De raaskalderij van Peter De Roover

Enkele bespiegelingen na een debat over diversiteit

Gisteren zat ik in de Vooruit op een TEDX-achtig evenement rond diversiteit van de faculteit sociale en politieke wetenschappen van de UGent. Een van de andere sprekers was Peter De Roover van N-VA. De Roover beloofde niet aan politiek te doen … dat was meteen de eerste belofte die sneuvelde. Met stijgende verbazing heb ik een speech aangehoord die niet anders te typeren is dan als ‘onzin’. Ik heb het dan nog niet over de schandalige banalisering en herdefiniëring van woorden als vooroordeel, discriminatie en apartheid, maar in eerste instantie over het compleet fictieve karakter van zijn verbeelding. Volg even mee.

de roover

De Roover deelde met ons de ‘wijsheid’ dat de mens bestaat uit twee dominante behoeften: zin voor herkenbaarheid en zin voor avontuur. Sommige mensen zijn avontuurlijker dan anderen, maar herkenbaarheid is cruciaal want dat geeft ons rust, aldus De Roover. Het is die herkenbaarheid die ons toelaat om niet teveel te moeten denken (dat schijnt lastig te zijn aldus deze ex-leraar). Want als alles herkenbaar is moeten we niet meer denken. We kunnen dan lustig ‘discrimineren’ op basis van vooroordelen. Dat geeft ‘ons’ blijkbaar rust. Want zegt De Roover we kiezen een restaurant (we discrimineren om het in de woorden van De Roover te zeggen) op basis van vooroordelen en niet op basis van kennis of gegronde oordelen op basis van feiten. We kijken blijkbaar niet naar ons eten, we weten blijkbaar niet dat er zoiets is als de voedselinspectie. Nee, we doen dat blijkbaar op vooroordelen. En dat is normaal.

Discriminatie en vooroordelen worden in het discours van De Roover niet alleen genormaliseerd en gebanaliseerd (we doen het allemaal), ze worden ook gezien als goed, als deel van de menselijke aard. Impliciet zien we hier de fictie van de homogene natie actief: herkenbaarheid is herkenbaarheid in een nationale natie waar iedereen dezelfde variant van het Nederlands spreekt, dezelfde dingen eet in dezelfde plaatsen, dezelfde waarden en normen deelt… ‘Wij’ zijn dan water, ‘zij’ zijn dan olie en dat mixt niet. De Roover is niet veel ‘onder de mensen’ geweest in de laatste decennia. Die wereld van nationale herkenbaarheid is pure ideologie, het is een wensbeeld, geen realiteit. Autochtonen zijn geen homogeen blok van herkenbaarheid. We hebben linksen en rechtsen. We hebben armen en rijken. We hebben bedrijfsleiders en werknemers, grungers, hipphoppers, emo’s, moslims, atheisten, katholieken, holebi’s, transgenders, skaters en bmx’ers, … Onder het laagje retoriek van De Roover gaapt de absolute leegte.

De realiteit vandaag is superdiversiteit en dat is voor elk van ons zo. Het idee bijvoorbeeld dat Belgen leven in een louter lokale Vlaamse wereld is foutief. We kunnen bijvoorbeeld een sociologisch fenomeen als ‘de hipsters’ en de bijhorende opstoot aan ‘authentieke’ koffiebars, barista’s, fixies, platen en zoverder niet begrijpen als we louter lokaal kijken. Het is een trans-nationaal fenomeen en het biedt – om de woorden van de Roover te gebruiken – herkenbaarheid: autochtonen en allochtonen kunnen hipsters zijn en delen veel meer met elkaar dan dat ze ooit zullen delen met De Roover. Dus zelfs al aanvaarden we dat herkenbaarheid een oerbehoefte is van de mens, dan zegt  niets dat die herkenbaarheid zich moet beperken tot de bruine bar van café de postduif in de kerkstraat.

