Vlaming worden, de taal leren, de nationaliteit verwerven en pas daarna volle rechten. Daarbij ziet men over het hoofd dat mensen rechten nodig hebben om te kunnen integreren.

Het is de verdienste van Sturtewagen dat hij integratie schijnbaar, want impliciet, lijkt te hanteren in zijn oude betekenis: hoe zorgen we dat we een samenleving blijven van gelijke democratische burgers. Het is ook zijn verdienste dat hij er mogelijks vanuit gaat dat migratie geen tijdelijk gegeven is. Nemen we die twee elementen samen, dan wordt integratie echter een problematisch concept. Integratie veronderstelt immers altijd: (1) een sedentaire migratie en (2) een afgebakende nationale staat. En net die twee zaken zijn geen evidentie meer in tijden van superdiversiteit en globalisering.

Migratie is een globaal fenomeen en het laat zich niet oplossen op het niveau van de natiestaat, de regio of de stad. Mensen migreren niet zomaar. Ze ontvluchten oorlog, geweld, dictaturen, milieurampen en de effecten van de economische situatie in hun land of regio. De oorlogen in het Midden-Oosten zijn oorlogen waar ook ‘wij’ een rol een inspelen, net zoals natuurrampen of de economische situatie in Afrika. Mochten ‘wij’ in hun situatie zijn, dan migreren we ook. De geschiedenis is daarin zeer duidelijk, wie van ons heeft geen migrant in zijn stamboom? Mijn grootouders zaten in Frankrijk en zijn later in Engeland ondergedoken tijdens de oorlog. En enkele decennia voordien is een deel van mijn familie met de Red Star Line naar de Verenigde Staten getrokken.

Vandaag werken mensen die leven in Polen en Roemenië hier in België, komen Indische topindustriëlen hier werken en zoeken vluchtelingen hier hun toekomst. We leven allen meer en meer op een transnationale schaal en dat heeft effecten op elkeen van ons. Op de Belgische bouwvakker en poetsvrouw en op de Poolse collega’s. Ook ik ben vandaag een arbeidsmigrant, want tewerkgesteld in Nederland. En hier wordt de hypocrisie duidelijk van onze wereld. Ik en veel van mijn collegas’s worden aangemoedigd om globaal te leven, om te migeren. Probeer maar eens een academische carriere uit te bouwen zonder de landsgrenzen over te steken. De mensen die het echt nodig hebben, die worden gecriminaliseerd. Dat toont hoe erg het gesteld is met al die mooie grote waarden als mensenrechten en democratie. Als puntje bij paaltje komt tellen ze niet mee.

Migratie is deel van de condition humaine. In de 21ste eeuw is migratie een transnationaal en een politiek probleem en het vergt transnationale en politieke antwoorden. We kunnen niet meer doen alsof we leven in een natiestaat waarop de rest van de wereld geen effect op heeft. Migratie situeert zich dus op een heel ander schaalniveau: de wereld. Men weigert blijkbaar te aanvaarden of in te zien dat de wereld structureel veranderd is in de laatste decennia. En in die nieuwe geglobaliseerde wereld is de natiestaat een anachronisme: ze is in staat ongelijkheid te realiseren, maar niet om migratie te stoppen. Als ons antwoord op migratie niet vertrekt vanuit het engagement om mensenrechten voor elkeen te garanderen, dan ondermijnt ze die voor elkeen van ons.  Democratie en mensenrechten voor autochtonen alleen is geen democratie, maar een ethnocratie. Een samenleving die onvermijdelijk mensenrechten met de voeten treedt, ongelijkheid en uitbuiting organiseert. Een dergelijk project is bovendien niet handhaafbaar op lange termijn. Het is ook niet wenselijk.

Het pro-mensenrechten standpunt  is dus niet naïef maar realistisch. Migratie zal enkel maar toenemen. Als we met zijn allen willen blijven leven in een democratie en in een verzorgingsstaat, dan is het tijd om wat zaken te herdenken en vooral op te zetten. Migratie dwingt ons om na te denken over welke structuren we opbouwen op welke schaalniveaus zodat we de oude verlichtingsideaalen en het fundament van een democratie – gelijke rechten voor elkeen – kunnen realiseren. Het vereist debat en vooral veel moed en politieke daadkracht. Het vereist dat we onze nationale bril afzetten en kijken hoe we een betere wereld kunnen realiseren. Dat is in ieders belang, ook van degenen die zichzelf niet als migrant zien. Niemand weet immers op voorhand wanneer men migrant wordt.

Ico Maly is doctor in de cultuurwetenschappen en docent aan Tilburg University (Nederland). Hij is co-auteur van Superdiversiteit en democratie (EPO, 2014).

Advertisements

De dood van het politieke interview

Maurice_De_Wilde

Is het politieke interview dood, vragen ze zich af bij Hautekiet. Uiteraard is dat politieke interview dood. Niemand die dat ook tegenspreekt, maar men loopt wel netjes rond de olifant. Het politieke interview is niet zozeer dood omdat het niet meer fris klinkt of spannend is. Het is ook niet zozeer dood omdat de politicus mediatraining heeft gehad of debatfiches ter beschikking heeft en daardoor zichzelf niet meer aan de galg praat. Het is dood omdat het interview geformatiseerd is en gecommodificeerd. Het is dan ook al langer dood, het is zachtjes en traag maar zeker doodgeknepen in de laatste decennia. Een politiek interview moet niet spannend zijn, het moet ook niet snel of sappig zijn, het moet de kijker, lezer of luisteraar informeren. En net dat is al lang niet meer het geval: het interview reproduceert propaganda.

De redenen daarvoor zijn lang niet alleen bij de politicus te zoeken of de mediatrainers (al maakt dat de zaak er niet beter op), maar bij de productievoorwaarden van het interview zelf. Een interview is vandaag een performance van 5 minuten op radio en televisie en wordt afgenomen door een interviewer die in het beste geval 1 dag (wat vrij utopisch is vandaag) voorbereidingstijd heeft gehad. Dat betekent dat de interviewer de beleidsnota’s, de andere interviews en alle andere materiaal niet heeft gelezen. Dat materiaal zou zijn vragen scherper en relevanter kunnen maken en het zou de journalist toelaten propaganda-antwoorden te doorprikken. Het betekent ook dat de journalist geen wetenschappelijke literatuur heeft geraadpleegd , laat staan dat de journalist interviews heeft afgenomen met andere mensen (middenvelders, partijgenoten, andere journalisten) om zijn interview met de politicus te verdiepen, om inhoudelijk sterk te staan, onzin en propaganda te doorprikken.

Zo haalt men het ondertussen legendarische interview aan tussen De Vadder en Leterme in de Zevende Dag als illustratie van het feit dat de politicus schuld treft aan de dood van het politieke interview. De ironie wil dat Leterme daar effectief een inhoudelijk antwoord geeft op de vragen van De Vadder, en dus geen debatfiche aframmelt of de lesjes mediatraining reproduceert. Dat fragment is inderdaad een illustratie van de dood van het politieke interview, maar om heel andere redenen. Het toont de extreme formatering van het politieke interview: de politicus mag maar 1 minuut en dertig seconden praten vooraleer hij onderbroken wordt. Zie hier de dood van het politieke interview: iedere nitwit kan antwoorden van  1 minuut 30 seconden debiteren die op een debatfiche staan.

In de evaluatie van het politieke interview wordt vandaag niet zozeer de inhoud van wat gezegd wordt beoordeeld, maar wel de vorm. Het moet sappig, spannend en nieuw zijn. Een goed politiek interview is dan een interview waarin de interviewer ‘hard’ overkomt  en de politicus schijnbaar hard wordt aangepakt. Korte en harde vragen, snel onderbreken en verdacht-makende herformuleringen worden dan gezien als een goed en scherp politiek interview. En net dat is de dood van het politiek interview, want ze doodt de inhoud, de informatie. We leren daar niets mee.

Kortom, de dood van het politieke interview is oud nieuws. De voorbeelden die in Hautekiet aangehaald werden van interviews uit de ‘goede oude tijd’ tonen dat men binnen die context een heel vreemd beeld heeft van een ‘goed politiek interview’. Ik dacht dat we gingen getrakteerd worden op een vintage Maurice De Wilde, een journalist die weken zo niet maanden onderzoek deed vooraleer hij zijn interviews voor uitzending opnam. Wat hem toeliet om die geïnterviewden inhoudelijk het vuur aan de schenen te leggen.

De dood van het politieke interview is het gevolg van de enorme commercialisering en formatisering van het medialandschap. Die evolutie heeft media-politici gebaard die inspelen op die nieuwe realiteit. De BV’s werden politicus en de politici werden BV. Iedereen genoot mediatraining en dat volstaat om je 5 minuten lang als sympathieke pee te verkopen en je programma voor te stellen als goed voor iedereen. En de journalist? Die heeft geen tijd om dat verhaal te onderwerpen aan kritische vragen. Ziedaar de dood van het politiek interview.

De raaskalderij van Peter De Roover

Enkele bespiegelingen na een debat over diversiteit

Gisteren zat ik in de Vooruit op een TEDX-achtig evenement rond diversiteit van de faculteit sociale en politieke wetenschappen van de UGent. Een van de andere sprekers was Peter De Roover van N-VA. De Roover beloofde niet aan politiek te doen … dat was meteen de eerste belofte die sneuvelde. Met stijgende verbazing heb ik een speech aangehoord die niet anders te typeren is dan als ‘onzin’. Ik heb het dan nog niet over de schandalige banalisering en herdefiniëring van woorden als vooroordeel, discriminatie en apartheid, maar in eerste instantie over het compleet fictieve karakter van zijn verbeelding. Volg even mee.

de roover

De Roover deelde met ons de ‘wijsheid’ dat de mens bestaat uit twee dominante behoeften: zin voor herkenbaarheid en zin voor avontuur. Sommige mensen zijn avontuurlijker dan anderen, maar herkenbaarheid is cruciaal want dat geeft ons rust, aldus De Roover. Het is die herkenbaarheid die ons toelaat om niet teveel te moeten denken (dat schijnt lastig te zijn aldus deze ex-leraar). Want als alles herkenbaar is moeten we niet meer denken. We kunnen dan lustig ‘discrimineren’ op basis van vooroordelen. Dat geeft ‘ons’ blijkbaar rust. Want zegt De Roover we kiezen een restaurant (we discrimineren om het in de woorden van De Roover te zeggen) op basis van vooroordelen en niet op basis van kennis of gegronde oordelen op basis van feiten. We kijken blijkbaar niet naar ons eten, we weten blijkbaar niet dat er zoiets is als de voedselinspectie. Nee, we doen dat blijkbaar op vooroordelen. En dat is normaal.

Discriminatie en vooroordelen worden in het discours van De Roover niet alleen genormaliseerd en gebanaliseerd (we doen het allemaal), ze worden ook gezien als goed, als deel van de menselijke aard. Impliciet zien we hier de fictie van de homogene natie actief: herkenbaarheid is herkenbaarheid in een nationale natie waar iedereen dezelfde variant van het Nederlands spreekt, dezelfde dingen eet in dezelfde plaatsen, dezelfde waarden en normen deelt… ‘Wij’ zijn dan water, ‘zij’ zijn dan olie en dat mixt niet. De Roover is niet veel ‘onder de mensen’ geweest in de laatste decennia. Die wereld van nationale herkenbaarheid is pure ideologie, het is een wensbeeld, geen realiteit. Autochtonen zijn geen homogeen blok van herkenbaarheid. We hebben linksen en rechtsen. We hebben armen en rijken. We hebben bedrijfsleiders en werknemers, grungers, hipphoppers, emo’s, moslims, atheisten, katholieken, holebi’s, transgenders, skaters en bmx’ers, … Onder het laagje retoriek van De Roover gaapt de absolute leegte.

De realiteit vandaag is superdiversiteit en dat is voor elk van ons zo. Het idee bijvoorbeeld dat Belgen leven in een louter lokale Vlaamse wereld is foutief. We kunnen bijvoorbeeld een sociologisch fenomeen als ‘de hipsters’ en de bijhorende opstoot aan ‘authentieke’ koffiebars, barista’s, fixies, platen en zoverder niet begrijpen als we louter lokaal kijken. Het is een trans-nationaal fenomeen en het biedt – om de woorden van de Roover te gebruiken – herkenbaarheid: autochtonen en allochtonen kunnen hipsters zijn en delen veel meer met elkaar dan dat ze ooit zullen delen met De Roover. Dus zelfs al aanvaarden we dat herkenbaarheid een oerbehoefte is van de mens, dan zegt  niets dat die herkenbaarheid zich moet beperken tot de bruine bar van café de postduif in de kerkstraat.

Maar terug naar het verhaaltje van De Roover. Omdat die (nationale) herkenbaarheid zo belangrijk is moet we die afdwingen. En dat wil de linkerzijde niet, aldus De Roover, die wil immers apartheid. Links zou groepsidentiteiten willen verheffen tot norm, tot het organisatieprincipe van de samenleving. Nog los van het feit dat De Roover ‘apartheid’ hier ontdoet van zijn historische betekenis, is dit uiteraard onzin. Ik had immers net het punt gemaakt dat we met zijn allen tot heel veel verschillende groepen behoren, afhankelijk van de context, de tijd en de activiteit. De studenten in de zaal waren gedurende het debat een groep. Ze waren student en zullen dat waarschijnlijk nog een viertal jaar blijven. Ze waren mogelijks, toen ze even op Twitter zaten, ook even Twitteraar, vriend of collega. En toen De Roover begon over de Vlamingen waren ze misschien even Vlaming of Belg of antinationalist. En pas toen Youssef El Moussaoui vroeg naar de nationaliteit van mensen in het publiek werd deze groepsidentiteit geactiveerd. En na het debat verdween de groep: sommigen gingen op café en waren hiphopper, andere waren gewoon  ‘zatte student’ en weer anderen gingen flink slapen om morgen de flinke student te zijn. Identiteit is dus niet te herleiden tot nationale identiteit zoals De Roover ons wil aanpraten.

De Roover heeft duidelijk niet goed opgelet de laatste jaren. Dat belette hem niet om nog wat door te ratelen. Zij – links- vinden dat alles maar moet kunnen…  Nochtans zijn ‘wij’ aldus De Roover een democratie. En een democratie is volgens hem een systeem met twee fundamenten: er is een meerderheid en een minderheid. De meerderheid kan de wetten maken als ze daarvoor een meerderheid hebben. De andere moeten zich schikken.  Kortom, in navolging van zijn Grote Leider, definieert De Roover een democratie als een dictatuur van de meerderheid. Eenmaal die meerderheid iets beslist moet de minderheid zijn mond houden.  Kortom, een klassieke antiverlichtingspositie die de rechten van de mens met de voeten veegt in naam van de bescherming van de herkenbaarheid.

