De boekbespreking als politiek wapen

Een analyse van Absillis ‘vernietigende’ recensie van N-VA – Analyse van een politiek ideologie

 

Interessant. Een dikke 3 jaar na de publicatie van mijn doctoraat verschijnt een bespreking ervan in Wetenschappelijke Tijdingen van de hand van Absillis. Het wordt heel snel opgepikt door Het Pallieterke, De Bron en enkele andere obscure (extreem)-rechtse en Vlaamse nationalistische media. Eindelijk, na drie lange jaren wachten, de zo noodzakelijke vernietigende bespreking. Het was wachten totdat het zou opduiken in de mainstream media. Vrijdag was het zover. De Morgen interviewde Bruno De Wever en bracht de ‘vernietigende recensie’ ter sprake. Van de marge naar de mainstream.

 

3dedrukNVA-AnalyseVanEenPolitiekeIdeologie

De bespreking

Volgens Bruno De Wever bewijst de recensie dat ik  (1) methodologische fouten heb gemaakt en  (2) dat het boek een foute cover heeft.  De eigenlijke bespreking verwijt me  voornamelijk een discours analist te zijn en in het bijzonder een leerling te zijn van Jan Blommaert en Jef Verschueren. Meer dan de helft van die recensie gaat dan ook over de invloed van een studie van Blommaert en Verschueren gepubliceerd in de jaren 90.

De bespreking tracht een soort discours-analyse toe te passen op mijn doctoraat. Het is interessant te zien hoeveel gewicht toegekend wordt aan de cover-foto. Zowel Bruno De Wever als Kevin Absillis suggereren dat EPO de afbeelding bewust voorzien heeft van een (schaduwsnorretje) zodat  De Wever op Hitler zou gelijken. Wat men lijkt te missen, is dat dit een originele Belga persfoto is van N-VA op hun propaganda tournee. De schaduw onder de neus is een normale schaduw van de neus, en is dus niet het gevolg van de A in de titel. Het is er al helemaal niet opgezet door de grafisch ontwerper, maar is deel van het origineel.

cover en orgineel

Heel interessant is ook hoe Bruno De Wever dit reproduceert in het interview met De Morgen:

“Neem alleen nog maar de cover van dat boek van Maly: N-VA. Analyse van een politieke ideologie. Absillis toont duidelijk aan hoe men door de plaatsing van de titel waarschijnlijk heel bewust een hitlersnorretje op de foto van mijn broer wil suggereren.” (De Morgen, 2016)

De hedge ‘waarschijnlijk’ raakt ondergesneeuwd onder de hyperbolen: ‘toont duidelijk’, ‘heel bewust’.  Bruno De Wever steunt volledig op de bespreking van Absillis en toont daarbij vooral aan dat hij geen discoursanalist is. De claim van De Wever in het interview, zich baserend op de recensie van Absillis is een methodologische fout. Een fundament van een discoursanalyse is dat je meerdere data moet hebben ter ondersteuning van je claims. Meer nog, je analyse van het hele corpus, moet ook terug te vinden zijn in één tekst (staat netjes vermeld in het methodologisch hoofdstuk van mijn doctoraat). In dit geval zou Absillis op zijn minst een interview of zo moeten kunnen opdiepen waarin ik zou stellen dat de N-VA fascistisch zou zijn. Ik daag hem uit om dat te doen. Dergelijke data bestaat niet. Mocht Absillis zijn huiswerk goed gedaan hebben, dan zou hij zien dat ik in het boek, in alle interviews , debatten en artikelen altijd expliciet heb gezegd dat N-VA en De Wever volgens mij niet fascistisch zijn. Wat me trouwens niet altijd in dank is afgenomen. Hun analyse van de cover wordt tegengesproken door alle andere data die ik heb geproduceerd.

De ‘analyse’ van de recensent vertelt ons veel  meer over de methodologie van de recensent en zijn doeleinden, dan over mijn of EPO’s intenties. Deze opener van de bespreking zet de toon. De introductie is de eerste indicatie dat Absillis zelf een intentieproces opzet; nota bene iets dat hij mij verwijt. In de 39-pagina’s lange recensie produceert Absillis één argument: Het onderzoek van Maly had van meteen af aan de intentie om De Wever en zijn N-VA te beschadigen.

Nu zijn intenties  in wezen irrelevant in de beoordeling van wetenschappelijk onderzoek. Men kan perfect de intentie hebben om arbeiders aan de band efficiënter in te zetten (of in links jargon: te onderdrukken en uit te persen) en daarover een stevig wetenschappelijk doctoraat schrijven. De intentie en de ideologie van de onderzoeker zijn niet relevant in de beoordeling van een wetenschappelijk werk. Einsteins relativiteitstheorie is niets minder waard omdat hij een communist is. Maar, als men dan toch mijn intentie wil weten dan kan men die krijgen: het doctoraat is er gekomen om ‘inzicht’ te verwerven in het discours en het succes van N-VA. Hoe kan De Wever het constructivisme rijmen met nationalisme? Nationalisme met verlichting. Hoe kan het dat De Wever ook bij linksen als een toffe pee wordt beschouwd. In mijn eerste publicaties over het thema, dus lang voor de publicatie van mijn doctoraat was mijn analyse ook gematigder. In Het rijpen van de Geesten bijvoorbeeld, werd enkel het uitsluitend karakter van het N-VA nationalisme aangehaald en haar neoliberale economische politiek. Niet dat dit alles ter zake doet, een wetenschappelijk onderzoek beoordeelt men op zijn wetenschappelijke merites niet op de intentie of politieke voorkeur van de onderzoeker.

 

De recensent en zijn politieke strijd

Laat we de bewijzen à charge ten gronde bekijken. Volgens Bruno De Wever zouden er grote problemen zijn met de methodologie van het onderzoek. Misschien interessant om aan te stippen in deze context dat het onderzoek een discoursanalyse is. Ik ben een cultuurwetenschapper en discoursanalist en werk vanuit een etnografisch paradigma. Noch Bruno De Wever (historicus), noch Kevin Absillis (docent Nederlandse letterkunde) zijn etnografen of discours analisten. Benieuwd welke methodologische problemen zij ontdekken in mijn benadering van het etnografisch paradigma.

De claim van De Wever wordt nog vreemder als we de recensie erbij nemen. Absillis schrijft welgeteld 5 lijnen over de methodologie en die zijn louter beschrijvend. Die vijf lijnen worden afgesloten met de volgende zin: ‘Essentiëler voor deze studie is echter het begrippenpaar verlichting en antiverlichting’. Volgens Absillis is er dus niet zozeer een probleem met de methode maar met het begrippenpaar verlichting en antiverlichting. Concreter, het grote probleem is volgens Absillis het gebruik van welbepaalde wetenschappers over de verlichting en antiverlichting. Dit zal een terugkerend motief worden in de bespreking, ik kom daar straks op terug.

Vooral het gebruik van Sternhell’s werk over de antiverlichting moet het ontgelden. Dat ik evengoed gebruik maak van Israel, Blom, Foucault en Hobsbawm in mijn benadering moet even wijken voor de duidelijkheid van zijn argument. Dat ik de originele geschriften van radicale verlichtingdenkers als  Paine en Condorcet gebruik naast de literatuur die gematigde verlichtingsdenkers als Jefferson, Locke, Rousseau en Kant achtergelaten hebben, wordt niet opgemerkt. Dat ik mij baseer op literatuur van conservatieve en antiverlichtingsdenkers als Herder, Renan, De Maistre, Taine en Burke en vele anderen ontgaat hem blijkbaar ook. Het punt is, ik gebruik ‘de foute literatuur’ – lees ik citeer Sternhell – aldus Absillis. Israel, Hobsbawm en Sternhell, het zijn niet meteen lichtgewichten in de academische wereld.

Het ontgaat hem ook dat ik geen enkele van die auteurs klakkeloos volg in hun categoriseringen. Volgens Israel is Herder een radicale verlichtingsfilosoof. Ik volg hem daar niet, je moet er nog maar ‘Another Philosophy’ bijnemen van Herder om te weten dat hij heel duidelijk probeert een filosofie te ontwikkelen die lijnrecht ingaat tegen het denken van de radicale Franse filosofen. Dat ik die categoriseringen niet volledig volg, betekent echter niet dat je de impact van die radicale verlichting kan afwijzen of het ontstaan van de antiverlichting ontkennen. Dat er wel degelijk een ideologische strijd was binnen en tegen de (radicale) verlichting en dat die ideeënstrijd niet alleen relevant is om de dialectiek van het verleden te begrijpen, maar ook van het heden, lijkt mij onomstreden. Dat ik de verlichting niet zozeer bekijk in haar historische realiteitspolitiek, maar vanuit het perspectief van de ideeën van grote denkers ontgaat hem ook. Dat ik een onderscheid maak tussen de gematigde (en onverdedigbare) verlichting en de radicale verlichtingsdenkers ontgaat hem. Dat ik een onderscheid maak tussen counter-enlightenment (dat vaak samenvalt met denkers die Israel als gematigde verlichting omschrijft) en antiverlichting ook. Antiverlichting en counter-enlightenment zijn trouwens niet inwisselbaar. De Counter-enlightenment wil terug naar het ancien régime, de antiverlichting wil een andere moderniteit dan de (radicale) verlichtingsdenkers.

Zijn suggestie op het einde van zijn bespreking, dat ik ‘de Verlichting’ in zijn geheel verdedigen is nogal onzinnig (lees mijn inleiding voor de Gentse Feesten debatten hierover), want dan zou ik met Kant ook verlichte despoten moeten verdedigen. Er zijn nogal wat schrijfsels van mij te vinden waarin ik dat expliciet ontken. Ik voel me dan ook niet aangesproken, als hij mij als een verdediger van het kolonialisme en imperialisme wil neerzetten. Ik zie niet in waarom ik niet kan stellen dat de radicale verlichtingsdenkers ons de ideeën van democratie, mensenrechten en sociale zekerheid geschonken hebben, en tegelijkertijd de historische periode die gekend staat als de verlichting sterk kan bekritiseren. Dat is iets wat Paine al deed in de 18de eeuw.

Belangrijker in het licht van de bespreking, is dat ik in mijn doctoraat niet de verdediging van de verlichting op mij neem, maar net de claims van De Wever en zijn N-VA op de verlichting analyseer. Absillis kan moeilijk het onderscheid maken tussen analyse en verdediging.  Het zijn De Wever‘s uitspraken – het zijn de data- die het noodzakelijk maken om die geschiedenis in mijn analyse te betrekken. Het zou van mij een slechte discoursanalist en cultuurwetenschapper maken als ik die niet  betrek in die analyse. Intertekstualiteit (impliciete en expliciete) is van cruciaal belang binnen elk politiek discours: alle woorden en discoursen hebben een geschiedenis van gebruik. Zeker als men die geschiedenis expliciet oproept, zoals De Wever die zich positioneert als in lijn met de verlichting en een volgeling van Burke, dan is het de job van de discoursanalist om dit te onderzoeken. In die zin heb ik veel te danken aan De Wever, het is dankzij hem dat ik al die primaire bronnen heb mogen lezen. En dat was een heel leerrijke en plezierige trip.

 

De foute vragen

Absillis geeft eigenlijk nergens kritiek ten gronde op de analyse en de methodologie. Wat Absillis stoort – naast de conclusie dat N-VA een anti-verlichtingsideologie uitdraagt –  is dat ik (1) allerhande vragen die hij interessant vindt, niet heb beantwoord en (2) niet de literatuur gebruik die hij vindt dat ik moet gebruiken. Zo wordt me verweten dat ik geen studie gemaakt heb van de impact van Herder en Burke op het Vlaams nationalisme. Blijkbaar had ik dus eerst hierover een doctoraat moeten schrijven, vooraleer ik iets mag zeggen over Herderiaans nationalisme binnen het Vlaams nationalisme. Bovendien haast Absillis zich, na zich verschillende alinea’s te hebben uitgesloofd om de impact van Herder op het Vlaams nationalisme in vraag te stellen, met de stelling dat Herder wellicht wel een grote impact heeft gehad op het Vlaams nationalisme. Geen enkele inhoudelijke tegenwerping op mijn vaststellingen dus, integendeel.

Hetzelfde met Burke. Absillis vindt mijn vaststelling van de invloed van Burke op De Wever evident en makkelijk. Dus terug geen enkele inhoudelijke kritiek op wat ik zeg. Ik krijg enkel het verwijt  volgende vragen niet te beantwoorden: “Hoe leest De Wever Burke? Hoe verhoudt die lezing zich tot Maly’s eigen, grondige en systematische lectuur van Burke? Welke rol heeft Burke gespeeld in de geschiedenis van de Vlaamse beweging? Als die rol minimaal zou zijn, waarom is De Wever dan zo door Burke aangetrokken? En waarom heeft het tot De Wever geduurd voordat Burke en zijn ‘identiteitsconcept’ in het Vlaams-nationalistische denken werden geïntroduceerd?”  Enkel de onderzoeksvragen die Absillis als relevant beschouwd, mogen worden beantwoord. Absillis voelt zich de hoeder van de juiste vraag, de pater die het juiste denken oplegt.

Idem met de claim dat De Wever een neoliberale nationalist is. Terug geen enkele kritiek op de analyse an sich, die analyse wordt niet vermeld (terwijl Absillis 39 pagina’s ter beschikking heeft!). Wel worden terug andere vragen gesuggereerd. Hij noemt “N-VA-voorzitter namelijk een “neoliberale nationalist”, maar gaat licht over de vaststelling dat pleiten voor zo veel mogelijk vrije marktwerking en een principiële achterdocht tegenover de overheid zich moeilijk laten verzoenen met waarden als gemeenschapszin, sociale cohesie en nationale solidariteit. Is De Wevers nationalistische discours dan onderschikt aan een neoliberale agenda of is het eerder omgekeerd? En hoe verhoudt De Wevers neoliberalisme zich tot de verlichting en de erfenis van de Vlaamse beweging?’” Nog los van het feit dat verschillende vragen wel worden beantwoord in het boek, wijs ik er graag op dat de these dat nationalisme en neoliberalisme de laatste decennia hand in hand gaan, geen nieuwe vaststelling is.  David Harvey (die stond niet op Absillis’ lijst van verboden boeken) gaat in zijn werk over neoliberalisme uitvoerig in op die verhouding.  We hoeven trouwens maar aan Thatcher te denken, of later aan het discours van New Labour (Fairclough schreef hier een interessant boekje over, maar die staat hoogst waarschijnlijk op de verboden lijst van Absillis).

 

De foute literatuur

Het belangrijkste argument van Absillis tegen mijn doctoraat is niet zozeer mijn analyse an sich, maar de literatuur waarop ik me baseer. Als ik over het Vlaams nationalisme spreek,  mag ik me niet baseren op Louis Vos, Lode Wils, Jan Blommaert, Marc Reynebeau, Morelli en Hobsbawm. Als ik over nationalisme schrijf, mag ik me niet op Anderson, Billig, Hobsbawm, Gellner, Blommaert en Hroch baseren. En ik mag me niet baseren op Israel, Condorcet, Paine, De Tocqueville, Rousseau en Kant als ik over de verlichting schrijf. En ik mag me al helemaal niet baseren op Sternhell als ik over de anti-verlichting schrijf. Ik moet me dan weer wel baseren op Lakoff  en dus linguïstische (en geen sociolinguïstische) analyses maken. Uiteraard mag ik me niet baseren op discoursanalisten zoals Hymes, Foucault, Fairclough, Billig en al zeker niet op Blommaert en Verschueren.

En zo komen we geleidelijk aan bij hetgeen Absillis echt viseert: De contestatie van het Vlaamse nationalisme door linkse intellectuelen en culturo’s zoals dat in het lingo heet.  Absillis’ stelling is bekend, links moet het nationalisme niet bekampen, maar omarmen en inzetten voor de linkse strijd. Jan Blommaert en Jef Verschueren, die doorheen de hele bespreking geregeld opduiken, zijn vanuit dit perspectief uitermate problematisch in zijn ogen. Zij hebben, aldus Absillis, een enorme impact gehad met hun boek Het Belgische migrantendebat op het verzet van linkse culturo’s en intellectuelen tegen het concrete Vlaams nationalisme.

Het is dan ook opvallend dat er slechts 12 van de 39 pagina’s gewijd worden aan mijn doctoraat.  Op de andere pagina’s wordt de invloed van ‘Het migrantendebat’ van Blommaert en Verschueren besproken. Zij zouden de houding van links ten opzichte van het Vlaams nationalismhebben bepaald en ‘de foute’ boeken binnengebracht hebben in het debat (lees: de werken van Hobsbawm, Anderson en Gellner) over nationalisme. Mijn doctoraat wordt als emblematisch neergezet wordt voor alles wat fout is aan de linkse houding ten aanzien van nationalisme in de laatste twee decennia:

Maly’s conclusie negeert dat sinds de doorbraak van het Vlaams Blok in de jaren 1990 wellicht geen enkele ideologie fel­ler en openlijker werd gecontesteerd dan nationalisme in het algemeen en Vlaams-nationalisme in het bijzonder. De doorbraak van de N-VA naar het centrum van de po­litieke macht heeft daar al met al niet zo veel aan veranderd.”

Absillis maakt hier typische fout: hij verwart tegenspraak met macht. Dat N-VA de grootste partij is van Vlaanderen, dat er op de PVDA na geen Belgische partijen zijn of dat de BRT VRT is geworden, dat is allemaal niet relevant. Een wetenschapper als Billig, zou daar iets anders over denken, maar die staat niet op de goede literatuurlijst. Wat Absillis niet lijkt te zien, is de machtsongelijkheid. De reële impact van die intellectuelen en culturo’s wordt niet in ogenschouw genomen. Een hegemonie is nooit totaal, er is altijd verzet. Het verzet wordt echter niet gehoord, belachelijk gemaakt, geïnstrumentaliseerd, geneutraliseerd of in de marge geduwd. Dat wil niet zeggen dat ze er niet is, ze heeft gewoon weinig impact, weinig macht.

Het is dan ook opvallend dat een bespreking die niet ingaat op de methode van het onderzoek, die geen enkele feitelijke fout aanhaalt, maar enkel wijst op ‘de foute literatuur’ en extra (interessante) onderzoeksvragen suggereert, heel snel opgepikt wordt om een onderzoek af te maken. Terwijl datzelfde medium nog nooit een letter heeft vuilgemaakt aan dat onderzoek. Laat staan dat De Morgen zou rapporteren dat het onderzoek nu ook in een internationale top journal als Nations and Nationalism is gepubliceerd. Het zegt iets over wat gezien wordt als normaal en wat gezien wordt als niet normaal in onze Vlaamse samenleving. Het kaartenhuis van Absillis stort onherroepelijk ineen.

 

De verborgen politiek van de recensent

‘Mijn doctoraat’ is maar een opstapje om het echte stokpaardje van Absillis boven te halen: De verdediging van (links) nationalisme. De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet. Freud zou het woordje projectie bovenhalen, maar die staat zeker ook op de foute literatuurlijst. Onder het mom van een objectieve recensie, smokkelt Absillis niet al te subtiel trouwens, zijn eigen politieke strijd binnen: de opleving van het Linkse nationalisme. Ik wens hem daarbij alle succes.

 

  1. Graag maak ik van de gelegenheid gebruik even te wijzen op een reeks feitelijke fouten in de bespreking. De cover is niet door Epo gemaakt (de Colofon checken is altijd handig). Ik ben nooit voorzitter geweest van Kif Kif, maar coördinator. Kif Kif was geen minderhedenplatform, maar een intercultureel platform. Ik ben geen politiek wetenschapper, maar een cultuurwetenschapper. Kif Kif is niet aan elkaar geschreven. Facebook en Instagram worden met hoofdletters geschreven. Sternhell is met ll –geschreven.

 

Advertisements

Binfikir -interview: Göçün yapısı değişti ve demokrasinin de buna göre yeniden şekillenmesi gerekir

binfikir

Mahreç: Serpil Aygün

Spot: Göçle birlikte ortaya çıkan multi-kültüralizm, inter-kültüralizm ve çeşitlilik gibi kavramlar, sadece birer sözcük gibi algılansa da , yaşanan toplumsal sistemi anlamayı ve bunun üzerinden politika üretmeyi sağlayan kavramlar oldukları için, günlük yaşamımızı direkt etkileyen kavramlar aslında. Irkçılık, ayrımcılık, islamafobi, önyargılar günümüzde yaşamımızn birer parçası oldu. Bu sorunlarla mücadele etmek için de değişen toplum yapısı iyi anlamak, iyi tanımlamak ve yapıcı çöüzmler üretmek  yerli yabancı herkes için elzem. 3 Akademisyen Ico Maly, Jan Blommaert en Joachim Ben Yakoub 2014 yılında yazdıkları “Süper çeşitlilik ve Demokrasi” adlı kitapta günümüzün değişen göç ve toplum yapısını Belçika’nın Brüksel-Sint Gillis, Gent- Wondelgemstraat ve Anvers-Bercehem mahallerinde yaptıkları araştırmalar üzerinden anlamaya ve çözümler üretmeye davet ediyorlar insanları.  Ico Maly Kültür Bilimleri doktoru ve şu sıralar Hollanda Tilburg Üniversitesi’nde yeni araştırmalara hazırlanıyor. Ico Maly, önyargılarla mücadele eden  Kif Kif organzisyonun 10 yıl boyunca koordinatörlüğünü yaptı . Joachim Ben Yakoub, Ortadoğu ve Kuzey Afrika Araştırma Grubu’nda araştırmacı olarak çalışıyor. Jan Blommaert ise Tilburg ve Gent Üniversitelerinde kültür ve globalleşme alanında hoca olarak görev yapıyor.  Binfikir olarak kitabın yazarlarından Ico Maly ile kitap üzerinden Belçika toplumunun bugünü ve geleceğini konuştuk.

 

 

  1. Sayfa

 ilk spot “Kentler sürekli olarak daha fazla göç, daha fazla çeşitlilik, daha fazla global düzeyde yaşayan, çalışan ve kimlik kazanan insanlardan oluşurken, bu durum şu anki realite iken; halen homojen bir Flaman toplumundan yola çıkarak politika yapılıyor.”

İkinci spot: “Tüm entegrasyon  mantığı ve süreci, Flaman dilini ve değerlerini iyi öğrenmekten geçiyor. Bu durum da yerli Flamanların yabancı kökenli Flamanlar üzerinde bir güç kurmasına neden oluyor.”

  1. Sayfai

Ilk spot: . “ İnsanlar Hükümet’ten yola çıkarak radikalizmi belli bir kimliğe, bir gruba maletme ve diğerlerini ayırma çabası içindeler. İşte bu çok temel bir sorun.”

İkinci spot: “Yapılması gereken iki şey var: günümüzde gerçeklik olan süper çeşitliliği kabul etmek ve bu değişen süper çeşitli toplumun sorunlarına uygun çözümler üreterek politika yapıcılar üzerinde baskı uygulamak”

Belçika’da göçle ilgili multi-kültüralizm, inter-kültüralizm ve çeşitlilik tartışmalarından sonra sizin “Süper Çeşitlilik ve Demokrasi” adlı kitabınızla süper çeşitlilik kavramı göçü ve beraberindeki değişimleri açıklama çalışıyor.  Hangi koşullar sizi böyle bir kitap yazmaya itti? Tespitinizden yola çıkarak Belçika toplumu olarak nereye gidiyoruz?

