De illusie van vrije verkiezingen

De illusie van vrije verkiezingen

Mahmoud Abbas is helemaal niet populair, maar de Palestijnen snakken naar vrede.

Mahmoud Abbas is helemaal niet populair, maar de Palestijnen snakken naar vrede.

© belga/afp

De verkiezingen van afgelopen zondag dienen de Palestijnse zaak allerminst, schrijft Ico Maly. Ze zijn volgens hem een onderdeel van de apartheidspolitiek van de bezettende macht. ,,Democratie en bezetting gaan nooit samen.”
MET het overlijden van Yasser Arafat was voor veel politici een obstakel weggeruimd in het Israëlisch-Palestijnse conflict. Volgens Javier Solana, de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie, moet de internationale gemeenschap de dood van Arafat aangrijpen om het vredesproces in het Midden-Oosten nieuwe impulsen te geven: ,,Het beste eerbetoon aan Arafat is een versterking van onze inspanningen voor de oprichting van een vreedzame en leefbare Palestijnse staat, zoals voorzien in het stappenplan.” Premier Guy Verhofstadt drukte zijn hoop uit dat de verschillende partijen weer het stappenplan zullen opnemen. Zijn minister van Buitenlandse Zaken, Karel De Gucht, was zoals gewoonlijk minder subtiel: ,,Bij zijn overlijden begint een nieuwe periode in het Midden-Oosten. Ik hoop dat de nieuwe Palestijnse leiders in staat zullen zijn om vrede met Israël te bewerkstelligen”. We horen duidelijke echo’s van de Israëlische stem: de bal ligt in het Palestijnse kamp.Daarnaast leeft bij velen leeft het idee ,,dat er iets los komt” in de kwestie. 2005 lijkt wel een nieuwe frisse start in de Israëlisch-Palestijnse kwestie.

Kort na het heengaan van de ‘demonische vijand’ kwam de Amerikaans-Israëlische wens uit: er werden presidentsverkiezingen aangekondigd en van meet af aan leek ‘hun’ kandidaat het pleit te winnen. De Standaard haalde opgelucht adem: ,,De Palestijnse leiding had aangekondigd dat ze binnen zestig dagen na het overlijden van Yasser Arafat presidentsverkiezingen zouden plaatsvinden. Ze vinden nu zondag plaats. De Palestijnse Autoriteit had beloofd dat deze verkiezingen democratisch zouden verlopen. Er zijn zeven kandidaten die de kans kregen zich kenbaar te maken en campagne te voeren.”(Commentaar DS 8 januari) De kerstsfeer was voelbaar in het land. Het enige probleem is dat presidentsverkiezingen houden terwijl men nog steeds onder de knoet van de bezetting leeft, helemaal contradictorisch is: soevereiniteit en bezetting sluiten elkaar per definitie uit.

Native chief

De wereld lijkt vaak te denken dat de Palestijnse bevolking zijn ultieme vorm van soevereiniteit uitvoert door ,,vrij en democratisch een eigen president te verkiezen. Belangrijk is dat de Palestijnse Autoriteit een creatie is die afstamt uit het tijdperk van de Oslo-akkoorden. De Palestijnse Autoriteit kreeg een beperkte bevoegdheid en werd mee verantwoordelijk voor de veiligheid van Israël. Die constructie verwijst duidelijk naar het (Brits en Franse) koloniale model van de native chief . Dat model is erop gericht om lokale autoriteit te verweven met de autoriteit van de bezetter ten aanzien van de overheerste bevolking. Het recept: duid een plaatselijke leider aan die onder toezien van de bezetter iets meer status mag opbouwen en enige ondersteuning geniet van de kolonisator. Geef hem een titel, enkele privileges en een veiligheidsdienst – weliswaar een veiligheidsdienst ter bescherming van de bezetter. Klaar is kees.

Van soevereiniteit is dus geen sprake, van democratie bijgevolg ook niet. Maar dat weerhoudt Rudy Vranckx er niet van om te stellen dat deze verkiezingen ,,bewijzen dat de Palestijnse democratie leeft”.

De vrije en democratische verkiezingen waarvan sprake in de media, gingen over het verkiezen van deze nieuwe ‘native chief’. Israël en de VS hebben het Palestijnse volk vanaf het begin duidelijk laten weten wie het bij de verkiezingen moest halen: Mahmoud Abbas.

De roep om vrede

Abu Mazen (Mahmoud Abbas) heeft het gehaald, afgelopen zondag. Nochtans is hij lang niet zo populair als wijlen Arafat of Marwan Barghouti. Hij staat bij de Palestijnen zelfs bekend als corrupt en als de man die hoogstwaarschijnlijk de verworven Palestijnse rechten zal inleveren onder Amerikaans-Israëlische druk. Waarom hebben de Palestijnen hem dan verkozen?

Het valt niet te ontkennen dat Abbas de beste relaties onderhoudt met Israël en de VS en dus het meest kans maakt om een vredesakkoord te tekenen. De Palestijnse roep om vrede weerklinkt luid door in deze verkiezing. De Palestijnen hopen dat Abbas zich even inschikkelijk zal tonen met de Israëlisch-Amerikaanse ‘vredesvoorstellen’ als voorheen. Als je nagaat hoe de Israëli’s Abbas behandelden en dat vergelijkt met hoe ze zijn uitdager Mustafa Barghouti aanpakten, is er geen twijfel meer over de favoriete kandidaat. Barghouti werd tijdens zijn campagne vastgehouden in Oost-Jeruzalem, hij werd in elkaar geslagen toen hij een medewerker te hulp kwam die door Israëlische soldaten werd lastiggevallen. Een 17-jarige vrijwilligster werd doodgeschoten terwijl ze verkiezingsaffiches van Barghouti aanbracht in een vluchtelingenkamp in Gaza.

Ook onze media zijn er duidelijk voor gewonnen dat Abbas de fakkel overneemt, hij is ,,one of the good guys” , zoals Bush het zei . De Standaard vindt dat we Abbas een kans moeten geven ook al is waar dat hij werd ,,gezalfd door de Palestijnse leiding en met name door al-Fatah, de grootste groep binnen de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie PLO. En dat zijn overwinning op voorhand lijkt vast te staan. Dat is een erfenis van het verleden, toen Arafat alle touwtjes in handen hield.” (Commentaar DS 8 januari) Maar de aangekondigde overwinning van Abbas is geen gevolg van de ,,politieke natuur” van de Palestijnen, zoals deze krant denkt. Ze is het gevolg van de jarenlange Israëlisch-Amerikaanse strategie tegenover van de Palestijnse bevolking.

Apartheidspolitiek

Van vrije en democratische verkiezingen is dan ook helemaal geen sprake. De Palestijnen leven onder Israëlische bezetting. Verkiezingen veranderen daar geen ene moer aan, ze verlenen zelfs legitimiteit aan de huidige apartheidspolitiek en suggereren dat de Palestijnen werkelijk over soevereiniteit zouden beschikkenDe verkiezingen zorgen voor een mooi en democratisch imago, de bezetting blijft netjes buiten beeld. In deze omstandigheden wint enkel Israël, dat zijn dagelijkse kolonisatie en militaire wanbeleid in de bezette gebieden kan toedekken.

Ico Maly

(De auteur is coördinator van Kif Kif Mediawatch en publiceert over beeldvorming en de Israëlisch-Palestijnse kwestie.)

www.kifkif.be

Advertisements

Geladen woorden. Over de muur.

De 720 kilometer lange constructie van beton, prikkeldraad en wachttorens wordt in het officiële jargon van de Israëlische regering steevast omschreven als een veiligheidshek. Bron: Kif Kif 14/02/2006 – Ico Maly    
Een veiligheidshek, een veiligheidsmuur of een apartheidsmuur?

De 720 kilometer lange constructie van beton, prikkeldraad en wachttorens wordt in het officiële jargon van de Israëlische regering steevast omschreven als een veiligheidshek. Nu wordt een hek zowel in het Nederlands, het Engels als in het Hebreeuws gedefinieerd als “een afscheiding of omheining van verticale, op gelijke afstanden geplaatste, overdwars verbonden palen, staven of spijlen” . De kilometers betonnen blokken van zes tot acht meter hoog zijn dan ook onmogelijk te verzoenen met het concept hek. Dit betekent echter niet dat daarmee de kous af is, de werkelijkheid is, zoals steeds complexer.

 

zie kifkif.be voor de hele pdf http://www.kifkif.be/actua/geladen-woorden

Israël in Beeld Over het venijn van macht en mooie woorden

2004 |

Ico MALY

Inhoudstafel:

Inleiding
Productie van beelden
Monopolie over beelden
“Wexner Analysis: Israeli communication priorities 2003” 
Israël in beeld
De Israëlische democratie als mythe
“Veiligheid verkoopt”
De vijand in beeld
De wreedheden van de vijand
Het venijn van macht en mooie woorden
Bibliografie

 


Inleiding.