Maar terug naar het verhaaltje van De Roover. Omdat die (nationale) herkenbaarheid zo belangrijk is moet we die afdwingen. En dat wil de linkerzijde niet, aldus De Roover, die wil immers apartheid. Links zou groepsidentiteiten willen verheffen tot norm, tot het organisatieprincipe van de samenleving. Nog los van het feit dat De Roover ‘apartheid’ hier ontdoet van zijn historische betekenis, is dit uiteraard onzin. Ik had immers net het punt gemaakt dat we met zijn allen tot heel veel verschillende groepen behoren, afhankelijk van de context, de tijd en de activiteit. De studenten in de zaal waren gedurende het debat een groep. Ze waren student en zullen dat waarschijnlijk nog een viertal jaar blijven. Ze waren mogelijks, toen ze even op Twitter zaten, ook even Twitteraar, vriend of collega. En toen De Roover begon over de Vlamingen waren ze misschien even Vlaming of Belg of antinationalist. En pas toen Youssef El Moussaoui vroeg naar de nationaliteit van mensen in het publiek werd deze groepsidentiteit geactiveerd. En na het debat verdween de groep: sommigen gingen op café en waren hiphopper, andere waren gewoon  ‘zatte student’ en weer anderen gingen flink slapen om morgen de flinke student te zijn. Identiteit is dus niet te herleiden tot nationale identiteit zoals De Roover ons wil aanpraten.

De Roover heeft duidelijk niet goed opgelet de laatste jaren. Dat belette hem niet om nog wat door te ratelen. Zij – links- vinden dat alles maar moet kunnen…  Nochtans zijn ‘wij’ aldus De Roover een democratie. En een democratie is volgens hem een systeem met twee fundamenten: er is een meerderheid en een minderheid. De meerderheid kan de wetten maken als ze daarvoor een meerderheid hebben. De andere moeten zich schikken.  Kortom, in navolging van zijn Grote Leider, definieert De Roover een democratie als een dictatuur van de meerderheid. Eenmaal die meerderheid iets beslist moet de minderheid zijn mond houden.  Kortom, een klassieke antiverlichtingspositie die de rechten van de mens met de voeten veegt in naam van de bescherming van de herkenbaarheid.

De Roover zou toch eens moeten bijlezen over die vermeende linkse vijand of op tijd komen zodat hij hen toch hoort praten. Dan zou hij doorhebben dat democratie, en gelijke universele rechten voor elke mens het strijdtoneel is van links. Dat dus niet ‘alles maar moet kunnen’, maar dat we een rechtvaardige samenleving willen hebben waar het gelijkheidsbeginsel – het fundament van een democratie – een feit is. Iets wat vandaag absoluut niet het geval is. We leven in een samenleving die gekenmerkt wordt door diepe ongelijkheid. We leven in een samenleving waar mensen afhankelijk van hun statuut, hun identiteit of althans de perceptie van hun identiteit ongelijke sociale, politieke, economische en religieuze rechten hebben. Dat is dus een democratisch probleem.

Dat is een politiek probleem en de partij van de heer De Roover is daar een structureel onderdeel van. Zijn partij maakt van die herkenbaarheid een instrument om rechten van mensen voorwaardelijk te maken (eerst Nederlands leren, dan pas recht op een sociale woning) en ondermijnt zo de democratie en de rechten van de mens.

De Roover verdient dan ook één pluim, hij was eerlijk. Hij heeft – il faut le faire-  openlijk gepleit voor discriminatie als een ‘normaal’ gegeven op een avond die in het teken staat van diversiteit. Dat is inderdaad best hoe we die partij begrijpen, als een partij die het onlegitimeerbare tracht te legitimeren.

Advertisements

Neoliberaal nationalisme

Alle neoliberalen zijn voor het behoud van naties, niet omdat ze overtuigde nationalisten zijn, wel omdat naties de steunpilaren zijn voor een neoliberale economische politiek

Als het me geoorloofd is, dan vertaal ik graag even de boodschap van Liesbeth Homans in De Standaard (in haar reactie op de column van Paul Goossens, DS 14, op 17 december). Homans stelt eufemistisch dat Goossens er maar best het zwijgen toe doet als het om N-VA gaat. De redenen? Ten eerste omdat hij ‘angst’ zou zaaien voor de broodnodige ‘radicale omwenteling die nodig is om onze sociale zekerheid te redden’. Ten tweede omdat zijn waarschuwing dat N-VA een neoliberale partij is even ongeloofwaardig zou zijn als zijn eerdere waarschuwing dat de N-VA een etnisch nationalisme zou prediken.

Ik ga graag in op beide argumenten. Dat is nodig want het zijn drogredenen die de ware aard van het N-VA-project verdoezelen voor de kiezer. Het is immers geen of–of-verhaal, maar een en-en-verhaal. N-VA koppelt een ‘nieuw nationalisme’ aan een neoliberale economische politiek. Dat lijkt een contradictie, maar dat is het enkel als we louter abstractie maken van die ideologieën. Kijken we naar de realiteit dan zien we dat het nationalisme en het neoliberalisme in het project van N-VA naadloos aansluiting vinden op elkaar.