Hem “Süper çeşitlilik ve Demokrasi “ hem de bundan önceki  “İslam ve Biz” kitabımla ilgili konuşmak ive bugünkü radikailizmden bahsetmek için  öncelikle 1989 yılına geri dönmemiz gerekiyor.  1989’da Berlin Duvarının yıkılması ile dünya yeni bir yapılanmaya gitti.  Berlin Duvarının yıkılması pek çok değişikliğin yanında  yeni bir göç dalgasını beraberinde getirdi. İlk defa caddelerde Polonya, Litvanya plakalı araçları,  Bulgarlara ait  gece dükkanlarını görmeye başladık, Afrikalı göçmenleri n gelişini gördük. 1989 Yılı Dünyanın yeni bir yapılanmaya gittiği, sıınırların kalktığı, Avrupa Birliği’nin  oluştuğu ve başkalarının gelmeye başladığı bir yıl oldu. Bu birinci element. Bunun yanında ikinci olarak milliyetçiliğin yükseldiği bir yıl da oldu. Vlaams Blok (Flaman ırkçı partisi)’u düşünürseniz 1989 yılı  ilk ataklarını yaptıkları yıl oldu ve çok güçlü bir şekilde göç karşıtı politikalar ürettiler.  Bundan sonra 90’lı yıllara baktığınızda pek çok partinin bu söylemleri aldıklarını görüyorsunuz.  90’lı yıllarda Vlaams Blok’un çok radikal karşılanan  söylemlerinin ise bugün yurttaşlık politakalarında varolduğunu görüyoruz.  Son 2,5 yy.da bu evolüsyonu görüyoruz.

Bugün bunlar realite oldu diyorsunuz…

Evet . Vlaams Blok’un 17 maddelik planının bugün uygulandığını görüyoruz. Flamancaya vurgu yapmak, hakları bazı şartlara bağlamak… Bunlar bugün uygulamaya sokuldu.  Bir taraftan yeni bir tür ve eskisinden çok daha fazla göç alıyorsunuz,  diğer taraftan globalleşmeye karşı, göçle ilgili son derece sert önlemler alan radikal partiler ortaya çıkmaya başlıyor. Bu göç planı uygulanmaya ve giderek  de normal karşılanmaya başlıyor.  3. Element ise internet. 90’lı yıllarda teknolojik gelişmenin hız kazandığını görüyoruz. O zamanlar başbakan Martens televizyonlarda  kocaman yeşil kablolarla yeni bilgisayarın başında gururlu bir şekilde dururken,  bugün herkesin mobil telefonu var.  Kendi eşimden biliyorum 70’li yıllarda göçmenlerin aileleri ile iletişimi kasetler aracılığıyla oluyordu. Burdan ya da Türkiye’den aileler mesajlarını kasetlere kaydeder  ve postalarlardı.  2 Hafta ya da 1 ay sonra kasetler geri gelirdi. Bugün whatsap, yeni medya olanakları… Ailelerle sürekli bir iletişim var ve insanlar olayları, olayın  olduğu anda öğrenebiliyorlar. Eskiden burdaki insanlar Türkiye’deki politik olayları kasetler aracılığıyla öğrenirlerdi. Bugün  TRT’ye bakabilirler, internetten gazete okuyabilirler. Bu tamamen farklı bir düşünüş biçimini beraberinde getiriyor.  Eskiden ayrılıklar çok kesin ayrılıklardı bugün öyle değil. Bugün İranlı birini tanıyorum burda yaşıyor ama hala İrandaki direnişte son derece aktif. Bu 3 element  bugünkü yaşamımızı derinden değiştiren şeyler. Bu değişim sonuçlarından biri de süper çeşitlilik. Büyük bir paradigma olarak içinde bulunduğumuz toplumu anlamak için çeşitlilik kavramına baktığınızda, etnik kimliklerle açıklıyorsunuz. Türkler Türkçe konuşurlar,   dini inaçları bellidir, eğitim durumları yaklaşık bellidir, değerleri ve normları bellidir.  Ama sadece Türk toplumunun kendi içinde dahi bir araştırma yaptığımızda bunun kesinlikle doğru olmadığını görüyorsunuz.  Yüksek eğitimli, düşük eğitimli, Atatürk’e inanan, Erdoğan’a inanan, çok inançlı, az inançlı vs.. “Standart bir Türk” yok. Etiketlerimiz var ama gerçek hayatta bu etkietlerin ne anlama geldiğini bilmiyoruz. Son derece ağzı laf yapan kadınlar var, düşük eğitimli var, inançlı var.. vs. Birbirinden tamamen  farklı kombinasyonlar var. Burada Wondelgem caddesi Türk caddesi olarak biliniyor ama kesinlikle bir Türk sokağı değil. Bugün Wondelgem’e baktığınızda 17 farklı dil kullanılıyor.

Son yıllar için mi Türk sokağı değil diyorsunuz Wondelgem için?

Şu anda artık Türk sokağı değil ya da Türkler bu sokakta artık baskın topluluk değil.  Burası 19. yy inşa edilmiş bir Flaman işçi mahallesi idi. Bu yapı bugüne kadar gelmiş ve evler büyük oranda Türklerin olmuş. Zaten fırın olan bir yer şimdi Türklerin işlettiği bir fırın olmuş. Ev ve dükkanların sahibi olma anlamında Türkler bu sokakta çok dominant olmuşlar ama son yıllarda Türkler arasında ciddi bir sosyal hareketlilik görüyorsunuz. Ordaki Türklerin çoğu  şimdi burda benim komşum:  Türk doktor, Türk psikolog, Türk avukat  vs. Şimdi ise Türklerin çoğu evlerini Bulgarlara kiraya veriyor. Yani 90’lı yıllardan itibaren  mahallenin değiştiğini görüyorsunuz. İlk olarak Arnavutlar, sonra  Ruslar, Latin Amerikanlar geliyorlar.. Bu  da tipik süper çeşitliliğin globaleşmesi. 80’li Yıllarda İspanya’ya göçen Latin Amerikalılar 2008’den beri ekonomik krizle birlikte buraya göç ediyorlar. Yeni göç. Bu da çok hızlı gelişiyor. Bulgarlar geldi, Asyalılar geliyor Afrikalılar geliyor. 1999 yılından bugüne kadar  sığınma başvuru şartları sürekli ağırlaştırırlmasına rağmen göç sürekli artıyor.

Ama medyada sığınma başvurularının ve göçün azaldığı söyleniyor…

İstatistiklerde azalıyor ama gerçek yaşamda azalmıyor. Yaptığımız araştırmalarda da görüyoruz, göç hala var. Çünkü göç ulusal düzeyde yönlendiriliyor. İnsanlar buraya, ‘ burası daha iyi olduğu için değil geldikleri yer kötü olduğu için’ geliyorlar. Göçün motoru başka bir yerde burda değil. Gerçekleşen tek şey insanların başvuru yapmaması ama göç var. Böylece çok derin bir eşitsizliği içinde barındıran bir toplum oluyoruz.  Burda doğmuş Türk kökenli müslüman bir göçmen, yasal olarak tüm vatandaşlık hakları olsa da hala özellikle başörtüsü gibi konularda ayrımcılığa ve ırkçılığa maruz kalıyor. Buraya yeni göçmüş olan ve henüz oturumunu almamış olan Türk bir göçmenin  politik hakları olmayacak. Buraya yeni gelen bir Polonyalı’nın çalışma hakkı var ama ne Belçika sosyal güvencesi sistemi altına girecek  ne  oy kulanma ne de seçme hakkı olacak. Burda henüz tanınmayan Afrikalılardan  bahsetmiyorum bile. Sonuç olarak toplumsal yaşamımıza baktığımızda haklar ve ekonomik pozisyon açısından çok derin bir eşitsizlik var. Bu da çok büyük bir demokratik sorun. “Kentler sürekli olarak daha fazla göç, daha fazla çeşitlilik, daha fazla global düzeyde yaşayan, çalışan ve kimlik kazanan insanlardan oluşurken, bu durum şu anki realite iken; halen homojen bir Flaman toplumundan yola çıkarak politika yapılıyor.” İnsanların sahip oldukları evrensel haklar,  şartlara bağlanıyor. Konut hakkı evrensel bir hak iken bugün Flaman Bölgesi’nde Bakan Liesbeth Homans sosyal konut edinme hakkına  Flamanca öğrenme şartı koyuyor.  Bu tam bir ayrımcılıktan başka bir şey değil! Yerli bir Belçikalı olarak kimse benden böyle bir şey isteyemez benim babamdan da isteyemez ama Türk kökenli bir Belçikalı olan benim eşimden ve onun ailesinden isteyebiliyor. Bu tamamen bir ayrımcılık ve eşitsizlik.  Bu da radikalleşme itiyor. “Tüm entegrasyon  mantığı ve süreci, Flaman dilini ve değerlerini iyi öğrenmekten geçiyor. Bu durum da yerli Flamanların yabancı kökenli Flamanlar üzerinde bir güç kurmasına neden oluyor.” Çok basit bir örnek;  benim eşim kasaba gittiğinde entegrasyon düzeyi ölçülüyor ama benim eşim yüksek eğitimli ve çok iyi Flamanca konuşuyor, o zaman kasap sonderece kibar davranıyor. Çünkü o “iyi göçmen” . Tabi bir de domuz eti sipariş ederse daha da iyi! Yani toplumdan herhangi biri sana iyi entegre oldun ya da olmadın diyebiliyor. VRT’de çalışmak isteseniz , Flamancanız hiç bir zaman yeterli görülmüyor.  Bir mağzada çalışmak istiyorsunuz örneğin  Oostende bir Kürt kadın 2004’te buraya gelmiş. Tüm entegrasyon kurslarını tamamlamış, genel –doğru Flamancayı konuşuyor ve Batı Flaman bölgesinde iş arıyor ama o mağzada çalışma başvurusu yaptığında ‘hayır senin Flmancan iyi değil ‘ diyorlar ki bunu diyen kişi Batı Flaman şivesi ile konuşuyor ve kendisi genel Flamancayı konuşamıyor bile. Bu tanımlanan entegrasyon yöntemi  insanların toplumda ayrımcılığa uğramasına izin veriyor.  Diskotekte, iş yerinde, ev kiralarken, hatta çok basit şeylerde  bile. Benim oğlum çok iyi Flamanca ve Türkçe konuşuyor. Oğlumu bir Flaman okuluna yazdırdık hemen  hemen Flamanca dersine kaydetmişler. Çünkü Türk ismi taşıyor. Tüm bunlar birleştiğinde belli bir grubu radikalleşmeye sürüklüyor ve toplumda da  İslam üzerinde ciddi bir yoğunlaşmaya neden oluyor. 90’lı yıllardan başlayarak, 2001’de en yüksek noktaya ulaşan ve bundan sonra sürekli olarak anti islam süreci yaşandı. Theo Van Goch’un öldürülmesi, Madrid ve Londrada’ki saldırılar vs. anti, islam sürecini besliyor. Yüksek eğitimli göçmenler ya da onların çocukları  bile bu durumun üstesinden gelmek  zorunda kalıyor. Bu da bazı sonuçlar doğuruyor. Bazıları yeniden siyasallaşıyor. Örneğin bunların bazıları Kif-Kif gibi önyargılarla mücadele eden bir kurumda çalışıyor. Bir kısmı uluslarası şirketlerde dünyanın farklı ülkelerinde çalışıyor. Bir kısmı bu ayrımcılıktan bıkıp geldiği ülkeye geri dönüyor. Bazıları da radikalleşiyor. Genellikle problemli bir geçmişi olanlar, örneğin Jejoen Botink (Suriye’ye savaşmaya giden  ve geri dönen genç) çok sorunlu bir aileden geliyor. Babası eşine şiddet uygulamış biri, vs.  Bu genç  bir kimlik arayışına giriyor ve küçük bir radikal grupta buluyor kendini. Yeni medya olanakları ile de kimlik arayışına giren gençler her şeye ulaşabiliyor. Bunlar,  popüler hip kültür savunucuları,  hicap savunucuları olabilir,  Allah’ın askerleri olabilir. Bu küçük , radikal grupların hepsinde aynı fenomen  etkili.  Global bir şekilde bir şekilde organize olup, yeni bir  kimlik oluşturmaya çalışıyorlar.

Bunlardan yola çıkarak günümüz toplumunda kimlik arayışının en büyük sorun olduğunu söyleyebilir miyiz?

Kimlik arayışının kendi içinde bir  problem olduğunu düşünmüyorum. Asıl problem haklar problemi. Bizler hepimizin eşit hakları olan bir toplumda yaşıyoruz ve bu da eşit hakların varlığını ya da yokluğunu  önemli kılıyor. Suriye savaşçıları ne kadar ciddi bir sorun olsa da çok küçük bir grup. Evet Belçika en çok Suriye savaşçısı olan ülkelerden biri  ve bunu ihraç eden bir ülke ama sebepler aynı değilİnsanlar Hükümet’ten yola çıkarak radikalizmi belli bir kimliğe, bir gruba maletme ve diğerlerini ayırma çabası içindeler. İşte bu çok temel bir sorun. Politikanın insanların hakları ile meşgul olması gerekirken, bununla ilgileniyor. Bu sadece Belçika’nın sorunu değil, her yerde aynı.  Örneğin ben 10 yıl için Türkiye’de yaşasam, pek çok hakkımı kaybederim. Orda direkt seçme hakkım olmayacak, sosyal   güvenlik hakkım olmayacak vs vs. Yani göç bir taraftan hakların kaybedilmesi ile eşdeğer giderken,  toplumsal hayatımız da giderek göç olgusunun sınırları ile bağlanıyor. Yakında ben  Hollanda da işe başlayacağım. Burdakinden tamamen  başka sosyal güvenlik sistemi, vergi  sistemi ve farklı kurallar altında çalışacağım. Ama uymak zorunda olduğum kuralları, yasaları belirleyenleri seçme hakkım  olmayacak. Bu çok ciddi bir problem.  Bu durum günümüz toplumunun problemi ve şu andaki sistem zamanın gereklerine çözüm sunamıyor.

Peki  ne olmalı, neyle değişmeli bu sistem?

Bu bir başlangıç. Karl Marks’ın , 1848 yılında Fransa devrimi hakkında yazdığı kitapta bu sorunun cevabını buluyoruz.  Marks’ın kitaptaki tespiti şu:  Hayatın gerçekliği değişiyor ama bizim düşüncelerimiz bu değişikle birlikte değişmiyor.  Bu durumda realite eskisinden farklı olurken bizim eski düşünce biçimimiz bu değişikliği anlamayı sağlayamıyor. “ Bu yüzden  süper çeşitlilik ve demokrasi.  Günümüzde toplum son derece çok çeşitli, farklı kültürlerden, dillerden oluşuyor artık homojen bir Flaman toplumu değil. Bugünkü norm süper çeşitlilik, homojen bir Flaman toplumu değil. Süper Çeşitlilik ve Demokrasi kitabını Anvers, Gent ve Brüksel üzerinde yapılan araştırmalar üzerinden yazdık. İnsanlar bize süper çeşitlilik sadece  büyük kentlerde yaşanan bir durum dediler. Bunun üzerine Oostende ve Mechelen’de de benzer çalışmaları yaptık  tamamen aynı özellikler var. Çok farklı dilleri konuşan insanların varlığı, yüzlerce farklı milliyet,  onlarca farklı inanç, birbirinden farklı camiler,kiliseler… bunları her yerde görüyoruz. İşte bu realite. Ostende’de bir ilkokulda çocukların çoğunun adları dünyanın her yerinden toplumların orda olduğunu işaret ediyor.  Okullar öğrencileri i yabancı ülkelerde  okumaya teşvik ediyor. Akademik dünyada iseniz artık global dünyada çalışıyorsunuz demektir ve  İngilizce yazmıyorsanız, alanda yok sayılıyorsunuz.  AB içinde inşaat sektöründe çalışıyorsanız , Polonya’lılar, Bulgarlarla rakabet ediyorsunuz ki onlar aynı ülkede son derece farklı kurallar ve yasalar altında çalışıyor. Bunu isteyin ama istemeyin bu durum böyle.  İşte bu süper çeşitlilik ve bu yeni süper çeşitlilk durumuna göre de artık pek şeyi yeniden düşünmek ve tanımlamak gerekiyor. Devlet kavramı,  vatandaşlık kavramı; nedir yurttaş olmak, hangi hakları sağlar ya da ödevleri gerektirir? Demokrasi bugün milliyete bağlı bir kavram. Bu bir problem. Çünkü bugün bu durum aynı ülke içinde insanlar arasında eşitsizlik yaratıyor. Biz neyi öneriyoruz? Bu yüzden  Karl Marks’ın kitabını örnek verdim. Fransa Devrimi’nden bir süre önce  pek çok düşünür radikal bir şekilde demokrasiyi düşündüler, evrensel hakları, sosyal güvenlik sistemi, herkes için eğitim hakkını,  vs. yeniden düşündüler. Burada çok ilginç bir şekilde demokrasiyi tekrar tanımlarken, demokrasinin insaların evrensel haklarını koruyan bir sistem olduğunu vurguluyorlar. Bu arada evrensel kavramının anlamı birey olarak var olan hakkınız bireysel olarak, bir insan olarak size ait bir kavram ve geri alınamaz. Bu kavram süper çeşitlilik için çok önemli bir olgu. Çünkü insan olduğunuz için var olan haklarınız birey olarak size bağlı, hangi milliyetten, ülkeden olduğunuza bağlı değil. İdeal senaryoda nereye giderseniz gidin bu hakları beraberinizde taşıyorsunuz.  Düşünün  bir Türk olarak Belçika’ya geldiğinizde otomatik olarak evrensel haklarınız var. Bir Türk olarak değil bir insan olarak haklarınızı taşıyorsunuz.  Bunu nasıl sağlayabileceğimizi düşünmemiz gerekiyor.

Gerçekleştirmesi çok zor bir öneri. Finansal olarak da zor görünüyor.

Korkunç zor. Ama göçün hiçbir zaman bitmeyeceğinden yola çıkarsak ve herkese eşit haklar vermek istiyorsak tek çözüm, sosyal güvenlik sistemini ulusal düzeyden  en azından Avrupa Birliği düzeyine çekmek. O zaman göç eden sosyal güvenlik kasasını da beraberinde getiriyor. Vergilendirme ve paylaşım ulusal düzeyde değil daha yukarda en azından AB düzeyinde gerçekleşir. Şu anki sistemde insanlar göç ediyor hareketli ama bağlı oldukları sosyal güvenlik sitemi daha yukarıda örgütlenmediği için gelinen ülkenin hakları temin için gerekli olan finansal sistemi baskı altında kalıyor. Bu yüzden vergilendirme ve  sosyal güvenlik sitemini daha yukarı bir seviyeye çekmek gerekir.  Örneğin ben Batı Flaman Bölgesi’nden Gent’e taşındım. Hiçbir şekilde hak kaybına uğramadım. Çünkü belirli bir ülke sınırları içinde göç olunca, ek bir masraf oluşmuyor çünkü aynı sosyal güvenlik sistemi içindesiniz. Sosyal güvenlik sistemini daha büyük bir bölge içine çekerseniz göçün yarattığı finansal sorunların önüne geçersiniz. Gerçekleştirilmesi gereken iki nokta var. Öncelikle günümüzde gerçeklik olan süper çeşitliliği kabul etmek, ikinci olarak da bu değişen süper çeşitli toplumun sorunlarına uygun çözümler üreterek politika yapıcılar üzerinde baskı uygulamak.

Son olarak toplumun ne yapması gerekir?

Çok iyi olmak zorundasınız. Ne işi yaparsanız  yapın bu işinizi çok iyi yapın. Yaptığınızla işle ilgili toplumda iyi bir pozisyona gelmeye çalışın. İşveren iseniz çok çeşitli kökenlerden insan işe alın. Gazeteci iseniz  tolumda önyargıları yok edip, doğru bir form vermeye çalışın. İkinci olarak sesinizi duyurun! Yurttaşlık sadece işe gidip eve gelmek değil. Demokrasi demokratik insanlarla yaşar. Gazetelere okur yazısı yazın, gönüllü çalışmalar yapın, okullarda aktif olun, okulda başörtüsü yasağının getirilmesine engel olun, vs.. Son olarak ümidinizi yitirmeyin. Vlaams Belang,1987’de  %1 oy oranı ile başladı, 2004’te %24 oldu. N-VA, 10 yıl önce hiç oy alamıyordu, gülüyordu insanlar, seçim barajını aşamaz deniliyordu. Bugün en büyük parti oldu. O yüzden mücadeleyi bırakmayın, terketmeyin burayı, kalın ve savaşın.

Klik hier om de krant-versie van het interview te lezen

SBT

[SAMPOL] De Gravensteengroep, de discursieve linkerflank van N-VA (Lange versie)

Verkiezingen winnen doet een partij niet in zijn eentje. Verkiezingen worden maar gewonnen als men de brede lagen van de bevolking aanspreekt. Het discours moet normaal worden bevonden en moet door die bevolking worden begrepen als goed voor hen. Hoewel N-VA een rechtse, neoliberale en radicale Vlaams nationalistische partij is, wordt ook de linkerflank zoveel mogelijk afgedekt. Dat gebeurt niet alleen door Bracke die bij zijn overstap naar de politiek uitriep dat hij voor een linkse partij heeft gekozen of doordat Homans om de haverklap benadrukt dat N-VA sociaal is maar niet socialistisch. Een belangrijke speler die het discours van N-VA van legitimiteit voorziet, zo betoogt Ico Maly, staat officieel buiten de partij. De Gravensteengroep moeten we volgens hem zien als de discursieve linkervleugel van de N-VA. In deze bijdrage analyseert hij het discours van die groep progressieve intellectuelen. Meer bepaald heeft hij aandacht voor de intertekstuele relatie tussen het ‘linkse discours van de Gravensteengroep’ en het discours van N-VA.

Klik hier voor de korte versie zoals het verschenen is in SAMPOL

 

De Gravensteengroep: progressief, links en Vlaams nationalistisch?

De Gravensteengroep is een merkwaardig project. De groep, bestaande uit intellectuelen kunstenaars en actieve burgers uit het middenveld, is gestart met de boodschap dat de groep de Vlaamse eisen uit de klauwen van de rechterzijde wou halen. Zo luidt het in de eerste twee paragrafen van het eerste manifest van de groep:

 

‘De ondertekenaars van dit manifest, die zich de Gravensteengroep noemen, vertrekken vanuit verschillende politieke en ideologische uitgangspunten, maar zijn het eens in hun gehechtheid aan de democratie en de mensenrechten. Zij stellen de waarden van vrijheid, gelijkheid, solidariteit en wederzijds respect centraal, en wijzen alle vormen van racisme en xenofobie radicaal af.

 

Zij zijn echter verontrust door het feit dat in de recente discussies over de staatshervorming de indruk wordt gewekt dat redelijke en rechtvaardige Vlaamse eisen telkens weer met een (extreem-) rechts gedachtegoed worden geassocieerd.’[1]

De groep profileert zich vanaf de start als niet-(extreem)rechts, meer nog als anti-(extreem)rechts. Uit deze paragrafen leren we dat het pluralisme aan politieke en ideologische uitgangspunten die de groep kenmerkt een pluralisme is in het centrum en aan de linkerzijde van het politieke spectrum. Het cement van de groep is hun streven naar vrijheid, gelijkheid, solidariteit en respect. Kortom, de Gravensteengroep presenteert zich enerzijds als een verlichtingsproject en anderzijds als een project die de ‘redelijke en rechtvaardige Vlaamse eisen’ voor een staatshervorming wil ontdoen van haar (extreem)-rechts imago. In deze analyse gaan we na in hoeverre die zelfbeschrijving ook spoort met de Gravensteenpraktijk.