De Roover zou toch eens moeten bijlezen over die vermeende linkse vijand of op tijd komen zodat hij hen toch hoort praten. Dan zou hij doorhebben dat democratie, en gelijke universele rechten voor elke mens het strijdtoneel is van links. Dat dus niet ‘alles maar moet kunnen’, maar dat we een rechtvaardige samenleving willen hebben waar het gelijkheidsbeginsel – het fundament van een democratie – een feit is. Iets wat vandaag absoluut niet het geval is. We leven in een samenleving die gekenmerkt wordt door diepe ongelijkheid. We leven in een samenleving waar mensen afhankelijk van hun statuut, hun identiteit of althans de perceptie van hun identiteit ongelijke sociale, politieke, economische en religieuze rechten hebben. Dat is dus een democratisch probleem.

Dat is een politiek probleem en de partij van de heer De Roover is daar een structureel onderdeel van. Zijn partij maakt van die herkenbaarheid een instrument om rechten van mensen voorwaardelijk te maken (eerst Nederlands leren, dan pas recht op een sociale woning) en ondermijnt zo de democratie en de rechten van de mens.

De Roover verdient dan ook één pluim, hij was eerlijk. Hij heeft – il faut le faire-  openlijk gepleit voor discriminatie als een ‘normaal’ gegeven op een avond die in het teken staat van diversiteit. Dat is inderdaad best hoe we die partij begrijpen, als een partij die het onlegitimeerbare tracht te legitimeren.

Hart boven hard en de stem van het volk

Hart boven Hard is, tot spijt van wie het benijdt, goed op weg om een historisch fenomeen te worden in onze contreien. Zonder noemenswaardige middelen en drijvend op de tomeloze en onbezoldigde inzet van vele individuen, kleine en grote middenveldorganisaties en duizenden militanten en sympathisanten is er een beweging opgestaan die niet alleen een ander beleid, maar ook een andere samenleving wil. Dat indrukwekkende succes van een spontane en piepjonge burgerbeweging gaat echter in grote mate voorbij aan ‘onze pers’. De mainstream-media fungeren daardoor als objectieve bondgenoten van deze rechtse regering: ze zijn willens nillens een back up van rechtse politici en hun Twitter –en Facebookclubs die de beweging willen neer zetten als ‘een mantelorganisatie van de vakbonden’.  Die rechtse activiteit op sociale media en de uitlatingen van rechtse politici wijzen schijnbaar paradoxaal op de politieke kracht van deze nieuwe beweging. Hart boven hard ondermijnt het idee dat rechts een claim kan leggen op ‘de stem van het volk’ en net dat wil de rechterzijde ten allen prijze vermijden.

Van twee individuen naar een burgerbeweging

Hart boven hard gaat hard, heel hard. In augustus 2014 stuurden twee bezorgde burgers, Wouter Hillaert en Hugo Franssen een mail rond naar middenveldorganisaties, activisten, cultuurinstellingen, jeugdverenigingen, natuurverenigingen, academici en cultuurproducenten om hun bezorgdheid te uiten omtrent de besparingsplannen van de nieuwe regering. Ze nodigden deze actoren uit om een vergadering te beleggen. Sindsdien is er veel gebeurd. Heel veel. We zijn nu een viertal maanden verder en Hart boven Hard is uitgegroeid tot een heuse burgerbeweging, met een uitzonderlijke mobilisatiekracht. Elke betoging, elke staking en elk evenement dat wordt opgezet  binnen de schoot van deze beweging mobiliseert al snel honderden tot duizenden mensen over heel België.

hartbovenhard

Opmerkelijk is dat dit alles gerealiseerd worden zonder noemenswaardige middelen. De betrokken individuen geven enkele giften en de organisaties geven wat ze kunnen. De ene organisatie kopieert flyers, de andere betaalt drukwerk en nog een andere organisatie host de website op haar server. De url  www.hartbovenhard.be is dan weer een gift van de Verenigde Verenigingen. Zij hadden in de aanloop van de verkiezingen een actie met de slogan Hart boven Hard. En net deze gift wordt vandaag onderwerp van de politieke strijd om de beweging te framen als ‘een mantelorganisatie’ van de vakbonden. Het is blijkbaar moeilijk te geloven dat, in deze tijden van professionalisering en individualisering, er een beweging opgebouwd wordt op basis op solidariteitsnetwerken tussen individuen en organisaties.Het kost nochtans niet veel moeite om na te gaan dat de site bijvoorbeeld gehost wordt door een sociaal-artistiek-gezelschap. Dat cultuurhuizen, jeugdverenigingen en bibliotheken mee hun schouders onder het initiatief zetten. Dat activisten van allerlei pluimage, academici en kunstenaars deze beweging dragen. Dat er mensen actief zijn met zeer uiteenlopende politieke voorkeuren, van christendemocraten, over Groenen en sociaaldemocraten tot en met anarchisten, syndicalisten, communisten, socialisten, andersglobalisten, ….Autochtoon en allochtoon, atheïsten, moslims en christenen strijden zij aan zij voor een betere samenleving. En net daar zit de mobilisatie – en discursieve kracht van deze beweging en net daar ligt de rechterzijde wakker van.

De rechterzijde in het defensief

In tegenstelling tot vele media heeft de rechterzijde de beweging en haar mobilisatiekracht wel degelijk opgemerkt. Er is dan ook een heuse strijd losgebarsten op de sociale media waar rechtse politici en hun militanten er alles aan doen om het maar niet te hebben over de inhoud van het verzet. Politiek is altijd een strijd om betekenis en de rechterzijde tracht op dit moment met alle mogelijke middelen het verzet af te schilderen als irrelevant, irrealistisch (er is geen alternatief weet je wel) en als ‘politiek’ (lees het is het werk van enkele wereldvreemde linkse rakkers en conservatieve vakbonden).

De redenen van die verbeten strijd hoeven we niet ver te zoeken. Sinds jaar en dag claimt rechts ‘de stem van het volk’. Enkel zij zijn realistisch, enkel zij komen op voor ‘de verandering die de Vlaming wil’. Vandaag wordt het steeds moeilijker voor die rechterzijde om die claims geloofwaardig te houden. Zelfs toonaangevende liberale economen spreken zich uit tegen het gevoerde beleid, linkse economen tonen wetenschappelijk aan hoe dit beleid resulteert in diepe ongelijkheid en zelfs de OESO zet vandaag de strijd tegen ongelijkheid op de agenda. En nu blijkt ook nog eens dat ‘het gewone volk’ in grote getallen pleit voor een vermogensbelasting. Het succes van Hart boven hard is een indicator van deze veranderingen.

Na decennia van vox populisme bij de rechtse partijen en hun militanten (wij zijn de stem van het volk, de Vlaming heeft gekozen, …) wordt vandaag heel duidelijk dat een groot deel van de Vlamingen en de Belgen hun eigen stem claimen en die stem gaat diametraal in tegen het dominante discours. Ze weerklinkt bovendien dagelijks op sociale media, tijdens de betogingen en stakingen. En opvallend: steeds meer burgers laten hun stem horen tijdens de vele meetings, evenementen en acties van Hart boven hard. Die acties kennen telkens een overdonderend en bovendien heel zichtbaar succes, want fysieke aanwezigheid gaat gepaard overdonderend geshared en getweet op sociale media.

Rechtse media?

Het is dan ook des te vreemder om te moeten vaststellen dat de ‘kwaliteitsjournalisten’ van de grote media die massale aanwezigheid op deze vele actie, evenementen en meetings schijnbaar collectief gemist hebben, of hoogstens als een voetnoot behandelen. De mobilisatiekracht van Hart boven Hard staat in schril contrast met de berichtgeving over die beweging. Na de eerste nationale betoging, met een zeer zichtbare aanwezigheid van Hart boven Hard, was het de volgende dag met een vergrootglas zoeken naar enig woord over de beweging in onze media. De honderd amokmakers stonden toen centraal.

Op de nationale stakingsdag van 15 december zette de beweging tientallen evenementen op over heel België. Deze acties konden overal op een vrij verpletterend succes rekenen. Vreemd dat vooral de lokale media dit geregistreerd hebben. De grote kwaliteitsmedia waren blijkbaar net te laat, genoten van een snipperdag of vonden het weinig nieuwswaardig.

In onze massamedia wordt vooral ruimte gereserveerd voor de hinder van de acties, hun economische kost, de rellen of de fratsen van één vakbondsdame in de H&M. En hoeft het te verbazen dat ook onze rechtse politici en hun militanten louter focussen op deze fait divers. Het is op dit vlak dat onze vrije media functioneren als een steunpilaren van rechts. De focus van onze media laat de rechtse politici toe om het verzet af te schilderen als uitzonderlijk, onrealistisch, hinderlijk en schadelijk. Het is dan allemaal het werk van de conservatieve vakbonden, de oppositie of de wereldvreemde linksen en radicalen. In zoverre men hierin slaagt kan de rechterzijde binnen het raamwerk van onze media blijven claimen dat men ‘de stem van het volk’ vertolkt.

De mainstreampers verzaakt hier duidelijk aan haar democratische opdracht. En dat is heus niet alleen het geval bij de typische ‘werkgeverskranten’. Ook een ‘linkse krant’ als De Morgen ontsnapt niet aan de verleiding. Yves Desmet slaagt er bijvoorbeeld in om Hart boven hard neer te zetten als een mantelorganisatie van de vakbonden die ‘de ongebonden burger’ onterecht voor haar kar spant.  De ‘linkse krant’ fungeert op dat moment als een regimepers in dienst van de politieke rechterzijde. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de rechtse Twitter –en Facebook-clubs er als de kippen bij zijn om Hart boven Hard af te doen als de vakbonden in disguise. Net zoals De Wever de vakbonden neerzet als ‘de gewapende arm van de PS’, zetten de rechtse militanten Hart boven Hard neer als deel van de vakbonden en dus als irrelevant. En De Morgen levert hier extra munitie.

sintactie hartbovenhard

Succes tegen de stroom in

Het is echter opmerkelijk dat deze strijd van de rechterzijde en de negatie van de pers geen effect lijkt te hebben op de mobilisatiekracht van de beweging. Hart boven hard bundelt nu al 15 000 bezorgde burgers en 1000 organisaties. Die organisaties zijn heus niet alleen de vakbonden of het klassieke middenveld, ook bibliotheken, hogescholen, interculturele organisaties en cultuurhuizen bundelen de krachten. De beweging heeft, en ook dat is uniek in de geschiedenis, haar eigen media. De beweging is niet afhankelijk van die mainstreammedia maar communiceert via haar eigen website, via micromedia als De Wereld Morgen en Kif Kif en sociale media als Facebook en Twitter. De beweging heeft dus haar eigen informatie –en mobilisatienetwerk.

Ziehier het probleem van de rechterzijde. Maar ook het probleem van de massamedia. De geloofwaardigheid van beide staat op het spel. Hoe langer deze spelers dit verzet negeren of trachten af te doen als irrelevant, hoe steviger het verzet zal worden en hoe meer de geloofwaardigheid van de regering en de media op de helling komt te staan.

De burgerbeweging Hart boven hard is net hierom historisch. Ze maakt van onderuit duidelijk dat rechts geen claim kan leggen op ‘de stem van het volk’. En ze maakt duidelijk dat de massamedia niet meer dominant zijn in het bepalen van mobilisatie en beeldvorming. De enorme mobilisatiekracht die Hart boven hard en de vakbonden hebben getoond in de laatste maanden doorprikt de dominante discoursen van de laatste decennia. Hart boven hard toont aan dat België helemaal geen land is van twee publieke opinies (een rechts Vlaanderen en een links Wallonië) of twee democratieën. De beweging toont aan dat er wel ruimte is voor een alternatief en dat daar bovendien een stevig draagvlak voor bestaat.

Hart boven hard en de revitalisatie van de democratie

Dit verzet van onderuit is een welkome revitalisatie van onze democratie.  De laatste 25 jaar is ‘democratie’, onder aanstuwen van het Vlaams Blok, geherdefinieerd als ‘de stem van het volk’. Zo konden de meest antidemocratische standpunten doorgaan als democratische meningen. De Wever is daar vandaag het meest zichtbare symbool van. Hoewel hij geen lid is van de federale regering  komt hij steeds op de proppen met de slogan dat ‘er geen alternatief is’, ‘dat dit of dat geen optie is‘ of ‘dat we dan maar beter de democratie kunnen afschaffen’ als de regering moet luisteren naar het verzet. En zo wordt nogmaals duidelijk dat De Wever en zijn maats democratie begrijpen als een ‘dictatuur van de meerderheid’. Eenmaal er verkiezingen geweest zijn, moeten de burgers hun klep houden als het van deze politici afhangt. Dat is uiteraard een antidemocratische invulling van democratie en net dat wordt vandaag steeds meer duidelijk voor steeds meer mensen.

Hart boven hard en de vakbonden tonen ons terug dat democratie een groot verhaal is, een verhaal waar burgers hun rechten niet verliezen nadat ze gaan stemmen zijn. Hart boven hard zorgt voor een lichtpunt in een democratie die al decennialang in diepe crisis zit.

Hart boven hard is een zegen voor de democratie.

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen, coördinator van Kif Kif en gastprofessor Politiek en Cultuur aan het RITS in Brussel. Hij publiceert al jaren over beeldvorming, media, identiteitsvorming, racisme, nationalisme, (super)diversiteit, democratie en de strijd voor vrijheid en gelijkheid. @icomaly – https://www.facebook.com/imaly1

[e-boek] Superdiversiteit in Oostende

Schermafbeelding 2014-10-25 om 12.35.54 (2)In Superdiversiteit in Oostende brengt Ico Maly (Kif Kif – RITS) Oostende en meer bepaald één wijk in Oostende, het Westerkwartier, in kaart. Hij doet dat aan de hand van een etnografisch onderzoek en meer bepaald etnografisch linguïstisch landschapsonderzoek. De titel maakt meteen duidelijk dat ook in Oostende superdiversiteit een onontkenbaar feit is. Maly beschrijft niet alleen, hij analyseert en verklaart ook de structuur van die Oostendse samenleving, wijst op de problemen en schetst de contouren van een toekomstperspectief.

Volgens Jan Blommaert (Tilburg University) zit de meerwaarde van het werk van Maly erin dat het aantoont ‘dat superdiversiteit, incluis z’n vele ongelijkheden, nu ook een kenmerk is van kleinere steden, van centra die op een veel lager schaalniveau te situeren zijn dan de grote miljoenensteden die magneten zijn voor migratie. Superdiversiteit is dus niet langer een uitzonderlijk, exotisch of “freak” fenomeen: het is een algemeen fenomeen dat zich dus niet laat vatten in à la carte bedenkingen en maatregelen, maar een algemene aanpak vereist.’’