In onze kennismaatschappijen worden we overspoeld met informatie uit alle uithoeken van de wereld. De persvrijheid wordt geprezen als het hoogste goed, als devoorwaarde voor objectieve en gebalanceerde verslaggeving. De media zijn volgens politici en journalisten het instrument “par excellence” voor democratisering en emancipatie. “Dankzij de massamedia was objectieve informatie nog nooit zo toegankelijk voor iedereen.” klinkt  het dan.

Deze propagandisten vergeten gemakshalve dat de massamedia gepaard gaan met het ontstaan van communicatieve economieën[1]. Hierin kunnen we verschillende producenten  onderscheiden met elk een bepaald soort taalgebruik. Naargelang hun positie en de mate van controle over de media zullen deze meer of minder invloed kunnen uitoefenen op de beeldvorming die ontstaat bij de consumenten. De effectiviteit van de boodschap zal afhankelijk zijn van de spreker, zijn taalvaardigheid, zijn functie, de verpakking en de context. Regeringen, journalisten of experts hebben niet alleen een gemakkelijkere toegang tot de massamedia; zij hebben ook de kwaliteiten, ondersteuning en middelen om hun boodschap als ‘echter’, ‘beter’, ‘juister’ te verkopen aan de consument

Woorden en beelden zijn dan ook cruciale wapens in de hedendaagse conflicten. Er gaat geen conflict voorbij en er wordt geen mening geponeerd zonder dat ‘communicatiedeskundigen’ de strategie en de woorden zorgvuldig gewikt en gewogen hebben. In het Israëlisch –Palestijnse conflict is dit niet anders. De strijd om het mediamonopolie woedt in alle hevigheid.

 

Productie van beelden

“Geen beeld, geen nieuws”; is het motto van de huidige nieuwsmolen, de Israëlische regering heeft dit goed in de oren geknoopt. Beelden van Palestijnse slachtoffers of Israëlische activiteiten in de Palestijnse Gebieden zijn schaars. Ongewenste pottenkijkers worden dan ook niet zomaar geduld. Exemplarisch hiervoor zijn de courante aanvallen van het IDF (Israeli Defense Forces) op journalisten die de wantoestanden in de Bezette Gebieden wensen aan te kaarten

Het “Palestinian Centre for Human Rights” registreerde sinds de aanvang van de tweede Intifada  344 Israëlische aanvallen[2] op journalisten, waarbij 8 journalisten het leven lieten.. In het gevecht om de controle over het discours betreffende het Israëlisch – Palestijnse conflict, worden de machtsverhoudingen overduidelijk

Slechts één Israëlische (Amira Hass) en een handvol internationale journalisten verslaan vanuit de Bezette Gebieden. Internationale en Palestijnse journalisten worden onder vuur genomen, bedreigd, gecensureerd, onder druk gezet, hun materiaal wordt in beslag genomen of ze worden simpelweg de toegang geweigerd. De productie van beelden over de wantoestanden in de Palestijnse gebieden wordt zo goed als onmogelijk gemaakt.

Ook geproduceerde beelden vinden niet per definitie de weg naar de nieuwsconsument. De internationale persagentschappen ontspringen de dans niet: censuur door de Israëlische regering, door mediamagnaten, zelfcensuur en druk van lobbygroepen zijn niet uit de lucht gegrepen. De internationaal gerenommeerde oorlogsjournalist Robert Fisk schrijft er het volgende over:

“The degree of abuse now being directed at anyone —  academic, analyst, reporter — who dares to criticize Israel, or dares to tell the truth about the Palestinian uprising, is reaching McCarthyite proportions.”[3]

De BBC kan hierover een aardig woordje meespreken. Naar aanleiding van de documentaire ‘Israels secret weapon’ kondigt de Israëlische regering op 1 juli 2003 aan alle banden te verbreken met de gerenommeerde omroep. De beschuldiging luidt als volgt: de BBC  “demoniseert” Israël.  Zelfs CNN kent deze werkwijze al. Reeds geproduceerde beelden en kritische woorden over de Israëlische Staat worden met alle mogelijke middelen  bevochten

Ook de Belgische regering is vertrouwd met dit verschijnsel. Denken we maar aan de brochure over het Israëlisch –Palestijnse conflict (Ludo Abicht en Lucas Catherine). Dit wetenschappelijk werkje wordt in 1998 voor het eerst  verspreid in de Vlaamse scholen door de Vereniging van Vlaamse Leerkrachten (VVL). In 2001 wenst staatssecretaris Boutmans tevergeefs de geactualiseerde brochure nogmaals te verspreiden in het ganse Belgische onderwijs. Zionistische lobbygroepen spelen het hard en de brochure wordt verticaal geklasseerd

In november 2003 bezwijkt Oxfam België onder de internationale druk. Na een ‘tip’ aan het Simon Wiesenthal Center (SWC) over de actie van het Actieplatform Palestina schiet de lobbymachine in gang. De slogan “Israëlisch fruit smaakt bitter. Zeg neen tegen de bezetting van Palestina. Koop geen groenten en fruit uit Israël.”wordt door het SWC vertaald als ‘Kauf nicht bei Juden’, de slogan van de Nazi – partij in Duitsland. Gevolg: Oxfam International ontvangt niet minder dan 20.000 e-mails met heftige protesten tegen de “antisemitische” campagne. Kritiek op de apartheidspolitiek van de staat Israël wordt terug gelijkgeschakeld met antisemitisme. De druk vanuit “Oxfam International” wordt te groot en Oxfam België trekt zich niet alleen terug uit de actie, zij scharen zich nu tevens achter het ‘Routeplan’ van President Bush.


Monopolie over beelden

Het nieuws op onze schermen is dan ook vaak een aaneenrijging van persconferenties en gecensureerde beelden. Beelden van Israëlische vernietigingen in de Bezette Gebieden en de Palestijnse slachtoffers zijn een ware zeldzaamheid gezien de frequentie en de aard van deze grove schendingen van de mensenrechten Zo stevent Israël af op een monopolie over de berichtgeving over het conflict. Het verhaal en de beelden worden zorgvuldig in lijn gebracht met het ‘nationaal belang’ van de staat Israël. Intensief lobbywerk, censuur, media­woordvoerders  en andere ‘middelen’ worden hierbij niet geschuwd

De internationale opinie moet blijkbaar met alle macht verblind worden met de zoveelste opvoering van “the good en the bad”. De grote kracht van dit discours zit verscholen in de woorden die de dagelijkse beelden in de media begeleiden. Bepaalde concepten zijn onlosmakelijk verbonden met bepaalde partijen in het conflict en kleuren dagelijks onze blik

De impact van de constante categorisering van de Palestijn als terrorist, volgend op een beslissing van de Israëlische regering in de jaren ’70, kan men bijvoorbeeld moeilijk over het hoofd zien. Ook het feit dat voornamelijk de Israëlische militaire acties als verdedigings– of vergeldingsacties getypeerd worden, betekent in de hoofden van de nieuwsconsumenten natuurlijk dat Israël slechts ‘reageert op het onrecht’ dat de Palestijnen hen aandoen. Over Israëlisch terrorisme wordt zeer zelden gesproken. De bezetting is al helemaal een taboe, tenzij het kadert in nieuwe Israëlische ‘vergeldingsacties’

Deze manier van spreken over het conflict heeft de bovenhand genomen in de (beeldende) pers. Heeft iemand een herinnering bij het concept van een Palestijns recht op veiligheid? Hoeveel beelden kan men voor de geest halen van Palestijnse slachtoffers? Hoeveel mensen denken bij bantoestans en apartheidspolitiek naast Zuid–Afrika ook aan de Palestijnse Gebieden? Wie denkt aan Israëlische acties bij het horen van het woord ‘terrorisme’?

Dit taalgebruik is niet als “un accident de parcours” ontstaan, maar is beredeneerd en gecreëerd met voorbedachten rade. Het taalgebruik van politici is dus niet zuiver individueel van aard maar wordt tevens beïnvloed, gestuurd of gedicteerd door de belangen van de partij, de staat of de natie. Communicatie-experten en public relationsbureaus worden ingehuurd om de boodschap zorgvuldig te verpakken. Een uitgelekt voorbeeld hiervan is de “Wexner Analysis: Israeli communication priorities 2003”[4].