De leden van deze groep zijn niet de minste. Etienne Vermeersch, Ludo Abicht, Jean-Pierre Rondas, Bart Maddens, Jef Turf, Tinneke Beeckman, Jan Van Duppen, Luc Doorslaer, Eric Defoort, Willy Courteaux, Edi Clijsters, Jo Decaluwe, Piet van Eeckhaut, Karel Gacoms, Paul Ghijsels, Nelly Maes, Chris Michel, Yves Panneels, Hugo Stevens, Johan Swinnen, Frans-Jos Verdoodt en Jan Verheyen vormen samen de Gravensteengroep. Overlopen we de staat van dienst van deze Gravensteners, dan wordt meteen duidelijk wat wordt bedoeld met het pluralistisch karakter van de groep. Enerzijds zien we mensen als Abicht, Turf en bijvoorbeeld van Eeckhaut die een linkse historiek hebben. Abicht kwam in 2012 op voor Rood, Turf is voorzitter geweest van de communistische partij, Van Eeckhaut is van sp.a-signatuur, Etienne Vermeersch staat gekend als een links intellectueel en ook Tinneke Beeckman profileert zich expliciet als links. Naast deze mensen met een links etiket zien we heel veel bekenden opduiken uit de Vlaams nationalistische strijd die een veel minder links imago uitdragen. Bart Maddens gaf zijn naam aan de Maddens-doctrine en is dus de vader van de verrotingsstrategie. Eric Defoort is een Vlaams nationalistisch historicus en moeilijk als links te categoriseren. Nelly Maes is ex-Volksunie en nu N-VA en ook Jan Verheyen en Jean-Pierre Rondas cirkelen rond N-VA. Chris Michel, de stichter van de Gravensteengroep, is twee jaar woordvoerder geweest van Geert Bourgeois. Het initiatief voor deze groep komt uit N-VA-hoek, niet vanuit de linkerzijde.

Het pluralisme van de Gravensteengroep wordt zo al iets duidelijker. We zien een mengeling van stemmen. Enerzijds een groep die dicht bij N-VA staat en anderzijds een groep  linkse intellectuelen met een Vlaams hart. Echter, belangrijker is of de groep haar inhoudelijke doelstellingen waarmaakt. De relevante vraag is dus of de Gravensteengroep er inderdaad in slaagt om de staatshervorming en de Vlaamse eisen in het perspectief te plaatsen van de verlichtingsstrijd voor meer democratie, meer vrijheid en meer gelijkheid. Slaagt de Gravensteengroep, ondanks een groot aantal N-VA’ers en sympathisanten om een onafhankelijke, progressieve en linkse koers te varen. Deze vragen onderzoeken we hieronder aan de hand van het Gravensteenboek: Land op de tweesprong.

Rondas over het Gravensteenboek

Dit Gravensteenboek is een luxe-uitgave van de ondertussen tien manifesten van de groep, aangevuld met individuele bijdragen van de Gravensteners (expliciet onder eigen naam en verantwoordelijkheid) en foto’s van de Gravenstener Johan Swinnen. Het boek opent met een stukje van Vermeersch over het ontstaan van de groep gevolgd door een ‘Ten geleide’ over de auteurs van het boek. Het eerste inhoudelijk stuk is van de hand van Jean-Pierre Rondas en biedt uitleg ‘Over het Gravensteenboek.’

Die eerste duiding van Rondas is verhelderend. Het toont ons een heel ander plaatje dan de links pluralistische vlag waaronder de groep vaart doet vermoeden. De hele bijdrage spreekt niet in een linkse taal, maar in de intertekstuele traditie van het conservatisme. Rondas spreekt in dezelfde woorden als De Wever of het ‘conservatieve wonderkind’ Thierry Baudet. In die traditie staat de natie voorop. Meer nog de natie is een entiteit op zich die zich onvermijdelijk beweegt op het pad naar de natiestaat. De politieke problemen die België vandaag kent zijn in die logica te herleiden tot het gevolg van het onvoltooid streven van de Vlaamse natie naar een eigen staat:

‘Deze crisis heeft onderhand het karakter van een permanente toestand aangenomen. Historisch gezien is dat ook logisch, want het gaat om een fase in de lange ontwikkeling van natievorming in de Lage Landen, waarbij de Vlaamse natie zich al van voor de Eerste Wereldoorlog aan het losweken is uit de Belgische constructie.’[2]

 

Dit citaat leert ons veel en dit om verschillende redenen. Duidelijk wordt dat Rondas de staatshervorming ziet als een gevolg van de opmars van de Vlaamse natie. Bovendien wordt ook duidelijk dat de natie an sich wordt gezien als een sociale en historische actor. Het zijn in het perspectief van Rondas niet zozeer individuen, politici en drukkingsgroepen die de natie boetseren door middel van een politiek-ideologische machtsstrijd. De natie is historisch gegroeid, ze is er gewoon en zit opgesloten in de Belgische constructie. Rondas hanteert in deze inleiding een klassiek nationalistisch discours veeleer dan een links of democratisch discours. Onderliggend aan deze uitspraken ligt een organisch nationalisme dat de Vlaamse natie voorstelt als echt, natuurlijk en gevormd door de geschiedenis. De Belgische staat daarentegen wordt niet alleen neergezet als een constructie en dus niet natuurlijk maar ideologisch, maar ook als een gevangenis die de Vlaamse natie onderdrukt. Dat verklaart dan de zogenaamde Vlaams nationalistische grondstroom.

De Gravensteengroep en de V-partijen zouden dan de grondstroom van Vlaanderen vertegenwoordigen, aldus Rondas. Rondas begrijpt die grondstroom net zoals De Wever als rechts nationalistisch. En meteen wordt ook de ‘wij-zij’ categorisering van N-VA overgenomen die het echte Vlaanderen contrasteert met het Vlaanderen van de cultuurdragers en andere linkse en wereldvreemde stemmen. De Belgische elite en de linkse elite, nogal vaak worden beide trouwens gelijkgesteld onder het label links tout court, worden dan afgebeeld als de krachten van behoud. Zij strijden tegen het Vlaams nationalisme en hebben alle media in handen: ‘(…) de algemene default position in de redactionele koppen blijft steevast kosmopolitisch, dus multiculturalistisch, dus antinationalistisch, en dus tegen meer Vlaanderen.’[3] Twee zaken vallen terug op. Ten eerste krijgen we hier een doordrukje van het bekende motief over ‘de linkse media’. Dat motief circuleert zeer vlot binnen rechts-nationalistische kringen. Ten tweede en ten gronde is het opmerkelijk dat Rondas zich hier expliciet afzet tegen kernelementen uit het verlichtingsproject dat per definitie universalistisch en kosmopolitisch geïnspireerd was.

De gelijkenissen tussen het discours van Rondas en De Wever zijn opvallend. Net zoals De Wever verwijt Rondas die linkse kerk omdat ze deze universele waarden uitdraagt en omdat  ze aan ‘deconstructie en demontage van Vlaanderen’[4] doen. Die linkse kerk vaart dan uitsluitend ‘ten behoeve van één politiek-institutionele keuze, namelijk pro Belgica.’[5] Net zoals De Wever schuwt Rondas de karikatuur niet in de strijd tegen de (linkse) criticasters van het Vlaams nationalistische project. Het is waarschijnlijk geen toeval dat de Gravensteengroep op geen enkel stuk van de Vooruitgroep geantwoord heeft. In het Gravensteenboek wordt de Vooruitgroep wel genoemd, maar nooit wordt er een stelling geanalyseerd of kritiek beantwoord. Dat kan ook niet, want dan blijft de karikatuur die de Gravensteners uitdragen niet overeind. Dan zou duidelijk worden dat die zogenaamde ‘Belgische nationalisten’ helemaal geen Belgicisten zijn, en al helemaal geen nationalisten. Meer nog, het zou duidelijk maken dat de Vooruitgroep helemaal niet pleit om alles op Belgisch niveau te regelen, de groep pleit immers voor een meerlagige oplossing. Ze pleit wel tegen het idee dat de Vlaamse natie een oplossing is voor de problemen waarmee de Belgische staat en democratie kampt en die de neoliberale globalisering met zich meebrengt.

De Gravensteengroep heeft er blijkbaar alle belang bij om een monolitische Belgicistische elite in het leven te roepen om haar project te legitimeren. Zelfs de historische staatshervorming, onder aanvuren van de Vlaams nationalistische Volksunie, wordt in de schoenen van die Belgicistische elite geschoven. Om de Belgische federatie te behouden, zo betoogt Rondas, ‘is men al sinds 1970 aan het parlementair-democratisch systeem beginnen morrelen, via vergrendeling middels speciale meerderheden die de Vlaamse meerderheid moesten neutraliseren. Het Belgische democratische deficit, dat ten koste gaat van alle Belgische burgers.’[6]  Dit democratisch deficit is een reëel probleem, een probleem waar verschillende oplossingen mogelijk zijn. Volgens Rondas kan van een herfederalisering echter geen sprake zijn, enkel veder splitsen wordt gezien als een legitieme oplossing. Hier zien we terug een kernelement opduiken van Rondas zijn betoog, een element dat hij bovendien terug deelt met N-VA. België wordt daarin gelijkgesteld met de blokkering van de democratie, met het installeren en betonneren van grendels die de Vlamingen minoriseren.[7] Minder België staat dan per definitie gelijk met meer democratie. Dat is ook de reden waarom men steevast de Vlaams nationalistische eisen zal verkopen als democratische eisen. In die ‘Vlaamse democratie’ zou er dan eindelijk geregeerd worden volgens de eigenheid van de Vlamingen. In wezen heeft dit echter weinig met democratie te maken. Een dergelijk spreken heeft wel een lange traditie binnen het conservatisme. Impliciet steunt deze retoriek op een vox populisme waarmee Rondas zich opstelt als de vertolker van de Vlaamse democratie, van de stem van het Vlaamse volk. Net zoals Baudet en De Wever begrijpt Rondas democratie als de stem van het volk. Net zoals die twee denkers ziet hij homogeniteit als een voorwaarde van democratie. Nochtans is democratie net het systeem bij uitstek om diversiteit een plaats te geven.

De vaststellingen die we hier maken over het perspectief van Rondas op ‘het Belgische probleem’ zouden kunnen afgedaan worden als loutere toevalligheden. Immers, het is geweten dat Rondas dicht aanschurkt bij de N-VA en bovendien wordt in het boek heel duidelijk gesteld dat de bijkomende teksten naast de manifesten zelf, louter onder de verantwoordelijkheid vallen van de auteur in kwestie en dus niet noodzakelijkerwijs het perspectief van de Gravensteengroep in zijn geheel vertolken. Ondanks deze disclaimer zien we een opmerkelijke consistentie in de verschillende teksten die volgen. Bovendien kunnen we er niet langs dat het stuk van Rondas niet alleen een inleiding is op alle teksten in het boek, het is ook geschreven door de redacteur van het boek. Het algemeen kader dat Rondas schetst is weldegelijk een goede inleiding op de verschillende manifesten en zelfs op de teksten ter persoonlijke titel. We duiden dit hieronder.

Land op de tweesprong: manifesten ter ontgrendeling van Vlaanderen

Het is hier niet de plaats om in detail in te gaan op de verschillende manifesten (de Vooruitgroep heeft dat al met verve gedaan[8]), laat staan op het hele boek. Wat wel interessant is, is om enkele van de opvallende concepten boven te halen uit het discours van de Gravensteengroep en ze naast het discours van N-VA te plaatsen. We starten door het algemeen perspectief van de Gravensteengroep op de Belgische situatie te schetsen en zo ook de positie te bepalen die de Gravensteengroep zichzelf toekent in dat politiek-ideologische en maatschappelijke veld. We zullen hieronder focussen op kernconcepten uit een linkse strijd, een strijd voor verlichting zoals gelijkheid, vrijheid, democratie en solidariteit. We baseren ons hiervoor op respectievelijk het eerste en het tweede Gravensteenmanifest.

De Belgische elite, de status-quo en democratische chantage

Het eerste Gravensteenmanifest start met een expliciete zelfdefiniëring van de groep en haar taak. Duidelijk wordt gemaakt dat de standpunten volgens de auteurs standpunten zijn die strijden voor gelijkheid en vrijheid, voor democratie en de mensenrechten. Kortom, de Gravensteners achten het van groot belang om zichzelf in de markt te zetten als intellectuelen die de erfenis van de verlichting hoog in het vaandel dragen. Opmerkelijk is wel dat ze hun peilen vanaf dag 1 richten op de linkse elite die in wezen conservatief zou zijn:

Dat een flink deel van de Vlaamse culturele wereld de intellectuele moed mist om deze analyse [dat de Belgische constructie onherroepelijk vast zit]  te maken, is onbegrijpelijk. Dat ze zich, samen met de oude Belgische elites, vastklampt aan een Belgische status-quo, is onaanvaardbaar. Dit zelfverklaard ‘progressief Vlaanderen’ stelt zich behoudsgezind op en dreigt de trein van de geschiedenis te missen.’ [9]

Vanaf het eerste manifest is de intertekstuele verbondenheid met het N-VA-discours onmiskenbaar. Terug krijgen we een linkse kerk die belgicistisch is en het status quo bewaart versus de Gravensteengroep die ‘de realiteit’ en zelfs de ‘loop van de geschiedenis kent’ en ze tot uitvoer wil brengen. Die loop van de geschiedenis wordt dan begrepen vanuit de klassiek nationalistische premisse dat de Vlaamse natie een Vlaamse staat moet krijgen. Dat is de ‘onomkeerbare optie op de toekomst.’[10] De oprichting van de Vlaamse natiestaat is de enige oplossing voor ‘de chaos die de Belgische constructie na 177 jaar lapwerk kenmerkt,’ [11] aldus De Gravensteengroep.Wie daartegenin gaat, zoals de culturele wereld en de oude Belgische elite, gaat dan ook in tegen de realiteit. Zij klampen zich dan vast aan de status-quo. Die nadruk op de status quo is ook een buzzwoord uit het N-VA-discours. Terug zien we hetzelfde perspectief om naar de realiteit te kijken zoals Rondas en N-VA reeds voordeden. Links, de culturele wereld en de oude (in de feiten niet meer bestaande) Franstalige Belgische elite in Brussel worden niet alleen voorgesteld als oppermachtig, maar ook als conservatief en beschermers van de  status quo.

De karikatuur regeert. Zij, die linkse kerk, zijn de ware conservatieven. Zij zijn Belgische nationalisten. Zij verknechten Vlaanderen, ze minoriseren Vlaanderen en onderdrukken zo ‘de meerderheid’ en ‘de democratie’. Terug krijgen we de constructie van een eenduidige vijand die alle criticasters van de Vlaamse eisen afschildert als oude belgicisten die de Vlaamse zaak verloochenen tegen de stem van het Vlaamse volk in. Opmerkelijk is ook dat we hier een hele politiek-ideologische uitholling  vaststellen van de termen progressief en conservatief. Deze termen verwijzen in het Gravensteendiscours niet meer naar hun historische betekenis.

In die historische betekenis strijden progressieven voor het realiseren van de verlichte samenleving. Zij verdedigen de waarden van de radicale verlichting: vrijheid, gelijkheid van elk individu. Progressieven zetten dus in op universele rechten, op democratie en solidariteit georganiseerd op een zo groot mogelijke schaal. De democratie is een instrument om dat mogelijk te maken. Democratie is dan een groot verhaal dat niet te herleiden is tot louter verkiezingen en al helemaal niet te herleiden is tot ‘de stem van het volk’, tot populisme. De radicale verlichtingsstrijd staat haaks op het organisch nationalisme. De verlichting ijvert voor universele rechten, voor een kosmopolitisme, voor een stelselmatige uitbreiding van de democratie en voor een uitbreiding van de solidariteit. Het is net het conservatisme en zeker het revolutionair conservatisme dat ijvert voor het particuliere. De morele orde en de gezondheid van het kostbare weefsel van de natie primeert voor conservatieven altijd op de rechten van het individu.[12]

In het discours van de Gravensteners zijn degene die pleiten om de solidariteit op een zo’n groot mogelijk schaal te houden echter de conservatieven. Terwijl het beperken van de solidariteit tot de Vlaamse natie voorgesteld wordt als progressief. Deze omkering is cruciaal om de vlag waaronder de Gravensteengroep vaart geloofwaardig te houden. Immers, moest de groep deze termen met hun historische betekenis hanteren, dan zou duidelijk worden dat hun nationalisme enkel maar als conservatief te brandmerken valt, zeker als ze dan nog eens gepaard gaat met een strijd tegen individualisme, kosmopolitisme en de nadruk op een ‘gezond sociaal weefsel’[13] waarin iedere nieuwkomer, en dus ook Franstaligen, zich moeten inburgeren. Centraal element hierin is, zoals in elk volksnationalistisch discours: ‘de taal.’[14]

Net zoals alle nationalisten staat taal bovenaan het prioriteitenlijstje van de Gravensteengroep: de taal is gansch dat volk niet waar. Dat vertaalt zich in een heel scherpe visie op meertaligheid en vooral op het spreken van Frans op het Vlaamse grondgebied. Zolang de Franstaligen niet akkoord gaan met die plicht om Nederlands te spreken op het Vlaamse territorium en zich te schikken naar de ‘Vlaamse meerderheidscultuur’ ondergraven ze volgens de Gravensteengroep ‘het principe van de politieke solidariteit tussen de gewesten, en meteen ook van de Belgische federale structuur op zich.’[15] Om die taal en de vergaande autonomie van de Vlaamse natie af te dwingen, dreigt de Gravensteengroep ermee om die sociaaleconomische solidariteit op te blazen. Solidariteit is dus niet het strijddoel van de Gravensteengroep, maar wordt gehanteerd een chantage-instrument. Taal en de natie primeren duidelijk op de centrale waarde van een links gedachtegoed: de herverdelende, interpersoonlijke solidariteit.

Voor de Gravensteengroep bestaat enkel de natie, de Vlaamse natie in opmars. Dat is het begin en het einde van de argumentatiehorizon. Centrale eisen van dit eerste Gravensteenmanifest in 2008 zijn, naast de taalkwestie op het grondgebied,  het respect voor ‘grens en ruimte’[16], de onmiddellijke splitsing van BHV en de ‘reële tweetaligheid in Brussel.’[17] Enkel dan is een confederaal België mogelijk, zo niet is het splitsen geblazen: ‘wie een hervorming in deze democratische zin afwijst, pleit in feite voor de ontbinding van die staat.’ [18] Vanaf het eerste manifest is de positie van de Gravensteengroep in feite al zeer duidelijk: het gaat om de Vlaamse natie, dat is democratie. De intertekstuele verbondenheid met het N-VA-discours is overduidelijk.

Solidariteit en solidariteit is twee

Het loont de moeite om even verder in te gaan op het concept solidariteit. Een analyse van de betekenis die aan het concept solidariteit toegekend wordt is een interessant instrument om te bepalen welke traditie voorrang heeft in de Gravensteenstrijd.  Solidariteit is immers niet alleen een kernconcept van elk links denken maar heeft ook een lange nationalistische traditie. In die linkse traditie verwijst solidariteit naar herverdeling, naar het recht op een menswaardig leven en dus naar de universele rechten van de mens. In een nationalistische traditie à la Renan verwijst solidariteit echter naar iets helemaal anders: naar nationale lotsverbondenheid en dus een sterke nationale identiteit. Of zoals De Wever het benoemt: de ‘spontane solidariteit’ die ontstaat als er een gezond kostbaar weefsel is binnen de natie.

Maken we die analyse dan zien we dat verbondenheid het kernwoord is als de Gravensteengroep spreekt over solidariteit. Zo wijst de groep in haar tweede Gravensteenmanifest er initieel terecht op dat solidariteit als instrument voor de bewerkstelliging van gelijkheid centraal staat in het verlichtingsdenken en in het socialisme. Ze wijst er ook terecht op dat binnen het socialisme solidariteit als grensoverschrijdend en dus universeel gedacht werd. En de groep wijst er ook terecht op dat dit ideaal vaak niet gerealiseerd werd. De groep wijst er ook terecht op dat in het links denken solidariteit niet verwijst naar liefdadigheid maar naar herverdeling via een sociale structuur gericht op het verminderen van ongelijkheid.

De eerste paragrafen van dit tweede manifest indexeren een verlichte positie inzake solidariteit. Meer nog, ze laten uitschijnen dat de Gravensteengroep zelfs een socialistisch perspectief op solidariteit zou aanhangen. Die lezing van de positie van de Gravensteengroep komt echter te vroeg. Na deze uiteenzetting van de historische politieke ideologische strijd over de betekenis van solidariteit verduidelijkt de groep haar eigen lezing. Die lezing is duidelijk gekoppeld aan haar nationalistische strijd. Want zo betogen de Gravensteners:

“dit principe wordt in de huidige Belgische context misbruikt. Wie in dit land durft te pleiten voor het verder ontwikkelen van de regionale solidariteit, die vandaag één van de wezenlijke voorwaarden vormt voor het behoud van de solidariteit in België, wordt bij voorbaat verdacht gemaakt.”

Een eigen Vlaamse solidariteit is voor deze Gravensteners de basis voor het behoud van de solidariteit op het Belgische niveau. Daarom zijn er in dit land hoogdringend institutionele hervormingen nodig. Enkel als  ‘Het naast elkaar bestaan van deelstaten, als gelijkwaardige partners, biedt mogelijke garanties voor een reële én realiseerbare solidariteit, voor een op maat gemaakte invulling van regionale behoeften en individuele noden, en voor het aanpassen van onze sociale zekerheid aan nieuwe internationale uitdagingen.’ [19]  Er komen twee argumenten bovendrijven: (1) Solidariteit moet gekoppeld worden aan de Vlaamse (deel)staat om ‘realistisch’ te zijn. (2) Enkel op het Vlaamse niveau kan onze sociale zekerheid de ‘internationale uitdagingen aan’ aldus de Gravensteengroep. We overlopen eerst het eerste argument, we eindigen met de idee dat splitsing van de sociale zekerheid het antwoord is op ‘de internationale uitdagingen’.

De Gravensteners betogen dus dat een solidariteit op het Belgische niveau compleet onhaalbaar is omdat er geen politieke solidariteit is. Enkel een Vlaamse solidariteit is ‘realistisch’ want gebaseerd op onze individuele behoeften en noden. In naam van de verlichting argumenteren tegen uitbreiding van solidariteit, tegen universalisme en dus ook tegen idealisme en vooruitgang is natuurlijk heel vreemd. Moesten de verlichtingsdenkers gedacht hebben in termen van realisme dan hadden we vandaag geen democratie, geen mensenrechten en geen sociale zekerheid. Het argument van de Gravensteengroep past dan ook in een heel andere, maar even oude politieke traditie. Dit is een klassiek antiverlichtingsargument. Alle antiverlichtingsdenkers hebben twee eeuwen lang strijd gevoerd tegen ‘de utopie’ van de radicale verlichting. Allen hielden een pleidooi voor ‘realisme’ en tegen abstractie. Allen benadrukten dat de utopie van vrijheid, gelijkheid, solidariteit, democratie en universele mensenrechten tot drama’s gingen leiden en onrealiseerbaar waren want indruisend tegen de natuurlijke orde. Van Burke over Renan tot De Wever: allen zien ze de rechten van de mens als te abstract. De Gravensteengroep spreekt in diezelfde traditie als ze zeggen dat solidariteit enkel op een nationale basis kan functioneren.