Het boekje kadert binnen een groter onderzoeksproject, ‘Een ander land’ genaamd. Het project wordt aangedreven door een samenwerkingsverband met de naam ‘De toekomstfabriek’. In dat samenwerkingsverband bundelen verschillende Gentse middenveldorganisaties de krachten (www.detoekomstfabriek.be) met als doel om na te denken over de toekomst van ons land, uitdagingen in kaart brengen en op zoek te gaan naar praktijken die een ander land voorafspiegelen. Het boek is een verdieping en dus complementair aan de gelijknamige documentaire over de stad. Ook deze documentaire komt binnenkort op Kif Kif.
Ico Maly is Doctor in de cultuur­wetenschappen, coördinator van Kif Kif en docent Politiek en Cultuur (Rits). Auteur van ‘N-VA. Analyse van een politieke ideologie’ (EPO, 2012). Samen met Jan Blommaert & Joachim Ben Yakoub schreef hij Superdiversiteit en democratie (EPO, 2014).

Praktisch

Om een e-boek te lezen installeer je best een specifiek (gratis) programma. Afhankelijk van de drager waarop je het boek wil lezen heb je verschillende mogelijkheden. De meeste programma’s hebben vandaag een app voor zowel Android-, mac- of Windows-besturingssystemen. Bluefire (http://www.bluefirereader.com/) & Adobe Digital Editions (http://www.adobe.com/be_nl/products/digital-editions/download.html) zijn zeer courante programma’s. Onze voorkeur gaat naar Bluefire.

Download het E-Boek

Download “Superdiversiteit in Oostende | Ico Maly” als epub (e-readers)

Superdiversiteit, de democratische uitdaging

Superdiversiteit is een nieuw buzzwoord. Wereldwijd verschijnen er steeds meer artikels, boeken en onderzoeken over. Die wereldwijde stampede kan maar verklaard worden door de connectie met de realiteit. Onze leefwereld én onze levens zijn in een snel tempo aan het veranderen. Steden worden steeds meer het toneel van een enorme diversificatie van diversiteit. We leven vandaag niet alleen in geglobaliseerde, multireligieuze en meertalige wijken en steden, we leven ook zowel on- als offline. Superdiversiteit is de beschrijving van die complexe en inherent geglobaliseerde wereld waarin we leven. In dit artikel schetst Ico Maly deze nieuwe realiteit en de democratische uitdagingen ervan.

De betekenissen van superdiversiteit

We moeten starten met een disclaimer. De hype rond superdiversiteit betekent niet dat iedereen ook over hetzelfde spreekt als ze deze ‘nieuwe’ term hanteren. De dominante invulling van superdiversiteit is vooralsnog kwantitatief en eendimensionaal. We leven hier niet meer met vijf maar met 194 verschillende nationaliteiten op een grondgebied, ergo, we leven in een superdiverse samenleving. Deze invulling van superdiversiteit verschilt niet wezenlijk van het klassieke multiculturele denken. Mensen worden opnieuw opgedeeld in nationaliteiten en de samenleving wordt opnieuw voorgesteld als een verzameling van groepen mensen die gekenmerkt worden door hun nationaliteit. Om ‘die superdiverse’ samenleving leefbaar te maken wordt, net zoals in het multiculturele paradigma, ingezet op inburgering. De wijze waarop Geert Bourgeois superdiversiteit invult kan hier gelden als voorbeeld. Dit begrip van superdiversiteit is geen nieuw paradigma, geen breuk met het verleden en dus moeten er ook geen aanpassingen ten gronde gebeuren.

Deze invulling van superdiversiteit kampt met verschillende problemen. Ten eerste maakt ze slechts een heel klein brokje van de reële superdiversiteit zichtbaar: diversiteit in afkomst. En bovendien doet ze dat in het oude multiculturele jargon met een focus op nationale identiteit of cultuur die dan begrepen wordt als dé identiteit van mensen. De suggestie daarbij is dat mensen met eenzelfde nationaliteit ook eenzelfde identiteit, waarden en normen of cultuur delen. Dat is vandaag een empirische fictie. Zo komen we bij het tweede punt. In de dominante benadering kijkt men door de lens van kwantiteit en niet die van kwaliteit. Het gaat dan over aantallen nationaliteiten in plaats van over diepgaande veranderingen in hoe mensen vandaag leven en hun identiteit opbouwen. Dergelijke benadering van superdiversiteit herneemt het multiculturele paradigma. Superdiversiteit is dan niet meer dan een ‘leuke’ term om multiculturaliteit weer hip en wervend te maken, maar vooral om onze ogen te sluiten voor de realiteit en alles vooral bij het oude te laten.

Het punt is echter dat de realiteit zelf is veranderd en dat een multicultureel paradigma, ook al heeft ze een superdiverse verpakking, volstrekt ontoereikend is om de huidige realiteit te duiden en te begrijpen. Superdiversiteit is een nieuw paradigma die het multiculturele paradigma van weleer vervangt. De reden hiervoor is dat superdiversiteit een veel nauwkeuriger theorie aanreikt om de wereld van vandaag te verklaren dan de multiculturele voorloper. Superdiversiteit verwijst dan naar een multidimensionaal perspectief dat oog heeft voor diepgaande kwantitatieve en kwalitatieve veranderingen. Het gaat niet alleen over etniciteit, maar ook over genderrollen, subculturen én over ervaringen die mensen hebben met administraties en onderwijs, met hun statuut in de samenleving, hun sociale ‘klasse’, en zoveel meer. Superdiversiteit kunnen we bovendien maar begrijpen als we dat doen vanuit een historisch, politiek, sociaal, economisch, cultureel en technologisch perspectief.

Migratie, communicatie en het transnationale leven

Superdiversiteit is het gevolg van een nieuwe fase in de globalisering: de neoliberale globalisering. De doorbraak van die nieuwe fase wordt gesymboliseerd door de val van de Berlijnse muur en later die van de Sovjet-Unie. De bipolaire wereld behoorde tot het verleden, en dat had meteen materiële gevolgen. De koude oorlog was immers naast vele andere dingen ook een ordening van de wereld. Het wegvallen daarvan betekende dan ook dat de structuur van de wereld drastisch veranderde. Die veranderingen vertalen zich onder andere in heel nieuwe migratie en in heel nieuwe migratiepatronen. Vandaag schrikken we niet meer van Poolse, Bulgaarse of Roemeense nummerplaten in het straatbeeld, net zoals de aanwezigheid van Chinese studenten aan onze universiteit tegenwoordig ‘normaal’ is. Twee decennia terug was dit hoogst uitzonderlijk.

Niet alleen de migratielanden worden diverser, maar de migratiepatronen worden ook steeds complexer. Lineaire migratie vanuit Agadir naar de Brugse Poort in Gent bijvoorbeeld is vandaag een uitzondering, terwijl heel complexe migratiepatronen steeds meer de regel worden. Mensen migreren nu tussen meerdere landen en bouwen daar ook hun leven uit. Transnationalisme wordt voor meer en meer personen een inherent deel van hun leven. Professoren moeten bijvoorbeeld op transnationale schaal opereren. Dat is niet alleen een vereiste om bij de top te behoren, maar zelfs een voorwaarde om bijvoorbeeld aan de universiteit in Gent aan de slag te kunnen. Zonder internationale publicaties tel je niet mee. Hetzelfde zien we gebeuren in andere domeinen: ook politici en bedrijfsleiders opereren op een transnationale schaal. Dat transnationaal leven is niet alleen een kenmerk van een kleine elite, we zien dat meer en meer mensen op die schalen hun leven uitbouwen. Zo vinden we Poolse werknemers van Poolse bedrijven die op de hele Europese markt actief zijn, net zoals Belgische werknemers in bijvoorbeeld de luchtvaarindustrie in een transnationaal veld werken. Er ontstaan ook religieuze entrepreneurs die op een internationale schaal kerken uitbouwen.

Een transnationaal leven is vandaag niet alleen meer het voorrecht van de elite of het noodlot van de lage klassen, het dringt steeds meer door tot het leven van iedereen. Zeker als we nog eens de impact van de nieuwe media in rekening brengen, die hun opmars kennen in dezelfde periode dat we nieuwe migratie zien ontstaan. GSM’s, satellieten, internet, Facebook, Skype, WhatsApp en Viber hebben niet alleen een heel grote impact op de menselijke communicatie, ze zijn ook bepalend voor identiteits-en cultuurproductie. We leven vandaag onze levens zowel on- als offline. Die nieuwe media hebben niet alleen een grote impact op de diaspora, ze kleuren het leven van iedereen. We onderhouden niet alleen meer en meer vriendschaps- of professionele banden op een transnationaal niveau, we bouwen er met zijn allen ook een identiteit op. Hipsters, hijabista’s, skaters, emo’s, goth’s, elite-culture, grunge, death-metal, gabbers en housers; het zijn allemaal inherent geglobaliseerde subculturen of micro-hegemonieën. De ‘grote identiteitsbouwstenen’ zoals nationaliteit zijn vandaag slechts een van de vele groepsidentiteiten die mensen bezitten. Die nationale identiteit kan nog heel belangrijk zijn in bepaalde contexten (als de nationale ploeg speelt) maar compleet irrelevant worden in bijvoorbeeld de werkcontext of op het moment dat je naar een optreden van Pearl Jam kijkt. In die context worden heel andere groepsidentiteiten geactiveerd.

Die subculturen zijn van cruciaal belang om identiteit te begrijpen in de 21ste eeuw. We spreken vandaag binnen de antropologie steeds meer over identiteit als ‘life-project’. Als het vrij bewust construeren van identiteit binnen verschillende micro-hegemonieën. Onze identiteit bestaat dan net in het feit dat we kunnen functioneren binnen heel uiteenlopende micro-hegemonieën: we kennen er de normen van, weten welke soort taal we moeten spreken (moeten we het woord ‘cool’ gebruiken, of moeten we iets cools ‘deck’ noemen om in te zijn in een hipster-context?) en hoe we ons uiterlijk moeten stileren. En ‘wie’ we zijn, kan sterk verschillen naargelang de verschillende contexten waarbinnen we onszelf zijn. Dat levert echter geen meervoudige, paradoxale of andere identiteiten op. Het punt is dat we in elk van die contexten perfect ‘onszelf’ zijn. Zo kan iemand overdag perfect geïntegreerd zijn binnen een managerscultuur en dus de ‘juiste’ kleren dragen, de juiste telefoon hebben en het juiste taaltje spreken (een Nederlands vol Engels jargon), terwijl diezelfde persoon ’s avonds tijdens een concert van Pearl Jam perfect geïntegreerd kan zijn in de ‘grunge-cultuur’. Een vrouw kan bij haar vriendinnen perfect geïntegreerd zijn binnen een feministische cultuur – en dus ook die taal beheersen – terwijl ze zich in haar gezin settled in een klassiek rollenpatroon. Het betekent echter ook dat iemand perfect geïntegreerd kan zijn in de schoolcontext en binnen de subcultuur van hijabista’s, en net daardoor als niet-geïntegreerd kan beschouwd worden op een stageplaats of een discotheek. Het punt is dat ‘onze identiteit’ bestaat binnen die verschillende contexten. We zijn dus wie we zijn omdat we geïntegreerd zijn binnen een reeks van dergelijke subculturen.

We leven vandaag in een fundamenteel andere wereld dan ettelijke decennia geleden en dat vereist dat we heel wat zaken ont-denken en herdenken. Het mag duidelijk zijn dat ‘geïntegreerd’ zijn in die reële wereld iets helemaal anders betekent dan in het ‘minderhedendecreet’. Wanneer is een zestienjarige jongen geïntegreerd op school? Als hij spreekt en zich kleedt als Peter De Roover? Of als hij spreekt en gekleed loopt als hipster of skater? Het punt hier is dat we in heel veel verschillende contexten moeten geïntegreerd zijn als we willen ‘slagen’ in onze samenleving. We moeten geïntegreerd zijn in onze straat, op de arbeidsmarkt, in onze familie, in onze subcultuur, … Concreet: voor een Bulgaarse koffiehuisuitbater in de Wondelgemstraat is het hoogstwaarschijnlijk interessanter om de superdiverse populatie aan te spreken in die straat dan om zich te richten op hipsters. Het gebruik van Turks, Bulgaars en Bulgaars-Nederlands is dan interessanter om zijn zaak te doen draaien, in plaats van zich te richten op een groep zoals de hipsters, die nagenoeg afwezig is in de wijk. Waar de hipster 6 euro wil betalen voor een professionele Barista-koffie, zal dit concept in een armere wijk als het Rabot niet veel succes oogsten. Geïntegreerd zijn in de Wondelgemstraat betekent dan ook iets helemaal anders dan geïntegreerd zijn in Antwerpen-Zuid.

Onze wereld wordt gekenmerkt door een enorme diversificatie van diversiteit. Die diversificatie van diversiteit is per definitie multidimensionaal: ze slaat op zowel afkomst als religie, op politieke overtuiging als op subcultuur, op taalgebruik als op ervaringen in het onderwijs, kortom: op al die verschillende contexten waarbinnen we onze identiteit uitbouwen. En noteer dat superdiversiteit ieders realiteit is, en dus niet alleen slaat op ‘de Ander’, ‘de allochtoon’ of ‘de vreemdeling’. Geïntegreerd zijn bekijken we dan ook best in relatie met al die contexten waarin mensen leven, en niet vanuit een soort fictieve abstractie van die samenleving.

Neoliberalisme, nationalisme en het failliet van het integratiebeleid

Superdiversiteit is, we zeiden het al, een gevolg van de neoliberale globalisering. Als we superdiversiteit en de gevolgen ervan ten gronde willen begrijpen, dan moeten we het plaatsen binnen dat historisch perspectief. Die neoliberale globalisering start in het midden van de jaren 70 en wordt hegemonisch na de val van de Sovjet-Unie. Die omwenteling vertaalde zich in een reeks globale politiek-economische en ideologische omwentelingen met vergaande materiële gevolgen. Superdiversiteit is er daar maar één van. Die evoluties hertekenden wijken, steden, landen en uiteindelijk de hele planeet. De wereld is vanaf die jaren heel intens verstrengeld met elkaar. Het is dan dat China instapt in het kapitalistisch systeem, dat India ingrijpende politiek-economische veranderingen doorvoert, dat Zuid-Afrika niet alleen de apartheid afschaft maar zich ook inschakelt in die neoliberale wereldorde. De voormalige Sovjet-Unie wordt in die periode een nieuw speelterrein voor ‘durfkapitalisten’, terwijl Europa het Verdrag van Maastricht goedkeurt. De sociaaldemocratie slaat in diezelfde periode de Derde Weg in en zweert Marx af.