“Wexner Analysis: Israeli communication priorities 2003”

Sinds decennia is Israël de trouwe bondgenoot van de V.S. Hiervoor dient men de Amerikaanse publieke opinie natuurlijk achter zich te scharen, simplistisch gesteld: het gaat immers om hun belastingscenten. Tot op heden wordt deze missie in de VS bijna smetteloos gerealiseerd dankzij de sterke aanwezigheid van zionistische lobbygroepen. De volgende stap in die strategie is de “onvoorwaardelijke steun voor Amerika en onvoorwaardelijke betrokkenheid bij de oorlog tegen het terrorisme.”[5]

De Wexner Analysis reikt enkele globale strategieën en zeer concrete richtlijnen aan om dit bondgenootschap in de toekomst veilig te stellen. Geef geen complimenten aan president Bush, verbind je met Amerika en niet alleen met de republikeinen, zo heb je meer democraten goedgestemd. De best presterende concepten bij het Amerikaanse testpubliek zijn kinderen, families en democratische waarden. Democratie is het kernwoord in het Israëlische discours, de schrijvers onderkennen dit en proberen dit concept verder te exploiteren:

“So far, one of Israel’s most effective messages has been that Israel is the only democracy in the Middle East. It’s time to take that message one step further (…) rather be the FIRST democracy in the Middle East than the ONLY democracy in the Middle East.”[6]

Door te spreken van de “first democracy” zit men natuurlijk pal in het oorlogsdiscours van de Verenigde Staten, namelijk om via Irak het Midden-Oosten te democratiseren. Centraal hierbij staat het onderstrepen van de gemeenschappelijke identiteit met de V.S. ‘Net zoals jullie denken wij dat democratie de oplossing is tegen het terrorisme. Wij doen mee met de oorlog tegen het terrorisme.’ Dit is een centrale strategie om hun huidige militaire politiek verder te zetten. Het is dan ook geen toeval dat we op elke persconferentie gewezen worden op het ‘feit’ dat Israël net zoals ons een democratie is. Dit bondgenootschap verschaft Israël de vrijheid om ongestraft haar apartheidspolitiek te voeren onder de veilige vleugels van de wereldheerser. Het uitblijven van scherpe kritiek of sancties vanuit de V.S. of de V.N. kan gezien worden als het succes van deze strategie.


Israël in beeld

Op de vraag wat de essentiële verschillen zijn tussen Israël en de Palestijnen antwoordt Premier Sharon: “O, ze zijn anders. Israël is een democratie. De enige democratie in dit deel van de wereld.”[7]

Het concept democratie wordt ook in de internationale gemeenschap consequent gehanteerd als de scheidslijn tussen ons en de ander in het conflict.

Minister van Staat Marc Eyskens verwoordt het als volgt:

“Frustrerend blijft dat veel moslimlanden (…) heel slecht scoren, (…), in tegenstelling tot Israël dat gekenmerkt wordt door een pluralistische democratie met grote vrijheid van meningsuiting.”[8]

Gezien de censuur en werkomstandigheden van journalisten in Israël kan men niet anders dan grote vraagtekens te plaatsen bij deze vorm van ‘vrijheid van meningsuiting’. Dan wordt er nog gezwegen over de jarenlange bezetting en kolonisering van het Palestijnse land.

Desalniettemin wordt Israël sinds de 2de wereldoorlog gezien als een Westers en democratisch bastion in een ‘Islamitische wildernis’[9]. In onze Vlaamse schoolboeken vinden we subtielere varianten terug van dezelfde mythe:

Bij de oprichting van Israël (1948) en tijdens de decennia erna was het duidelijk Israël dat als jonge staat moest optornen tegen een ronduit vijandige omgeving van gevestigde Arabische en niet-Arabische moslimstaten”[10]

Israël verwerft zo het statuut van slachtoffer, vol goede democratische  intenties.

Minister van Buitenlandse Zaken, Louis Michel, onderstreept in zijn “open brief aan zijn Israëlische vrienden” expliciet deze identiteit: “Israël et la Belgique sont des pays profondément enracinés dans la démocratie, qui aspirent aux mêmes idéaux de liberté et de tolérance.”[11] De ‘superioriteit’ van onze gemeenschappelijke staatsidentiteit wordt onderstreept om diplomatieke en economische plooien glad strijken. De dagelijkse schendingen van de mensenrechten in Israël en de Bezette Gebieden worden niet vernoemd.

“In het Midden–Oosten heb je als Arabier nergens zoveel vrijheid als in Israël (…) Israël schendt regelmatig de regels, maar Israëls vijanden hebben niet eens regels”,[12] is de ‘subtiele’ boodschap in De Standaard. In de kwaliteitskrant bij uitstek, althans volgens de redacteur, mag Luyendijk uitvoerig zijn verhaal doen. Bewijzen voor bovenstaand citaat worden niet nodig geacht. Niets wijst erop dat de journalist afstand neemt van deze Israëlische propaganda, het wordt als een waarheid geponeerd. Decennia na de introductie op de markt is dit statement nog steeds een even vlot verkopend argument om de intrinsieke goedheid van Israël te bewijzen.

Men hoeft geen verantwoording meer te geven voor het feit dat Israël een onderscheid maakt tussen staatsburgerschap en nationaliteit. De institutionalisering van dit gegeven mondt nochtans uit in wettelijk racisme en segregatie. Dit is duidelijk zichtbaar in de sociaal–economische context waarin de Palestijnse Israëli’s leven: de armoede is hoger, de “infrastructuur voor Palestijnen” is minder goed uitgebouwd, zij zijn nagenoeg niet vertegenwoordigd in de hogere klassen in Israël, …

De wettelijke discriminaties die het hardst in het oog steken, zijn de Wet op de Terugkeer en de Wet op het Land. De eerste wet stelt dat alle joden ter wereld mogen migreren naar Israël, de in 1948 gevluchte Palestijnse bewoners hebben dat recht niet. De tweede wet onteigent alle land van de Palestijnse vluchtelingen (ongeveer 90% van de oppervlakte van Israël) ten voordele van het Joods Nationaal Fonds, dat alleen aan joden mag verhuren. De invulling van de Israëlische democratie heeft dus veel gelijkenissen met het Zuid-Afrikaanse apartheidsysteem. Toch denkt de gemiddelde nieuwsconsument bij Israël spontaan aan een Westerse democratische staat. 


De Israëlische democratie als mythe

Barthes stelt dat de mythe ontstaat uit het verloren-gaan van de historische hoedanigheid van de dingen; wat ze daarvoor teruggeeft is een ‘natuurlijk beeld’ van die werkelijkheid[13]. Met andere woorden een mythe liegt niet, zij verdraait die werkelijkheid enigszins. Stellen dat het discours omtrent de Israëlische democratie een mythe is, betekent dus geenszins een ontkenning van het democratisch karakter van Israël. De kloof tussen het beeld omtrent de Israëlische democratie en de werkelijke status van deze democratie, wie dat beeld schetst en waarom, zijn dan vragen die een antwoord behoeven

Het democratische karakter van Israël wordt zodanig overbelicht dat de ondemocratische aspecten in de schaduw vallen. Het religieuze karakter van de joodse staat en de gevolgen ervan voor de Palestijnse burgers in Israël worden zelden besproken in de media; net zoals de bezetting van de Palestijnse Gebieden, de ontelbare Israëlische schendingen van de Internationale Verdragen en de kolonisering van de Bezette Gebieden, worden ze onzichtbaar. De voorbeelden van het ondemocratische karakter zijn legio maar vallen elke keer opnieuw ‘per toeval’ uit beeld en worden uiterst zelden gelinkt aan het Palestijnse verzet. Israël is en blijft hoe dan ook ‘democratisch’.

In contradictie met deze propaganda, wijzen Israëlische onderzoeken op de grove tekortkomingen van de Israëlische democratie:

“Describing the 2003 Index’s findings as ‘alarming’, the IDI asserts that Israel’s political system ‘has not yet acquired the characteristics of a substantive democracy’.”[14]

Daarenboven lijkt vertrouwen van de Israëlische bevolking in de democratie sterk te tanen.

“The results of this poll show that over the last few years there has been ‘a significant decline in the Jewish population’s support of democratic norms on all levels’ and a 20-year low in the percentage of support for the statement that ‘democracy is the best form of government’. “[15]

Racisme en antidemocratische attitudes halen de bovenhand:

“as of 2003, more than half (53%) of the Jews in Israel state out loud that they are against full equality for the Arabs;(…)  and the majority (57%) think that the Arabs should be encouraged to emigrate”

[16]

Deze en gelijkaardige onderzoeken verhinderen Israël echter niet om constant te appelleren aan de link met het ‘seculiere’, democratische Westen. Het concept democratie wordt gekaapt om  ‘sympathieker’ en ‘geloofwaardiger’ over te komen op de Westerse nieuwsconsument. Deze mythe onderhouden maakt de dagelijkse onderwerping van de Palestijnse bevolking aanvaardbaar.

Immers, as a democracy, Israel has the right and the responsibility to defend its borders and protect its people”[17]


“Veiligheid verkoopt”

Het concept veiligheid is in de laatste twee decennia zeer goed ingeburgerd in de geïndustrialiseerde kerngebieden. Ook in Israël staat veiligheid hoog op de politieke agenda en dat kan op begrip rekenen van het Westen.