‘Solidariteit moet de relatie tussen individu en maatschappij regelen. Zij vormt een reactie tegen het vooropstellen van het eigen belang en betekent een bewuste keuze voor de verbondenheid met anderen.’ [20]

Het gaat dus niet over automatische en onvoorwaardelijke solidariteit als deel van de onvervreemdbare rechten van elk individu, maar over wederkerigheid. Over voor wat hoort wat, over vrijwillige solidariteit en nationalistische solidariteit. Solidariteit wordt ook door de Gravensteengroep gekoppeld aan nationale identiteit. Enkel als er nationale verbondenheid is, kan er solidariteit zijn. Deze definitie stelt een nationalistische interpretatie voorop van solidariteit. Solidariteit stoelt dan niet op het onvervreemdbare en universele recht van elk individu op gelijkheid, maar

op de idee van gelijkwaardigheid en verdraagzaamheid. Het veronderstelt wederkerigheid    en vrijwilligheid. Wie zich solidair verklaart, aanvaardt een gedeelde verantwoordelijkheid.’ [21]

De solidariteit van de Gravensteengroep is een nationalistische solidariteit zoals Renan en De Wever het voor ogen hebben: het gaat dan in eerste instantie over ‘verbondenheid met andere leden van de gemeenschap’, veeleer dan dat men spreekt over herverdeling en gelijkheid. De universele dimensie van solidariteit valt weg. Niet de mensheid bepaalt de visie op solidariteit maar de natie. We horen hier terug geen links discours, maar een nationalistisch discours. Een discours ook over wederkerige, voorwaardelijke én vrijwillige solidariteit. Enkel als je bijgedragen hebt, kan je rekenen op solidariteit. Solidariteit moet voor de Gravensteners niet in eerste instantie gelijkheid realiseren door te herverdelen, maar ‘moet de relatie tussen individu en maatschappij’[22]   regelen. Maatschappij lezen we hier dan ook het best als een synoniem met de Vlaamse natie. Deze invulling van solidariteit is immers een springplank voor het ontmantelen van België en dus ook de ontmanteling van de bestaande geïnstitutionaliseerde solidariteit.

Dergelijk discours wordt ook door N-VA uitgedragen. Dit discours over solidariteit steunt op twee fundamenten. Enerzijds op de idee van de Vlaamse natie waarin alle Vlamingen zich verbonden weten en anderzijds het bekende verhaal van rechten en plichten. Vanuit het eerste fundament wordt benadrukt dat enkel nationale solidariteit mogelijk en wenselijk is. Enkel als mensen een identiteit delen, zich verbonden voelen, zullen ze solidair willen zijn. Dat is een punt dat Bart De Wever sinds de start van zijn politieke loopbaan reeds benadrukt: de natie is de basis van de solidariteit. Solidair zijn kunnen we in deze logica enkel met mensen waarmee we ons verbonden voelen. De Gravensteengroep herhaalt gewoon die visie. Voor hen is echte solidariteit, net zoals bij De Wever,  solidariteit ‘vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid, vanuit het diepe morele besef dat het normaal is dat wij de medemens hulp bieden, wanneer wij daartoe in staat zijn.’[23]  Opmerkelijk hier is de afwezigheid van de koppeling tussen gelijkheid, vrijheid en universaliteit. Gelijkheid was volgens de radicale verlichtingsdenkers de universele dimensie van vrijheid. Enkel als we gelijk waren konden we vrij zijn. Deze referentie naar de verlichtingstraditie ontbreekt in de definiëring van solidariteit. We krijgen wel intertekstuele referenties naar nationalistische en conservatieve opvattingen over solidariteit in woorden als: moreel besef, hulp geven aan de medemens als we daarvoor genoeg middelen hebben. Wij bepalen dus zelf als we solidair zijn en hoe we solidair zijn.

Er kan ook solidariteit zijn met bevriende naties maar dan moet die solidariteit kaderen in ‘transparante politieke structuren’ en bijdragen tot de ‘responsabilisering van de regionale besturen.’  Naties moeten er zelf voor kiezen om solidair te willen zijn. Het zijn in deze nationalistische logica niet individuen die onderling solidair zijn via de staat, maar de natie die kiest om solidair te zijn met een andere natie (waarmee men schijnbaar doelt op Wallonië). Solidariteit met Wallonië is dan maar mogelijk als Wallonië zich politiek solidair verklaard met Vlaanderen, of in andere woorden als de Franstalige politici instemmen met de Vlaamse eisen voor een confederaal België. Solidariteit is hier terug voorwaardelijk. Enkel als Vlaanderen haar eigen solidariteitsmechanismen (lees geld en macht) in handen krijgt is Vlaanderen volgens de Gravensteners nog bereid om solidair te zijn met Wallonië maar wel op Vlaamse voorwaarden. Net zoals N-VA gebruikt de Gravensteengroep solidariteit als een responsabiliseringsmechanisme. Mooie termen als transparantie verhullen dat men de facto de interpersoonlijke solidariteit opblaast. En ook dat heeft ze gemeen met N-VA die in naam van de efficiëntie, transparantie en de oversolidariteit strijdt tegen de interpersoonlijke solidariteit.

Ook het idee van wederkerigheid en vrijwilligheid dat voor de Gravensteners een integraal onderdeel uitmaakt van de solidariteit, toont aan dat hier een heel andere solidariteit naar voor geschoven wordt dan degene die links traditioneel naar voorschuift. Links ziet solidariteit als herverdeling met als doel gelijkheid tussen individuen te bewerkstelligen. De conservatieve en nationalistische solidariteit is gebaseerd op enerzijds vrijwilligheid, anderzijds op wederkerigheid. Met vrijwilligheid wordt verwezen naar het idee dat de Vlamingen zelf moeten kiezen om solidair te willen zijn met de zwakkeren in de samenleving en met bevriende naties zoals Wallonië. Die solidariteit is niet eindeloos, maar is afhankelijk van wat de ontvangers van de solidariteit hebben bijgedragen tot de samenleving. Als ze niets hebben bijgedragen, dan komen ze ook niet in aanmerking voor de solidariteit. Maar ook als de ontvangers hun verantwoordelijkheid niet opnemen, door bijvoorbeeld snel werk te vinden, dan sluiten ze zichzelf ook uit van de solidariteit. Terug is de intertekstuele verbondenheid met de N-VA-retoriek en breder met de conservatieve en nationalistische politiek-ideologische stroming overduidelijk.

De laatste onbeantwoorde vraag is nu of en hoe een dergelijke Vlaams nationale solidariteit een antwoord kan zijn op het internationale neoliberalisme. Het tweede manifest spreekt daar, afgezien van de bovenstaande claim, met geen enkel woord over. Die afwezigheid van expliciete argumenten doet vermoeden dat deze groep van menig is dat enkel een nationale solidariteit voldoende draagvlak heeft en dat die nationale verbondenheid dan het warm nest schept die ons wapent tegen die neoliberale aanval. Hoe het ook mag zijn, het is duidelijk dat een nationale solidariteit, ook op Belgisch niveau in deze tijden van globalisering absoluut niet voldoende is.

De Gravensteengroep houdt hier in naam van het realisme, van de verlichting en zelfs in naam van links een pleidooi om de bestaande solidariteit te ontmantelen en her op te bouwen op Vlaams niveau. Hoe dat men in tijden van neoliberale en rechtse dominantie in Vlaanderen ooit een versteviging van de solidariteit kan realiseren in deze context wordt niet beargumenteert. Hoe dat het naar beneden herschalen van solidariteit, en dus een solidariteit voor ‘het eigen volk’ voorop stelt, ooit kan zorgen voor een bredere solidariteit is een vraagteken natuurlijk. Vandaag zien we dat het Belgische niveau al schromelijk te kort schiet om gelijkheid te realiseren voor eenieder. De hypermobiliteit van de 21ste eeuw vertaalt zich immers in de aanwezigheid van heel veel verschillende nationaliteiten op één grondgebied. Aangezien onze rechten gekoppeld zijn aan onze nationaliteit betekent dat in de praktijk een toename van ongelijkheid. De solidariteitsmechanismen sluiten nu al mensen uit, dat kan echter ondervangen worden als we een uitbreiding krijgen van de solidariteit. Solidariteit kan niet behouden blijven op een loutere nationale schaal. De droom van een verlichte, universele solidariteit is een noodzaak in tijden van globalisering en superdiversiteit. De Gravensteengroep leidt ons naar de andere richting.

 

De Gravensteengroep als discursieve linkervleugel van N-VA

Het besluit kan niet anders dan hard zijn. De Gravensteengroep is in eerste instantie en nationalistische groep en net door haar nationalisme ondermijnt ze de solidariteit. De Belgische solidariteit willen ze ontmantelen om in de plaats een Vlaamse sociale zekerheid op te bouwen in een rechts en neoliberaal Vlaams landschap. De facto zou dat dus twee maal een verzwakking betekenen van de solidariteit. Bovendien is die solidariteit absoluut geen afdoend antwoord op de neoliberale globalisering. De Gravensteengroep spreekt duidelijk in dezelfde intertekstuele traditie als N-VA: die van het organisch nationalisme en de antiverlichtingstraditie.

Waar de Volksunie gekend stond voor haar linkse en rechtse vleugel binnen de partij, kan ook N-VA steunen op een ‘prominente linkervleugel’. Bovendien heeft die linkervleugel meer macht omdat ze in de perceptie zelfs los staat van die partij. Het zijn linkse intellectuelen die hetzelfde discours uitten als N-VA. Dit is een ideaal instrument in de strijd om de Vlaams nationalistische ideologie te hegemoniseren. Het profiel van N-VA is immers uitgesproken rechts, neoliberaal en nationalistisch, haar imago is echter dat van een rechts gematigde, democratische en nationalistische partij. Het imago van de Gravensteengroep en haar discours versterken het imago van N-VA als een redelijke partij nogmaals: zelfs linkse intellectuelen vertellen hetzelfde.

Het project van de Gravensteengroep is des te opmerkelijker omdat ze het aura van links en progressief nog steeds meedraagt in de perceptie van velen. Nochtans is na tien manifesten en een heus boek met dezelfde manifesten en individuele bijdragen van de auteurs meer en meer duidelijk dat er maar een iets bovenaan de agenda staat van die Gravensteengroep en dat is de Vlaams nationalistische strijd. Onderliggend aan alle manifesten is het idee van de Vlaamse natie, het idee van een homogeen Vlaanderen, het idee van België als een land met twee gemeenschappen, twee naties. En net omdat ze België zien als twee naties, moet het land in het beste geval omgevormd worden tot een confederatie, in het slechtste moet het geheel splitsen.

Dat er in België echter veel meer gemeenschappen en identiteiten zijn, lijkt niet bij de Gravensteners op te komen. Superdiversiteit wordt ontkend, en als de aanwezigheid van diversiteit al wordt erkend, dan moet die zo snel mogelijk weggewerkt worden: allochtonen moeten inburgeren. Maar niet alleen allochtonen moeten Vlamingen worden, ook Brussel in zijn geheel moet in de nationalistische logica geduwd worden. Brussel mag geen gewest worden. Hoewel een moderne visie op stedenbeleid ons noodzaakt om in te zien dat Brussel best uitgebreid wordt en meer bevoegdheden krijgt, zien we bij de Gravensteners daarover enkel maar walging. Brussel moet onder koloniale voogdij van Vlaanderen en Wallonië komen te staan.[24] Een standpunt dat ze terug delen met N-VA. België moet absoluut in het format van twee naties worden geduwd. En zo wordt het primaat van de nationalistische ideologie van de Gravensteners nogmaals duidelijk geïllustreerd. Niet meer democratie staat voorop, maar de Vlaamse natie.

Dat dit nationalistische denkkader centraal staat, blijkt ook uit het feit dat in alle bijdragen uit het boek de kerndomeinen van het nationalisme besproken worden: territorium, identiteit en verbondenheid, taal,  nationale solidariteit, de natie en haar staat(svorming). Meer nog, in de feiten zien we niet alleen gelijkaardige denktrends en argumentatie- of non-argumentatielijnen als N-VA. De concepten, zinnen, ideeën, oneliners en verwoordingen, ideeën en eisen tot de presentatie van hun positie toe, zijn bij momenten letterlijke kopieën van het N-VA-discours. We zien niet alleen impliciete intertekstualiteit, maar heel vaak ook een expliciete intertekstuele verbondenheid met N-VA en het discours van De Wever in het bijzonder. Omgekeerd wordt ook duidelijk dat De Wever met aandacht luistert naar die Gravensteengroep en ook haar concepten overneemt. Zo laat hij in zijn 11 juli-speech van 2012 het volgende citaat optekenen:

‘In dit land werd de meerderheid al institutioneel geminoriseerd door de grendelgrondwet. Nu wordt de meerderheid ook politiek en democratisch geminoriseerd. De meerderheid van dit land, de gemeenschap die bovenmatig bijdraagt  tot de staatsfinanciën, is de minderheid geworden in de huidige federale regering.’[25]

De Wever hanteert hier niet alleen een van de centrale concepten van de Gravensteengroep (zie bv. het concept de grendelgrondwet van 1970) maar ook de centrale idee van een democratie die herleid wordt tot de dictatuur van een demografische meerderheid. De intertekstuele verbondendheid tussen het N-VA-discours en het discours van de Gravensteengroep is manifest en expliciet. In de feiten fungeert de Gravensteengroep als niets anders dan de ‘linkervleugel’ in disguise van de N-VA.

 

 


[1] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[2] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg pg.13

[3] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg 2012 pg.14

[4] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg 2012 pg.14

[5] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg 2012 pg.14

[6] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg 2012 pg.13

[7] Rondas, J-P, (2012). Grendel is een monster in Beowulf. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[8] Zie de website van de Vooruitgroep voor alle analyses, reacties en opiniestukken: http://vooruitgroep.wikidot.com/teksten

[9] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest: Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[10] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[11] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[12] Zie hiervoor o.a. Israel, J. (2010). A revolution of the mind. Radical Enlightenment and the intellectual origins of Modern Democracy. Princeton; Oxford: Princeton University Press.  En Israel, J. (2011).Democractic Enlightenment. Philosophy, Revolution, and Human Rights 1750-1790. Oxford & New York: Oxford university Press. Sternhell, Z. (1995). Neither right, nor left: Fascist ideology in France. Princeton, New Jersey: Princeton University Press. ; Sternhell, Z. (1996). The intellectual revolt against liberal democracy 1870-1945, Jerusalem: The Israel academy of sciences and humanities.; Sternhell, Z., (2010). The Anti-Enlightenment Tradition. New Haven; London: Yale University Press.

[13] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[14] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[15] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.29

[16] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.29

[17] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.29

[18] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.29

[19] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[20] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[21] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[22] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[23] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[24] Vooruitgroep, 2011: Principes of willekeur? De Vooruitgroep verwerpt twee van de drie Gravensteenprincipes. http://vooruitgroep.wdfiles.com/local–files/teksten/Vooruitgroep%20opiniestuk%2015.pdf

[In Knack] De juridische strijd tegen racisme is doorn in het oog van N-VA

De strijd voor de mensenrechten is in de N-VA-logica ondergeschikt aan het belang van de natie en de vermeende overtuigingen van de Vlamingen. Racisme moet niet bestraft of vervolgd worden. Inzetten op de morele opvoeding en harmonieuze integratie: enkel dan kunnen ‘zij’ aanvaard worden als volwaardige Vlamingen.

N-VA-fractieleider in Antwerpen André Gantman laat er geen misverstand over bestaan: het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding (CGKR) moet opgedoekt worden, niet omdat ze te weinig juridische strijd voert tegen discriminatie, maar omdat die juridische strijd ‘niet productief’ is. Morele opvoeding, daar moet op ingezet worden. Afgaande op zijn opeenvolging van controversiële uitspraken zou het publiek kunnen vermoeden dat Gantman een soort losgeslagen einzelgänger is die het zorgvuldig geconstrueerde imago van N-VA als een gematigd rechtse partij steeds opnieuw vakkundig doorprikt. Niets is minder waar.

Dit stuk verscheen ook op Knack.be

Neutraal in de strijd tegen racisme

Al in 1997 wou Geert Bourgeois de werking van het Centrum inperken. N-VA is nooit afgeweken van deze Volksunielijn, in tegendeel. De juridische strijd tegen racisme en discriminatie is een ware doorn in het oog van de partij. ‘Zo’n centrum moet informatie vergaren en de overheid correct inlichten, maar moet niet de plaats van de politiek of het gerecht innemen,’ zei Bart De Wever in 2006.’ Het is dan ook geen toeval dat De Wever sterk gekant was tegen het racismeproces van het Centrum en de Liga voor de mensenrechten tegen het Vlaams Blok omdat het precedentwaarde had. En ook in 2011 is de partij duidelijk: ‘Het repressieve karakter, zoals het beginnen van rechtszaken, behoort niet tot de job.’

Het Centrum moet volgens N-VA volledig neutraal zijn, absurd genoeg ook in de strijd tegen racisme. Nochtans is die juridische strijd volledig in lijn met de wettelijke opdracht van het Centrum. Meer nog, het is niet alleen een expliciete taak van het CGKR om juridisch te ageren tegen discriminatie, de bevoegdheden en de onafhankelijkheid van het Centrum zouden nog uitgebreid en versterkt moeten worden volgens mensenrechtenspecialiste Eva Brems (Groen). Enkel dan kan het Centrum op Europees niveau volwaardig meespelen en erkend worden door de Verenigde Naties.

De Vlaamse opinie vs Mensenrechten

Voor N-VA mag het Centrum echter enkel ‘een positief verhaal brengen’. In de woorden van Gantman heet dit vandaag ‘morele opvoeding’ en bijdragen tot ‘harmonieuze integratie’. Organisaties als het Centrum moeten inzetten op die integratie, want racisme dat is vaak niet meer dan een cover up voor persoonlijke mislukkingen, dixit Liesbeth Homans. Lees: ze kunnen geen Nederlands en zijn geen Vlaming onder de Vlaming.

Bovendien, zo verduidelijkte Homans wars van elke kennis van de mensenrechten: racisme is geen misdaad tegen de menselijkheid. Het Centrum moet dus vooral gericht zijn op inburgeren. Het moet daarom ook een Vlaams Centrum worden, aldus Theo Francken. Want enkel dan kan het ‘minder wereldvreemd de praktijk benaderen’, en dat is nodig want nu kunnen ‘hun voorstellen op weinig tot geen steun rekenen van Vlaanderen’. Niet de universele mensenrechten, maar de Vlaamse publieke opinie moet de moraal maken.

De strijd voor de mensenrechten is in de N-VA-logica ondergeschikt aan het belang van de natie en de vermeende overtuigingen van de Vlamingen. Racisme moet niet bestraft of vervolgd worden. Inzetten op de morele opvoeding en harmonieuze integratie: enkel dan kunnen ‘zij’ aanvaard worden als volwaardige Vlamingen. In naam van ons allen wil men de verzekering van de mensenrechten ondergraven. Dat men daarmee het fundament van de democratie ondergraaft, namelijk het gelijkheidsbeginsel, is blijkbaar van geen tel. Gantman is goed geïntegreerd in de antiverlichtingsideologie van N-VA. Dat is helaas geen geruststelling. Integendeel.

Ico Maly is doctor in de cultuurwetenschappen, coördinator van Kif Kif en auteur van ‘N-VA. Analyse van een politieke ideologie’

Voert N-VA een aanval uit tegen de Belgische democratie en de waarden van de Verlichting?

Ik zal in deze inleiding op het debat deze vraag, mits enkele nuanceringen, met ja beantwoorden. Omdat ik er vanuit ga dat er over democratie en Verlichting geen consensus bestaat, zelfs niet bij de gerespecteerde panelleden van vandaag, zal mijn argumentatie omstandig zijn. Ik zal daarbij een heel eind terug gaan in de tijd vooraleer ik effectief over N-VA en haar project an sich zal spreken.

Democratie en mensenrechten als kinderen van de radicale Verlichting

Meer bepaald dienen we terug te gaan naar de 18de eeuw: de eeuw van de Verlichte revoluties. De eeuw waarin radicale denkers ons de democratie geschonken hebben. In die 18de eeuw zien we een hele resem aan nieuwe ideeën ontstaan die breken met het Ancien Regime. Vrijheid, gelijkheid, tolerantie, solidariteit, gelijke rechten, democratie; het zijn kinderen van een brede politiek-ideologische en emancipatorische strijd. De strijd van de filosofen was in eerste instantie een politieke strijd. Rousseau zei niet zomaar:“I saw that everything essentially depended on politics.” Het was een strijd voor een betere wereld, een emancipatorische strijd van de rede, een verzet tegen onderdrukking. Een strijd voor de autonomie van het individu om zijn leven in vrijheid uit te bouwen.

Ondanks de coherentie in streefdoelen was de Verlichting echter geen consistente theoretische constructie. Meningsverschillen en soms zelfs tegenstrijdige ideeën zijn essentiële karakteristieken van de Verlichting. En hier kom ik meteen bij een eerste noodzakelijke nuance. Er is, zeker als we nadenken over democratie en mensenrechten, niet zoiets als Dé Verlichting. Als we de gerenommeerde historicus Jonathan Israel volgen heeft iedereen die spreekt over dé Verlichting als een coherente theoretische constructie weinig tot niets begrepen van wat er zich in die revolutionaire eeuw afspeelde. “Immers”, zo stelt Israel, “de Verlichting herbergt een hele resem aan verschillende stromingen die vaak diametraal tegenover elkaar staan. Twee belangrijke stromingen binnen die Verlichting, namelijk de gematigde en de radicale Verlichting hebben door de Amerikaanse en Franse revolutie de loop van de geschiedenis gestuurd. Het was echter enkel de radicale stroming die democratie, mensenrechten en de ondeelbaarheid van de mensheid voorstond.”

De gematigde Verlichting zoals die uitgedragen werd door Rousseau, Kant, Hume en Voltaire leidde niet naar democratieën of naar universele mensenrechten. De gematigde Verlichtingsdenkers – Voltaire en Kant bijvoorbeeld – hielden helemaal geen pleidooi voor democratie, maar voor Verlichte monarchieën. Rousseau twijfelde heel sterk aan de mogelijkheid van een democratie in een groot land als Frankrijk. Kant vond democratie zelfs per definitie despotisch. Ook het recht op verzet, zo belangrijk in de ideologie van de revoluties, was niet aanwezig in hun denken. Gelijkheid, nog zo’n centrale waarde van de Verlichte revoluties stond dan weer wel centraal bij Rousseau, Voltaire daarentegen staat tot op vandaag gekend voor zijn misprijzen van de gewone man. Er mogen dan wel een aantal centrale Verlichtingsideeën zijn zoals vrijheid en gelijkheid, dat wil dus niet zeggen dat die door alle denkers die we vandaag als Verlichtingsdenkers beschouwen, gelijk begrepen worden. Deze gematigde Verlichting, die verschillende Verlichte monarchieën baarde, maakte wel de weg vrij voor de radicale Verlichtingsdenkers die vanaf de jaren 1780 dominant gaan worden.

De Amerikaanse revolutie en de strijd tegen de slavernij

De Amerikaanse revolutie is te begrijpen als een compromis tussen de gematigde en de radicale Verlichting. Dit verklaart meteen ook de halfslachtigheid in sommige keuzes van de founding fathers: geen afschaffing van de slavernij en geen doorgedreven democratie. Zelfs in Pennsylvania, waar radicale Verlichtingsdenkers, inclusief Paine, in 1776 een coup pleegden om vervolgens een in grote mate democratische grondwet op te stellen, waren de waarden van de radicale Verlichting niet helemaal in de realiteit vertaald. Ondanks grote verdiensten zoals het toekennen van stemrecht aan ongeveer alle mannelijke volwassenen, waren er tegelijkertijd grote tekorten in het realiseren van het algemene gelijkheidsbeginsel. Pas in 1780 slaagden de radicale denkers erin, met de hulp van de Quakers, om een antislavernij-wet goedgekeurd te krijgen. Maar ook deze wet was onvoldoende: slaven werden maar vrij als ze 28 werden – een leeftijd die ze maar zelden haalden. Deze tekortkomingen werden sterk op de korrel genomen door de Condorcet, Price, Brissot én Paine.