Het TINA-argument weerklinkt vanaf dan zeer luid. ‘There is no alternative’ voor een op neoliberale leest geschoeide samenleving. De idee dat de markt en de democratie twee zijden van dezelfde medaille waren, begon steeds meer weerklank te vinden. Democratie en de neoliberale markt moesten we tegen alle historische bewijzen in gaan begrijpen als een onafscheidbaar koppel. Het onderwerpen van de welvaartstaat aan de ‘wetten’ van de markt zou een goede zaak voor de democratie zijn. Privatisering was het ordewoord. Die neoliberalisering van de wereld ging gepaard met open grenzen voor goederen en kapitaal, een afbouw van de sociale staat, een enorme druk op de lonen, de opgang van (de machtsbasis van) multinationals, in- en outsourcing, stijgende mobiliteit maar ook nicheproductie.

De gevolgen van die omslag in dominante ideologie beperkten zich niet enkel tot ideeën, maar vertaalden zich ook in de realiteit. ‘De economie’ krijgt vanaf die periode een sterke overmacht op de politiek. Nationale staten worden steeds meer herleid tot uitvoerders en steunpilaren van een neoliberale economische politiek. Dat vertaalt zich in een hertekening van de relatie tussen burger en staat. Niet de harde domeinen (arbeidsmarkt, huisvesting, onderwijs, ongelijkheid, …) staan centraal maar de zachte domeinen (waarden en normen, taal, identiteit, cultuur, respect) worden als prioritair naar voor geschoven. Die overmacht van de economie op de politiek gaat gepaard met een groeiende kloof tussen arm en rijk. Steeds meer kapitaal komt in handen van steeds minder mensen. En net op het moment dat er nood is aan een performante politiek op de harde domeinen oriënteert de politiek de blik op de zachte domeinen. Kortom, het is in die jaren, waarin we met zijn allen het steeds moeilijker hebben om sociaaleconomisch en politiek geïntegreerd te zijn, dat culturele integratie van nieuwkomers opgang maakt als ‘de oplossing’ voor migratieproblemen.

De neoliberale globalisering krijgt een neoliberaal, nationalistisch antwoord. Migratie wordt in die periode meer en meer gezien als een cultureel probleem en een economische opportuniteit. Migratie, en dan vooral slechte – lees arme – migratie moet zoveel mogelijk tegengehouden worden. Dat vertaalt zich enerzijds in pogingen om arme migratie te reguleren door het verstrakken van asielwetgeving, het uitbouwen van asielcentra en bureaus voor schijnhuwelijken, anderzijds in het faciliteren van multinationals en hun bedrijfsleiders en het aantrekken van topsporters … Op het moment dat die ongewilde migratie toch aanwezig is in het land, komt er een enorme focus op culturele integratie. Onderliggend aan dit migratie- en integratiebeleid ontwaren we een neoliberaal nationalisme. De natie moet gevrijwaard worden in tijden van globalisering. Dat kan maar doordat die natie weet te concurreren op wereldschaal met andere naties. Tegelijkertijd moet men ook zorgen dat de natie – zoals ze verbeeldt wordt in het klassieke nationalisme – nog overleeft, en dus wordt er heel sterk ingezet op homogenisering.
Het resultaat van een dergelijk integratie- en economisch beleid is een enorme verdieping van ongelijkheid. Enerzijds zien we de constructie van ongelijke rechten. Nieuwkomers hebben maar hun volledige politieke, economische, sociale, religieuze en culturele rechten als ze doorheen alle inburgeringstrajecten en nationaliteitsprocedures lopen. Migratie en transnationaal leven en werken vertaalt zich vandaag altijd in een verlies aan rechten. De oude verlichtingsdroom van onvervreemdbare rechten is nog lang niet gerealiseerd. Meer nog, het beleid maakt rechten voorwaardelijk aan die culturele integratie. Bovendien fungeert heel het integratiediscours ook als een instrument van ongelijkheid. Zo worden ‘allochtonen’, ook al hebben ze de nationaliteit en dus officieel gelijke rechten, nog steeds geconfronteerd met structureel racisme. Ze worden dagelijks beoordeeld op hun graad van integratie: als ze solliciteren, als ze een huis zoeken en zelfs als ze naar de winkel gaan. Die ‘evaluaties’ weerspiegelen zich in de structuur van de samenleving.

Anderzijds zien we dat zowel allochtoon als autochtoon, nieuwkomers als tweede en derde generaties geconfronteerd worden met een herschepping van de sociaaleconomische organisatie. Uiteraard is België nog relatief gevrijwaard van al te dogmatische en radicale hervormingen op neoliberale leest. Desalniettemin zien we wel degelijk dat de neoliberale dogma’s gedurende de laatste decennia steeds meer ingang vinden. We zien dit in het ontstaan van de tweede en derde pensioenspijler, de degressiviteit van de werkloosheidsvergoedingen, de privatisering van allerlei staatsbedrijven, de afschaffing van het brugpensioen, de druk op de lonen, …

Al deze evoluties, het algemeen neoliberaal beleid, de afbouw van de sociale staat, het integratie- en migratiebeleid als antwoord op een realiteit van transnationalisme en superdiversiteit, verdiepen de ongelijkheid en zorgen voor een afbouw van rechten. Zo’n politiek-economisch beleid is in tijden van globalisering en superdiversiteit uitermate problematisch. Politici creëren zo de illusie dat men op een lagere schaal (Vlaanderen in plaats van België) een afdoend antwoord kan bieden op de globalisering. Dat is natuurlijk volksverlakkerij. In tijden van superdiversiteit en globalisering hebben we een democratie nodig die werkt op verschillende schalen. Als we, als bevolking, onszelf meer democratische zeggenschap willen geven over onze economie, dan moet de democratie onvermijdelijk ook werken op een hogere schaal dan de louter nationale. Concreet: omdat de democratie verankerd zit op een stedelijke, regionale en nationale schaal terwijl de economie aangestuurd wordt vanuit hogere schalen, worden landen ingeschakeld in een concurrentielogica. Dat zorgt niet alleen voor een druk op de lonen of op de sociale zekerheid, het zorgt er ook voor dat onze rechten gebonden zijn aan die nationale schaal. Superdiversiteit dwingt ons om ons leven en dus ook onze democratie op een transnationale schaal te gaan denken.
Superdiversiteit, neoliberaal nationalisme en de verdieping van ongelijkheid

Het mag ondertussen duidelijk zijn dat de ‘super’ in superdiversiteit niet slaat op de super zoals in superleuk, supercool of supertof. De ‘super’ in superdiversiteit slaat op ‘van een andere orde’, ‘van een andere grootte’. Superdiversiteit is dus niet iets dat we moeten vieren, noch is het iets dat we a priori moeten beladen met alle zonden van de wereld. Superdiversiteit is een beschrijving van de wereld waarin we leven en daar niets inherent slechts of goeds aan toekent. Het probleem zit hem niet zozeer in de realiteit – die is er als we dat nu willen of niet – maar in het beleid ten aanzien van die realiteit. Superdiversiteit wordt te lijf gegaan met een neoliberale, nationalistische politiek. In plaats van te strijden voor meerschalige politiek en het upscalen van onze democratie naar een Europees niveau, zien we een enorme golf aan nationsplitters opstaan, die onze democratie willen doen opereren op een kleinere schaal en dus ook onze solidariteitsmechanisme en rechten willen herschalen. In de feiten spelen we zo een neoliberale politiek in de kaarten, want we verkleinen onze democratische macht en verscherpen de concurrentie.

Een nationale politiek is vandaag per definitie neoliberaal omdat ze zich in grote mate schikt als een uitvoerder van wat er op hogere schalen beslist is. Dat neoliberale nationalisme is vandaag dominant en resulteert in de laatste decennia in een stelselmatige verdieping van ongelijkheid. Die groei van ongelijkheid, zowel in rechten als sociaaleconomisch, raakt het fundament van onze democratie: het gelijkheidsbeginsel. Dat is een dijk van een democratisch probleem. Superdiversiteit dwingt ons om onze democratie te herdenken, te verdiepen en te herschalen. Doen we dat niet, dan moeten we ook aanvaarden dat we niet in een Verlichte democratie leven.
Ico Maly

 

Ico Maly, doctor in de Cultuurwetenschappen, gastprofessor aan het Rits en coördinator van Kif Kif, schreef samen met Jan Blommaert en Joachim Ben Yakoub een boek over dit thema: ‘Superdiversiteit en democratie’ (Uitgeverij Epo, 2014).

 

>>> Dit artikel is reeds verschenen in ‘de Geus

>>>> Meer info over het boek ‘Superdiversiteit en democratie’ vindt u op de Facebookpagina

Een blanco stem is geen stem

Internetfenomeen Bear Grills liet vandaag weten blanco te zullen stemmen als teken van verzet tegen de traditionele partijen. Deze nieuwe stem in het maatschappelijk debat wordt vandaag door bijna 50 000 mensen gevolgd op Facebook. Hij is dus een rolmodel voor veel jongeren. De man slaagde er in om politiek onder de aandacht te brengen van zijn volgelingen en dat is een goede zaak. Een democratie staat of valt met informatie over politiek en met politiek engagement. Dat laatste mag je ruim nemen, politiek is geen zaak van politici alleen. We zijn met zijn allen het fundament van de democratie. Dat laatste geldt uiteraard enkel als we ook effectief onze rol opnemen als democratisch burger. Zonder democratische mens, zonder geïnformeerde en geëngageerde democratische burgers is de democratie in stervensbegeleiding. Politisering is een cruciaal ingrediënt van een democratie en net daar schort het al jaren aan in onze samenleving. Politiek lijkt voor velen op de grote-ver-van-ons-bed-show. De apolitiek en de antipolitiek groeien al jaren. En net daar zit de kern van ons democratisch probleem. De uitspraken van Bear Grills moet binnen die evolutie begrepen worden.

 

De plicht om ons te informeren

Bear Grills slaagde erin om met politiek een hype te worden. Hij zorgde ervoor dat mensen keken naar politiek en er over debatteerden. Hij is niet alleen een internetfenomeen, hij is voor veel jongeren een voorbeeld. De hype rond zijn persoon, maar vooral zijn niche-publiek, zorgde er al snel voor dat menig partijvoorzitter zich nestelde in de passagierszetel van zijn BMW. Wie echter denkt geïnformeerd te zijn op basis van deze interviews over politici, hun project en hun ideologie die dwaalt. Laat staan dat hij of zij weet heeft hoe de politiek werkt anno 2014. Het is een illusie te denken dat we geïnformeerd kunnen worden over politiek als we enkel kijken naar wat politici vertellen in de verkiezingstijd. Als we de democratie serieus nemen en dus als burgers echt macht willen uitoefenen, dan moeten we ons met zijn allen engageren. We moeten onszelf als democratische burgers serieus nemen en enkele goedbedoelde YouTube-interviews volstaan dan helaas niet.

Verkiezingen mogen dan slechts één onderdeel zijn van wat een democratie is, het betekent niet dat ze onbelangrijk zijn. Ze zijn ‘het feest van de democratie’, ze zijn een hoogtepunt van een constante democratische strijd. Op 25 mei kiezen we op Vlaams, Federaal en Europees niveau onze leiders en we doen dat in een periode van economische, financiële, ecologische en een democratische crisis. Die crisis grijpt op heel wat verschillende schalen in op ons leven. Op wie we stemmen heeft weldegelijk gevolgen. Misschien wel meer dan we kunnen vermoeden. En het is op dit punt dat analyse en informatie van groot belang wordt.

Of we nu met politiek bezig zijn of niet, we zitten allen in de politiek. Dat is onoverkomelijk zo. Er zijn maar twee grote opties. (1) We kunnen passief aan politiek doen. Of duidelijker ons niet bewust en actief met politiek bezig houden. Het is echter een misvatting dat deze positie niet politiek zou zijn. Het betekent immers dat we de macht laten betijen. We nemen ons democratisch recht op verzet niet op. Als we ons niet actief met politiek bezig houden dan stemmen we in met degenen die de meerderheid hebben. We laten ons doen. Het is op het moment dat we dat met velen gaan doen dat de democratie in crisis is. Als we de democratie genegen zijn, dan rust er een zware plicht op onze schouders. (2) Dan moeten actieve democratische burgers zijn en dat begint met ons te informeren over politiek en politieke strijd. Over wie welke macht heeft en op welk niveau men macht heeft. Dat laatste is belangrijk, want een groot deel van de antipolitiek ontstaat omdat veel partijen zich inschrijven in ideologieën die gesteund worden door machtscentra op heel andere (vaak veel minder democratisch georganiseerde) schalen. Er is niets zo vals als het idee dat we moeten kiezen tussen het N-VA of het PS-model. Dergelijke keuze laat ons enkel kijken naar de nationale schaal. Op dat schaalniveau zal zowel de N-VA als de PS moeten regeren in een coalitie én zich moeten inschakelen in het Europese beleid. Veel partijen leggen zich neer bij het neoliberale economische model dat momenteel door Europa, maar ook het IMF en de Wereldbank wordt voorgeschreven. Een ander Europa, een sociaal Europa dat tegen de neoliberale dogma’s durft ingaan is maar mogelijk als wij politici verkiezen die daar willen tegen in gaan. Ons informeren over Europa en daar stemmen voor politici en partijen die werk willen maken van een sociaal en democratisch georganiseerd Europa is van cruciaal belang.

Het belang van de Europese schaal betekent echter niet dat het nationale en regionale niveau niet meer belangrijk is. Op die niveaus kan het neoliberaal beleid dat op andere schalen dominant is gewoon uitgevoerd worden, maar het kan ook rigoureuzer toegepast worden of er kan ook op de nationale schaal verzet ontstaan. Dit laatste is terug maar mogelijk als we dat electoraal mogelijk maken. En terug hebben we werk voor de boeg. We moeten ons informeren, slechts dan kunnen we weloverwogen keuzes nemen.

 

De democratische plicht kritische vragen te stellen

 

We moeten (kritische) vragen stellen. Welke politici of partijen hebben welk voorstel gestemd en welk voorstel hebben ze weggestemd. Wat zijn hun plannen vandaag voor onderwijs, racismebestrijding, herverdeling, huisvesting … Dat is onze taak als burgers in een democratie. Doen we dat niet, dan zijn we zelf verantwoordelijk voor de politieke malaise, voor de crisis van de democratie en voor de leiders die we hebben.

De antipolitiek en de apolitieke houding wordt immers gestuurd door het idee dat ‘onze stem geen verschil maakt’. Dat alle partijen ‘zakkenvullers’ zijn, dat alle ‘partijen kiezen voor de elites’ of om het in het grijsgedraaide zinnetje van Leterme te zeggen: ‘wie gelooft die mensen nog’. Het moment dat we dit geloven, is het moment dat we ons democratisch engagement laten varen. Het is op dat punt dat politici vrij spel krijgen en dus autoritaire macht verwerven.