De Wexner Analyse stelt het volgende voor:

“Americans fundamentally believe that a democracy has a right to protect its people and its borders… It is essential that we remind people again and again … and again that there are times when it is necessary to take preventative action and that military intervention is better than appeasement.”[18]

President Bush heeft de boodschap eens goed begrepen en stelt zeer expliciet:

“Ik heb het de Premier zeer duidelijk gemaakt dat Israël het recht heeft om zich te verdedigen en dat Israël zich niet geremd moet voelen als het op de verdediging van het thuisland aankomt.”[19]

Over het Palestijnse recht op veiligheid wisten hij en anderen niets te zeggen. Natuurlijk heeft Israël recht op veiligheid, maar de Palestijnse bevolking heeft evengoed dit recht. Dit is een cruciaal onderdeel van elk mogelijk antwoord zou men denken, maar net daar wringt het schoentje. Het concept veiligheid staat momenteel ten dienste van de ‘verantwoording’ voor de bezetting van de Palestijnse bevolking en hun land, de inbreuken op hun veiligheid. Om de eigen bevolking te beschermen mag men blijkbaar een volk en hun land aan zich onderwerpen: “(…) wij (zijn) niet in staat die gebieden te verlaten tot de daar verblijvende terroristen zich aan ons overgeven.”[20] De Palestijnen worden gezien als terroristen, bijgevolg bedreigen enkel Palestijnen ‘de veiligheid’. Zo verwerft Israël haar paradoxale slachtofferrol.

De “root cause” van het conflict mag absoluut niet centraal staan in de verklaringsmodellen. De Israëlische bezetting en koloniseringpolitiek in de Palestijnse Gebieden, is in het mediadiscours omgedoopt tot de ‘Israëlische veiligheidspolitiek’. Net deze Israëlische ‘veiligheidspolitiek’ is in werkelijkheid de oorzaak van de huidige malaise

In de media staan “tragische cultuurverschillen” centraal in de aangeboden verklaringen van het conflict. De islamcultuur van de Palestijnen is het ‘probleem’, zij zouden immers geen vrede willen. Zo kan Israël het slachtoffer zijn van de Palestijnse terreur, in plaats van de bezetter die kost wat kost aast op hun land en grondstoffen. De aanbevelingen “Words that do work” van de Wexner Analyse klinken als volgt:

Whatever the root causes of the Palestinian–Israeli crisis, there are certain tragic cultural facts and differences that stand in the way of peace negotiations between the people of Israel and the Palestinians. No Israeli child has ever strapped a bomb to his back and gone off to kill civilian Palestinians, and yet the Palestinian leadership does too little to dispel the notion among its more extreme citizens that killing Israelis with a suicide bomb is the surest route to heaven”. [21]

De vroegere communistische vijand is ter ziele gegaan, de opvolger was even snel gevonden. Sinds de jaren ‘ 70 stijgt de aandacht voor de Islam in de Westerse pers. Het is een hot item sinds de val van de Shah in Iran, de oliecrisis, de Rushdie–affaire en het Israëlisch–Palestijnse conflict. Er wordt een islamitische dreiging geconstrueerd met  concepten als ‘islamitisch fundamentalisme’, ‘terrorisme’,  ‘irrationeel’, ‘dictatuur’, ‘traditioneel’, ‘vrouwonvriendelijk’, ‘middeleeuws’, enz. Toeval of net niet? In het interview ‘Groei is Goed’ stelt de invloedrijke auteur Thomas Friedman[22] dat het Israëlisch–Palestijnse conflict zijn oorzaak vindt in het vastklampen aan de traditie gesymboliseerd in de olijfboom:

“het grootste olijfboomconflict van allemaal, namelijk het conflict tussen Israël en de Arabische wereld, (…) waar joden en Arabieren maar niet ophielden te strijden ‘over welke olijfboom van wie was’”[23]

De kern van het conflict is terug, surprise surprise, de traditionele islamcultuur. Het ontgaat hem blijkbaar dat de Israëlische bezetting de oorzaak van het Palestijnse verzet is. Het is een “modern” conflict, met een sociaal economische grondslag namelijk een verzet tegen de sociale en economische onderdrukking en voor gelijke rechten. Het is dan ook geen strijd tussen joden en moslims, zoals Friedman beweert, maar een conflict tussen Israël en de Palestijnse bevolking.


De vijand in beeld

In een democratie dient een bevolking echter in te stemmen met het ‘veiligheidsgeweld’. In de huidige politieke termen: men moet het verkopen aan het volk. De klassieke oplossing is angst te installeren. Het demoniseren van de vijandelijke leider is daarvoor een wijdverspreide en dodelijk efficiënte techniek. Na Bin Laden is Saddam Hussein terug de verpersoonlijking van de ‘wereldbedreiging’ die uitgaat van ‘de Islam’. De Wexner Analyse suggereert dan ook de volgende analogie:

“Israel opposed his (Saddam Hussein) cruel ambitions for decades – a decade longer than the U.S. Remind audiences that Israel and America havecommon values, but then stress that we also share common enemies. (…) just as America had no choice but to remove him from power, Israel has no choice but to protect its borders and its people from terrorists who mean us harm.”[24]

De Verenigde Staten en Israël delen dezelfde ervaringen en dezelfde vijanden. Er wordt terug ingespeeld op de creatie van een gemeenschappelijke identiteit, om de ‘oorlog tegen het terrorisme’ door te voeren. Arafat is net zoals Saddam of Bin Laden, en zij moeten uitgeroeid worden:

“Wij proberen alle leiders van het terrorisme te vermoorden en Arafat is zo’n leider. Op moreel vlak is er geen enkel verschil in een moord op Arafat of andere terroristische chefs.”[25]

Deze boodschap wordt de consument ingeprent via allerlei subtiele en minder subtiele wegen. De machtige Richard Perle stelt het zo: ”Maar vrede is onmogelijk zolang de Palestijnen geleid worden door een corrupte dictator, moordenaar en terrorist.”[26] Een Israëlische legergeneraal beschuldigde

“de Palestijnse leider, Yasser Arafat, ervan terreur te gebruiken als een middel om zijn doel te bereiken en de terreurbeweging Hamas in te zetten tegen Israël,(…) hij noemde Arafat de grootste bedreiging voor Israël”

[27]

President G. Bush junior verwoordt het in een toespraak aan de “UN General Assembly” als volgt:

“The Palestinian cause is betrayed by leaders who cling to power by feeding old hatreds, and destroying the good works of others”.[28]




De wreedheden van de vijand

“De honderdste zelfmoordaanslag in drie jaar trof een overvolle bus die ultraorthodoxe gezinnen en schoolkinderen vervoerde die van de Klaagmuur en school op weg naar huis waren.”[29]

Deze gruwelijke aanslagen roepen afschuw en medeleven op, elke aanslag is er één teveel! Journalisten, echter, hebben een perverse relatie met elke aanslag. Sensatie verkoopt immers en deze beelden worden niet gecensureerd. Als gevolg ontstaat er in de mediaberichtgeving het beeld van een Palestijns monster dat terreur zaait, om angst te oogsten. Nagenoeg elke aanslag is één “van de zwaarste aanslagen ooit in het Nabije Oosten.”[30] Palestijnse aanslagen worden breed uitgesmeerd in onze kranten, meestal wordt een halve tot volle pagina besteed aan het Israëlische leed en de gruwelijkheid van de aanslag. De lezer wordt meteen met de neus op de verschrikkelijke feiten gedrukt door de gedetailleerde foto’s op de frontpagina.

Over de Palestijnse slachtoffers en de Israëlische gruwelen krijgen we geen uitvoerige beschrijvingen, maar meningen van Israëlische en Palestijnse woordvoerders. Een artikel onder de titel “Israëlisch leger opent vuur op groep Palestijnse kinderen”,[31] krijgt een bescheiden plaats toegewezen op p. 6. Indien het Israëlische kinderen en Palestijnse daders zijn, is het dan sensationeel frontpaginanieuws? Waarom zien we zo weinig beelden van platgewalste huizen in de Bezette Gebieden, van Palestijnen die illegaal in de Israëlische gevangenissen verblijven, … Een inventaris van het aantal Israëlische wandaden wordt nergens vermeld. Dat is niet toevallig, maar verraadt een systematiek:

“Verhalen over de wreedheden van de vijand vormen een essentieel onderdeel van de oorlogspropaganda. (…)  ze doet geloven dat alleen de vijand het alleenrecht heeft op zulke wandaden, terwijl het eigen leger ten dienste staat van de bevolking, zelfs van de vijandelijke bevolking, die van onze troepen houdt.”[32]

Het irrationele, islamitische monster is de ideale manier om de bevolking en de internationale gemeenschap te overtuigen dat Israël zich moet ‘verdedigen’. Het Israëlische antwoord is gebaseerd op ‘feiten’ en dus ‘rationeel van aard’. Deze programma’s worden bijgevolg geslikt als een noodzakelijk kwaad. Immers ‘Israël wordt bedreigd met de vernietiging’. Er wordt niet vermeld dat Israël militair superieur is in het ganse Midden-Oosten

“Palestijnse zelfmoordaanslagen onderstrepen onmacht Israël”.[33] “Israëli’s zijn stilaan murw geslagen.”[34] “’Ik heb enorme bewondering voor het Palestijnse uithoudingsvermogen’, zei gisteren een Israëli die vroeger een hoge militair was. Wij daarentegen gedragen ons als slappelingen. Wij worden door de Palestijnen murw geslagen.”[35]