De basis van het N-VA-project is het ‘nieuw nationalisme’. Dat nationalisme koppelt een klassiek etnisch natiebegrip (wij zijn Vlamingen omdat we hier geboren zijn en delen dus een taal en een cultuur) aan een voluntaristische natie (nieuwkomers zijn welkom als ze Vlamingen onder de Vlamingen willen worden). Meteen wordt duidelijk dat het eerste natiebegrip dominant is: nieuwkomers zijn welkom als ze zich schikken naar de waarden, normen en de taal die ‘typerend’ is voor de oernatie. Die natie mag dan wel nieuwkomers welkom heten, het is de bedoeling dat ze die natie sterker maken en uitbreiden. Ze worden dus niet geacht die natie te veranderen. Het ultieme doel van dat nieuw nationalisme is hetzelfde doel zoals in elk nationalisme van de 20ste eeuw: natie wordt natiestaat.

N-VA koppelt dit nationalisme aan een neoliberale economische politiek. Als de partij zich distantieert van het neoliberalisme dan distantieert ze zich enkel van het individualisme waarop dat neoliberalisme steunt, maar niet van de economische doctrines an sich. Die koppeling tussen nationalisme en neoliberalisme is bovendien niet zo uitzonderlijk: alle neoliberalen zijn voor het behoud van naties, niet omdat ze overtuigde nationalisten zijn, wel omdat naties de steunpilaren zijn voor een neoliberale economische politiek. Doordat het neoliberalisme per definitie op een globale schaal opereert heeft ze vrijspel zolang de politieke democratische macht op nationaal niveau verankerd wordt. Alle neoliberale nieuwkomers bij N-VA onderstrepen dan ook dat ze van oordeel zijn dat ‘de nodige economische hervormingen’ maar mogelijk zijn na een confederale revolutie. De natie als steunpilaar van het neoliberalisme dus.

N-VA laat echter uitschijnen dat haar nationalisme bescherming kan bieden tegen die neoliberale politiek door de Vlamingen een warm nest te bieden. Dat is uiteraard kiezersbedrog: het neoliberalisme bekampen doet men op hetzelfde schaalniveau als waarop dat neoliberalisme opereert: de globale schaal dus, niet de nationale schaal. Meer nog, net haar neoliberale politiek zet de partij in als een instrument om geloofwaardig over te komen, om zichzelf in de markt te zetten als ‘een beleidspartij’. Hiervoor verwijst ze steevast naar Europa, de Oeso, het IMF, andere Europese landen. Telkens onderstreept de partij dan dat zij de norm verbeeldt. Het probleem met die redenering is natuurlijk dat de neoliberale doctrines zeker sinds de jaren negentig de norm geworden zijn in deze Europese en globale machtscentra.

Kortom, telkens N-VA verwijst naar deze machtscenakels bevestigt de partij het punt van Goossens. En ook Homans is terug duidelijk: ze houdt ons voor dat we de welvaartstaat kunnen redden door een radicale omwenteling. Die radicale omwenteling noemt ze dan sociaal maar niet socialistisch. Deze oneliner mag dan wel om de haverklap bovengehaald worden, ze overtuigt niet. In tijden van crisis de werkloosheidsuitkeringen degressief maken en beperken in de tijd is geen goede zaak voor mensen die niet aan werk geraken. En dat zijn er nog al wat. Als we minder belastingen innen en de overheid uitdunnen zoals haar voorzitter keer op keer naar voor schuift als doel, dan hebben we minder middelen voor de sociale zekerheid, niet meer. De Wever benadrukt trouwens steeds weer dat we net in die sociale zekerheid moeten besparen. En dat komt niemand ten goede en al zeker niet de lagere klassen. De sociale zekerheid herdefiniëren als een verzekering is meteen ook het einde van het solidariteitsprincipe. En zo kunnen we blijven doorgaan.

Het punt is dat Homans ons wil doen geloven dat we de welvaartstaat maar kunnen redden door ze af te schaffen. Onder de slimme retoriek zit niet meer dan een bevestiging van de analyses van Goossens: N-VA is een neoliberale nationalistische partij.
>>> Dit opiniestuk verscheen vandaag in de krant De Standaard (DS 18/12)