Politiek is geen zaak van geloof, maar van strijd. En die strijd is een strijd om ideeën of beter ideologieën. Laat je niet wijsmaken dat de tijd van ideologieën voorbij is. Zonder ideologie bestaat de politiek niet. Er is dan ook niets zo fout als het idee dat ‘de politiek’ louter een zaak zou zijn van ‘goed bestuur’, of dat politieke partijen ‘opkomen voor iedereen’. Mensen en groepen mensen in een samenleving hebben verschillende belangen en de ideologie van sommige partijen druist in tegen die belangen terwijl andere partijen net opkomen voor die belangen. 

 

Links en rechts

 

Er is wel dus degelijk een onderscheid tussen links en rechts. Dat betekent echter niet dat partijen per definitie rechts of links zijn, of dat partijen die gisteren links waren, dat vandaag ook nog zijn.  Het betekent ook niet dat een linkse retoriek per definitie gelijk staat met een linkse praktijk, of omgekeerd. We moeten kijken naar het concrete project dat die partij naar voor schuift. Nogmaals dat betekent niet dat rechts en links niet bestaat. Het zijn historische categorieën die een heel duidelijke positionering hebben ten opzichte van elkaar. Voor de duidelijkheid kunnen we ze vrij kort en dus ongenuanceerd samenvatten. Rechts komt op voor de elites, links komt op voor de gewone man.

Maak dus de analyse vanuit jouw plaats in de samenleving en jouw idealen. Wil je een samenleving waar ongelijkheid bestreden wordt, waar we inzetten op armoedebestrijding, waar we de ecologische crisis serieus nemen, dan weet je alvast dat je op zijn minst links moet stemmen. Links in de historische betekenis wel te verstaan. Een ideologisch en principieel links dat opkomt voor de uitbreiding van democratie, de uitbreiding en verwezenlijking van mensenrechten voor iedereen en voor herverdeling. Een links dat strijdt tegen discriminatie en voor de macht van het volk over de economie en niet de macht van de economie over het volk, …

Het is jouw plicht als burger om de voorstellen van die partijen te analyseren en dus niet zomaar aan te nemen wat politici zeggen. Iedere politicus zegt op te komen voor iedereen of voor jou. Iedere politicus zegt sociaal te zijn. De vraag is of dit klopt. Zal het beleid dat deze of gene partij voorstelt effectief iets bijdragen voor jou, voor de gewone man en vrouw? Voor de nieuwkomers? Welke Europese politiek staan die partijen voor? En wie doet zijn voordeel met zo’n beleid?

Een tweede oefening die voor u ligt is het nagaan of wat partijen zeggen, overeenstemt met wat ze doen. Wat hebben die partijen gedaan in het veld, in het parlement of in de regering. Welke partijen steunen quota en praktijktests? En wat hebben ze daar voor gedaan in de laatste jaren? Hebben ze dat enkel opgeworpen in de verkiezingstijd of hebben ze daar al jaren nadruk op gelegd. Maken ze het concreet of blijft het bij abstracte oneliners. Wat zijn die partijen van plan op het vlak van armoedebestrijding en de indexering van de lonen. En wat hebben ze gedaan de laatste jaren? Welke politiek verkondigen partijen over huisvesting, arbeidsmarktbeled en onderwijs en wat hebben ze eraan gedaan de laatste jaren? Wat is het verschil tussen hun woorden en hun daden? Wat zijn hun prioriteiten en wat zijn de jouwe?

Dat zijn geen makkelijke vragen, maar het zijn wel cruciale vragen. Het zijn vragen die antwoorden behoeven voor men gaat stemmen. Als we ons die vragen niet meer stellen dan bestaat er een reële kans dat we objectief tegen onze eigen belangen in gaan stemmen. Zo zien we vandaag dat veel mensen uit de lage – en middenklassen stemmen op N-VA terwijl die stem objectief gezien in hun nadeel zal zijn. Het neoliberale economische beleid dat die partij voorstaat is niet nieuw en er bestaat tonnen onderzoek dat aantoont dat een dergelijk beleid nefast is voor de levensomstandigheden van de gewone mens, voor de meerderheid dus. Op basis van een dergelijke oefening moet je een stem uitbrengen die het dichts aanleunt bij jouw belangen en overtuigingen.

 

Blanco stem is een weggesmeten stem.

 

De onvrede van Bear Grills is terecht. Zijn analyse dat er weinig tegengas is ten aanzien van discriminatie, racisme, ongelijkheid en armoede is eveneens correct. Als hij echter stelt dat hij blanco zal stemmen als protest, dan heeft hij het bij het verkeerde einde. Geen enkele meerderheidspartij ligt wakker van blanco-stemmen, integendeel blanco-stemmen spelen in hun voordeel net omdat ze de oppositie niet groter maken. Er is een reden waarom ‘de gewone man’ politiek decennia lang gevochten en gestreden heeft om te mogen stemmen. En nu zouden we hem als teken van ‘verzet’ moeten weggooien?

De waarheid is dat je geen verzet pleegt door niet te stemmen. Je gooit gewoon je stem weg en je hebt geen invloed. Op wat politicologen na zal niemand bezig zijn met die blanco stemmen. Er verandert niets. Door een stem te geven aan een partij laat je die stem gelden, hoe minimaal ook. Als je verzet wil plegen dan moet je je stem gebruiken. Als je links verzet wil plegen, dan moet je –op zijn minst die partijen die zich links noemen (sp.a, Groen en PVDA) – aan de bovenstaande vragen onderwerpen.

Elke stem is een stem die potentieel invloed kan uitoefenen omdat ze een stem is voor een bepaald idee. Stemmen doe je dan ook best niet strategisch, maar ideologisch. Politiek is immers een ideeënstrijd en met je stem ondersteun je een idee of enkele ideeën. Ideeën die stemmen krijgen oefenen invloed uit. Blanco-stemmen zeggen enkel foert en zijn dus door iedere partij te recupereren. Je hoeft ook niet voor een toekomstige regering te kiezen. Het is een misvatting dat enkel een regering invloed uitoefent. Een sterke oppositie kan vaak meer impact hebben dan een kleine regeringspartij. Het Vlaams Blok is daar het bewijs bij uitstek van. Heel het integratiebeleid draagt de sporen van die partij zonder dat ze ooit aan de macht geweest is. Een sterke oppositie kiezen kan dus een heel goede stem zijn.

Gaan stemmen zal altijd radicaler zijn dan niet gaan stemmen of blanco stemmen. Stemmen zal altijd meer invloed uitoefenen dan niet gaan stemmen. Geloof je niet in de traditionele partijen zoals Bear Grills het stelt, stem dan op een niet traditionele partij, maar ga stemmen. De bottom-line is: als je verzet wil plegen, analyseer dan de partijen, hun programma’s en hun daden. En bovenal ga zondag geïnformeerd stemmen. 

 

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen. Hij is coördinator van Kif Kif en gastprofessor Politiek en Cultuur aan het Rits. Hij schreef o.a. ‘N-VA | Analyse van een politieke ideologie’ (EPO, 2012) en ‘De beschavingsmachine. Wij en de islam’ (EPO, 2009). Samen met Jan Blommaert & Joachim Ben Yakoub schreef hij het boek ‘Superdiversiteit en Democratie’ (EPO, 2014) . 

 

>>> Check het Kif Kif dossier #ikstemNIETblanco

Het circulaire islamdebat

Het debat over integratie, racisme en islam is circulair in dit land. Hetzelfde debat, met dezelfde hoofdrolspelers en dezelfde argumenten komen steeds opnieuw terug. Telkens opnieuw worden daarbij dezelfde empirische fouten gemaakt. De dominante analyse, de analyse die ook Etienne Vermeersch en Luckas Vander Taelen onderschrijven, vertrekt van een fictieve samenleving. De realiteit is veel complexer dan het discours over ‘onze waarden en normen’ laat uitschijnen. Bovendien hamert men constant op het ‘softe’ (waarden en normen) en niet op het ‘harde’ (sociaaleconomische en politieke maatregelen, afdwingen van wetten en rechten). Ik verduidelijk mezelf.

Sinds 1989 komt de nadruk in het dominante discours over ‘ons’ en ‘de ander’ te liggen op normen en waarden. Allochtonen moeten niet in eerste instantie sociaaleconomisch en politiek geïntegreerd zijn (werk en gelijke rechten hebben), maar cultureel. Ten grondslag van dit beleid ligt het gepercipieerde verschil tussen normen en waarden van ‘ons’ en van ‘de ander’ in casu de moslim. Merk op dat ‘wij’ en ‘zij’ gedefinieerd worden op basis van louter één element (levensbeschouwing) waaraan een hele waaier aan associaties (nationaliteit, waarden, normen) gekoppeld wordt.

Hier stuiten we op een eerste probleem. In de realiteit is een etnisch-culturele achtergrond, een religie of een nationaliteit geen allesbepalend identiteitselement. Wat we als “onze” en “hun identiteit” voorstellen is een totaliserend beeld die een hele reeks factoren samenvouwt tot één bepalend identiteitselement. Moslims zijn dan enkel maar moslims én dus (zo veronderstelt men) is men tegen de democratie, tegen holebi’s, … ‘Wij’ zijn dan Vlamingen én dus (zo veronderstelt men) zijn we voor democratie, voor mensenrechten, voor holebi-rechten, …

De empirische fout in dit discours is dat het zaken isoleert die in de realiteit geen geïsoleerd bestaan kennen, maar binnen een complex geheel van elementen optreden. Dus ja er zijn moslims die zich verzetten tegen de democratie, tegen gelijke rechten van holebi’s, … Het is echter eveneens zo dat de meerderheid van de moslims perfecte democraten zijn, opkomen voor de rechten van de mensen, enz. Belangrijker echter is dat moslims niet alleen moslim zijn, maar ook Gentenaar, hipster of hijabista, Turk of Senegalees, advocaat of politie-agent, fan van Anderlecht of AA Gent, …

Moslim-zijn is geen allesbepalende identiteitsfactor voor iemands waarden en normen, net zoals Vlaming-zijn dat niet is. Het is niet zo dat wij als Vlamingen allemaal dezelfde waarden delen. Ook Vlamingen zijn katholiek, jood of moslim, zijn feministisch of net niet, zijn socialistisch of conservatief. Zelfs een klein onderzoek bij de verschillende politici over hoe zij democratie en mensenrechten invullen zal een rijke waaier aan verschillende betekenissen opleveren: van democratie als een verlichtingsideologie, over vox populisme tot zelfs antidemocratie.

De democratie en de mensenrechten zijn niet ‘onze waarden’, ze dienen toegepast en begrepen te worden als universele en inclusieve waarden. Ze bevinden zich op een meta-niveau en verdienen een constante strijd. En hier knelt het schoentje. Op het moment dat dit integratiediscours opgang maakt, zien we een afbouw van het daadwerkelijk realiseren van de mensenrechten voor eenieder in de samenleving. Er wordt gefocust op het softe (zij moeten waarden en normen leren, respect hebben, taal leren), maar de harde domeinen worden op hun beloop gelaten: het realiseren van daadwerkelijke gelijke rechten. Niet waarden en normen, maar onvervreemdbare rechten realiseren is waar democratie en verlichting om gaat. De wet is dan het instrument bij uitstek, niet inburgering.

We leven al jaren in een superdiverse samenleving en het is opvallend dat het discours blijft steken bij de islam. We leven nochtans in een veel complexere geglobaliseerde realiteit. Die superdiversiteit vertaalt zich, naast vele andere zaken, in het feit dat we hier samenleven met mensen die zeer uiteenlopende statuten kennen. Afhankelijk van mensen hun statuut hebben ze ongelijke politieke, culturele, economische en religieuze rechten. Daarover horen we veel minder, nochtans slaat die realiteit het fundament van de democratie weg: het gelijkheidsbeginsel.

We leven in een samenleving waar mensen, omdat ze geen erkend statuut hebben, uitgebuit worden. We leven in een samenleving waar solidariteit onder druk staat. We leven in een samenleving waar een schepen uitroept dat de wet niet helpt in de strijd tegen racisme. We leven in een samenleving waar ongelijkheid tussen mannen en vrouwen nog altijd de regel is. We leven in een samenleving waar de belangrijkste wetten gemaakt worden op een Europese schaal waar we bitter weinig democratische controle over hebben. De realiteit is dus dat mensen in ons land samenleven in ongelijkheid en dat we geconfronteerd worden met een democratisch deficit op verschillende schalen.

Het discours over waarden en normen verhult de werkelijke malaise, namelijk dat de nationale staten niet meer over de instrumenten beschikken om die democratie en die gelijke rechten effectief te garanderen. Het islamdiscours is dan handig om onszelf nog altijd voor te stellen als grote democraten. En bovendien vormt ditzelfde discours vaak een legitimering voor het voorwaardelijk maken van diezelfde bejubelde rechten voor medebewoners van dit land. Als we ons willen verbeelden als een Verlichte democratie, dan hebben we nog heel wat werk aan de winkel.

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen (Universiteit Tilburg), licentiaat in de Vergelijkende Cultuurwetenschappen en postlicentiaat in de Ontwikkelingssamenwerking, optie politiek en conflict (UGent). Hij is coördinator van Kif Kif en gastprofessor Politiek en Cultuur aan het Rits. Hij schreef o.a. ‘N-VA | Analyse van een politieke ideologie’ (EPO, 2012) en ‘De beschavingsmachine. Wij en de islam’ (EPO, 2009).

Op 20 februari 2014 stelt hij samen met Jan Blommaert & Joachim Ben Yakoub het boek ‘Superdiversiteit en Democratie’ voor. 