Wat moet de Palestijnse bevolking dan zeggen? Sinds de start van de tweede intifada zijn 2256 Palestijnen vermoord en zijn er ongeveer 36.000 gewonden gevallen, ten opzichte van 370 Israëlische dodelijke slachtoffers[36]. Dan wordt er nog niet gesproken over het traumatische afbraakbeleid en het versmachten van het Palestijnse leven. De V.S. hebben dit ook ‘bij toeval uit het oog verloren’. Richard Perle stelt:

“De Israëlische regering valt niets te verwijten. De acties die ze ondernemen in de bezette gebieden, zijn gelegitimeerd. Het is een daad van zelfverdediging, wij hebben niet het recht om daar kritiek op te leveren.”[37]

Onder de noemer van de Israëlische veiligheid kan de kolonisering van de Palestijnse Gebieden verder gezet worden. Israëlische terreur is dan ook onbestaande als we onze kwaliteitsmedia mogen geloven. Israël ‘verdedigt’ en ‘vergeldt’ en heeft daar het recht toe: 

“(…) tot Israëlische vergeldingsmaatregelen leidde.”[38] “Ter vergelding van de zware aanslag in de kuststad Netanya woensdag, is het Israëlische leger gisteren met tientallen tanks en bulldozers naar Ramallah opgerukt.”[39]




Het venijn van macht en mooie woorden

Het Israelische discours vormt een ‘kennisveld’ om het conflict te begrijpen. Dit veld vormt een geheel van regels die bepalen wat wel en wat niet gezegd kan worden. De subjecten van het discours worden hier aan onderworpen, waardoor de producenten macht verwerven over de Palestijnse bevolking en hun land

Dat komt heel duidelijk tot uiting in de totstandkoming van de “Roadmap” van President Bush en het Kwartet. Terwijl de Palestijnse Autoriteiten zich volledig akkoord verklaren met het bestand, krijgt Israël het voorrecht nog 15 veranderingen te mogen eisen. De belangrijkste eis van Israël zegt dat het proces “sequentieel” doorgevoerd moet worden en niet “parallel”. Dat heeft zijn gevolgen als we de doelstellingen van de “roadmap” bekijken:

“A two-state solution to the Israeli-Palestinian conflict will only be achieved through an end to violence and terrorism, when the Palestinian people have a leadership acting decisively against terror and willing and able to build a practicing democracy based on tolerance and liberty, and through Israel’s readiness to do what is necessary for a democratic Palestinian state to be established,(..).”[40]

De machtsverhoudingen worden meteen duidelijk: de eerste stap eist dat de Palestijnse Autoriteiten een einde maken alle Palestijnse terreur. Daarnaast worden de PA verondersteld om zonder steun een democratische staat op te bouwen met volwaardige instituties. Dat moet gebeuren nadat Israël alle instellingen platgewalst heeft en de helft van de administratie en veiligheidsdiensten gevangen genomen zijn

De ‘democratische staat Israël’ dient klaar te staan om het lichtende voorbeeld te zijn, en op deze manier de Palestijnen te helpen een democratie te worden. “The White Man’s Burden” kan toch een harde taak zijn! De onderdrukten moeten aan onmogelijke eisen voldoen terwijl de bezetter geprezen wordt voor zijn democratie.

Met de eis tot sequentiële invoering moet Israël zich pas terugtrekken als het terrorisme volledig beëindigd is en Palestina  een democratische staat is.

Deze opzet is natuurlijk een vrijkaart voor de bezetter; de onderdrukten staan voor een onmogelijke opdracht. Toch komt er een eenzijdige Hudna (wapenstilstand) aan Palestijnse zijde waartegen op 19/8/03 reeds 146 Israëlische overtredingen vastgesteld zijn. Zijn dat dan geen inbreuken tegen het akkoord of valt dat onder “readiness to do what is necessary for a democratic Palestinian state”?

Een elementaire doelstelling van elk indoctrinatieprogramma, is het richten van het bewustzijn van de lezer, weg van de werkelijke macht, van haar wortels en de vermommingen die zij aanneemt. Het huidige verhaal biedt dan ook geen antwoord op onderstaande vragen, ze worden eenvoudigweg niet gesteld: Hoe kan men over een Palestijnse democratische staat spreken als Israël de bezetting niet opgeeft en de Bantoestans blijven bestaan? Hoe kan men een staat opbouwen als Israël deze gebieden economisch vergrendelt? Hoe kan men een staat opbouwen in drie maanden, als Israël de Palestijnse veiligheidsdiensten en de administratie ontmanteld heeft? Hoe kan men het vertrouwen van het Palestijnse volk versterken, om in te stemmen met de Routekaart, terwijl Israël nog dagelijks Palestijns land ‘confisqueert’ voor de bouw van een apartheidsmuur en kolonies; de Palestijnse huizen platgewalst worden, en hun olijfbomen gerooid worden? Hoe kan men mensen overtuigen om niet te reageren tegen de kolonisatie van hun gronden en de moord op familieleden. Hoe kan men … Een dergelijk ‘routeplan’ zou in de Zuid– Afrikaanse context slechts hoongelach opgeroepen hebben.

De “routemap” is nagenoeg volledig gebaseerd op de vooronderstellingen van het Israëlische discours. Eén blik op het document en men krijgt de indruk dat het de Palestijnen zijn die bezetten, met Apachehelikopters bombarderen, gronden koloniseren, onwettige arrestaties plegen van duizenden mensen. Het Palestijnse islamitische verzet lijkt ‘the root cause’ te zijn van het conflict, niet de bezetting. De parallellen met het mediadiscours over het conflict zijn overduidelijk, met de huidige malaise als gevolg.

Het Israëlisch–Palestijnse conflict bevat naast politieke, economische en militaire dimensies ook belangrijke retorische en communicatieve componenten. Die hebben tot doel de legitimiteit van de Israëlische ‘veiligheidspolitiek’ te bevestigen. Journalisten, woordvoerders en commentatoren worden net als politici en experts geconfronteerd met deze communicatieve goocheltruc. Aan hen de keuze.

Communicatieve economieën bundelen verschillende producenten die elk hun verhaal wensen te slijten. Producenten echter zoals Israël beschikken over de macht en middelen om te streven naar een monopolie over het taalgebruik en de beelden in onze media. Het gezegde ‘het zijn maar woorden’ getuigt dan ook van een naïeve blik op de realiteit. Het lijkt erop dat het taalgebruik van onze zo geprezen ‘objectieve’ informatie eerder de ‘orde der dingen’ bevestigt, dan ze te emanciperen en te democratiseren.

Woorden mag men niet dissociëren van de communicatieve economie waarin ze geproduceerd worden en circuleren. Het Israëlische discours geeft Israël een vrijgeleide om haar koloniseringpolitiek verder te zetten en het decennia oude ‘Allonplan’ stilaan in realiteit om te zetten. Met de Muur is de apartheidspolitiek fysiek zichtbaar geworden. De slagzin is dezelfde gebleven: feiten creëren, en dat ten koste van de Palestijnse bevolking.

_______________________


 


[nu, 2011: ico@kifkif.be]

Bibliografie/Noten

[1] Blommaert J. 2000: “Ik stel vast”… Politiek taalgebruik, politieke vernieuwing en verrechtsing”. Op deze site.

[2] Palestinian Centre for Human Rights: Silencing the Press: A Report on Israeli Attacks against Journalists 01 October 2002 – 31 March 2003.

[3] Robert Fisk, Washington Report: I Am Being Vilified for Telling the Truth About Palestinians.

[4] The Luntz Research Companies & the Israel Project, 2003: Wexner Analysis: Israeli communication priorities.

[5] Wexner Analyse zie voetnoot 4.

[6] Wexner Analyse zie voetnoot 4.

[7] De Standaard, 22 december 2002: Ariel Sharon, de Bulldozer waar zelfs de schapen bang van zijn.

[8] Marc Eyskens, Fundamentalisme in de politiek; http://www.eyskens.com/docs/politiek_inhoud_05.html.

[9] Said, E, 1997 (1981), Covering Islam.

[10] De Wereld en Europa 1918-heden, Walter Smits, Hugo Van de Voorde, Ingrid Van Ransbeek, handleiding, 1994 p.75.

[11] Louis Michel, 26 2 2003: Lettre ouverte à mes amis Israéliens ( Le Soir, 26 février 2003).

[12] De Standaard,  Luyendijk J., 19 1 2003: Nooit veilig,altijd bang.

[13] Barthes, R., 2002 (1957): Mythologieën.

[14] El Fassed, A. & Parry, N., 2003: Israel discovers that democracy is not an Israeli value.

[15] Zie voetnoot 14.

[16] Zie voetnoot 14.

[17] Wexner Analyse zie voetnoot 4.

[18] Wexner Analyse zie voetnoot 4.

[19] De Standaard, SN, 9 10 2003: Bush: Israël moet zich niet geremd voelen.

[20] De Standaard, SN, 19 4 2002: Israëlische leger tegen zondag weg uit “meeste” bezette gebieden.

[21] Wexner Analyse zie 4.