Pleidooi voor democratie en mensenrechten door de radicale Verlichtingsdenkers

Het zijn dus radicale Verlichtingsdenkers zoals Volney, Mirabeau, Barlow, Priestley, Raynal, Paine, Price en de Condorcet die ons de democratie, het gelijkheidsbeginsel en het idee van universele mensenrechten geschonken hebben. Deze radicale Verlichtingsdenkers, in tegenstelling tot hun gematigde collega’s zoals Hume, Voltaire of Kant, hielden onverkort pleidooi voor democratie en mensenrechten.

Zij schonken ons de ideeën dat we allen geboren worden met dezelfde, onvervreemdbare rechten; dat we allen vrij en gelijk zijn en dat de staat een instrument is om deze rechten voor alle burgers te garanderen en te verwezenlijken. Universalisme was in hun denken van onmetelijk belang: het waren rechten van de mensen, van alle mensen. Deze radicale denkers pleitten dan ook voor de afschaffing van de slavernij en de gelijkheid van man en vrouw. Enkel dan kon er volgens hen sprake zijn van een goede samenleving.

Ten grondslag van de democratie ligt dus het idee dat we allen gelijk zijn en dat we allen dezelfde rechten hebben. De democratie moet er zijn voor eenieders belangen en niet alleen voor de belangen van de meerderheid. Immers, zodra de meerderheid zijn wil doordrijft ten koste van de minderheden leven we niet meer in een democratie, maar in een despotisch regime. Dat is de reden waarom zelfs Rousseau een onderscheid maakte tussen ‘the will of all’ en ‘the general will’. ‘The will of all’ is de louter mechanische som van de stemmen van verschillende stromingen en tendenzen en zou in theorie unaniem moeten zijn. Maar in de praktijk, zo stelt Rousseau, wordt dat heel snel de dominantie van de stem van de meerderheid. “The general will” daarentegen neemt de verschillen in rekening. De basis van die algemene wil is dus het idee dat we allen gelijk zijn voor de wet en dat dus geen enkele burger kan uitgesloten worden of als inferieur beschouwd worden. Deze algemene wil is dus niet de som van de verschillende individuele identiteiten en meningen, maar bestaat uit het zoeken naar een algemeen belang dat alle verschillen incorporeert.

Het pre-revolutionaire Frankrijk

Het is geen toeval dat de radicale Verlichtingsdenkers in het pre-revolutionaire Frankrijk deze retoriek van Rousseau gebruikten in hun strijd. Alleen gebruikten zij dit concept, in tegenstelling tot Rousseau, om de nood aan een Verlichte democratie te onderbouwen. Die democratie is onvermijdelijk gestoeld op ‘the general will’: ze moet de rechten van eenieder realiseren en niet het belang of de visie van de meerderheid realiseren ten koste van de minderheden. Verkozenen in een democratie moeten dus regeren in het belang van alle onderdanen en niet alleen in het belang van degenen die hen verkozen hebben – zij zijn immers de dienaars van het volk. Opvallend is bovendien dat de democratie – en hier komt nog een verschil met Rousseau naar boven – door deze radicale Verlichtingsdenkers in universele en niet in nationale termen gedacht wordt. Democratie is een instrument om universele mensenrechten te realiseren en dus niet louter die van een particulier volk.

De Verklaring van De Rechten van de Mens

Niet alleen de democratie, maar ook de mensenrechten zoals die tot uiting komen in de Franse en Amerikaanse verklaring van de 18de eeuw spruiten voort uit de intellectuele traditie van de radicale Verlichtingsdenkers. De Condorcet, die mee de pen vasthield van de eerste versie van La Déclaration,zag de mensenrechten als een instrument om een goede samenleving op te bouwen. De mensenrechten waren volgens hem lang niet volledig, maar moesten gaandeweg uitgebreid worden zodat ze het geluk van eenieder konden vergroten.

Volgens die radicale Verlichtingsdenkers zijn democratie en mensenrechten twee zijden van dezelfde medaille. De democratie was voor deze radicale denkers de enige regeringsvorm die recht doet aan die onvervreemdbare en universele rechten van de mens. En dit precies omdat democratie gebaseerd is op gelijkheid, zoals Israel duidelijk maakt:     Precies zoals het principe van gelijkheid en de morele theorie gebaseerd op rechtvaardigheid en wederkerigheid democratie verankerden in de morele en politieke filosofie van de radicale verlichting, zo was het “gelijkheid” dat deze hele sociale theorie een grondlaag gaf.’   Vrijheid en gelijkheid waren voor deze radicale denkers dan ook onvermijdelijk verbonden met elkaar. Enkel als mensen gelijk waren en dus niet onderdrukt, konden ze vrij zijn.

Hiermee zijn de fundamenten van een Verlichte democratie summier geschetst. Als ik dus spreek over democratie en Verlichting, dan verwijs ik naar dit historisch begrip van deze concepten. Democratie is in dit betoog niet te herleiden tot verkiezingen, het is een ideologie. Nu kan ik eindelijk overgaan naar de eigenlijke antwoorden op de centrale vraag.

N-VA en de anti-Verlichting

Kijken we vanuit dit historisch perspectief naar mensenrechten en democratie, dan wordt meteen duidelijk dat er weinig van die retoriek terug te vinden is bij N-VA. Meer nog, als we het project en het discours van N-VA analyseren, dan zien we dat zij inhaken op een heel andere traditie, namelijk wat Zeev Sternhell de anti-Verlichtingtraditie noemt. Sternhell benadrukt dat de anti-Verlichting als concept een heel belangrijk methodologisch en wetenschappelijk instrument is: ze maakt het immers mogelijk om de opgang van een politiek ideologische tegenbeweging te vatten die minstens even oud is als de Verlichting zelf. Het is ook geen toeval, zo stelt Sternhell dat Nietzsche de eerste was die term Gegen-Aufklärung hanteerde: het was immers in zijn tijd dat die anti-Verlichtingstraditie voor het eerst zeer zichtbaar aanwezig was in het publieke leven.

Die anti-Verlichting was een politiek-ideologische beweging die niet terug wou naar het Ancien Régime, maar een andere moderniteit wou realiseren. Het was een twee eeuwen durende intellectuele revolte tegen rationalisme, intellectualisme, de autonomie van het individu en tegen alles wat de mensheid verenigt: hun bestaan als rationele wezens met natuurlijke en onvervreemdbare rechten. De moderniteit van de anti-Verlichting was daarentegen gebaseerd op alles wat de mensheid verdeelt: geschiedenis, cultuur, taal … De staat wordt in die traditie niet gezien als een instrument om het welzijn van elk individu te realiseren, maar om de samenleving te boetseren op basis van heel andere principes die in essentie alle “het belang van de natie als organische entiteit” vooropstellen.

Hoe divers de Verlichting ook mag geweest zijn, er was een logica en coherentie binnen die brede politiek-ideologische beweging die gericht is op de emancipatie van het individu. Ondanks de grote verschillen tussen Voltaire en Rousseau, tussen Rousseau en de Condorcet, tussen Montesquieu en Diderot of Kant, ze deelden wel een aantal principes die de kern uitmaken van de intellectuele revoluties van de 18de eeuw. En het is net die coherentie, die interne logica van de Verlichting die geviseerd werd door de tegenbeweging. De anti-Verlichtingsbeweging zag de hele Verlichting en de radicale Verlichting in het bijzonder als een aanval op de organische natie. Ze zagen die Verlichte revoluties als de oorzaak van decadentie, het uiteenrafelen van het sociale weefsel, het afglijden naar middelmatigheid en uiteindelijk naar de ondergang van de natie. De anti-Verlichtingsdenkers viseerden daarom Rousseau en zijn strijd voor gelijkheid, ze bestreden met alle mogelijke middelen het idee van universele en onvervreemdbare rechten van de mens en ze hadden een hartstochtelijke hekel aan democratie.

Anti-Verlichtingsliberalisme: De Wever en zijn idool Burke

Opmerkelijk is wel dat ze die Verlichting aanvallen in naam van een soort liberalisme, een anti-Verlichtingsliberalisme. Dit liberalisme kwam vaak onterecht als ongevaarlijk over, aldus Sternhell, want het bedreigde wel degelijk het voortbestaan van de democratie. Het politieke idool van De Wever, Edmund Burke, legde samen met Herder, het fundament van die politiek-ideologische strijd tegen de radicale Verlichting. Burke was een virulent tegenstander van de Verlichtingsideeën en al helemaal van ideeën als de universele en onvervreemdbare rechten van de mens, van democratie en gelijkheid. Zijn steun aan de strijd in Amerika voor meer rechten was een opportunistische steun: hij hoopte dat het toekennen van enkele rechten aan de Amerikanen zou verhinderen dat de ideeën van de radicale Verlichting zouden doorbreken tot in Groot Brittannië en Europa. Toen echter bleek dat de Amerikaanse revolutie geslaagd was, heeft Burke tot aan het uitbreken van de Franse revolutie met geen woord meer gerept over Amerika in de hoop dat de Verlichtingsidealen niet zouden overwaaien tot op het vaste land. Eenmaal de Franse Revolutie dan toch een feit was en het duidelijk werd dat zijn containmentpolitiek overduidelijk gefaald had, liet hij zijn “Reflections on the revolution in France” op de wereld los. Het was het begin van een twee eeuwen durende virulente aanval op die revolutie, haar denkers en haar centrale waarden.

Een opmerkelijke continuïteit

Het is dan ook vreemd om vast te stellen dat in tijden van luidkeelse engagementen aan de Verlichting, de gedachten en zelfs de woorden en zinnen van Burke vandaag nog altijd tot ons spreken door de mond van De Wever. Burke’s gedachtengoed laat zich gelden in de retoriek en de opvattingen van De Wever ten aanzien van de democratie, mensenrechten en de centrale waarden van de radicale Verlichting namelijk vrijheid en gelijkheid. Net zoals Burke hult De Wever zijn discours in een waas van gematigdheid: ook De Wever fulmineert zijn kritiek in naam van de democratie, in naam van de vrijheid. En net zoals Burke ziet De Wever de staat – én de media – als instrumenten om de samenleving te boetseren, met als doel die natie te (re)produceren naar het beeld dat zij ervan hebben. Aalst kan daarbij gezien worden als een volbloed laboratorium. De Wever zelf mag dan wel stellen dat hij het gedachtengoed van Burke aangepast heeft, op de punten van democratie en de Verlichtingswaarden zien we een opmerkelijke continuïteit.

Net zoals de strijd van Burke is de strijd van De Wever in eerste instantie een nationalistische strijd. De natie primeert altijd over het individu. De Wever gaat met zijn N-VA voor niet minder dan een onafhankelijke Vlaamse natie. Die strijd is echter niet ideologisch leeg in de zin dat haar Vlaams nationalisme zowel een linkse als rechtse invulling zou kennen. Het nationalisme van N-VA is heel duidelijk een ideologisch nationalisme in de traditie van de anti-Verlichting. De natie wordt in die traditie begrepen als een objectief waarneembaar organisme en gaat gepaard met een kostbaar weefsel van werkbare waarden. De Wever is daar zeer open over, net zoals over zijn beïnvloeding door Burke. Trouwens niet alleen de titels van De Wevers boeken verwijzen letterlijk naar Burke, hij stelt ook expliciet dat Burke zijn politieke voorbeeld is. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat hij heel wat overneemt van hem, zoals de opvatting dat de natie een organische gegroeide entiteit is die op zich staat en dat die natie niet maakbaar is door de mens. De vernieuwing die De Wever aanbrengt is dat die organische entiteit in zijn discours zowel een etnocultureel gegeven is als een sociale constructie. Die vernieuwing verandert echter ten gronde weinig aan het natiebegrip zoals Burke de natie dacht. Ook bij De Wever bestaat de natiean sich. De Wever onderschrijft in lijn met Anderson dat die natie ook wordt verbeeld, maar ze is niet ingebeeld zo benadrukt De Wever keer op keer. En het is in dat laatste statement dat de angel zit van De Wever’s discours. De Wever lijkt hier in lijn met de wetenschap en lijkt ook afstand te nemen van het natiebegrip uit de anti-Verlichting. Dat is echter vooral schijn, want De Wever benadrukt vanaf dag één herhaaldelijk dat hij gelooft dat die natie een etnocultureel gegeven is en dus niet maakbaar is. Hier zien we meteen een diametraal tegenovergestelde visie dan dat we bij de radicale verlichtingsdenkers ontwaren. Paine zei niet voor niets: “we have it in our power to begin the world over again”

De Wever zit in een heel andere denktraditie. In lijn met alle anti-Verlichtingsdenkers benadrukt hij dat ze organisch gegroeid is en dus niet maakbaar is. In de woorden van De Wever klinkt het dan dat de natie gekneed is door de geschiedenis tot een lotsgemeenschap. De natie zorgt er voor De Wever voor dat we met zijn allen een objectieve identiteit hebben. En die nationalistische identiteit moet gereproduceerd worden. Het gevolg is gelijkaardig aan wat Burke vooropstelt in zijn strijd: de Natie moet gekoesterd worden, no matter what. Dit verklaart waarom alle anti-Verlichtingsdenkers, inclusief De Wever zich zo verzette tegen revoluties. Maar er is meer, het verklaart ook waarom De Wever heel andere opvattingen heeft over democratie en de kernbegrippen uit de radicale verlichting. Hoewel De Wever ook zijn engagement uitspreekt aan deze begrippen, zien we dat ze ingevuld worden met een heel andere betekenis: een anti-Verlichtingsbetekenis.

De antidemocratie en de aanval op de (Belgische) democratie
Die visie op de natie als een organisme met een kostbaar weefsel van werkbare waarden heeft vergaande effecten op de manier waarop N-VA nadenkt over democratie. Meer nog, ze is, zoals ik al betoog in mijn doctoraat en de vele lezingen het afgelopen jaar, de basis voor een vierdubbele aanval op de democratie. Ondanks het feit dat De Wever deze stelling geleuter noemt, is het opmerkelijk dat hij en zijn partijgenoten een jaar lang geen enkele mogelijkheid onbenut gelaten hebben om mijn these rijkelijk te illustreren. Ik herhaal deze aanvallen even en illustreer ze met recente voorbeelden.

  1. Democratie is voor haar maar een democratie als die gestoeld is op een identiteit: het is die identiteit die de grens van de democratie moet bepalen. N-VA zet hier dus een nationalistische definitie neer van democratie: democratie wordt een etnocratie. Een Vlaamse natie waar je rechten afhankelijk zijn van je identiteit. Dat is een regelrechte aanval op de democratie zoals de Verlichtingsdenkers die begrepen. Die democratie is immers gegrond in de theorie van de Natural Law en gaat er dus van uit dat elke burger onvervreemdbare rechten heeft. Dat iedere burger gelijk is aan de andere.

    De Nieuw Vlaamse Alliantie ziet dat enigszins anders. Vlaanderen is in de eerste plaats aan de Vlamingen: zij genieten hun volle rechten. De nieuwkomers moeten zich eerst bekeren tot het Vlamingendom. Dat werd onder andere in Aalst goed geïllustreerd, maar ook de vreemdelingentaks in Antwerpen toont deze logica. Vreemdelingen moesten daar een hogere taks betalen als ze zich wilden inschrijven in het bevolkingsregister. Een compleet onwettelijke daad die o.a. het gelijkheidsprincipe schond. Een politieke daad die ook ongedaan werd gemaakt door de Antwerpse Gouverneur net omdat het illegaal was. De reactie van Homans in De Morgen was veel zeggend: “Er is de juridische werkelijkheid en de feitelijke werkelijkheid. De gouverneur beroept zich vooral op een wet uit 1968. Die bepaalt dat een stad niet de nodige autonomie heeft om een retributie in te voeren op verblijfsdocumenten voor nieuwkomers. Ik erken dat we bij de invoering van de loketretributie geen rekening hebben gehouden met deze vijfenveertig jaar oude wet. Maar ik leef in hedendaags Antwerpen. In 1968 werd de stad nog niet geconfronteerd met 11.000 aanvragen per jaar voor inschrijving aan ons loket vreemdelingenzaken. Vandaag wel.” De rechten van mensen en het gelijkheidsbeginsel worden neergezet als oubollig, voorbijgestreefd en ondergeschikt aan het belang van de homogene natie. Niet het gelijkheidsbeginsel, noch de wetten of de rechten van de mensen vormen de basis van de democratie voor N-VA maar de identiteit, de natie.

  2. Democratie wordt in de communicatie van N-VA ook herleid tot de verkiezingszege. Wie de meerderheid haalt heeft een absoluut recht om te regeren, met carte blanche, zonder tegenstem. Dat blijkt steeds opnieuw als N-VA reageert op kritiek, of tegenmachten. Democratie wordt zo een tijdelijke dictatuur van de meerderheid. Nochtans wijzen de Verlichtingsdenkers erop dat tegenmachten, inherent zijn aan een gezonde democratie. Elke kritische noot bij het N-VA-programma, elk verzet wordt gezien als illegitiem, ondemocratisch en wordt beantwoord met een ideologische aanval.

    Deze aanval op de democratie werd in het laatste jaar rijkelijk geïllustreerd door de N-VA’ers. De Wever zelf illustreerde het principe meermaals door alle media die kritisch waren voor hem of zijn partij meteen te straffen. Hij gaf zijn column bij De Standaard volgens Tom Naegels op omdat hij niet kon leven met hoe er op de opiniepagina’s van die krant over hem en zijn partij geschreven werd. Hij wou niet meer komen naar de regionale Antwerpse zender omdat hij niet gelukkig was met de aandacht die zijn partij kreeg in verhouding met de andere partij. Hij reageerde verkrampt op kritiek van Yves Desmet van De Morgen. En ook het Laatste Nieuws mocht zich laven aan de toorn van De Wever. Daar stopte het niet, het kritische middenveld lag volop in het vizier van N-VA. De oorlog tegen het ACV spreekt voor zich, maar ook de besparingen in de culturele en sociale sector spreken voor zich. N-VA ontplooit een ‘culture war’. Het is geen toeval gebleken dat de door N-VA geleidde coalitie in Herzele meteen na het aantreden begon met het intrekken van alle subsidies voor culturele bewegingen. Democratisch verzet, daar loopt N-VA niet hoog mee op.

  3. Democratie wordt ook begrepen als vox populisme: als ‘de stem van de burger’ die uit de mond van de politici rolt. De Vlaamse democratie is dan gelijk aan de Vlaamse natie en die natie spreekt met één stem door de mond van De Wever. Zij zijn de democraten, de anderen niet. Dergelijke demagogie wordt al door De Tocqueville begrepen als antidemocratisch: immers eigen aan de democratie is dat elk individu rechten heeft, een eigen stem heeft en dat dus niemand het recht heeft om in naam van het volk te spreken. Bovendien is er niet zoiets als één stem of één signaal van het volk.

    De Wever blijft echter spreken in naam van alle Vlamingen. Steeds weer komt de frase uit zijn mond gerold dat dé Vlamingen gekozen hebben voor verandering. Elke kritiek op de regering Di Rupo vertrekt vanuit de premisse dat N-VA spreekt voor het hele Vlaamse volk. Al die andere Vlaamse partijen lijken wel verkozen door Brusselaars of Walen. Ook in Antwerpen zien we deze premisse in actie. De Antwerpenaar zou gekozen hebben voor veranderingen en dus moet N-VA niet regeren voor alle Antwerpenaren, maar enkel voor haar eigen achterban. De sociale initiatieven en de kritische cultuurinstellingen worden gekortwiekt.

  4. De strijd van De Wever is niet alleen een strijd tegen democratie als ideologie, het is ook een aanval op de Belgische democratie in het bijzonder. Enkel een Vlaamse democratie heeft legitimiteit volgens De Wever. En ook op dit domein was de partij heel actief in het laatste jaar. In de steden waar N-VA aan de macht is, wordt heel duidelijk dat zij het stedelijk beleid inzetten om het Vlaams bewustzijn te versterken. Zo zien we in Aalst, Denderleeuw, Kortrijk en Brasschaat een Vervlaamsingspolitiek in werking treden. En ook in Antwerpen waar ondanks drastische besparing toch sterk geïnvesteerd wordt in een grootse viering van 11 juli. In dergelijke feiten zien we de prioriteit van N-VA nogmaals geïllustreerd: de strijd voor de Vlaamse natie. Al de rest is bijzaak.

    Deze vervlaamsingspolitiek is er op gericht een draagvlak uit te bouwen voor een onafhankelijke Vlaamse natie. Enkel die natie is legitiem aldus N-VA. Meer democratie, betekent dan in termen van N-VA meer Vlaamse natie. N-VA en co spreken niet zomaar over Vlaanderen als “mijn democratie “ of Di Rupo is “mijn premier” niet. De idee van de twee democratieën is een efficiënt wapen in de politiek-ideologische strijd van N-VA. Als iedereen deze beschrijving van de realiteit aanvaardt, verwerft de partij macht over de realiteit en komt het doel – een onafhankelijk Vlaanderen – dichterbij. Hoewel België kampt met een democratisch deficit betekent dat nog niet dat België een land is met twee democratieën. Dat is net het doel van N-VA. Het loont dan ook de moeite om deze oneliner te kaderen in die politiek-ideologische strijd van N-VA.

De twee democratieën-oneliner en de strijd tegen de Belgische democratie

België zou in de retoriek van N-VA zomaar, spontaan en natuurlijk verdampen, zonder dat daar een politieke strijd voor gevoerd moet worden. België is immers als een land met 2 democratieën en de middelpuntvliedende krachten zullen die splitsing als vanzelf, met de loop der tijd, bewerkstelligen. N-VA stelt zo de splitsing van het land voor als onvermijdelijk, als de natuurlijke en onomkeerbare loop van de geschiedenis. Elk verzet is dan ook zinloos, want de opmars van de Vlaamse natie is onvermijdelijk. Meer nog, N-VA presenteert die opmars in haar oneliner als al grotendeels gerealiseerd. N-VA-politici brengen de boodschap dat enkel Vlaanderen een legitieme democratie is constant te berde en dat door middel van heel diverse vormen: oneliners, metaforen en parabels. Duidelijk is dat deze oneliner helemaal niet onschuldig is. België verdampt niet zomaar als het gevolg van een soort natuurlijk proces, België wordt actief bestreden door N-VA. Door de Belgische democratie steevast voor te stellen als illegitiem, als een relict van het verleden, vormt deze oneliner ondubbelzinnig een aanval op de democratie.

De partij beperkt zich ook niet tot woorden, we zien die strijd dagelijks in haar politieke daden. Denken we maar aan de tegenkantingen van N-VA om vanuit Vlaanderen mee te helpen met het Federale niveau om de zogenaamde ‘loonlasten’ naar omlaag te halen. Hoewel de partij dit neoliberale geloofspunt over de nood voor lage loonlasten al jaren uitdraagt, weigert ze initieel haar medewerking. Immers zo stelt N-VA-minister Muyters, eerst moeten de bevoegdheden naar Vlaanderen komen. Niet de neoliberale agenda staat bovenaan de agenda, maar de onafhankelijke Vlaamse natie. Het neoliberale project van N-VA staat ten dienste van een onafhankelijk Vlaanderen. De regel voor N-VA op federaal niveau is dan ook dat er pas een federaal akkoord kan goedgekeurd worden door N-VA als en enkel als dat gepaard gaat met een verdere ontmanteling van de Belgische democratie.