[Voorsmaakje] Mensenlandschappen in de 21ste eeuw

Het einde van de jaren 80 en het begin van de jaren 90 van vorige eeuw luidde een decennium in vol veranderingen op wereldschaal. We zagen niet alleen de instorting van het Sovjetrijk en de communistische regimes in Oost-Europa, het is ook in die jaren dat de wereld de val van het apartheidsregime in Zuid-Afrika aanschouwt, dat China zich inschakelt in de kapitalistische wereldeconomie, dat India sterke economische hervormingen doorvoert, en dat de EU met het Verdrag van Maastricht de binnengrenzen opent. Het zijn ook de jaren waarin ‘the coalition of the willing’ ondersteund door een gigantisch propaganda-initiatief de tweede Golfoorlog opstart.[1] CNN was in enkele weken een fenomeen en introduceerde de globaal gemediatiseerde samenleving. Het neoliberalisme kreeg in die periode meer en meer voet aan de grond. In verschillende Europese landen raakt het thema van migratie gepolitiseerd (en gepolariseerd, door de opkomst en doorbraak van extreemrechtse partijen), en maakt het integratiedebat opgang. De korte tijdspanne waarin we al deze immense politiek-economische veranderingen waarnemen is een goede illustratie van het schokeffect dat de wereld ondergaat vanaf 1989.[2]

1989 luidt een nieuwe fase in van de globalisering: de neoliberale globalisering. Globalisering, migratie en diversiteit zijn op zich geen nieuwe fenomenen. De globalisering is eeuwenoud en mensen migreren al van oudsher. Wat we de moderniteit noemen is in essentie een periode van globalisering. De verlichting, het kapitalisme en het kolonialisme zijn allemaal geglobaliseerde fenomenen. En toch leven we in nieuwe tijden. Wat deze tijd nieuw maakt is de intensiteit, de snelheid, de kwaliteit en kwantiteit waarmee deze fase van de globalisering zich ontplooit. In die jaren 90 zien we de doorbraak van een heel nieuwe wereldorde en dat heeft meteen materiële gevolgen. Onze wereld krijgt een nieuwe structuur. Sommige grenzen vervallen, andere worden makkelijker over te steken. Maar er worden ook nieuwe grenzen opgetrokken. Dit alles vertaalt zich onder andere in heel nieuwe migratiepatronen en migratietrajecten. De gevolgen van deze nieuwe realiteit zijn fundamenteel. De veranderingen in de mensenlandschappen van de 21ste eeuw gebeuren niet in een vacuüm maar zijn steeds meer globaal geconnecteerd. De homogene natie is vandaag meer dan ooit pure fictie, we leven in tijden van superdiversiteit.

De methode
Superdiversiteit is het voorsmaakje van de wereld van morgen. Veranderlijkheid, hypermobiliteit, complexiteit en geglobaliseerde connectiviteit zijn er kernwoorden van. Wat vandaag is, kan morgen evengoed weer verdwenen zijn. We leren dan ook maar beter nu wat die superdiversiteit met zich meebrengt en hoe we die nieuwe realiteit kunnen zien als een hefboom voor een betere en rechtvaardigere wereld voor iedere mens. De basis van een adequaat beleid is zoals altijd een gedegen beschrijving en analyse van deze nieuwe realiteit.

De centrale doelstelling van dit boek bestaat er dan ook uit om die complexiteit in kaart te brengen en een kader aan te reiken om die nieuwe realiteit verstaanbaar te maken. Hiervoor vertrekken we vanuit de methode van Linguistic Landscape research of taalkundig landschapsonderzoek. In deze relatief jonge onderzoekstraditie wordt taal niet gezien als iets dat zich louter manifesteert in de hoofden van mensen, in teksten voor institutionele consumptie of in interactie tussen mensen, maar als een inherent deel van onze fysieke omgeving. Zeker in urbane contexten zijn we constant omgeven door taal.[3] Reclameborden trachten ons te verleiden om zaken te kopen, vitrines lokken ons in winkels, verkeersborden geven ons richtlijnen, posters nodigen ons uit, graffiti ’s en tags trekken onze aandacht, … Maar ook het soort architectuur, de wijze waarop gebouwen aangekleed zijn, de geluiden die we horen maken allemaal samen de betekenis die we toekennen aan een wijk, een plaats.[4]

Taal en taalgebruik worden hier gehanteerd als een instrument om de realiteit empirisch in kaart te brengen. Centraal in onze benadering van taalkundig landschapsonderzoek staat taal-in-beweging. De nadruk ligt op het in kaart brengen van de complexiteit en veranderlijkheid, op meertaligheid en migratie, op gelaagdheid van wijken en stratificatie in deze wijken. Het taalkundig landschap-onderzoek injecteren we daarom met etnografie.[5] De redenen hiervoor zijn simpel. We kunnen de verschillende talen en taaluitingen in een wijk niet begrijpen zonder ze in een bredere context te plaatsen. Die context is per definitie een complexe, gelaagde en gestratificeerde context. De fysieke ruimte is immers ook altijd een sociale, culturele en politieke ruimte: een ruimte die zaken aanbiedt en mogelijk maakt, die aanzet tot bepaalde patronen van sociaal gedrag, daartoe uitnodigt of dat gedrag zelfs voorschrijft of net verbiedt. Een ruimte is dus nooit een niemandsland, maar altijd iemands ruimte. Het is een historische ruimte en dus steeds een ruimte vol codes, verwachtingen, normen en tradities. Elke ruimte is een ruimte van macht die gecontroleerd wordt door sommige mensen en dus ook sommige mensen controleert.

Bovendien is er niet één centrum in een stad of een wijk, maar zien we onze steden beter als polycentrisch en elk van die centra (school, administratie, pleintje, slager, ….) stelt verschillende verwachtingen ten aanzien van haar gebruikers.[6] Als je spreekt met je baas of met de politie, dan wordt je verondersteld om je anders te gedragen en anders te spreken dan tijdens een scherp cafégesprek met een goede vriend. Als we de wijk die we bestuderen willen begrijpen kan het fotografisch in kaart brengen van die wijk slechts een startpunt zijn. We beperken ons dus niet een ‘snapshot’ –onderzoek.

Het in kaart brengen van de verschillende talen in verschillende omgevingen met verschillende functies voor verschillende gebruikers binnen één wijk is louter het startpunt van ons onderzoek. Daarom zijn we als ‘antropologen’ aan de slag gegaan in de wijken. Bovendien zijn we geen buitenstaanders die even aan participerende observatie doen en daarna de wijk achter ons laten. De wijken die we bestuderen zijn ook de wijken waar we al jaren in leven en/of werken. Dat is van belang omdat we zo een langere termijn perspectief hebben op de ontwikkelingen in deze wijken. Dat betekent echter niet dat we de wijk louter ‘kennen’ als gebruiker, we hebben ze ook ervaren als bewoner, en we hebben er onze eigen zone van belangenbehartiging in gesitueerd. Dit boek is zo gezien weldegelijk ook een lange termijn onderzoeksproject geworden. Deze unieke combinatie van gebruiker, bewoner, belanghebbende en onderzoeker laat ons toe om de complexiteit van de wijk in kaart te brengen, zowel in haar ‘objectieve’ als in haar ‘subjectieve’ dimensies. De etnografische methode stelt ons in staat om strikt empirisch te werk gaan. We werken van onderen uit: we brengen in kaart wat er is en werken vandaaruit naar boven.

Dit boek
We schrijven dit boek vanuit een nieuw perspectief omdat we denken dat de huidige blik van politici en beleidsmakers op de samenleving niet alleen hopeloos verouderd is, maar omdat ze ook meer en meer uiterst negatieve effecten genereert. In het eerste hoofdstuk duiden we superdiversiteit als een nieuw paradigma. We zijn van oordeel dat dit nieuwe paradigma veel nauwkeuriger de huidige realiteit in kaart brengt en dus ook veel beter geschikt is als basis om na te denken over een sterk beleid. In dit eerste hoofdstuk schetsen we de globale en lokale context waarin superdiversiteit geboren wordt. De nadruk ligt er op het feit dat superdiversiteit een empirisch gegeven is.

Vervolgens valt het boek uiteen in twee grote delen die nauw verbonden zijn met elkaar. In het eerste deel beschrijven we hoe die superdiversiteit zich manifesteert in ons land. In eerste instantie lijsten we hiervoor een aantal cijfers en empirische gegevens op over die superdiversiteit en tonen de effecten van deze fase van de globalisering op de bevolkingssamenstelling en de infrastructuur van België in het algemeen. Maar er is meer, we duiden aan de hand van concrete voorbeelden hoe de bestaande cijfers over afkomst, religie en taal onvermijdelijk leiden tot een enorme simplificatie van de realiteit. Superdiversiteit rijmt op complexiteit en het is die complexiteit die we moeten begrijpen willen we een gedegen beleid kunnen voeren.

Om die complexiteit te begrijpen en te duiden gaan we vervolgens in de diepte. Elke auteur bekijkt telkens één wijk in één stad door de lens van die superdiversiteit. Joachim Ben Yakoub brengt de wijk rond de Fortstraat in Brussel in kaart. Ben Yakoub analyseert hoe de historische migratiestromen zich settlen in Sint-Gillis en in de Fortstraat in het bijzonder. Hij toont aan hoe die verschillende fases van migratie een gevolg zijn van zowel globale als lokale beslissingen en gebeurtenissen. Bovendien schetst hij hoe ze resulteren in een gelaagde, gestratificeerde en geglobaliseerde gemeente.

Ico Maly zoomt dan weer in op de buurt rond de Wondelgemstraat in de 19de eeuwse gordel van Gent. Maly toont de historische lagen van de buurt rond de Wondelgemstraat en beschrijft de straat als een ruimte waarin heel veel verschillende schaalniveaus interveniëren. Enkel als we die verschillende schaalniveaus in rekening brengen, kunnen we de samenstelling van de wijk begrijpen, zo besluit hij zijn onderzoek.

Jan Blommaert toont ons zijn oud Berchem in Antwerpen als een wijk vol verandering en complexiteit. Blommaert zoomt in op wat de samenhang in oud Berchem genereert. De wijk is arm en superdivers. Vanuit de gangbare paradigma’s zou dat moeten resulteren in ‘onleefbaarheid’. Dat is echter niet het geval. Blommaert verklaart hoe dat komt.

Het is vanuit die empirische oefening in het eerste deel van het boek dat we in het tweede deel kijken naar wat de effecten zijn van het huidige beleid op die superdiverse realiteit. Het ontstaan van superdiversiteit heeft een sterke impact gehad op het beleid ten aanzien van migratie en diversiteit.[7] Het is immers in de jaren dat we superdiversiteit zien ontstaan dat er voor het eerst een migratie-, asiel- en integratiebeleid tot stand komt in België. Als inleiding op dit tweede deel contrasteert Ico Maly in hoofdstuk 6 de realiteit van superdiversiteit en de multiculturele consensus die door politici en journalisten uitgedragen wordt.

Ico Maly en Jan Blommaert tonen in hoofdstuk 7 hoe de opkomst van superdiversiteit parallel loopt met opkomst van nationalisme en neoliberalisme. Beide ideologieën krijgen hun vertaling in het integratie-en migratiebeleid en leiden –ondanks de mooie emancipatievlag waaronder dit beleid vaart- de facto tot ongelijkheid en een ondermijning van de democratie.

In hoofdstuk 8 schetst Ico Maly de contouren van een toekomstperspectief op een goede samenleving, een samenleving die de superdiversiteit een plaats geeft terwijl ze de democratie opbouwt en verdiept. Hiervoor gaat hij kijken naar wat we kunnen leren van de geschriften van de radicale verlichtingsdenkers over democratie en universele mensenrechten.

Jan Blommaert besluit dit boek in hoofdstuk 9 met de vaststelling dat ons denken over de samenleving anachronistisch is. De samenleving, de wereld is grondig veranderd de laatste decennia, maar het denken over die wereld gebeurt nog altijd in de termen van het verleden. Hij houdt dan ook een pleidooi om de oude vormen en gedachten te laten sterven.

Het mag duidelijk zijn. De oefening die voor ons ligt is zowel antropologisch, historisch, sociologisch, sociolinguïstisch, filosofisch en onvermijdelijk ook politiek van aard. Politiek niet alleen door het thema an sich, maar ook politiek in de gevolgen en de doelstellingen van dit onderzoek. We gaan na aan welke voorwaarden een toekomstig beleid moet voldoen willen we werken aan een rechtvaardige samenleving, een democratie die zijn basisprincipes niet verloochend en dus effectief werk maakt van een samenleving waar eenieder effectief kan genieten van zijn onvervreemdbare rechten Vooraleer we kunnen nadenken over politiek en beleid in tijden van superdiversiteit is het van belang dat we inzicht verwerven in die nieuwe realiteit.

Bronnen

[1] Maly, I. (red).(2007). Cultu(u)rENpolitiek. Over globalisering, media en culturele identiteiten. Garant: Berchem.
[2] Parkin, D. & Arnaut, A. (2012). Super-diversity & sociolinguistics – a digest. Working Paper:http://www.academia.edu/3851384/Super-diversity_elements_of_an_emerging_…
[3] Pennycook, A., Morgan, B. & Kubota, R.(2013). Series editors’ preface. In Blommaert, J. (2013). Ethnography, superdiversity and Linguistic Landscapes. Chronicles of complexity. Multilingual Matters. Bristol-Buffaolo-Toronto.
[4] Scollon, R. & Scollon, S.W. (2003). Discourses in place : language in the material world. London: Routledge. p.12
[5] Blommaert, J. (2013). Ethnography, superdiversity and Linguistic Landscapes. Chronicles of complexity. Multilingual Matters. Bristol-Buffaolo-Toronto.
[6] Blommaert, J., Collins, J. & Slembrouck, S. (2005). Spaces of multilingualism. Language and Communication 25, 197-216.
[7] Vertovec, S. (2007). Super-diversity and its implications. Ethnic and Racial Studies30 (6), 1024-1054.
Maly, I., Blommaert, J. & Ben Yakoub, J. (2014). Superdiversiteit en democratie. Epo: Berchem.
Blijf op de hoogte door de pagina van het boek te volgen: https://www.facebook.com/superdiversiteitendemocratie

 Image

Democratie in tijden van superdiversiteit

Over de nood aan utopistiek

“De multiculturele samenleving is failliet. In naam van de vrijheid geen hoofddoeken aan het loket. De islam bedreigt onze waarden. De tolerantiedrempel is overschreden. Er is dringend nood aan actie, de tijdbom tikt”, zo bulderen vele politici al jaren.

De multiculturele samenleving staat in onze mediadebatten al decennia synoniem met problemen. Het is echter niet de multiculturele samenleving die failliet is – die is immers een feit, of we dat nu leuk vinden of niet. Meer nog, we leven vandaag niet langer in een multiculturele samenleving, maar in een superdiverse samenleving. Niet die samenleving is failliet, maar het beleid ten aanzien van die superdiversiteit is bankroet. Het beleid resulteert al jaren in de feitelijke afbouw van onze democratie. De vaak hysterische mediadebatten fungeren zo als politiek-ideologische instrumenten voor de constructie van andere samenlevingen. In deze debatten rijgt men de ene sappige oneliner aan de andere hyperbool. Het multiculturele debat wordt in apocalyptische termen gevoerd. Het hoeft geen betoog dat dit ons weinig vooruit helpt. Dergelijk bombastisch taalgebruik is niet geschikt om onze samenleving empirisch te analyseren. Daarvoor hebben we een concreter en nauwkeuriger arsenaal nodig. Het is immers enkel door de complexiteit van de samenleving van vandaag te beschrijven en in rekening te brengen dat we kunnen werken aan een betere samenleving voor morgen.