[22] Thomas Friedman is columnist van The New York Times en één van de invloedrijkste commentators ter wereld.

[23] De Standaard, Frank Albers, 23 10 2003: ‘Groei is goed’.

[24] Wexner Analyse zie voetnoot 4.

[25] De Morgen, SN, 15 9 2003: regering –Sharon sluit moord op Arafat niet uit.

[26] De Standaard, Richard Perle, 18 5 2003: Irak is nog maar het begin.

[27] De Financieel-Economische Tijd, SN,  2002: Israëlische topmilitair suggereert herbezetting Palestijnse gebieden.

[28] Bush G, 24 9 2003: toespraak voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.

[29] De Standaard, SN, 22 10 2003: Naamloze gewonden in Israël.

[30] De Standaard, SN, 20 10 2003: twintig doden bij aanslag in Jeruzalem.

[31] De Morgen, SN, 25 10 2003: Israëlische leger opent vuur op groep Palestijnse kinderen.

[32] Morelli, A. 2001: Elementaire principes van oorlogspropaganda.

[33] De Standaard, Salomon Bouman, 7 1 2003: Palestijnse zelfmoordaanslagen onderstrepen onmacht Israël.

[34] De Standaard, Lee Hockstader, 22 2 2002: Israëli’s zijn stilaan murw geslagen.

[35] De Standaard, Salamon Bouman, 21 2 2002: Leiderschap van Sharon erodeert.

[36] The Israeli Information Center for Human Rights in the Occupied Territories 7 nov. 2003.

[37] De Standaard, Richard Perle, 18 5 2003: Irak is nog maar het begin.

[38] De Morgen, Reuters/E.I, 21 10 2003: Israël grendelt Palestijnse gebieden opnieuw af.

[39] De Morgen, E.I. 30 3 2003: Tanks verwoesten hoofdkwartier Arafat.

[40] Office of Spokesman U.S., 30 april 2003: A Performance-Based Roadmap to a Permanent Two-State Solution to the Israeli-Palestinian Conflict.

De criminalisering van de tweede intifada

De criminalisering van de tweede intifada

2003 Ico Maly

 

 De  tweede intifada werd door de Israëlische regering steevast getypeerd als het gewapende, gewelddadige, criminele en terroristische Palestijnse antwoord op het ‘vredesproces’. Door deze typering lijkt het Palestijnse verzet zomaar uit het niets te zijn ontsproten. De paradox van een ongemotiveerd verzet is cruciaal in het Israëlische discours: het stuurt de invulling van de motivatie en de betekenis van het verzet in de media. Het Palestijnse volk zou immers gekozen hebben voor terrorisme en geweld in plaats van ‘de’ vrede.  

De verdrijving van de Palestijnen en de jarenlange (directe en indirecte) Israëlische bezetting van het Palestijnse volk, de kolonisering van hun grondstoffen, hun vrijheid en hun land verdwijnt uit beeld. Het Israëlische discours stelt immers de ‘weg naar vrede’ centraal als context waarin de tweede intifada ontstaan is. Allerhande journalisten, wetenschappers en nieuwsankers zetten meteen de religieuze bril op in de zoektocht naar verklaringen en bindteksten. De gevolgen hiervan voor het Palestijnse volk zijn niet gering: hun recht op verzet tegen de inhumane bezetting van het Palestijnse volk wordt in de media gesmoord.  

De Zoektocht naar een Motief: van Slachtoffer naar dader

In tegenstelling tot de eerste intifada, krijgt de huidige intifada meteen een religieuze stempel opgedrukt, met andere woorden de stempel van de islam. Als we ons bewust zijn van het discours over de islam in de internationale media, kan men meteen voorspellen dat het voor de Palestijnen geen goede zaak kan betekenen dat de intifada onmiddellijk aan ‘de’ islam wordt gekoppeld.  

De opstand wordt al snel benoemd als de ‘Al-Aqsa intifada’. Met deze benoeming wordt verwezen naar het provocerende bezoek van Ariel Sharon aan de Al-Aqsa tempel gevolgd door het uitbreken de opstand. Het gevaar van het beschrijven van deze opstand als de ‘al-Aqsa intifada’ zit hem in het ééndimensionale beeld dat men op deze manier aan het verzet toewijst. De opstand lijkt hoofdzakelijk gevoed door religieuze motieven en zou uitgebroken zijn naar aanleiding van de islamitische heiligdommen. Het typeren van de opstand als de ‘al-Aqsa intifada’ past perfect in de nieuwe mediahype, die van de “Huntingtonificatie” van het conflict: het jodendom tegen de islam, “the clash of civilizations”. Het verstoorde machtsevenwicht tussen beide partijen, waar het in wezen om draait, verdwijnt als sneeuw voor de zon door deze associatie.   Palestijnen, moslims of Arabieren worden in onze media steevast afgebeeld als de ‘grote islamitische dreiging’. Het geweld wordt (impliciet) toegeschreven aan het ‘moslim-zijn’. Hierbij wordt vergeten dat de opstand gaat om een strijd tegen de (indirecte) bezetting van een volk, om een strijd voor de terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen, kortom om een strijd voor de rechten van de mens.  

Het discours stelt dat het Palestijnse volk niet langer het onmachtige slachtoffer is van de Israëlische bezetting. Israël wordt met name het slachtoffer van een ‘machtige, terroristische, islamitische dreiging’. Het taalgebruik hieromtrent in de (Israëlische)pers is zeer duidelijk. Als voorbeeld voor dit taalgebruik kunnen we het concept ‘vergelding’ gebruiken. Dit concept wordt ingevuld volgens de handleiding van het discours: “de Palestijnen vallen aan en de Israëli’s vergelden die acties”. De realiteit wordt op zijn kop gezet. Het sprookje van de gerechtvaardigde oorlog wordt nogmaals gerecycleerd, met Israël in de rol van “good guy” en ‘Palestina’ als de “bad guy”.  

Het Profiel van de Vijand: de Creatie van een Dreiging

Israël is de grootste militaire macht van het Midden-Oosten. Palestijnse burgers, jongeren die met stenen gooien, gewapende Palestijnse veiligheidsdiensten en militanten in vluchtelingenkampen en bantoestans zijn machteloos ten opzichte van de superioriteit van de (militaire) alliantie tussen Israël en de Verenigde Staten. De zelfmoordaanslagen zijn volgens sommige Palestijnse groeperingen dan ook het enige wapen dat een diepe impact heeft op de Israëlische samenleving. Deze impact is zeer reëel en niet te onderschatten, zowel voor het Israëlische als voor het Palestijnse volk. Deze aanslagen legitimeren de grondgedachte van het ‘veiligheidsconcept’ in de Israëlische politiek. Tevens verraden de zelfmoordaanslagen de machteloosheid van het Palestijnse volk en voedden standaardgedachte in Israël dat elke Palestijn een mogelijke ‘terrorist’ is. Dit is de verantwoording bij uitstek om het Palestijnse volk verder te dehumaniseren en de bezetting te continueren. De mythe van het ‘islamitische gevaar’ wordt leven ingeblazen, ‘alle’ Palestijnen zijn ‘terroristische moslims’. Het verslag van “The Palestinian Human Rights Monitor” stelt dat in het Israëlische discours elke Palestijnse burger die de bezetting afkeurt, op welke wijze dan ook, “een terrorist” geworden is. Dit heeft tot gevolg dat de reële oorzaken van het conflict in de schaduw komen te staan en dat het Israëlische publiek naar de overtuiging wordt geleid dat het Palestijnse volk een fundamenteel gewelddadig volk is. Tevens minimaliseert het gebruik van het concept “terrorist” het gewicht van de Palestijnse doden: “Palestinians, after all, are not really “civilians.””    

Als Israël zichzelf als slachtoffer wil profileren, dan is het van cruciaal belang dat die mythe steeds gevoed wordt. De machteloosheid van het Palestijnse volk wordt zo professioneel weggewerkt. Daarenboven wordt het beeld opgehangen van de Arabische landen als reële dreiging voor het voorbestaan van Israël. De link met Bin Laden en zijn Al-Qaeda kon na de gebeurtenissen van 11 september natuurlijk niet uitblijven. Zo zou Arafat zijn Jihad voeren net zoals Bin Laden en zou hij de ‘demon’ zijn die zijn volk leidt in het ‘terrorisme’. Sinds de verschrikkelijke aanslagen pretendeert Israël dan ook samen met de V.S. betrokken te zijn in een “war against terrorism”.  

De uiterst machtige bedreiging die Israël vormt voor de hele regio, inclusief zichzelf en het Palestijnse volk komt zelden aan bod. Het beeld dat wij voorgeschoteld krijgen lijkt wel een plot van een strip: Israël is het slachtoffer op zoek naar vrede in het midden van ‘Arabische vijandigheid’.  