In dit perspectief is de communicatie van N-VA tijdens de laatste federale onderhandelingen interessant. N-VA heeft honderden dagen mee onderhandeld om een nieuwe federale regering te vormen. De partij slaagt er niet in om een compromis te aanvaarden en beslist op 7 juli 2011 dat verder onderhandelen op basis van de nota-Di Rupo niet mogelijk was. De Wever voegt er wel aan toe: ‘N-VA blijft beschikbaar om te proberen een regering te vormen, maar alleen als er tegemoet gekomen wordt aan de fundamentele bezwaren.’ Die bezwaren zijn niet min, om niet te zeggen radicaal. De nota-Di Rupo, die door PS, sp.a, Groen, Ecolo, CDH, CD&V, MR en Open VLD gezien wordt als een mogelijke basis voor verdere onderhandelingen, moet van N-VA volledig van tafel. Ook de daaraan voorafgaande nota van Van de Lanotte was geen goede basis om de onderhandelingen verder te zetten. Er moet vertrokken worden van een ‘wit blad’ indien men wil dat N-VA nog meedoet. Bovendien moet er een ‘copernicaanse omwenteling’ worden gerealiseerd die het zwaartepunt legt bij de gemeenschappen. N-VA weet echter zeer goed dat zij op federaal niveau geen meerderheid hebben voor deze eisen, dat is voor De Wever bijzaak. Zij hebben de verkiezingen gewonnen en dus moeten zij het voor het zeggen hebben. Niet het compromis met de andere verkozenen telt, niet het regeren in het belang van elke Belg, maar de eigen nationalistische strijd staat voorop.

De nota-De Wever is voor De Wever het absolute minimum: ‘Dit is mijn minimumbod, ik doe het niet voor minder’, zegt De Wever in Terzake. ‘Wie hier nog wil aan raken,’ zo waarschuwt hij, ‘die zal het hele kaartenhuisje doen instorten.’ Een compromis is enkel mogelijk op hun voorwaarden. Liesbeth Homans, de rechterhand van De Wever, verduidelijkt die positie nog:

Ons neen gaat dieper dan de tegenstelling N-VA en PS. Dit is Vlaanderen tegen Wallonië, en omgekeerd. Met geen enkele Franstalige partij is tegenwoordig een compromis mogelijk. België is de moeilijke optelsom van twee democratieën. Dat getuigt ook de nota-Di Rupo, die verstoken is van enige kennis over Vlaanderen.’

Zo is de cirkel rond. N-VA wil enkel onderhandelen op federaal niveau om ‘het zwaartepunt van de federale staat’ naar de deelstaten te krijgen, om een copernicaanse revolutie te bewerkstelligen. Haar eigen poging om dit op papier te zetten, ziet men niet alleen als een compromis, het is tevens het minimumbod. Enkel een compromis op hun voorwaarden is dus mogelijk: zij spreken immers namens Vlaanderen. ‘Het is Vlaanderen tegen Wallonië en omgekeerd.’ Hoewel N-VA zichzelf opwerpt als de enige legitieme stem van Vlaanderen, onderhandelen de andere Vlaamse partijen verder met de Franstalige partijen én bereiken ze een echt compromis. De N-VA zet meteen een mediatieke catch-22 op:

Door zonder de N-VA te onderhandelen, hebben ze nog twee keuzes: een democratisch onaanvaardbare regering zonder Vlaamse meerderheid of één met een meerderheid, maar dan met de groenen. Daar moeten ze het mee stellen.’

Optie één werd realiteit en sindsdien spreken N-VA-politici consequent over ‘mijn democratie’ of ‘onze democratie’ waar de regering-Di Rupo geen meerderheid heeft. Enkel Vlaanderen is een legitieme ‘democratie’. Daarom weigert N-VA Elio Di Rupo als ‘hun premier’ te erkennen: ‘Hij is een sympathieke man, every inch a gentleman, daarom vind ik het moeilijk om te zeggen, maar ik zeg het toch: Elio Di Rupo is niet mijn premier’, zo stelt De Wever,‘[…] als hij geen meerderheid haalt in mijn democratie, is hij mijn premier niet.’

N-VA verwerpt dus de Belgische democratie. Dat de federale regering een democratische meerderheid heeft op het hele grondgebied, dat doet volgens N-VA niet terzake. Immers, niet België, maar enkel Vlaanderen heeft volgens De Wever legitimiteit. België is niet alleen niet ‘hun democratie’, het is volgens N-VA zelfs helemaal geen democratie. Hoewel de N-VA-blik op België, maar ook de nationalistische definitie van democratie, hegemonisch wordt, verandert dat niets aan het feit dat België tot op heden één land is, één democratie. Dat is heel duidelijk, we hebben één grondwet, één justitie en één wetboek, we hebben één sociale zekerheid, er is één politie, één economische ruimte en er is weldegelijk een taalgrensoverschrijdend middenveld. We hebben wel diverse kieskringen en verschillende gewesten en gemeenschappen. Hoewel die op bepaalde puntenvrij autonoom zijn, ressorteren ze nog altijd onder het Belgische, federale niveau. De website van de Belgische overheid laat daar geen twijfel over bestaan:

België is een democratie. De Belgische staat wordt geleid door volksvertegenwoordigers die het volk zelf kiest. Een democratie steunt op aantal pijlers. Ze eerbiedigt het principe van de rechtsstaat en er gelden vrijheidsrechten zoals de vrijheid van meningsuiting. Wetgeving en rechtspraak zijn essentieel. Een democratisch land houdt vrije verkiezingen waarbij de burgers kunnen kiezen voor verscheidene partijen.’

Het engagement van N-VA aan de democratie is dus enkel een engagement aan de (niet bestaande) ‘Vlaamse democratie’ – lees de Vlaamse natie. Meer nog, N-VA voert een regelrechte en onverholen aanval uit op de Belgische democratie. Vandaag spreken N-VA ’ ers openlijk over Vlaanderen als ‘mijn democratie’ en weigeren ze het resultaat van de Belgische democratie te erkennen. De oneliner over twee publieke opinies en twee democratieën heeft de weg vrijgemaakt voor N-VA om de legitimiteit van België openlijk te betwisten, zonder in Vlaanderen als radicaal bestempeld te worden. Het is opmerkelijk dat het project van N-VA op bitter weinig weerstand stoot. In de media wordt de partij en haar project nog altijd omschreven als centrum en gematigd rechts. Dat is deels een gevolg van de werking van de partij. N-VA zet, in lijn met de antiverlichtingstraditie, volop in op ideologische oorlogsvoering. De partij verkoopt haar project als een gematigd project en investeert daarbij volop in “communicatie”: in oneliners, metaforen en metonymieën. Hierdoor slaagt ze erin om een zeer radicaal project en een anti-Verlichtingsideologie te normaliseren.

De doorbraak van de oneliner van De Wever over democratie gaat gepaard met een afbraak van de oorspronkelijke invulling van democratie én met een frontale aanval op de Belgische democratie. In het kader van deze oneliner wordt de democratie een nationalistisch instrument, gericht op de realisatie van een Vlaamse onafhankelijke natie. In deze oneliner wordt de democratie dus op verschillende manieren ontmanteld. Ten eerste wordt democratie een etnocratie. Ten tweede wordt democratie gelijkgeschakeld met ‘publieke opinie’. En ten derde zien we dat democratie wordt ingevuld als verkiezingen, meer nog als de stem van de overwinnaar van de verkiezingen. Democratie wordt op deze manier een soort tijdelijke dictatuur tot het moment dat er nieuwe verkiezingen zijn.

De anti-Verlichtingsideologie van N-VA

De effecten van dat ideologisch nationalisme blijven daarbij niet beperkt, ze hebben grote consequenties voor de rechten van de mensen en de twee kernwaarden van de verlichting: gelijkheid en vrijheid. Burke had meteen door dat zijn nationalisme een van de krachtigste wapens was tegen de ideeën van de radicale verlichting. Dat zijn ook de gevolgen van het nationalisme dat N-VA hanteert. De natie primeert, de mens is ondergeschikt. De rechten van de mens haalt de N-VA-voorzitter om de haverklap aan om zichzelf en zijn partij te distantiëren van het Vlaams Blok, maar zelf koppelt hij in andere contexten een zeer vreemde betekenis aan deze mensenrechten: ze worden ontdaan van hun Verlichte betekenis en gevuld met een anti-Verlichtingsbetekenis. Ik verklaar me nader:

Een zorgvuldige analyse van de N-VA-retoriek laat zien dat De Wever en zijn partij de mensenrechten niet begrijpen als universele en dus inclusieve standaarden die moeten vertaald worden in de praktijk, maar als een soort erfgoed van ‘ons’: de Westerlingen en de Vlamingen. In die logica zijn ‘wij’ per definitie Verlicht, en zijn ‘zij’ (lees de moslims) dat niet. In deze context tonen de N-VA’ers zich als absolute voorstanders van de Verlichting. Echter, eenmaal het over andere zaken gaat zien we een hele andere logica werken. Dan heet het dat de uitoefening van grondrechten zoals het inroepen van godsdienstvrijheid om een hoofddoek te mogen dragen niet telt, want ‘in de publieke cultuur moet afgewogen worden in functie van het algemeen belang’.Waar men dan steevast aan toevoegt dat het maar evident is dat de publieke cultuur dominant is.

Daar stopt het niet. De Wever is steeds zeer expliciet over zijn begrip van die rechten en de toepassing ervan in de samenleving. Zo stelt hij letterlijk: ‘Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden we wel het discours over de universele mensenrechten, dat ons in staat zou stellen om over de moraliteit van een regime te oordelen, maar als maatstaf voor het dagelijkse sociale verkeer zijn die te abstract.’ Nochtans zijn Verlichtingsdenkers als Condorcet van mening dat die mensenrechten net heel praktisch zijn. Het zijn volgens hen de instrumenten bij uitstek om een goede samenleving te bouwen. En waar De Wever jammert dat die rechten van mensen steeds uitgebreider worden – nog iets dat hij gemeen heeft met Burke – benadrukt Condorcet dat dit een goede zaak is. De mensenrechten, zo schreef Condorcet in de 18[de] eeuw, die zijn niet volledig en moeten uitgebreid worden: dat zag hij als de vooruitgang van de mensheid.

De Wever ziet het helemaal anders. Hij benadrukt steevast de plichten van de mensen ten aanzien van de natie. Die rechten ziet hij als een gevaar. Net zoals alle anti-Verlichtingsdenkers is De Wever immers van mening dat: ‘een samenleving nu eenmaal niet [functioneert] als optelsom van individuele vrijheden.’ Hiermee verwerpt De Wever uiteraard de hele verlichting: er moet meer zijn dan enkel rechten als basis voor een samenleving, aldus De Wever. De Verlichting moet in balans worden gebracht met antiliberale waarden. De Wever ziet het rechtenperspectief als een aanval op de morele gemeenschap, op de traditionele en ‘organische’ moraal.

Teveel nadruk op gelijkheid en vrijheid zorgen er volgens De Wever immers voor dat het kostbare weefsel uiteenrafelt. Ze zorgen voor een ontsporing van de samenleving. Vooral Mei 68 wordt in dit kader door De Wever begrepen als een brug te ver. ‘De sixties’, zo schrijft De Wever: ‘zetten immers ook de hakbijl in het gezonde hout van de traditionele samenleving.’ In zo’n samenleving moet elk akkefietje inderdaad worden opgelost door een derde partij.’ Het is een punt dat De Wever heel vaak aanhaalt: een samenleving die enkel op rechten gebaseerd is, zal noodzakelijkerwijs ontsporen: ‘Exclusief focussen op rechten geeft alleen de illusie van vrijheid, het resultaat is uiteindelijk het omgekeerde.’

Mei 68 is hier de boosdoener, volgens De Wever. Immers door mei 68 werden die vrijheden te veel uitgediept. ‘Dit alles leidt tot een samenleving van individuen met rechten en vrijheden, maar niet tot een gemeenschap’, aldus De Wever. Volgens hem zorgt die mei 68- generatie voor ‘het steeds sneller wegkwijnen van georganiseerde religie in Europa’ en ontstaat een ‘spirituele leegte in Europa’. De morele orde van de oorspronkelijke organische samenleving wordt aangetast door deze uitbreiding van vrijheden en rechten. Vandaag is er enkel maar vrijheid, wat onvermijdelijk leidt tot onvrijheid, zo vat De Wever het samen met een letterlijke kopie van de woorden van Burke. Immers, als enkel het recht op vrijheid bestaat, dan blijft ‘alleen vadertje staat […] nog over om al die individuele rechten te waarborgen […] Geconfronteerd met die onmogelijke taak kan de overheid niet anders dan haar beslag op de samenleving almaar vergroten en de vrijheid dus feitelijk verminderen.’ Hier zien we heel duidelijk de anti-Verlichtingsvisie van De Wever. Hij beklaagt het verdwijnen van subjectieve, spirituele banden als grondslag om de samenleving te organiseren ten voordele van een objectieve, juridische organisatie van de staat, wat het doel was van de verlichting.

De rationaliteit van de wet en de vrijheid die eruit voortvloeit, ziet hij als een groot probleem, niet als een vooruitgang. Hij ziet het als pure onvrijheid, de wet maakt voor hem niet vrij. Terug debiteert De Wever hier een klassiek geloofspunt uit de anti-Verlichtingstraditie: echte vrijheid ontstaat dan pas als een gezonde natie zichzelf reguleert en er dus geen wetten meer nodig zijn. Om dit te bereiken moeten er volgens De Wever dan ook extra waarden en normen geformuleerd worden die de culturele en morele sokkel bepalen waarop Vlaanderen moet worden georganiseerd. De Wever wil daarvoor niet terug naar de jaren vijftig, maar ziet die jaren wel als een model voor een gezonde samenleving: een samenleving die de nationale identiteit en de waarden en normen verder koestert. En het is die sociale cohesie/controle als een gevolg van dat sterk en gezond kostbaar weefsel dat we moeten terugwinnen aldus De Wever. Dat is ook de reden waarom De Wever de klikoproep van Procureur Dams ondersteunde; iets wat hij trouwens zelf met veel trots in de praktijk bracht met zijn tip over de verdachte handelingen bij zijn buren die een weedplantage zouden uitgebaat hebben. Dat is wat De Wever bedoelt als hij spreekt over actief burgerschap.

De Wever houdt een pleidooi voor de subjectieve gemeenschap. De natie en de nationale identiteit moeten daarom versterkt worden. Eenmaal iedereen tot de gemeenschap wil behoren, zullen er spontaan informele ‘wetten’ opduiken. Als die subjectieve identiteit geïnstalleerd is, zal de ‘organische rechtsstaat’ vanzelf de samenleving reguleren. Eigenlijk zijn er geen wetten meer nodig, want die rechtsstaat werkt onvermijdelijk subjectief en reguleert zichzelf: ze gaat ‘oom agent en oom advocaat ver vooraf ’. Hij is willekeurig (en dus dictatoriaal) georganiseerd. De Wever bestempelt de verlichte democratie die louter steunt op de grondwet als een problematisch gegeven. Daarom moet er een correctie komen op het perspectief dat de wet niet alleen vrij maakt, maar ook de basis is voor de moraal. Dit nochtans klassieke Verlichtingsdenken is voor De Wever de basis van onvrijheid en ontsporingen. Net zoals alle denkers binnen de anti-Verlichtingstraditie bestempelt De Wever de Verlichte democratie als de basis van decadentie. Daarom moet er een correctie komen op die vrijheden. Die correctie zit in een sterke identiteit die zelfbeheersing met zich meebrengt en ‘een gezonde sociale controle’. De organische moraal moet de wet domineren, niet omgekeerd. We horen hier heel sterke echo’s van Burke en Renan. De democratische mens, met zijn vrijheden en rechten, wordt bij De Wever iemand zonder zelfbeheersing die zorgt voor een ontspoorde maatschappij. De wet moet daarom vooraf worden gegaan door de sociale normeringen, eigen aan een gezonde gemeenschap. Enkel een gezonde gemeenschap met een sterke subjectieve identiteit voorkomt ontsporingen, enkel dan is echte vrijheid mogelijk volgens De Wever.

Die ‘vrijheid’ van De Wever heeft niets van doen met de ‘vrijheid’ in de traditie van de radicale Verlichting. Waar voor de Verlichtingsdenkers de wet vrij maakt, gaat De Wever net zoals Dalrymple en anti-Verlichtingsdenkers zoals Berlin uit van negatieve vrijheid. Vrijheid wordt herleid tot vrij zijn van elke (overheids)inmenging. Het klassieke denken van de Verlichting, namelijk dat gelijkheid een voorwaarde is om vrij te zijn verdwijnt. Net zoals het idee van een democratische en dus gedegen opgeleidde en geïnformeerde mens verdwijnt. Vrijheid is de vrijheid van overheidssteun zoals sociale woningen. Want dan bepaalt de staat waar je leeft en ben je onvrij. Hier zien we hoe de anti-Verlichtingsvisie van De Wever en co naadloos overgaat in een neoliberale visie: een smalle staat en een samenleving die zichzelf organiseert doordat ze een sterk identiteitsbesef heeft als gemeenschap.

Vrijheid is dan de vrijheid van overheidssteun en de vrijheid van ondernemen. Het is dan ook geen toeval dat De Wever letterlijk stelt dat echte vrijheid, de vrijheid is die Hayek en Friedman vooropstellen: absolute vrijheid van de ondernemer: niets of niemand, al zeker de staat niet, mag die ondernemers in de weg staan. De strijd tegen ongelijkheid is dan ook een uiterst problematisch gegeven volgens de N-VA-doctrine: het is immers niet aan de overheid om de economie te regelen.

Het actief ingrijpen in de samenleving om gelijkheid te bewerkstelligen, ziet de anti-Verlichtingstraditie als een ‘revolutionair’ of utopisch ingrijpen in de samenleving. Ook op dit vlak toont N-VA zich een klassieke vertegenwoordiger van de anti-Verlichting. Gelijkheid tussen man en vrouw is een tegennatuurlijk streven; enkel gelijkwaardigheid, het vieren van de aangeboren verschillen tussen man en vrouw is haalbaar. Praktijktesten, maar ook de huidige antidiscriminatiewet gaan te ver. Quota zijn een vorm van discriminatie en zijn dus geen legitieme beleidsdaden. De strijd van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding moet in de pas worden gebracht met de Vlaamse opinie en haar belangen. Ook sociaaleconomische gelijkheid behoort niet tot de legitieme politieke doelstellingen. Herverdeling, een actieve politieke strijd tegen ongelijkheid of overheidsingrepen om sociale gelijkheid te realiseren, zijn geen legitieme opties voor N-VA. Ook een focus op gelijkheid, mondt immers onvermijdelijk uit in het tegendeel. Elke ingreep in de samenleving gericht op gelijkheid of vrijheid, ziet N-VA als een aanval op de traditionele orde. Deze verlichtingswaarden ondermijnen een harmonieuze samenleving en kunnen bijgevolg niet anders dan uitmonden in regelrechte rampen.

N-VA, de antidemocratie en de aanval op de radicale Verlichting

Het N-VA-project ontmantelt het idee van de Verlichte staat: een staat die functioneert als een instrument om het goede leven te realiseren. Het warme nest van N-VA die ons moet beschermen tegen de globalisering is een hoax. Immers, de reële bescherming zoals de sociale zekerheid moet er aan geloven en in de plaats moeten we vertrouwen op het idee dat we een spontane solidariteit zullen zien opwellen in de organische natie. Geen sprake meer van rechten, maar van liefdadigheid uit verbondenheid. De idealen van de radicale Verlichting, van de democratie worden hier vernietigd. De natie primeert, de rechten van individuen zijn ondergeschikt.

N-VA zet een aanval op de centrale Verlichtingswaarden gelijkheid en vrijheid

Onderliggend aan de aanval op deze twee principes is het idee dat het belang van de natie met haar traditionele morele waarden moet primeren over de wil van het individu en zijn rechten. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat De Wever heimwee heeft naar de jaren 1950, waar de sociale controle nog bestond en de christelijke en traditionele waarden nog voelbare invloed hadden in de samenleving. Mei 68 en haar revolutionair perspectief op vrijheid en gelijkheid heeft die samenleving vernietigd met alle gekende ontsporingen als gevolg. Zelfmoorden, depressies, criminaliteit of relletjes, ze zijn volgens het N-VA-discours allemaal een gevolg van het moreel hypocriete rechtendiscours van de linkse elite. Het primaat van de natie is het fundament van de aanval van N-VA op de waarden van de Verlichting en de democratie.

Beluister het volledige debat hier

[Veto] De ideologie van Bart De Wever en zijn N-VA gefileerd: “Bloed-Vlamingen en neoliberalen”

Filosoof en cultuurwetenschapper Ico Maly is al langer een luis in de pels van de N-VA. In zijn doctoraat – dat verrassend vlot over de toonbank gaat – analyseert hij de ideologie van de Vlaams-nationalistische partij. Zijn conclusie? De N-VA is een neoliberale partij, gestoeld op een anti-verlichtingsdenken.

SAM RIJNDERS (FOTO: ANDREW SNOWBALL) | Veto

Om met de deur in huis te vallen: wat verstaat u onder de anti-Verlichting?

Ico Maly: «Historisch gezien was de anti-verlichting een ideologische en intellectuele verzetsbeweging tegen de Franse revolutie. Deze beweging wou geen terugkeer naar het ancien régime zoals de contraverlichting, maar streefde naar een andere moderniteit dan de radicale verlichtingsdenkers. Eentje die niet gebaseerd is op verlichtingswaarden als gelijkheid, vrijheid en democratie in een ideologische betekenis. Maar wel op ongelijkheid en leidersfiguren die spreken voor het volk: een antidemocratie. Denk aan het grote voorbeeld van Bart De Wever, Edmund Burke, hij was samen met Herder het fundament van die antiverlichtingstraditie.»

De N-VA is onder andere voor holebirechten. Is dat dan geen verlichtingswaarde?

Maly: «Als conservatief en Vlaams nationalist zat De Wever aanvankelijk in dezelfde niche als het Vlaams Belang. Om zich te onderscheiden van het Vlaams Belang beriep hij zich op de verlichting. Zo is hij inderdaad voor holebirechten. Maar dat maakt hem nog geen verlichtingsdenker, het is slechts een vernislaagje, waaronder zich een diepgeworteld antiverlichtingsdenken bevindt.»

AANPASSEN OF OPKRASSEN

Als je N-VA’ers vraagt naar hun ideologie, antwoorden ze “nationalisme”. Dat zou grondig verschillen van het etnische en culturele nationalisme van het Vlaams Blok.

Maly: «Alhoewel ze nationalisme niet zien als een ideologie, zetten ze zich inderdaad in de markt met een ‘nieuw nationalisme’. Een humanitair nationalisme voor de eenentwintigste eeuw, vrij van de zonden van het verleden. Maar het bloed-en-bodem-nationalisme van een Vlaams Blok vind je wel degelijk terug bij N-VA. Wij zijn dan Vlamingen omdat we hier geboren zijn, Nederlands spreken en dus dezelfde normen en waarden delen. Fictie volgens mij, maar zo zegt De Wever het letterlijk. Dat wordt aangevuld met een zogezegd civiel nationalisme. Iedereen is welkom als ze maar onze taal leren spreken en normen en waarden overnemen. Daar valt het masker: vreemdelingen mogen enkel lid van de club worden als ze “echte Vlamingen” worden. Wat is dan het verschil met het “aanpassen of opkrassen” van het Vlaams Blok?»

«Wij, de bloed-Vlamingen, hebben bijvoorbeeld automatisch recht op een sociale woning. Mijn vrouw met Turkse roots moet eerst bewijzen dat ze goed Nederlands spreekt, als het van Liesbeth Homans (Antwerps OCMW-voorzitter voor N-VA, red.)afhangt. Terwijl sommige Vlamingen niet eens voor die taaltesten zouden slagen. In Asse gaat N-VA nog verder: de gemeente moet huizen opkopen en die enkel aanbieden aan mensen met Nederlands als moedertaal. Dat is pure discriminatie: hoe kan je ooit je moedertaal veranderen?»

Hun centrale argument is dat België geen democratie is, maar een optelsom van twee democratieën. Het stemgedrag in Vlaanderen en Wallonië verschilt toch inderdaad grondig?