In deze paper schets ik de contouren van een toekomstperspectief op een goede samenleving, een samenleving die de superdiversiteit een plaats geeft terwijl ze de democratie opbouwt en verdiept. Ik doe dit door het huidige debat in een historisch perspectief te plaatsen. Meer bepaald ga ik na welke lessen de radicale verlichtingsdenkers ons kunnen leren. Daarvoor zoom ik in op democratie, mensenrechten en het universalisme van verlichtingsdenkers als Paine, Condorcet en Jefferson. Vervolgens schets ik de samenleving waar we vandaag in leven, namelijk een superdiverse en door en door geglobaliseerde samenleving. Ik ga daarbij na wat die realiteit betekent voor het democratisch gehalte van onze samenleving. Ik eindig met een pleidooi voor het investeren in een utopistiek rond democratie en superdiversiteit.

Een verkorte versie van deze analyse verscheen DenkMee-krant van Jong CD&V

Het multiculturele debat en de tirannie van de meerderheid

De multiculturele samenleving zorgt al meer dan twee decennia voor verhitte en circulaire debatten (Maly, 2007 & 2009). De dominante thema’s waarover mediafiguren debatteren zijn opvallend gelijkaardig en komen steeds terug. Van de hoofddoek tot halalvlees, van een gebrek aan integratie tot radicalisering en terrorisme; om de zoveel tijd beheerst één van deze thema’s het mediatieke debat. Deze debatten kleuren niet alleen onze blik, ze veranderen de samenleving.

Vooruitgang is in die debatten zelden te bespeuren. Dezelfde (schijn)argumentaties komen steeds terug, ook al had de argumentatie al van in den beginne niet veel om het lijf. Diversiteit wordt in al die debatten niet zelden voorzien van een associatie met problemen. Problemen die, afgaande op die mediadebatten, vooral door moslims veroorzaakt zouden worden. De vaststelling dat onze samenleving niet langer multicultureel is, maar superdivers belooft dan ook niet veel goeds voor veel publieke opiniemakers en politici. Teveel diversiteit wordt gezien als “a recipe for disaster”. De oplossing voor die diversiteit wordt gevonden in inburgering: ze moeten zich cultureel inpassen in “onze cultuur”.

Die gedachtesprongen vertellen veel over hoe we als samenleving omgaan met deze nieuwe superdiverse realiteit. Ze tonen niet alleen een intellectuele armoede, ze zijn het gevolg van een ideologisch project dat haaks staat op een superdiverse en geglobaliseerde wereld en op ramkoers ligt met een verlichte samenleving, met een democratie. Willen we als samenleving en als mensheid democratisch omgaan met die superdiversiteit, dan is het hoog tijd om een heel andere weg in te slaan.

Sommige lezers zullen na het lezen van bovenstaande alinea’s waarschijnlijk de opmerking maken dat het hele inburgeringsbeleid en de mediadebatten over die superdiverse samenleving net in het teken staan van de democratie. Want, kunnen zij aanvoeren, die debatten staan krom van de engagementen aan de democratie. Het hele inburgeringsbeleid wordt toch in de markt gezet als een instrument tot emancipatie en gelijke kansen? De mediatieke aanvallen op de islam worden toch gevoerd onder de vlag van de democratie? Om de democratie te vrijwaren, zo voeren die intellectuele elites in de talloze mediadebatten dan aan, moeten zij inburgeren, want ‘hun cultuur’ of ‘hun religie’ zou botsen met ‘onze waarden’.

Vanuit een historisch en democratisch perspectief is die visie echter uiterst problematisch. Maar ook met de blik op de toekomst gericht biedt deze visie geen toekomstperspectief die werkelijk in staat is een goede samenleving op te bouwen. Democratie wordt in die discoursen niet alleen begrepen als een eigenschap van ons, van onze samenleving, maar ook als een instrument voor exclusie in plaats van inclusie. In die debatten wordt democratie niet gebruikt in haar historische en dus ideologische betekenis, maar als een cultuurkenmerk van ‘ons’. Wij zijn dan democraten, wij aanvaarden de scheiding kerk en staat, wij zijn voor gelijkheid man en vrouw, … En zij? Zij worden afgebeeld als ons spiegelbeeld.

We kennen deze riedeltjes ondertussen al en weinigen stellen er zich vragen bij. We zouden dat nochtans beter wel doen; dan pas worden de verborgen agenda’s en de gevolgen duidelijk. Vooreerst is het opmerkelijk dat deze ‘cultuurkenmerken’ slechts een zeer summiere selectie zijn van de rechten die we kennen als de mensenrechten. Bovendien zijn het net die waarden die in het dominante discours over de islam worden gezien als on-islamitisch. Meteen wordt ook duidelijk dat dit net het doel is, die waarden worden opgerakeld als onderscheid tussen ‘ons’ en ‘de ander’. Een hoofddoek wordt dan meteen neergezet als een eenduidig symbool van onaangepastheid, van fundamentalisme en onderdrukking. En dus moet de hoofddoek in naam van de vrijheid verdwijnen. Om de vrijheid te vrijwaren, moeten ‘we’ ‘hun’ godsdienstvrijheid opofferen. Zij moeten worden als ‘wij’; enkel dan kunnen ze vrij zijn. Enkel dan is men neutraal, aldus intellectuelen als Vermeersch.

Neutraliteit in deze betekenis is natuurlijk het platweg opleggen van één visie aan anderen. Ze is met andere woorden onderdrukkend en heeft met vrijheid niets van doen. Ze is gebaseerd op de macht van één groep over de andere. Dat is geen democratie, maar een tirannie van de meerderheid. In tijden van superdiversiteit is een dergelijke benadering van de samenleving gedoemd om te leiden tot polarisering, onderdrukking en conflicten. Het idee van godsdienstvrijheid gestoeld op de scheiding van Kerk en Staat was dan ook niet toevallig een idee dat rijpte in tijden van godsdienstoorlogen. Locke pleitte in zijn “on toleration” voor godsdienstvrijheid, inclusief het belijden van die godsdienst in groep en in het openbaar. Het was volgens hem aan het individu om te bepalen wat hij geloofde of niet geloofde, de staat had daar – zolang die de beleving van de civiele rechten van anderen niet schond- volgens hem niets in te zeggen. Spinoza, Paine en bij uitbreiding alle radicale verlichtingsdenkers pleitten niet louter voor tolerantie, maar zagen godsdienstvrijheid en vrije meningsuiting als een recht voor eenieder. Dit recht was voor deze radicale verlichtingsdenkers een van de vele onvervreemdbare rechten die alle mensen hadden. Willen we de democratie en de mensenrechten overeind houden, dan kunnen we dus maar best onze geschiedenis kennen. Anders verkoopt men ons een dictatuur in naam van de democratie.

Democratie en mensenrechten

Democratie en mensenrechten zijn twee zijden van dezelfde medaille. De mensenrechten zoals die tot uiting komen in de Franse en Amerikaanse verklaring van de 18de eeuw spruiten voort uit de intellectuele traditie van de radicale verlichtingsdenkers en vormen de basis van een verlichte democratie. Deze radicale verlichtingsdenkers, in tegenstelling tot hun gematigde collega’s zoals Hume, Voltaire of Kant, hielden onverkort pleidooi voor democratie en mensenrechten. Zij schonken ons de ideeën dat we allen geboren worden met dezelfde, onvervreemdbare rechten; dat we allen vrij en gelijk zijn en dat de staat een instrument is voor alle burgers om deze rechten te garanderen en te verwezenlijken. Dat zijn tevens de fundamenten van een democratie.

Condorcet, die mee de pen vasthield van de eerste versie van La Declaration, zag de Mensenrechten als een instrument om een goede samenleving op te bouwen. De mensenrechten waren volgens hem lang niet volledig, maar moesten gaandeweg uitgebreid worden zodat ze het geluk van eenieder konden vergroten. Volgens de verlichtingsdenkers was de democratie het systeem bij uitstek om die rechten te garanderen. Ten grondslag van de democratie ligt namelijk het idee dat we allen gelijk zijn en dat we dus allen dezelfde rechten hebben.

De democratie moet er dan ook zijn voor eenieders belangen en niet alleen voor de belangen van de meerderheid. Immers, zodra de meerderheid zijn wil doordrijft ten koste van de minderheden leven we niet meer in een democratie, maar in een despotisch regime. Dat is de reden waarom Rousseau een onderscheid maakte tussen “the will of all” en “the general will” (Todorov, 2010). “The will of all” is de mechanische som van de verschillende stemmen en zou in theorie unaniem moeten zijn, maar in de praktijk betekent ze voor Rousseau de stem van de meerderheid. “The general will” daarentegen neemt de verschillen in rekening. De basis van die algemene wil is dus het idee dat we allen gelijk zijn voor de wet en dat dus geen enkele burger kan uitgesloten worden of als inferieur beschouwd worden. Deze algemene wil is dus niet de som van de verschillende individuele identiteiten en meningen, maar bestaat uit het zoeken naar een algemeen belang dat alle verschillen recht aan doet.

De verlichte democratie is onvermijdelijk gestoeld op “the general will”. Enkel daardoor kan ze verbinden, ze tracht de belangen en rechten van eenieder in de samenleving te realiseren en niet het belang of de visie van de meerderheid te realiseren ten koste van de minderheden. Verkozenen in een democratie moeten dus regeren in het belang van alle onderdanen, niet alleen in het belang van degenen die hen verkozen hebben. Vanuit deze opvatting van democratie heeft iedereen dan ook te winnen met democratie. De reden waarom de tweede Belgische revolutie in 1830 slaagt, is omdat ze vertrekt vanuit dit perspectief. Enkel zo wordt een gemeenschappelijk strijddoel geschapen voor zowel katholieken en liberalen. De Belgische natie moest ‘[…] voortaan bestaan uit gelijke staatsburgers met als leuze ‘vrijheid in alles voor allen’. (Wils)

Vanuit dit historisch perspectief op democratie als filosofisch en politiek idee leren we twee zaken. Ten eerste zien we dat de zogenaamde verlichtingsadepten in het huidige maatschappelijk debat een geperverteerde visie van democratie en mensenrechten naar buiten brengen. Ten tweede leren we dat deze historische visie op democratie binnen het radicale verlichtingsdenken uitermate relevant is in de huidige context van globalisering en superdiversiteit net omdat ze vertrekt vanuit natuurlijke en onvervreemdbare rechten van elk individu en niet vanuit de dominantie van de meerderheid.

Universalisme

Een derde ingrediënt die deze radicale verlichtingsdenkers ons twee eeuwen geleden aanreikten was universalistisch denken. Veel van deze intellectuelen leefden niet binnen de contouren van één grondgebied maar in een globale wereld. Thomas Paine vocht in Ierse revoluties, was in Amerika ten tijde van de Amerikaanse revolutie en in Frankrijk ten tijde van de Franse revolutie. Thomas Jefferson verbleef niet louter in Amerika, maar trachtte vanuit Parijs de Amerikanen te overtuigen om de Franse revolutie te steunen. D’Holbach studeerde net zoals Voltaire in Leiden. Hume bezocht dan weer zijn Franse geestesgenoten enz enz. Niet alleen hun dagelijkse praktijk was globaal, ook hun denken was kosmopolitisch.

De verlichting is vanaf de start heel duidelijk universeel georiënteerd (Sternhell, 2010). ‘Universalism was one of the quintessential characteristics of the Enlightenment’, schrijft Israel (2011). De filosofen dachten volgens Hobsbawm (1962) niet in national(istisch)e termen, maar in termen van universele eenheid van de mensheid. En ook Israel (2011) benadrukt dat: ‘[…] the concept of distinct ‘national’ enlightenments seems to me altogether invalid […]’. Iedere mens, waar ook ter wereld, heeft dezelfde natuurlijke en onvervreemdbare rechten.

De mensenrechten waren voor hen per definitie universeel en dus geldig voor elk individu. Bovendien waren die rechten onvervreemdbaar. Iedereen was er onverkort eigenaar van en niemand mocht deze rechten inperken, ook democratisch verkozen leiders niet. Condorcet pleitte in de 18de eeuw niet alleen voor gelijke rechten voor man en vrouw, hij hield ook vurige pleidooien voor gelijke rechten van zwarten en voor de afschaffing van de slavernij. Meer nog, deze denkers waren niet louter papieren tijgers, ze streden actief voor een betere samenleving. Zo was Condorcet ook sterk actief in de lobbygroep “Society of the friends of Negroes” die actief ijverde voor de gelijkberechtiging van zwarten in tijden dat dit lang niet evident was.

Filosofie stond dus niet los van de samenleving, maar was net een fundament van maatschappelijke en politieke actie. Condorcet droomde van de vrolijke revolutie. Hij wijdde er niet alleen essays aan, hij voegde de daad bij het woord in de eerste revolutionaire regering van Frankrijk. Paine en Barlow hielden een stevig pleidooi voor wat zij een ‘generale revolutie’ noemen tegen vooroordelen en onwetendheid. De verlichte revoluties zijn ook geslaagd in hun universele opzet. Niet alleen zijn de ideeën die deze revoluties gevoed hebben universeel (de radicale verlichtingsdenkers beroepen zich niet louter op een globaal intellectueel debat, ze spelen ook leentje buur bij de oude Grieken, bij de islamitische freethinkers en bij Indische denkers enz.), ook in de praktijk heeft hun strijd universele gevolgen. Paine stelt over de Franse Revolutie heel duidelijk dat ‘there was little that was inherently French about the democratic ideology premeating the Revolution of 1789-1792’, (Israel 2010) Ook Hobsbawm komt tot deze conclusie in zijn klassieke werk ‘The age of revolution’: ‘All of them [de Franse revolutionairen; IM] therefore conceived of revolution as unified and indivisible: a single European phenomenon rather than an aggregate of national or local liberations.’ (Hobsbawm, 1962). Israel (2011) wijst ons er in dit kader zelfs op dat de Nederlandse, Britse, Franse en Duitse verlichtingsdenkers invloed kenden over de hele wereld. Hun ideeën circuleerden in Rusland, Scandinavië, Oostenrijk, Polen, Spanje, Portugal, Griekenland, Amerika en Egypte.

Superdiversiteit en de herschaling van de democratie

Als we ons nu concentreren op de realiteit van vandaag, dan zien we dat deze historische uitstap heel interessante ingrediënten oplevert die oplossingen aanreiken voor de huidige realiteit. Die realiteit is er niet alleen één van globalisering en superdiversiteit, maar steeds meer ook een realiteit van ongelijkheid en democratische afbraak. Bovendien hangen al deze fenomenen in een heel complexe dialectiek samen. Willen we nadenken over een toekomstige goede samenleving, dan dienen we ons bewust te zijn van de complexe realiteit waarin we leven en de samenhang tussen de aangehaalde evoluties. Ik doe hier een summiere en dus onvolmaakte poging.