De Aanklacht: Van opstand naar Oorlog

In navolging van de verantwoording van President Bush om op oliekruisvaart te trekken, gebruikt Israël het ‘terrorisme’ van enkelen om het Palestijnse volk te beschuldigen van de start van een ‘oorlog’.   De aanslagen van 11 september versterken het retorische draagvlak in Israël om te spreken van een oorlog, namelijk ‘a war against terrorism’. Deze conceptualisering is al snel aan de winnende hand en we zien dat het concept intifada steeds vaker vervangen wordt door ‘oorlog’, wat twee gelijkwaardige naties veronderstelt die het opnemen tegen elkaar. De Palestijnse zijde beschikt echter niet over een natie, een leger, bewegingsvrijheid, gevechtshelikopters, tanks, soldaten, F-16’s, kernwapens… Desondanks worden zij beschuldigd van alle kwaad.

  Er is echter een dermate groot structureel differentieel tussen beide partijen dat we nooit kunnen spreken van een conventionele oorlog. Toch is het kader van een “symmetrische oorlog” een dominerend aspect in het denken van de Israëlische bevolking over het conflict .  

De Veroordeling: het monddood maken van de tweede intifada

De constructie van de realiteit in de berichtgeving heeft vaak bitter weinig te maken met de Palestijnse realiteit, maar reflecteert des te meer de machtsverhoudingen in het Israëlisch – Palestijnse conflict. Het concept ‘oorlog’ is momenteel een cruciale factor in het discours ter ‘rechtvaardiging’ van de Israëlische militaire acties. Het concept veronderstelt immers twee enigszins gelijkwaardige naties waarvan één partij de oorlog start en één partij de rol van slachtoffer toebedeeld krijgt. Mochten we het discours geloven, dan zijn de Palestijnen de schuldigen. De Israëlische (indirecte) bezetting verdwijnt op de achtergrond: de landinbeslagname, de vernieling van Palestijnse huizen en dorpen, het lamleggen van de Palestijnse economie, de folteringen, de executies, het racisme en de Israëlische apartheidspolitiek worden met stilte omhuld. In schril contrast met de bewijslast tegen Israël, verwerven zij de slachtofferrol in de binnenlandse en de internationale media.  

Om het publiek te overtuigen dat Israël het slachtoffer is in deze ‘oorlog’, is het van cruciaal belang om het onderdrukte volk te kunnen afbeelden als een werkelijke bedreiging voor de onderdrukker.

Het retorische draagvlak in de Westerse media is echter gemakkelijk gevonden, denk maar aan ‘onze’ extreem – rechtse en andere politici en hun uitlatingen over ‘de’ islam. ‘De’ islam wordt doorgaans door de media gekaderd als ‘de bedreiging’ voor Israël en het Westen, maar is het niet wijzer om de onderdrukking, de marginalisering en de kolonisering van een volk te beschouwen als een extreem terroristische aanslag op het samenleven van alle mensen?   Door de constructie van een inherent gewelddadig Palestijns monster kan men zichzelf de slachtofferrol toedichten. ‘De intifada bestaat niet meer, er is geen opstand tegen de bezetting, immers de Palestijnen zijn de oorlog begonnen met terreur.’ Dit verhaal verleent Israël de nodige vrijheid om de gebieden verder te koloniseren. Het Palestijnse verzet wordt als onterecht bestempelt. De intifada is monddood gemaakt.

 
 

Intifada of Oorlog

Intifada of Oorlog

2002 | Ico Maly

 

De huidige intifada wordt door de Israëlische regering steevast getypeerd als het gewapende, gewelddadige, criminele en ‘terroristische’ Palestijnse antwoord op het ‘vredesproces’.   
 
Een Korte Historiek
 
 
De huidige intifada wordt door de Israëlische regering steevast getypeerd als het gewapende, gewelddadige, criminele en ‘terroristische’ Palestijnse antwoord op het ‘vredesproces’. Dit verzet lijkt zomaar uit het niets te zijn ontsproten. Zo verwordt deze intifada het symbool van de ‘ultieme onwil’ vanwege de Palestijnen om ‘vrede’ na te streven. Het ultieme bewijs hiervan zou ‘Arafat’s’ verwerping zijn van de ‘verregaande voorstellen’ vanwege Barak op Camp David.
 
 
Recht op Rechten
 
Wat hierbij permanent over het hoofd gezien wordt, is de internationale rechtsstatus van de intifada. Israël bezet immers, illegaal Palestijns land en het Palestijnse volk. Bijgevolg is Israël, onder het internationaal recht, niet alleen verantwoordelijk voor het welzijn van het bezette volk, Israël moet deze bezetting opheffen. Daar deze eisen niet nagekomen worden, is de Palestijnse opstand beschermd door het Internationaal Recht. Zolang Israël weigert om de UN Resoluties 242 en 338 uit te voeren in de praktijk, moet zij zich onderwerpen aan de relevante grondbeginselen zoals voorgeschreven door de Vierde Conventie van Genéve[i].
 
“Since 1967 and during the current uprising, Israel has refused to accept this framework of Legal Obligations. Its refusal has been pronounced, blatant and undisguised. Not only has Israel failed to withdraw from the Occupied Territories, during the Occupation Israel has “created facts”- heavily armed settlements, bypass roads and security zones in the midst of a future Palestinian state- that seriously compromise basic Palestinian rights.”[ii]
 
Deze feiten geven de Palestijnen het recht op verzet tegen hun bezetter en, in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, veranderen de akkoorden van Oslo niets aan dit recht.[iii] De VN -resolutie die aangenomen wordt op 7 oktober 2000 met 14 tegen 0 ( de V.S. onthoudt zich) bevestigt dit. Francis Boyle bespreekt de Paragraaf 3 uit deze resolutie als volgt:
 
“Notice in paragraph 3 (…): “calls upon Israel, the occupying Power…” occupying power has a definite meaning in international law. Israel occupies the West Bank, the Gaza Strip, and the entire city of Jerusalem. Israel is what we lawyers call a belligerent occupant. Israel has no sovereignty over the West Bank and Gaza Strip, or the entire city of Jerusalem.(…) Belligerent occupation is governed by the Hague Regulations of 1907, as well as the fourth convention Geneva Convention of 1949.”[iv]
 
Ook Dina Khreino van ‘The Washington Report on Middle East affairs’, benadrukt deze feiten:
 
“Contrary to what Sharon believes, the fact remains Israel’s failures to abide by international law, as a belligerent occupant, amounts to a fundamental denial of the right to self-determination and, more generally, of respect to a legally protected right of Palestinian resistance and armed struggle in the occupied territories.”[v]
 
Vooreerst wens ik mij te verduidelijken: dit artikel mag en kan nooit begrepen worden als een legitimatie voor aanslagen op burgers, hetgeen verboden is volgens het Internationaal Recht. Aanvallen op burgers zijn niet alleen inhumaan en immoreel, ze zijn op de koop toe contra – productief. De aanvallen op burgers, zowel van Palestijnse als van Israëlische zijde, kunnen enkel de kans op een duurzame vrede in de toekomst verder ondergraven.
 
De kern van het Israëlisch – Palestijns conflict is de 35 -jaar oude geschiedenis van systematische schendingen van de rechten van het Palestijnse volk, door Israël en ‘bondgenoten’. Het stoppen van het legitiem en het illegitiem verzet, met dus ‘de’ vrede als gevolg, kan enkel maar bereikt worden als de opstand (hoofdzakelijk) slaagt in zijn opzet: het stopzetten van de dagelijkse discriminatoire inperkingen van de Palestijnse rechten door de Israëlische regering.
 
Deze opstand moet daarvoor de steun generen van de internationale gemeenschap om de Israëlische bezetting te (laten) beëindigen. Hiervoor moeten de werkelijke oorzaken van de opstand in al zijn vormen blootgelegd worden, in eerste instantie aan het Israëlische publiek, daar zij de directe macht hebben om veranderingen te verwezenlijken. De media spelen hierin een cruciale rol, want geen enkel medium is zo geschikt om mensen en politici te mobiliseren.
 
Toch lijkt deze opstand vaak begrepen te worden in uiterst negatieve eigenschappen, ook doorheen onze dagelijkse media. De werkelijke oorzaken worden met de regelmaat van de klok ‘verdoezeld’, hetzij door gruwelijke beelden, details, fouten en het ‘vergeten’ te vermelden van context, hetzij door het overnemen van een discours met zijn categorisering, zijn stereotypen en onderliggende ideologie (gesteund op propaganda). Het tonen van de historische context, het politiek – sociaal –economisch kader is er vaak niet bij, wat het voor de consument bijna onmogelijk maakt om het nieuws ten volle te begrijpen.
 
 
De Creatie van een Beeld
 
Doorheen de media wordt een beeld gecreëerd van het conflict. Dit beeld staat niet los van de realiteit, maar schept allesbehalve de volledige versie van de werkelijkheid[vi]. De complexiteit van het conflict wordt veelal vervangen door een simpelere versie. In de verslaggeving hanteert men categorieseringen om de realiteit in een 4 minuten durend beeldfragment of in een artikel aan de consument te serveren.
 