Maly: «Die oneliner kan je enkel begrijpen als je het democratiebegrip van N-VA onderschrijft. Voor haar is democratie de stem van het volk. Dan geloof je dat het volk met één stem kan spreken. Nochtans, ik ben een Vlaming en De Wever spreekt nooit in mijn naam. Ik word nooit meegerekend, tenzij als “slechte Vlaming”. Men creëert een ideaaltypische, rechtse Vlaming en doet alsof alle Vlamingen zo zijn.»

«Er zijn inderdaad verschillen in stemgedrag tussen Vlaanderen en Wallonië, maar die zijn het gevolg van een homogeniserende en communautaire bril. In de realiteit zijn de concrete levensomgevingen van mensen, zoals verschillen in stemgedrag tussen stad en platteland, veel relevanter om die verschillen te verklaren. Bovendien zie je vanuit historisch perspectief dat die verschillen helemaal geen structurele culturele uitingen zijn. Nu is de PS de grootste, enkele verkiezingen terug was het nog MR. Kortom, die oneliner toont de nationalistische invulling van democratie door N-VA.

Paradoxaal genoeg steunt deze nationalistische partij wel het Europese project.

Maly: «Die steun is strategisch en voorwaardelijk. Eerst en vooral wil men zich onderscheiden van het Vlaams Blok als een partij die wel open staat voor de wereld. Ten tweede is die steun erg voorwaardelijk. Het is een Europa van naties, geen federaal Europa zoals Guy Verhofstadt wil. Logisch, want N-VA gelooft niet in een ‘democratie’ met meerdere identiteiten. Op Europees niveau is vanuit die logica nooit een democratie mogelijk. Tot slot steunen ze de Europese unie omdat die dezelfde economische politiek voert als de N-VA. Namelijk het neoliberalisme.»

NEOLIBERALE AGENDA

Neoliberalisme: de term is gevallen. Wat verstaat u onder dat hedendaagse politieke buzzword?

Maly: «Je mag dat niet begrijpen als een ideologie die alleen maar zo weinig mogelijk overheid wil. Concurrentie tussen bedrijven staat centraal. Overheidsingrijpen is geen probleem voor neoliberalen, zolang die gericht is op het bevorderen van de concurrentie en de marktwerking. Gelijkheid en sociale voorzieningen nastreven is echter een taboe.»

Neoliberalisme en nationalisme: wat is dan het middel en wat is het doel?

Maly: «Die vraag krijg ik zo vaak dat ik plan er een boek over te schrijven. (lacht) De Wever is een nationalist maar ziet neoliberalisme als noodzakelijke voorwaarde voor een onafhankelijke natie. Je moet immers een bloeiende economie hebben.»

«Omgekeerd heeft neoliberalisme nationalisme nodig. Je economie moet globaal zijn met een vrijheid van kapitaal, maar de politiek en dus de democratie moeten nationaal blijven. Zo heeft ze geen macht over die globale economie. Een perfecte beschrijving van onze huidige situatie. N-VA onderschrijft het neoliberalisme, zolang haar nationalistische idealen maar niet in gevaar komen.»

Vinden we de invloeden van het neoliberale denken dan niet terug bij alle politieke partijen? Het is toch geen monopolie van de N-VA?

Maly: «Een hegemonie zou Gramsci het noemen. De besparingspolitiek van Wilfried Martens in de jaren ’80 heeft het neoliberalisme in België geïmporteerd. Vanaf de 90 is het neoliberalisme hegemonisch. Sinsdien wordt ‘de economie’ steeds meer begrepen als een systeem op zich, wat totale onzin is. Economie staat niet los van de politiek, daar worden heel wat machtsbeslissingen genomen.»

«Stilaan wordt echter duidelijk dat deze dominantie van het neoliberalisme niet eeuwig is. Het neoliberalisme werkt niet, tenzij voor een kleine elite. Vroeger hing economische groei tenminste samen met stijgende lonen. Deze basis van de welvaartstaat is volledig losgelaten.»

Waarom horen we dit verhaal zo weinig in de media?

Maly: «In de eerste plaats dankzij het fantastische retorische talent van De Wever, hij communiceert zich als gematigd en intellectueel. Bovendien verkoopt De Wever zeer goed. Veel journalisten ontbreekt het echter ook aan historische kennis, laat staan dat ze de wortels van de verlichting beheersen of de tijd hebben om een scherpe analyse te maken van de ideologie van N-VA.»

‘Realisme’ als ideologie

Over superdiversiteit, precariteit en de nood aan Verlichting

Ico Maly & Jan Blommaert

We zijn allen stille getuigen van een hele resem aanvallen op de democratie en de Verlichtingswaarden. Meer, nog die aanval op de waarden van de Verlichting wordt niet bestempeld als radicaal, zelfs niet als politiek-ideologisch, maar als realisme. En net dat toont de hegemonie van dit anti-Verlichtingsdenken.

[ Dit stuk verscheen als onderdeel van het boek Jeugdwerk en sociale uitsluiting. Handvatten voor emanciperend jeugdbeleid
(Redactie: Filip Coussée en Lieve Bradt ). Een initiatief van Uit de marge ]

We leven in een geglobaliseerde wereld. Dat lijkt vandaag een open deur in trappen. En toch. Die globalisering is vaak heel ver weg als we spreken over migratie en diversiteit in onze samenleving. In het maatschappelijk debat en de politiek begint migratie schijnbaar pas als het België binnenkomt. En vanaf dan wordt het behandeld als een Belgisch, meer nog een Vlaams probleem. Een probleem van botsende waarden en normen in een voor de rest homogeen gebied. De ‘oplossing’ wordt dan niet zelden gevonden in een drang naar her-homogeneïsering dat geflankeerd wordt door een repressie- en disciplineringsapparaat. Wij vormen immers een samenleving van rechten én plichten en die plichten moeten afgedwongen worden. Wij moeten ‘onze waarden en normen’ verdedigen. En voegen die stemmen er vaak aan toe: het moet nu maar eens uit zijn met al die toegevingen aan de dominante multiculturalisme-ideologie van de linkse kerk. Het heet dan dat we realistisch moeten zijn. Maar is dat realisme wel zo realistisch? Dat is de centrale vraag waarop deze bijdrage antwoordt.

Globalisering en migratie

België is een immigratiesamenleving (Loobuyck, 2003). Dat is terug niets nieuws, maar het heeft wel verstrekkende consequenties als we het aanvaarden als vertrekpunt van het beleid. Doen we dat, dan aanvaarden we dat migratie van alle tijden is. De menselijke geschiedenis is immers een geschiedenis van migratie (Commers en Blommaert, 2001). Door de globalisering, neoliberalisering en nieuwe, goedkopere transportmiddelen zal de migratie bovendien enkel maar toenemen. Dat blijkt ook uit de cijfers. In 2003 was ongeveer 3% van de wereldbevolking een migrant, ofwel 150 miljoen mensen (Stalker, 2003). In 2010 waren er al 214 miljoen migranten (Standing, 2011) en de voorspelling voor 2050 is dat er ongeveer 450 miljoen migranten zullen zijn (Stalker, 2003). Hoewel de wereldwijde migratiestromen jaar na jaar fluctueren, zien we dus dat migratie op lange termijn steeds toeneemt, ook in België. Ondanks de migratiestop in 1974 en alle extra drempels die de politiek sindsdien geïnstalleerd heeft, is er een ononderbroken toename van migratie naar België tussen 1980 en 2009 . De onvermijdelijke conclusie is dan ook dat ‘ons’ beleid, gericht op het ontmoedigen van migratie naar ons land, bitter weinig impact heeft op de grootorde van de migratie naar België. Migratie is deel van onze condition humaine. Ze zal dan ook niet gestopt worden. Mensen migreren immers niet zomaar.

De realiteit is dat migratie niet alleen een menselijk fenomeen is, het is ook een bij uitstek geglobaliseerd fenomeen. De literatuur spreekt over push en pull-factoren die nationale en internationale migratiestromen sturen (zie bv. Stalker, 2003). Push-factoren zijn dan bijvoorbeeld de algemene slechte sociaaleconomische situatie in het thuisland (bedrijven verdwijnen of verhuizen, jobs verdwijnen of zijn er nooit geweest, mismatch tussen werkbevolking en jobs, slechte lonen, …). Uiteraard speelt ook de politieke constellatie een grote rol: dictaturen, autoritaire regimes en (burger)oorlogen produceren politieke vluchtelingen. Maar ook ecologische rampen vormen belangrijke push-factoren voor migratie, zowel in één land als tussen landen. Daarnaast zijn er ook pull-factoren, factoren eigen aan de regio waar men naartoe vlucht. Terug zien we daar de sociaaleconomische situatie opduiken. Een goede economische conjunctuur trekt mensen aan die een beter leven zoeken en trekt ook buitenlandse investeerders en multinationale bedrijven aan. Een land of bepaalde sectoren in een land kunnen ook kampen met een tekort aan arbeidskrachten (gaande van ‘vuil’ werk tot topjobs) waardoor die organisaties of de landen zelf migratie organiseren. Het grootste deel van de migratie in België voor 1974 is daar een voorbeeld van. Ons land ging actief op zoek naar buitenlandse werkkrachten en organiseerde ook actief de migratie naar België. Globaal genomen kan je de pull-factoren samenvatten als een droom op een betere toekomst die geassocieerd wordt met een regio.

Concreet betekent dit alles dat gebeurtenissen aan de ene kant van de wereld effecten genereren in een hele andere uithoek van de wereld. Dit perspectief maakt duidelijk dat migratie niet alleen voorkomt in een geglobaliseerd systeem, ze wordt er ook door voortgestuwd. Summier samengevat kunnen we de impact van die globalisering aan het werk zien binnen drie domeinen die elk een invloed uitoefenen op die migratiestromen. (1) Een geglobaliseerd economisch systeem, (2) Een geglobaliseerd ecologisch systeem en (3) een geglobaliseerd politiek systeem.

Als we in de kernlanden van ons wereldsysteem een massale ecologische voetafdruk hebben, vertaalt zich dat niet alleen in zure regen bij ons. Het zorgt ook voor overstromingen, hongersnoden of vervuiling honderden en duizenden kilometers verder, waardoor mensen gedwongen worden te migreren. De opwarming van de aarde is, net zoals migratie, geen nationaal gegeven en de effecten ervan zijn dat ook niet. Hetzelfde verhaal gaat op voor de politieke polis die de wereld aan het worden is. De aanslagen van 9/11 zorgden bijvoorbeeld niet alleen voor doden in New York en Washington, ze zorgden ook voor een grote economische kost en het opgang trekken van een gigantische oorlogsmachine die Afghanistan en Irak overhoop gebombardeerd heeft. De migratiestromen uit die landen komen nog altijd toe in de rest van de wereld. Ook bij ons, waar ongeveer 2% van de wettelijke migratie bestaat uit Irakese vluchtelingen . Dat alles is niet nieuw. Zo zorgde ook de Irak-oorlog in het begin van de jaren negentig voor een stijging van Irakese migranten, net zoals het vallen van de Berlijnse muur en later de Sovjet-Unie hun sporen nalieten in de migratie naar Europa en België (Vertovec, 2007). Ook de geglobaliseerde, neoliberale economieën zorgen ervoor dat Vlaanderen niet meer los kan gedacht worden van de wereld (Standing, 2011). Massale herstructureringen in China zorgen uiteindelijk voor nieuwe Chinese migranten in België. Multinationale bedrijven trekken een multinationaal werkleger aan. Bedrijven delokaliseren, ze doen aan outsourcing en insourcing. Neoliberalisering en migratie gaan hand in hand. Meer nog, zoals we straks zullen duiden, migranten vormen het schaduwleger van die neoliberalisering (Standing, 2011, p.91).

België is geen eiland in de wereld. De nationale overheden hebben weinig impact op de migratiestromen, hun migratiebeleid heeft echter wel een grote impact op het soort samenleving dat daarmee geconstrueerd wordt. Het zijn immers de nationale overheden die het statuut bepalen van de migrant in de samenleving. Sinds de migratiestop in België zien we bijvoorbeeld dat meer dan 90% van de aanvragen niet resulteert in een verblijfsvergunning. Dat betekent niet dat de migratie gestopt is. De migranten leven wel degelijk in België, maar worden in de illegaliteit geduwd, met alle gevolgen van dien voor hen en onze samenleving. Migratie is niet gestopt de laatste decennia en die migratie heeft een geheel nieuwe samenleving geschapen.

Het ontstaan van superdiversiteit

De globalisering en de doorbraak van het neoliberalisme na de val van de Berlijnse muur zorgen voor een nieuwe wereldorde en een heel nieuwe migratie. We spreken vanaf dat moment van superdiversiteit. Superdiversiteit beschrijft als concept die nieuwe migratie die zich vanaf de jaren 90 in ongeveer alle Europese steden voltrokken heeft en de samenstelling van alle landen grondig veranderd heeft. We krijgen dan een enorme ‘diversifiëring van de diversiteit’ in de migratie. België vormt daarop geen uitzondering. In Gent leven er ondertussen 160 nationaliteiten , in Antwerpen leven er 170 nationaliteiten en in Brussel 174 . Brussel is een klassiek voorbeeld van die superdiversiteit. Minder dan de helft van de Brusselse bevolking is van Belgische origine; een derde komt uit een niet-Europees land (Corijn en Vloeberghs, 2009). Superrijk en superarm wonen er zij aan zij. Geen enkele taal is een meerderheidstaal in Brussel en er is ook geen hegemonische meerderheidscultuur (Blommaert, 2011a). Die superdiversiteit kleurt niet alleen de grootsteden, ze kleurt België. Op het Belgisch grondgebied leven in totaal mensen uit 194 verschillende landen . België is dus niet te verwarren met een homogene natie, waar ook enkele migranten aanwezig zijn. Superdiversiteit is in België de norm. Van homogeniteit is al lang geen sprake meer. Die superdiversiteit slaat bovendien niet enkel op diversiteit qua afkomst. In tegendeel, het benadrukt, zoals aangestipt, net de diversificatie binnen de diversiteit, ook binnen één ‘etnische groep’. Naast de klassieke elementen als geslacht, politieke voorkeur, leeftijd en religie, slaat die superdiversiteit ook op een hele resem andere variabelen zoals de verschillende immigratiestatussen en de bijhorende (ingeperkte) rechten van nieuwkomers, hun onderwijs- en arbeidservaring en hun ervaringen met administraties. Maar ook de plaats waar migranten wonen in ons land en hun relatie met onze overheidsinstellingen zijn factoren die bepalend zijn in de aard van diversiteit en dus in de aard van onze samenleving. Superdiversiteit houdt een multidimensioneel perspectief in op diversiteit. Het concept stelt de diverse reeks invloeden centraal die samen komen in het leven van mensen en hun leven conditioneren (Vertovec, 2007).

Die superdiversiteit is maar mogelijk binnen die globale context. Ze hangt bovendien ook sterk samen met de opkomst van nieuwe media in de jaren 90. Die media laten immers toe dat migranten hun band met het thuisland actief kunnen onderhouden. Migranten communiceerden in de jaren 70 o.a. via cassettebandjes die ze opstuurden naar het thuisland. Die communicatie verliep zeer traag, al snel ging er een maand voorbij vooraleer de communicatie heen en terug reisde. Vandaag zorgen email, Facebook, Skype, gsm’s, … voor een ogenblikkelijk en continu contact. Bovendien kunnen migranten via satelliettelevisie kijken naar het nieuws en de shows uit het thuisland. Dat betekent dat personen die hier geïsoleerd leven een groot sociaal leven kunnen hebben eenmaal ze achter hun pc kruipen (Blommaert en Backus, 2012). Die nieuwe migratie, gekoppeld aan de hedendaagse communicatiemiddelen én aan het beleid van de verschillende Europese lidstaten zorgt voor die enorme diversiteit aan elementen die het leven tekenen van iedereen in onze samenleving, zowel autochtoon als allochtoon. We bouwen en onderhouden onze identiteit virtueel of fysiek via meerdere media in meerdere landen.

Superdiversiteit betekent bijvoorbeeld dat een label als ‘Irakese allochtoon’ helemaal geen duidelijk beschrijvend concept is. Het kan de meest uiteenlopende personen beschrijven en dit ongeacht de vooronderstelde gelijkenissen die we projecteren op Irakezen. Zo kan die Irakese migrant gevlucht zijn na het stopzetten van de eerste Amerikaanse bombardementen in de jaren 90 en in wezen een laagopgeleide Koerd zijn die hier in België niet erkend wordt als legale vluchteling en dus al 10 jaar een clandestien leven leidt in Antwerpen en in het zwart werkt. Daarnaast kan datzelfde label verwijzen naar een net aangekomen migrant uit Irak die gevlucht is voor het sektarisch geweld in zijn land en in het bijzonder gevlucht is omdat zijn leven bedreigd werd als gevolg van zijn collaboratie met de bezettende macht. Die man is hoogopgeleid, pragmatisch gelovig, hevig tegenstander van Saddam, liberaal, Amerika-minded en hevig tegenstander van het sektarisch geweld. Bovendien wil hij, als het mogelijk is, zo snel mogelijk naar Engeland verhuizen want daar heeft hij familie wonen. Een laatste kandidaat kan vrouw zijn, niet gelovig, socialist en een hoog opgeleide kunstenares die bovendien vanuit België nog steeds actief is in het verzet in haar thuisland. Elk van deze migranten past onder het label Irakese vluchteling en toch hebben ze bitter weinig gemeen met elkaar.

De nieuwe migratie is dus uitermate complex. En dat is niet alleen een gevolg van het migrerend individu zelf. Het is ook een gevolg van het migratiebeleid van de westerse landen die vanaf midden jaren 70 steeds meer het migratiebeleid gaan afstemmen op het tegenhouden van migratie. Met als gevolg dat het aandeel clandestiene migratie hand om hand toeneemt. De legale migratie bestaat dan voornamelijk uit gezinsmigratie, migratie van ambachtslui en topprofessionals. De migratie is gelaagd en produceert superdiversiteit. Die superdiversiteit is sinds de jaren 90 in opmars en zorgt niet alleen voor invloedrijke herstructureringen in de bevolkingssamenstelling, maar ook in de structuur van onze samenleving en het beleid zelf (Vertovec, 2007; Blommaert, 2011).We lijsten enkele centrale evoluties op:

(1) Het uitzicht van onze steden is grondig veranderd. Niet alleen het straatbeeld in de kern van grote steden is veranderd, ook de bewoners van wijken zijn veranderd. Er ontstaan enclaves van rijke migranten zoals Europarlementariërs of topprofessionals. Die ghetto’s zijn het voorrecht voor de rijken of ze nu autochtoon, dan wel allochtoon zijn. De etnische wijken van weleer zijn vandaag superdiverse wijken. En die wijken zijn gestratificeerd. Gaande van nieuwe migranten zonder papieren die moeten bedelen of in het zwart de afwas doen in een restaurant om te overleven, over de tweede generatie Turkse of Marokkaanse Vlaming die een bakkerij of restaurant heeft, tot de kindsoldaat uit Soedan die als rapper tracht zijn bestaan op te bouwen in Gent of Antwerpen.
(2) De migratie an sich is veranderd. Niet alleen vanuit het perspectief van de landen van herkomst en de toename van het aantal landen waaruit mensen o.a. naar ons land migreren, maar ook het profiel van de migrant binnen één emigratieland is uiterst divers geworden. Uit Indië komen bijvoorbeeld zowel topprofessionals uit de IT-wereld, als migranten die hier werken als burgerlijk ingenieur, filosoof, afwasser of bediende in een nachtwinkel. Meer nog, ook de migratiepatronen zelf zijn uitermate complex geworden (Blommaert, 2011a): migranten gaan niet meer van land A naar land B; maar bewegen in complexe trajecten van land A naar land B, dan naar C, terug naar A, dan naar D, B, C, en terug naar A. Ze zijn niet allemaal meer per definitie resident, hebben niet het voornemen hun toekomst op één plaats in de wereld uit te bouwen.
(3) Door de opkomst van de nieuwe media, gaande van de gsm tot en met het hele Web2.0, chatsystemen en Skype, is de menselijke communicatie sterk veranderd. Dat heeft grote gevolgen voor cultuurproductie, maar ook voor identificatie en identiteitsvorming. Ze zorgen niet alleen voor nieuwe vormen van spreken en schrijven, ze zorgen ook voor nieuwe transnationale sociale relaties en heel nieuwe vormen van identiteitproductie . Via Facebook of Twitter wordt dagelijks gewerkt aan designidentiteiten (Blommaert en Rampton, 2012), maar ook aan gigantische sociale netwerken waar alles openbaar is en verbonden. Van homogene nationale culturen is geen sprake meer, als er al ooit sprake van geweest zou zijn. Allochtonen en autochtonen produceren identiteit in een geglobaliseerde en gemediatiseerde ruimte.

Homogeneïsering en culturalisering

Net op het moment dat die superdiversiteit opgang maakt binnen de globalisering, ontstaat binnen verschillende Europese naties een nationalistische opstoot. In eigen land was die zichtbaar met de opkomst van het Vlaams Blok, maar ook in het door CVP-gestuurde verankeringsdebat en in de burgermanifesten van Verhofstadt. Dat nationalisme vertaalde zich onder andere in de focus en problematisering van de aanwezigheid van de migranten uit ‘de pre-jaren 90 migratie’ en hun nakomelingen. Hun aanwezigheid en vooral hun cultuur werd steeds meer gezien als de oorzaak van talloze samenlevingsproblemen (zie Maly, 2007; 2009). Hoewel deze superdiversiteit heel ons land kleurt vanaf die jaren 90, wordt hierover in het maatschappelijk debat nauwelijks gesproken. België en Vlaanderen worden tegen de realiteit in gezien als homogene gebieden die geconfronteerd worden met de aanwezigheid van ‘vreemde culturen’. Migratie wordt gezien als een tijdbom (Blommaert en Verschueren, 1992). Om die bom te ontmantelen kiest de overheid tot op vandaag voor een dubbele strategie:

(1) Migratie beheren:
(a) Zo weinig mogelijk slechte (of beter: arme en laagopgeleide) migratie toelaten. Dit heeft een extreem verstrakt asielsysteem als gevolg voor de niet gewilde migratie, waardoor het aandeel clandestiene migratie toeneemt.
(b) Het faciliteren van gewilde migratie, dat is migratie voor knelpuntberoepen of de migratie van topprofessionals.

(2) Diversiteit beheren:
(a) Als (niet-gewilde) migranten alsnog in ons land binnen geraken met een verblijfsvergunning, dan moeten ze onze waarden en normen aanleren en de taal. Ze moeten zich inschakelen in ‘de Vlaamse cultuur’.
(b) Daarvoor worden rechten (recht op werk, recht op een goed leven, stemrecht, recht op arbeidsbemiddeling, recht op een woning, …) voorwaardelijk gemaakt. Migranten hebben maar volledige rechten als ze (1) een verblijfsvergunning hebben, (2) ingeburgerd zijn, (3) de taal kennen en (4) de nationaliteit verwerven (En dan nog kan niemand hen de vrijheid van racisme garanderen). Als migranten hier niet aan voldoen worden ze onderworpen aan repressie en uitsluiting.