Sinds de val van de Berlijnse muur stellen we wereldwijd ingrijpende veranderingen vast in migratiegolven en patronen. Simpel gesteld: vòòr de val van die muur en vòòr de verdere eenmaking van de Europese unie zagen we geen Bulgaarse of Poolse nummerplaten rijden op onze wegen. Vandaag zijn die er wel. Vandaag leven we niet meer in een Belgische samenleving met enkele migranten, we leven in een superdiverse samenleving. Superdiversiteit is vandaag de norm – niet ‘Vlaams’. 50% van de leerlingen in onze grootsteden hebben een migratieachtergrond. Op het Belgisch grondgebied leven mensen met roots in bijna 200 verschillende landen. Diversiteit is geen randfenomeen meer. Empirisch gezien is “dé Vlaamse samenleving” – in de zin van 1 volk, 1 natie, 1 taal en 1 cultuur- een fictie. Het is een ideologisch beeld dat weliswaar nog steeds bestaat in de hoofden van veel autochtone Vlamingen, maar niet tastbaar is. De feiten zijn wat ze zijn. We wonen met zijn allen in een superdiverse en sterk geglobaliseerde immigratiesamenleving. Dat is de empirische realiteit.

Het denken in termen van gemeenschappen op basis van afkomst is vandaag extreem moeilijk empirisch te staven. Immers, zelfs binnen één qua waarden en normen verondersteld homogene groep zien we gigantische verschillen. Nationaal denken of culturaliseren is meer dan ooit absoluut onzinnig. Mensen, zelfs mensen met eenzelfde nationaliteit, verschillen mogelijks van religie, van opleiding, van politieke voorkeur, van seksuele voorkeur of van geslacht. Ze hebben andere schoolervaringen of ervaringen met administratie of werk. Ze spreken andere talen en zijn anders gesocialiseerd. Maar er is meer, ze wonen potentieel op verschillende plaatsen in ons land en hebben bijgevolg heel andere leefomgevingen. Een nieuwkomer die terecht komt in de Brugse poort in Gent of Molenbeek in Brussel moet zich in een heel andere buurt nestelen dan een persoon die terechtkomt in Wingene dorp.

Die superdiversiteit is maar mogelijk binnen een globale context. Ze hangt bovendien ook sterk samen met de opkomst van nieuwe media in de jaren 90. Die media laten immers toe dat migranten hun band met het thuisland actief kunnen onderhouden. Migranten communiceerden in de jaren 70 o.a. via cassettebandjes die ze opstuurden naar het thuisland. Die communicatie verliep zeer traag, al snel ging er een maand voorbij vooraleer de communicatie heen en terug was gereisd. Vandaag zorgen email, Facebook, Skype en gsm’s voor een ogenblikkelijk en continu contact. Bovendien kunnen migranten via satelliettelevisie kijken naar het nieuws en de shows uit het thuisland. Dat betekent dat personen die hier geïsoleerd leven een groot sociaal leven kunnen hebben eenmaal ze achter hun pc kruipen (Blommaert en Backus, 2012). Die nieuwe migratie, gekoppeld aan de hedendaagse communicatiemiddelen én aan het beleid van de verschillende Europese lidstaten, zorgt voor die enorme diversiteit aan elementen die het leven tekenen van iedereen in onze samenleving, zowel autochtoon als allochtoon. We bouwen en onderhouden onze identiteit virtueel of fysiek via meerdere media in meerdere landen.

In de laatste twee decennia zien we die superdiversiteit de norm worden. Niet alleen migranten of hun kinderen bouwen immers hun identiteit op in een geglobaliseerde context, ook zogenaamde autochtonen doen dat. De kans is reëel dat jij en je vrienden via Facebook, Twitter, online games of Erasmus-uitwisselingen vriendschapsrelaties onderhouden met mensen uit uiteenlopende hoeken van de wereld. De kans is even reëel dat ze zich oriënteren op een wereldwijde subcultuur. Ze zijn dan skater, hipster, hijabista (Blommaert & Varis, 2012) of neopunker. Wat belangrijk is in hun leven wordt niet meer per sé bepaald door de vriendjes in de straat, maar is vaak globaal gestructureerd en niet zelden ook gecommercialiseerd.

Onze meerlagige identiteiten mogen we dan wel deels globaal construeren, onze democratie speelt gek genoeg nog steeds in een nationale logica (Maly & Blommaert, 2013). Meer nog, als een gevolg van deze globale evoluties zien we al decennia een opstoot van nationalisme. Dat nationalisme stelt zich voor als een antwoord op de onzekerheid en de bedreigingen van de neoliberale globalisering. Tevens pretendeert ze “onze identiteit” te beschermen tegen de invasie van die superdiversiteit. Deze oplossingen zijn echter schijn. De nationalistische reflex ten aanzien van superdiversiteit toont enkel met verve het deficit aan van nationale democratieën.

Dat onze democratie beperkt is tot het nationale niveau, heeft in de praktijk heel ondemocratische effecten. In de praktijk zijn deze democratieën in tijden van superdiversiteit en globalisering immers geen instrumenten meer die rechten realiseren en garanderen. Integendeel, voor steeds meer mensen zijn ze zelfs een rem op het realiseren van die rechten. Concreet vertaalt die nationale democratie zich vandaag in het feit dat we hier samenleven met mensen op één grondgebied die heel verschillende statuten hebben in onze samenleving. Minder eufemistisch betekent dit dat deze mensen verschillende politieke, sociale, culturele en economische rechten hebben. Onze rechten hangen in een wereld van naties’ af van onze nationaliteit, niet van het feit dat we mens zijn. En meteen wordt duidelijk waarom het universele denken zo belangrijk is om te kunnen spreken van een democratie. Als een democratie beperkt blijft tot de natie, dan betekent dat in tijden van superdiversiteit en globalisering dat een van de fundamenten van de democratie weggeslagen is: het gelijkheidsbeginsel.

Superdiversiteit, utopistiek en de democratische strijd

In het licht van het bovenstaande gaan de vragen die ons vandaag bezig zouden moeten houden over hoe we de idealen van de radicale verlichtingsdenkers vandaag kunnen realiseren. Hoe we in tijden van globalisering en neoliberalisme kunnen bouwen aan goede samenlevingen. Het is via ideeën dat we bouwen aan de samenlevingen van morgen. Enkel als we durven denken en dromen van betere, rechtvaardigere en gelijkere samenlevingen zullen we later in staat zijn om deze te realiseren.

De verlichte revoluties van de 18de en 19de eeuw zijn volgens Israel “revolutions of the mind”. Ze komen voort uit ideeën die velen vandaag als “te abstract” zouden afdoen. Vandaag hebben we een overdosis aan politici en met hen ook veel intellectuelen die zich louter bezig houden met de waan van de dag. Zogenaamd ‘realisme’ viert hoogtij: enkel wat vandaag mogelijk is en lijkt, wat ‘de mensen vandaag willen’ staat op de agenda. Weinigen breken het hoofd over wat zou kunnen of wat zou moeten zijn. Nochtans is er weldegelijk ruimte tot verbetering. Meer nog, er is sterke nood aan. We leven in een tijd waar een heel pak van de verworven rechten –hetgeen ons leven tot een goed leven maakt – onder druk komen te staan of zelfs daadwerkelijk afgebroken worden onder het eufemisme van modernisering. Progressie staat nog zelden gelijk met vooruitgang voor eenieder.

Ik volg dan ook Wallerstein (1996) wanneer hij oproept tot het beoefenen van utopistiek. Utopistiek is volgens de gerenommeerde socioloog niet zomaar een woordspelletje. Terwijl een utopie per definitie verwijst naar iets wat nergens bestaat, wil Wallerstein met zijn pleit voor een utopistiek nadenken over historische alternatieven. In de rijke traditie van de radicale verlichtingsdenkers pleit hij voor wetenschap die ten dienste staat van de creatie van een nieuwe, betere samenleving. Via de utopistiek zouden volgens Wallerstein serieuze analyses moeten gemaakt worden van de historische alternatieven die mogelijk zijn. De utopistiek moet dus niet de perfecte en onvermijdelijke toekomst uittekenen, maar betere, rechtvaardige alternatieven uitdenken die historisch mogelijk zouden kunnen zijn. Geen determinisme bestaand uit een onafwendbaar hemel op aarde, maar politiek, wetenschap, moraal en sociale actie die samenvloeien in een streven naar een betere samenleving.

Deze oefening doen inzake democratie lijkt me in deze tijden van economische, financiële, ecologische en democratische crisissen geen overbodige luxe. Meer nog, het is een absolute noodzaak. Om deze oefening te kunnen maken is de erfenis van de radicale verlichtingsdenkers inzake democratie en mensenrechten van onschatbare waarde. In plaats van te vertrekken van het idee dat de verlichting gerealiseerd is, en haar te zien als een historische feit, moeten we beginnen nadenken hoe we de democratie van de verlichtingsdenkers volledig kunnen realiseren of vrijwaren. Een aantal ingrediënten zijn daarbij duidelijk: gelijke en onvervreemdbare rechten voor eenieder, democratie en universele mensenrechten.

Vraag is nu: hoe realiseren we dat in de geglobaliseerde wereld van vandaag? Hoe realiseren we op wereldschaal gelijke rechten voor eenieder? Is een sociale zekerheid op wereldschaal een oplossing, is het mogelijk? Is een democratie op die schaal wenselijk en hoe verhoudt die zich tot democratie op de andere schalen? Hoe garanderen we vrijheid en gelijkheid voor eenieder op wereldschaal? Onderwijs voor eenieder was één van de basisvoorwaarden van een democratie, zonder democratische mens immers geen democratie. Hoe organiseren we dat en wie organiseert dat? Het losgeslagen economisch systeem zorgt vandaag voor de grootste factoren van onderdrukking, welke alternatieven zijn daarvoor denkbaar en hoe kunnen we die implementeren? Hoe garanderen we de politieke rechten van alle individuen in tijden van hypermobiliteit? Is het normaal dat, als we verhuizen, we ook onze politieke rechten verliezen? Welk politiek systeem laat ons toe om die te behouden en hoe organiseren we zo’n systeem? Hoe garanderen we het universele recht op gezondheidszorg in een meertalige en superdiverse samenleving? Dit recht houdt in dat ieder individu waar ook ter wereld de beste zorgen moet kunnen krijgen, ongeacht zijn of haar nationaliteit. In de praktijk kan dat bijvoorbeeld betekenen dat er steeds tolken ter beschikking moeten kunnen staan van patiënten.

Onze toekomstige samenlevingen zullen meertalige, multiculturele, multireligieuze steden zijn. Ze zullen superdivers zijn, “no matter what”. Willen we staatsstructuren oprichten die voor al deze mensen over de hele wereld het goede leven faciliteren, dan zullen we die moeten uitdenken, want ze zullen er niet spontaan komen. Dat betekent dat we algemene principes moeten hanteren die we in heel concrete situaties op zo’n manier vertalen dat ze bijdragen tot het garanderen van gelijke rechten van eenieder op elk grondgebied. We moeten de oefening maken om de universele rechten van eenieder om te zetten in de praktijk. Er is dus niets abstracts aan de waarden van vrijheid en gelijkheid, integendeel: ze noodzaken een heel concreet dagelijks strijden voor de realisatie van onze onvervreemdbare rechten. Net daarom is het hoog tijd dat we de democratie 2.0 uitdenken en dat we alternatieven voorbereiden. als we ze niet kunnen denken, dan wordt heel moeilijk om ervoor te strijden.

Utopistiek als permanente democratische strijd

Er is dus duidelijk een hoop (denk)werk aan de winkel. Opvallend is dat de grote vragen die ons leven bepalen in wezen weinig gebaat zijn met voorstellingen over ‘ons’ en ‘de ander’, maar veel meer met zaken die ieder van ons, ongeacht ons geloof, onze voorkeuren, onze waarden en normen toelaten om ons leven uit te bouwen zoals wij dat willen. In de debatten over de multiculturele samenleving zien we een complete afwezigheid van een rechtenperspectief, van democratie als groot verhaal. Democratie wordt geen zaak van constante strijd, constante verdieping en verbreding, maar wordt verbeeld als een eigenschap van ‘ons’. En net die beweging zorgt voor een armoede in het denken en een uitholling van democratie. Kritiek, kritisch nadenken en verzet zijn de basis van een democratie, het is hoog tijd dat we dit terug in de praktijk zetten. Als we nu niet denken over alternatieven voor morgen en er voor strijden dan zouden wel eens kunnen wakker worden in een wereld van lang geleden. Een wereld zonder rechten.

Bibliografie

Blommaert, J. & Backus, A. (2012). Superdiverse Repertoires and the individual. Tilburg Papers in Culture Studies.

Blommaert, J. & Varis, P. (2012). How to, how to. The prescriptive micropolitics of Hijabista. Kif Kif:http://www.kifkif.be/actua/how-to-how-to

Condorcet in Lukes, S. & Urbinati N., (2012). Condorcet Political writings. Cambridge, Cambridge University Press.

Decrues, T. (2013). Een paradijs waait uit de storm. Berchem: EPO.

Hobsbawm, E.J. (1962). The age of revolution. Europe 1789-1848. London: Abacus.

Israel, J. (2010). A revolution of the mind. Radical Enlightenment and the intellectual origins of Modern Democracy. Princeton; Oxford: Princeton University Press.
.
Israel, J. (2011).Democractic Enlightenment. Philosophy, Revolution, and Human Rights 1750-1790. Oxford; New York: Oxford University Press.

Locke, J. 1983 [1689]: A letter Concerning toleration. Hackett Publishing Company, INC. Indianapolis.

Maly, I. (red.) (2007). Cultu(u)rENpolitiek. Over media, globalisering en culturele identiteiten. Antwerpen: Garant.

Maly, I. (2009). De Beschavingsmachine. Wij en de islam. Berchem: EPO.

Maly, I (2012). N-VA. Analyse van een politieke ideologie. Berchem: EPO.

Maly, I & Blommaert, J. (2013). ‘Realisme’ als ideologie. superdiversiteit, precariteit en de nood aan Verlichting. In Coussée, F. & Bradt, L. (2013). Jeugdwerk en sociale uitsluiting. Handvatten voor emanciperend jeugdbeleid. Leuven / Den Haag: Acco.

Sternhell, Z. (2010). The Anti-Enlightenment Tradition. New Haven; London: YaleUniversity Press;

Todorov, T. (2010). In defence of the Enlightenment. London: Atlantic Books.

Paine, T. & Linebaugh P. 2009: Peter Linebaugh presents Thomas Paine: rights of man and common sense. Verso, London, New York.

Rousseau, J-J. (1755). Vertoog over de ongelijkheid. Amsterdam: Boom.

Sternhell, Z. (2010). The Anti- Enlightenment Tradition. Yale University Press.

Wallerstein, I (1998). Utopistics. Or, Historical choices of the Twenty-first Century. New York: The new press.

Wills, L. (1992). Van Clovis tot Happart. De lange weg van de naties in de Lage Landen. Antwerpen: Garant.