Dit nieuwe beleid weerspiegelt een omslag in macht en in de dominante ideologie (Maly, 2007; 2009; Arnaut et al., 2009; Blommaert en Verschueren, 1998). Die nieuwe hegemonie laat zich duidelijk zien in wat destijds het integratiedebat werd genoemd. Waar integratie na de oliecrisis in de jaren 70 met de massale werkloosheid onder allochtonen als gevolg, door straathoekwerkers en vakbonden gebruikt werd binnen een sociaaleconomische logica, integratie staat dan gelijk met werk hebben, zien we in het integratieparadigma van de overheid van meet af aan een dominante culturele dimensie opduiken (Blommaert, 2011b). Met het opduiken van die culturele dimensie ontstaat vanaf de jaren 90, onder aanstuwen van het Vlaams Blok, een massale culturalisering van maatschappelijke problemen. Werkloosheid van migranten, hun slechte schoolresultaten, homofobie, ongelijke genderverhouding, criminaliteit en terrorisme worden vanaf dan problemen met ‘hun cultuur’, met ‘hun religie’ (Maly, 2007). Die culturalisering loopt bovendien parallel met de individualisering van maatschappelijke problemen ten dienste van de neoliberale dromen: werkloosheid is geen gevolg meer van de structuur van de economie, maar een probleem eigen aan het individu. Beide evoluties leiden tot een enorme vernauwing en verstrakking in het migratie -en integratiebeleid. Het beleid vertrekt vanuit het idee dat er zoiets bestaat als een homogene Vlaamse cultuur met duidelijke waarden en normen, gedragen door een taal. Een cultuur bovendien die inherent superieur is aan die van de nieuwkomers. De oplossingen voor ‘het probleem diversiteit’ worden dus niet gevonden in het inzetten op het verdiepen van de democratie en het extra inzetten op werk of het realiseren van gelijke rechten. Er wordt ingezet op culturele integratie: zij moeten onze waarden, normen en taal eigen maken. Met de komst van het inburgeringsbeleid wordt dit de taak van elkeen. Pas als je ingeburgerd bent, ben je ook een volwaardig burger met volwaardige rechten. Die verschuiving past binnen een algemene verschuiving in de politiek waarbij structureel denken plaatst maakt voor de verantwoordelijkheid van het individu. Het is het individu dat zich moet aanpassen, ‘verbeteren’, niet het systeem.

Het nationalisme maakt de kern uit van dit migratie-en inburgeringsverhaal. De onderliggende premisse van het integratiebeleid is immers dat we de samenleving maar leefbaar kunnen houden als er homogeniteit is, als iedereen dezelfde waarden en normen bezit en uitdraagt. En uiteraard moet men Nederlands spreken in Vlaanderen. Deze premissen zijn vandaag hegemonisch (Maly, 2012). Het beleid vertrekt bijgevolg nog steeds van de idee dat migratie iets vervelends is. Iets uitzonderlijks bovendien dat gestopt moet worden aan onze grenzen. Althans de slechte migratie moet ten allen prijze tegengehouden worden: arme, onopgeleide migranten en voor sommigen moet er zelfs geselecteerd worden op religie (Crols, 2011). Dit doet men letterlijk door de installatie van hekken, politiecontrole, uitgebreide asielprocedures, de oprichting van opvangcentra, …. Migranten moeten door een heleboel procedures geraken vooraleer ze hier effectief ook mogen verblijven. Pas als die migranten volledig geassimileerd zijn, verwerven ze gelijke rechten.

De “realisme”-ideologie, disciplinering en de uitholling van de democratie

Dit integratie -en migratiebeleid vertrekt dus vanuit de idee dat ze migratie kan tegengaan en controleren door ze te homogeniseren. Om dit te kunnen realiseren worden de rechten van de ‘anderen’ voorwaardelijk gemaakt. Dit beleid wordt niet alleen voorgesteld als zijnde een uiting van realisme: van het aanvaarden van de realiteit zoals ze is, ze wordt voorgesteld als noodzakelijk; als de enige optie willen we onze samenleving leefbaar houden. Elk ander perspectief wordt begrepen als een uiting van ideologie of utopie die onze samenleving zou kapot maken. Enkel anti-migratie en assimilatie is realistisch en dat terwijl in de feiten heel duidelijk is dat die zogenaamde uiting van realisme puur ideologisch is:

(1) Ze vertrekt immers van het beeld van de homogene natie die er is en gevrijwaard moet blijven, terwijl de realiteit superdiversiteit is.
(2) Ze vertrekt vanuit de idee dat migratie nog steeds ‘de oude migratie’ betreft, terwijl migratie vanaf de jaren 90 superdivers van aard is.
(3) Ze vertrekt van de idee dat migratie niet alleen problematisch is, maar ook niet normaal is. Terwijl migratie van alle tijden is en steeds toeneemt.
(4) Ze vertrekt van de idee dat migratie te stoppen is, als we maar hard genoeg zijn. Dergelijk beleid creëert echter clandestiene migratie in plaats van migratie te stoppen.
(5) Ze vertrekt van de ideologische idee dat problemen in de samenleving zuiver culturele problemen zijn. Nochtans weten we al langer dat sociaaleconomische problemen de grootste verklaringsgrond bieden voor criminaliteit en samenlevingsproblemen.

Om deze ‘ideologie van het realisme’ waar te maken in een context van globalisering en superdiversiteit wordt een zeer groot anti-migratie-, homogeniserings- en repressie-apparaat ingezet. De beeldvorming over Roma en hun behandeling kan hier als voorbeeld gelden. Roma zijn vanuit de dominante logica van het beleid een probleem. En dat lijkt een cultureel probleem te zijn, eigen aan hen, aan hun cultuur die overlast bezorgt. Terwijl het probleem van de rondreizende Roma in eerste instantie hetzelfde probleem is als dat van een internationaal werkende Vlaamse professor. Het is een probleem van onaangepastheid van onze structuren aan het hypermobiele leven van de 21ste eeuw. Ons beleid is gericht op stabiliteit, langdurig verblijf en de productie van homogeniteit. Het beleid vertrekt echter vanuit de premisse dat we allen sedentaire burgers zijn wiens leven zich enkel en alleen in Vlaanderen afspeelt. Een dergelijk beleid is compleet onaangepast aan de realiteit van vandaag. Die realiteit vraagt een beleid en structuren die elasticititeit als kenmerk hebben. Structuren die kunnen omgaan met veranderlijkheid, met superdiversiteit. Vandaag zien we de omgekeerde richting bij het beleid. Stabiliteit en de constructie van nationale homogeniteit staan centraal. Ten aanzien van de ongewilde migranten wordt door de overheid ingezet op een beschavingsoffensief. Maar dan geen beschavingsoffensief ten dienste van de ontwikkeling van een sterkere democratie of gericht op de uitdieping van de Verlichtingswaarden. Integendeel, we zien een algemeen disciplinerend beschavingsoffensief dat de democratie inperkt en gericht is op het conditioneren van het individu en op de homogenisering van nieuwkomers in het bijzonder (Maly, 2009). In Nederland floreert rond die homogeniseringspolitiek zelfs een uitgebreide privésector (Spotti, 2012). Maar ook de oudkomers zijn blootgesteld aan die homogeniseringspolitiek, denken we maar aan de debatten en regelgeving rond schijnhuwelijken, halalvlees, de bouw van moskeeën, de rituelen bij het offerfeest, de behandeling van de eerste moslimexecutieve, de hoofddoek en de burka.

Het is op dat punt dat de rechterzijde nog steeds aan het strijden is, namelijk om het steeds meer voorwaardelijk maken van de rechten (Maly, 2012). De intentie om Nederlands te leren vooraleer men recht heeft op een sociale woning gaat al niet meer ver genoeg. Ook het recht op bijstand, leefloon, recht op werk, … alles willen sommigen afhankelijk maken van de assimilatie. De stilte waarmee dergelijke voorstellen begroet worden, is beangstigend. Ze toont dat het ‘allochtonendebat’ een machtig instrument is voor de uitholling van de democratie (Maly, 2012). Die aanval op de democratie is een gevolg van het primaat van de homogene natie die voorop gesteld wordt als absoluut. De natie primeert zo over de rechten van het individu en dient als legitimatie voor de uitholling van die rechten. De onderliggende premissen van het huidige beleid zijn enerzijds klassiek nationalistisch van aard (onze natie heeft een taal, een cultuur en een volk. Migranten bedreigen eenheid en moeten daarom gehomogeniseerd worden), anderzijds zien we een neoliberale logica (migranten die knelpuntberoepen invullen of topprofessionals zijn wel welkom en vallen niet onder de inburgeringsplicht). Dit beleid weerspiegelt de globale evoluties sinds de val van de Berlijnse muur. De reactie op de globalisering, superdiversiteit en de hegemonie van het neoliberalisme, is de opkomst van nationalisme gekoppeld aan een neoliberaal economisch beleid en dat over heel Europa (Detrez en Blommaert, 1994). In eigen land worden deze veranderingen enerzijds belichaamd in de opkomst van het Vlaams Blok met een biologisch nationalisme en een expliciet racistische agenda. Anderzijds zien we onder aanstuwen van Verhofstadt de groei van de PVV, later de VLD, en de introductie van de neoliberale dogma’s. Beide ideologieën spelen tot op vandaag een grote rol in het beleid ten aanzien van migratie.

Neoliberalisme, precariaat en denizens

In hetzelfde tijdsgewricht dat we superdiversiteit zien opkomen, verwerft het neoliberalisme de hegemonie. In deze doctrine domineert de economie het hele leven, ze dringt door in de openbare sector en in het individuele leven (Verhaeghe, 2012). De overheid staat in dienst van het bedrijfsleven en de concurrentie. Een flexibele arbeidsmarkt is hiervoor van groot belang: bedrijven willen zonder veel moeite en kosten kunnen ontslaan en aanwerven. En ook de overheid moet functioneren als een bedrijf. Dit alles zorgt er voor dat de relatie tussen burgers en de staat veranderd is. Steeds meer zijn burgers kleine mini-ondernemingen die zichzelf moeten staande houden in een hypercommerciële markt (Blommaert, 2011c). Iedereen moeten zorgen dat hij of zij (sociaaleconomisch) geïntegreerd blijft: we moeten zorgen dat we steeds werk hebben, want met een werkloosheidsuitkering is leven nagenoeg onmogelijk. We moeten geld hebben om onze hospitalisatieverzekeringen te kunnen betalen en ons pensioen zelf samen te sparen. Die hypercommercialisering uit zich niet alleen in een enorme toename van druk om geïntegreerd te blijven, ze brengt ook angst en onzekerheid bij individuen (Verhaeghe, 2012). Binnen deze nieuwe economische orde is er, zo betoogt Standing (2011) overtuigend, naast de internationale elite, het salariaat, de proficians, de oude arbeidersklasse, de werkgevers en de zelfstandigen, een nieuwe klasse aan het groeien: het precariaat. Deze klasse-in-wording is een kind van de neoliberale politiek van deregulering en re-regulering die er op gericht is om de sociale en collectieve belangen te omzeilen “omdat ze in de weg staan van de concurrentie”. Dit leidt in extreme gevallen tot een pleidooi houden voor illegale immigratie (Michaels, 2006). De tijdelijke arbeidscontracten en het gebrek aan sociale bescherming die hieruit voortvloeien zijn een belangrijke oorzaak van precarisatie. Een centraal kenmerk van het precariaat is de sociaaleconomische onzekerheid waarin ze leven. Concreet hebben ze geen/weinig arbeidszekerheid (interim -of seizoensarbeid, flexibele arbeidscontracten zonder voorwaarden, … ), geen zeker sociaal inkomen (noch vanuit de werkgevers, noch van de staat) en ze hebben geen werkidentiteit: “When employed, they are in career-less jobs, without traditions of social memory …” (Standing, 2011, p.12). Dit precariaat is niet homogeen: het is gekenmerkt door superdiversiteit. Het omvat zowel jongeren in armoede die overleven in de marge van de samenleving als de net afgestuurde studenten die via een interimcontract enkele dagen tot weken werken om hun laatste reis te kunnen betalen vooraleer ze de arbeidsmarkt betreden. Het gaat om de alleenstaande moeder die met een tijdelijk contract aan de band staat, maar ook om de zelfstandige Poolse loodgieter die afhankelijk is van zijn multinationale opdrachtgever. Het slaat zowel op de ex-topmanager die op zijn vijftigste op straat staat, op de Belgisch Marokkaanse freelance consulent die in Dubai actief is, als op de Syrische dokter wiens diploma niet erkend wordt in België. Niet iedereen voelt zich of is slachtoffer in het precariaat, maar een groot deel wordt wel degelijk gemarginaliseerd.
We zien hier parallellen tussen het precariaat en superdiversiteit; beide zijn kinderen van de sociale, politieke en economische evoluties sinds 1989. Net op dat moment verkleint/verliest de overheid haar greep op de economie steeds meer. Niet zelden vervult ze zelfs de rol van de beschermer en facilitator van dat neoliberalisme. Tezelfdertijd vergroten zowel de overheid als de economie hun greep op de bevolking. En dat wordt met name duidelijk in het migratie- en integratiebeleid: rechten worden voorwaardelijk gemaakt aan inburgeringseisen. Een andere manier om naar dat precariaat te kijken is net vanuit dit rechtenperspectief. Het precariaat kunnen we dan zien als ’denizens’, ofwel mensen die om de een of andere reden niet over hun volledige civiele, culturele, sociale, economische en politieke rechten beschikken (Standing, 2011, p.14).

De culturalisering en individualisering van allerlei maatschappelijke problemen zorgen ervoor dat die dualisering in onze samenleving niet gezien wordt als een probleem eigen aan de structuur en werking van het politiek-economisch systeem. Bovendien wordt ook niet gezien dat inperking van de staat en de herregulering van de economische ruimte ervoor zorgt dat we fel bestreden rechten in snel tempo verliezen. Opvallend: op het moment dat steeds meer mensen problemen ondervinden om (sociaaleconomisch) te participeren, wordt voor migranten die sociaaleconomische piste ingeruild voor culturele integratie. Die culturele integratie komt in de feiten neer op het stellen van extra voorwaarden. Migranten worden/zijn denizens. Migranten moeten eerst een verblijfsvergunning hebben vooraleer ze kunnen werken. Nieuwkomers moeten op straffe van 5000 euro boete inburgeringscursussen volgen. Huwelijksmigratie wordt onderworpen aan denigrerende en vaak tergend lang durende procedures. De wil om Nederlands te leren wordt gehanteerd als voorwaarde op een sociale woning. En dan wordt er nog niet gesproken over het racisme bij het zoeken naar een job, een huis of een uitgangsgelegenheid.

De combinatie tussen de neoliberalisering en de homogeniseringspolitiek heeft verstrekkende gevolgen: beide ideologieën produceren ongelijkheid en uitsluiting en bovendien versterken die elkaar. Migranten en etnische culturele minderheden hebben dus een grote kans om deel uit te maken van het precariaat, maar ze zijn lang niet de enige. Iedereen wordt door de neoliberalisering verantwoordelijk gemaakt voor de eigen integratie in de samenleving, slaag je niet, dan is het je eigen fout. Dan moet je jezelf bijscholen, flexibeler zijn, bereid zijn terug onderaan te beginnen, harder proberen. Kortom, de disciplinering van de nieuwkomers en allochtonen past in een breed beschavingsoffensief dat gericht is op individuele disciplinering. Dat gaat van het verbod op roken en de pleidooien om dat verbod zelfs uit te breiden tot in de woonkamer van de mensen, tot het pleidooi om hen te schrappen uit de ziekteverzekering van de overheid en alle gelijkaardige pleidooien in het kader van gezondheidsrisico’s. Jongeren en mensen in de marge krijgen te maken met GAS-sancties, samenscholingsverboden en aan de kust wordt de Very Irritating Policing ingezet om jongeren in de pas te laten lopen (Debruyne, 2011). In de laatste twee decennia zien we een verschuiving naar het bestrijden van overlast en het garanderen van veiligheid. De sociale overheid wordt steeds smaller, maar haar disciplinerings-, repressie- en uitsluitingsapparaat wordt steeds groter. Het gevolg is de groei van het precariaat, van de denizens.

Die groep groeit over de hele wereld en ze ervaart de volgens Standing de vier A’s: “Anger, anomie, anxiety and alienation” (Standing, 2011, p.18). Het precariaat voelt zich door haar gebrek aan rechten, en haar gebrek aan verbondenheid met en vertegenwoordiging door de staat, bedrijven, vakbonden en sociale organisaties meer en meer een groep op zichzelf. En die groep is net als het economisch systeem dat haar gecreëerd heeft globaal van aard. Globale economische crisissen veroorzaken dan ook globaal verzet en globale opstanden. Dat verzet hebben we in de nasleep van de crisis van 2008 gezien in de zogenaamde Arabische lente, maar ook in de rellen in London, de betogingen in Spanje en Griekenland, het fenomeen van de Indignados en de wereldwijde Occupy -beweging. Dat precariaat is voor Standing (2011) een klasse in wording: “The new dangerous class”. In wording, om dat ze als klasse nog geen eigen identiteit heeft. Ze is zich nog niet bewust van haar objectief bestaan binnen het economisch systeem. Die objectieve klasse is die steeds groeiende groep aan mensen over de hele wereld die dagelijks moeten strijden om geïntegreerd te zijn of terug te worden in de samenleving. Een groep die voor die strijd op zichzelf aangewezen is en zich niet gesteund ziet door de staat of de vakbonden. Net om deze redenen is ze vandaag al een ‘gevaarlijke klasse’. Gevaarlijk omdat er geen richting in zit; het precariaat uit zich bijvoorbeeld in rellen die gericht zijn op het verwerven van statussymbolen (kledij, gsm, muziek, …), maar ook in de groei van extreemrechtse, populistische en nationalistische partijen of in het ontstaan van de EuroMayDay, de Indignado’s of de Occupy-beweging. Die laatste verschijningvormen dragen wel de kiemen van een potentiële klasse identiteit in zich. Ze vormen een intellectuele beweging die zich beroept op het theoretische analyse-arsenaal van auteurs als Bourdieu, Foucault, Habermas, Hardt en Negri, Arendt en Marcuse (Standing, 2011). Ze ontplooit zich op globale schaal en positioneert zich heel duidelijk ten aanzien van het economisch en politiek systeem dat hen ’precariseert’. Die klasse-in-wording is getekend door superdiversiteit en is globaal geconstrueerd en verbonden zowel via web 2.0 als via fysieke connecties.

Het verzet van het precariaat wordt wereldwijd hard aangepakt met een verdere dualisering van de samenleving als gevolg. Cameron stuurt de politie op hen af met onmiddellijke celstraffen als gevolg en dreigt zelfs met het leger. De Occupy-beweging wordt in Amerika hardhandig verdreven. En de Indignado-beweging wordt in Europa in de pas gedwongen van het systeem. Rellen in Brussel of Antwerpen krijgen dan weer met het waterkanon te maken. In de Arabische lente worden politie en leger hardhandig en langdurig ingezet. Duidelijk is alvast dat het ‘realisme’ in het neoliberaal, migratie -en inburgeringsdenken weinig met ‘de realiteit’ te maken heeft, maar des te meer met nationalistische en neoliberale ideologieën die men met een gigantisch repressie-apparaat tracht te realiseren. Het gevolg is de uitholling van de democratie en de groei van het aantal denizens en het precariaat.

Realisme, nationalisme en de nood aan Verlichting?

We zijn allen stille getuigen van een hele resem aanvallen op de democratie en de Verlichtingswaarden. Meer, nog die aanval op de waarden van de Verlichting wordt niet bestempeld als radicaal, zelfs niet als politiek-ideologisch, maar als realisme. En net dat toont de hegemonie van dit anti-Verlichtingsdenken. De stilte en verdeeldheid bij de linkerzijde over dit debat toont aan dat de crisis van de democratie fundamenteel en structureel is. Het antwoord op superdiversiteit en het ontstaan van het precariaat binnen die superdiversiteit betekent vandaag de facto minder democratie, minder vrijheid en minder gelijkheid. Dat leidt tot een steeds grotere tegenstelling tussen het nationalistische en neoliberale beleid dat de elite genegen is en de desastreuze gevolgen van deze politiek in de realiteit. De dualisering neemt toe en onze rechten kalven in snel tempo af. Het is hoog tijd voor een tegenwicht, voor een nieuwe nadruk op de Verlichting als een politiek project. Tijd voor een ‘politics of paradise’ om het in de woorden van Standing (2011) te stellen. Centrale opdracht in dit perspectief is het radicaal inzetten op democratie, vrijheid en gelijkheid in deze globale wereld.

>>>

http://www.nieuwsblad.be/article/detail.aspx?articleid=UD2JI22L
http://www.visitantwerpen.be/docs/stad/bedrijven/actieve_stad/as_tnc/de%…
http://dertien.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=343
http://www.npdata.be/Data/Vreemdelingen/Inhoud.htm
Referenties

Arnaut, K., Bracke, S., Ceuppens, B., De Mul, S., Fadil, N. & Kanmaz, M., (2009). Een Leeuw in een kooi. De grenzen van het multiculturele Vlaanderen. Antwerpen/Amsterdam: Meulenhoff|Manteau.
Blommaert, J. (2011a). ‘Superdiversiteit’, KifKif.be: http://kifkif.riffle.be/actua/superdiversiteit.
Blommaert, J. (2011b). De heruitvinding van de samenleving. Berchem: EPO.
Blommaert, J. (2011). Burgerschap, integratie en ander fraais: drie problemen.http://feweb.uvt.nl/pdf/2010/InleidingJanBlommaert.pdf
Blommaert, J. & Backus, A. (2012). Superdiverse Repertoires and the individual. Tilburg Papers in Culture Studies.
Blommaert, J. & Rampton, B. (2012). Language and Superdiversity. Working Paper, Max Planck Institute for the study of religious and ethnic diversity.
Blommaert, J. & Verschueren, J. (1992). Het Belgisch migrantendebat. Antwerpen: Ipra.
Blommaert, J. & Verschueren, J. (1998). Debating Diversity. Analysing the discourse of tolerance. London & New York: Routledge.
Commers, R. en Blommaert, J. (2001). Het Belgische asielbeleid. Kritische perspectieven. Berchem: Epo.
Corijn, E. & Vloeberghs, E. (2009). Brussel! Brussel: VUB Press.
Crols, F. (2011). Beminde gelovigen van de rechtse kerk: http://www.proflandria.be/?p=588
Debruyne, P. (2011). Over scharreljongeren en legbatterijen. Jongeren in de hedendaagse stad. In Coussée, F. en Mathijsen, C. (red.) Uit de marge van het jeugdbeleid. Werken met maatschappelijk kwetsbare jongeren (pp. 85-93). Leuven & Den Haag: Acco.
Detrez, R. & Blommaert, J. (red.) (1994). Nationalisme. Kritische opstellen. Berchem: EPO.
Loobuyck, P. (2003). Vlaanderen, België en Europa als ‘immigratiesamenlevingen’: Enkele consequenties. Streven, 70 (2003) 8: 715-727.
Maly, I. (red.) (2007). Cultu(u)rENpolitiek. Over media, globalisering en culturele identiteiten. Berchem: Garant.
Maly, I. (2009). De beschavingsmachine. Wij en de islam. Berchem: EPO.
Maly, I. (2012). De stilte in het debat. Over macht, anti-Verlichting en superdiversiteit. Vlaams Marxistisch Tijdschrift:http://www.imavo.be/vmt/1216-Maly.pdf.
Michaels, B. (2006). The Trouble with diversity. how we learned to love identity and ignore equality. New York: Metropolitan Books.
Spotti, M. (2012). Ideologies of succes for superdivers citizens: the duth testing regime for integration and the online private Sector. In: Blommaert, J. & Rampton, B. (2012). Language and superdiversities (pp. 39-52). UNESCO.
Stalker, P. (2003). Internationale migratie. Rotterdam: Lemniscaat.
Standing, G. (2011). The Precariat. The New Dangerous Class. London: Bloomsburry Academic.
Verhaeghe, P. (2012). De neoliberale waanzin. Flexibel, efficiënt en … gestoord.
Brussel: VUBPress
Vertovec, S. (2007). Super-diversity and its implications. In Ethnic and Racial Studies, 30: 6, 1024-154.