Om die enorm complexe realiteit ‘begrijpelijk’ te kunnen overbrengen in één artikel maakt men meestal ongewild gebruik van constructies van de realiteit: men toont de realiteit in een simpel kader. G. Lakoff beschrijft enkele van zulke constructies in zijn artikel “Metaphor and War”. Heel vaak gebruikt men ‘the fairy tale of the just war’[vii], wat een sterke simplificering is en vaak zelfs geheel in tegenstrijd is met de realiteit. Men bouwt de verslaggeving op aan de hand van categorieseringen van de verschillende partijen in een slachtoffer, een ‘bad guy’ en een held. De slechterik is een inherent slecht monster. Praten of onderhandelen met deze partij in het conflict is dan ook niet mogelijk. De held en het slachtoffer kunnen dezelfde partij zijn in het conflict.
 
Om dit ‘sprookje’ werkelijkheid te laten worden in hoofde van nieuwsconsumenten, hebben regeringen baat bij het creëren van een  onmenselijke, inherent gewelddadige, irrationele, terroristische, fundamentalistische vijand… Het discours is dan ook gebaseerd op een serie dichotomieën zoals ‘goed versus kwaad’, ‘rechtvaardig versus onrechtvaardig’, …:
 
“the construction of the enemy is accompanied by the construction of the identity of the self, clearly in an antagonistic relationship to the enemy’s identity. In this process not only the racial otherness of the enemy is emphasised, but the enemy is also considered to be a threat to ‘our own’ identity. In this fashion the enemy’s identity becomes a constitutive outside (Laclau 1990: 17), supporting the identity construction of the self.”[viii]
 
In dit artikel bekijken we de beeldvorming rond de intifada en de betrokken partijen in twee Israëlische kranten (Ha’aretz en Jerusalem Post) en twee Amerikaanse kranten (New York Times en Washington Post). Ha’aretz is Israël ’s meest gerespecteerde krant en zou dus in principe ‘objectiever’ berichten dan de Jerusalem Post. Beide kranten verkopen niet alleen goed in het binnenland, zij hebben een ruime internationale afzetmarkt, o.a. door de Engelstalige versies op het Internet (sinds kort is de JP zelfs in het Frans te lezen op het Internet). Beide kranten duiken vaak op als bronnen voor sociale wetenschappers en misschien nog belangrijker voor de internationale media.
 
De Israëlische media is zeer goed georganiseerd en beschikt over veel middelen en niet onbelangrijk: de eventuele bewegingsvrijheid[ix] om verslag te doen. Dit leidt ertoe dat de Israëlische media vaak als de ‘enige’ relatief betrouwbare en toegankelijke bron gezien wordt door verschillende Westerse journalisten.
 
De Amerikaanse kranten worden als kwaliteitskranten beschouwd. Artikels worden zelfs vaak integraal overgenomen door andere kranten. Dit zorgt er onder meer voor dat het belangrijkste en best werkende ‘propaganda-apparaat van de staat’, mee geïmporteerd wordt.[x] De media zijn immers een zeer belangrijke peiler om een ideologie te dragen, om zodoende mensen ‘de feiten’ aan te reiken in een ideologisch beladen kader …[xi]. Toch worden deze feiten gepresenteerd alsof zij de werkelijkheid weergeven. De mythe van het ‘objectieve’ nieuws ligt hieraan deels ten grondslag. Door deze mythe lijken de ‘Westerse’ nieuwsprogramma’s, voor hun lokale consumenten, de waarheid in pacht te hebben. Enkel de ‘ander’ is onderhevig aan een dagelijkse portie propaganda. Men moet zich bewust worden dat het nieuws slechts één van de vele mogelijke schaduwbeeldjes brengt van een enorm complexe maatschappelijke realiteit. Alleen al de gekozen bewoordingen van de journalist, hetzij bewust of onbewust, zijn subjectief. Ideologie, waarden, normen, ‘common sense’ ideeën zitten steeds vervlochten met de taal in elk artikel. Wij kijken als het ware mee naar het conflict door de woorden van de journalist. Die woorden dragen de kiemen van de macht in zich omdat zij kunnen bepalen hoe wij over het conflict zullen denken.
 
De Eerste Intifada
 
In 1987 zijn enkele opeenvolgende gebeurtenissen (de ontgoochelende Arabische top, een kolonist die een Palestijns schoolmeisje vermoordt en een auto-ongeluk met 7 Palestijnse doden) de directe aanleiding tot spontaan lokaal verzet tegen de Israëlische bezetter. De eerste intifada is geboren. “Het Arabische woord betekent letterlijk “van zich afschudden” en dat is dan ook de bedoeling: de Israëlische bezetting van zich afschudden.”[xii] De tactieken van de eerste intifada zijn in principe niet-gewelddadig. Het protest komt tot uiting in stakingen, boycotten en andere vormen van burgerlijke ongehoorzaamheid.
 
Er zijn inbreuken op deze geweldloze ideologie van de eerste intifada. Het gooien van stenen naar Israëlische soldaten en kolonisten is hiervan het symbool bij uitstek geworden. Deze daden moeten veeleer symbolisch opgevat worden daar zij geen reële bedreiging betekenen voor de gigantische overmacht van het Israëlische leger (IDF). De kolonisten zijn in deze periode een veel voorkomend slachtoffer van de jonge Palestijnen gewapend met een katapult en stenen: “Settlers, who had no alternative but to use roads that went through or near Palestinian communities, became constant targets of Palestinian stone throwing.”[xiii] De Palestijnen worden echter het zwaarst getroffen: de meeste (dodelijke) slachtoffers vallen aan hun zijde en toch blijven zij weerstand bieden tegen hun bezetter.
 
De eerste intifada is wijdverspreid, moeilijk te controleren en bestaat voornamelijk uit “confrontations between the civilian population at large and the Israeli army and border police within the urban centers.”[xiv] De opstand wordt dus gedragen door de gehele Palestijnse bevolking en is gericht tegen hun bezetter en hun ‘onteigenaar’. Het is dus per definitie een nationale strijd.
 
 
De Tweede Intifada
 
Alhoewel er vele parallellen zijn met de eerste intifada, zijn er meer verschilpunten tussen de huidige intifada en zijn voorganger. De verschillen tussen beide vloeien voort uit de sterk veranderde politieke en diplomatieke contexten. Bij de eerste intifada was:
 
“The Israeli military (was) in full control of Palestinian population centres, and administered Palestinians’ daily lives under conditions of direct colonialism. The Uprising – a militant but essentially unarmed civil insurrection – put the Israeli military, and Israeli society at large, on notice that Palestine could no longer be governed by colonial rule.”[xv]
 
De vertaling van de Oslo-akkoorden naar de realiteit vormt de context waarin de tweede intifada ontspringt. De Oslo-akkoorden zijn geen ‘vredesakkoorden’ en zijn ook nooit zo bedoeld. “Met Oslo wordt een kader uitgewerkt -, in het bijzonder Palestijnse interim autonomie – waarbinnen het conflict beheerst zou worden in afwachting van het moment waarop een echt vredesakkoord bereikt kon worden.”[xvi] Deze akkoorden geven Palestijnse autonomie in kleine versnipperde gebieden, hetgeen iets geheel anders is dan soevereiniteit. De kiemen van de huidige malaise moeten dan ook in dit akkoord gezocht worden. Of met de woorden van prominent sociaal wetenschapper E. Said:
 
“The portents of this disarray, however, were there from the 1993start. Labour and Likud leaders alike made no secret of the fact that Oslo was designed to segregate the Palestinians in non-contiguous; economically unviable enclaves, surrounded by Israeli-controlled borders, with settlements and settlement roads punctuating and essentially violating the territories’ integrity, expropriations and house demolitions proceeding inexorably through the Rabin, Peres, Netanyahu and Barak administrations along with the expansion and multiplication of settlements (200 000 Israeli Jews added to Jerusalem, 200 000 more in Gaza and the West Bank), military occupation continuing and every tiny step taken toward Palestinian sovereignty – including agreements to withdraw in minuscule, agreed-upon phases – stymied, delayed, cancelled at Israel’s will.”[xvii]
 
De Oslo-akkoorden betekenen voor de PA (Palestijnse Autoriteit) een zeer geringe uitvoerende macht, zij is steeds gebonden aan Israël, o.a. door de bantoestanisering, beperkte autonomie en de afhankelijkheid van Israël voor waterbeheer[xviii] en elektriciteit. Tevens wordt de PA verantwoordelijk voor de veiligheid van Israël, wat onvermijdelijk moet leiden tot de ‘onderdrukking van het Palestijnse volk’. Het hoeft dan ook niet verwonderlijk te zijn dat de tweede intifada ook deels tegen Arafat en ‘zijn’ PA gericht was: “The al-Aqsa Intifada is an Intifada against Oslo and against the people who constructed it, not only Dennis Ross and Barak, but a small, irresponsible coterie of Palestinian officials.”[xix]
 
De initiële ‘trigger’is het beruchte en uitermate provocerende bezoek van Ariel Sharon, vergezeld door een slordige 1000 man sterke politiemacht, aan de al-Aqsa Moskee. Een grotere opeenstapeling van provocaties aan het Palestijnse adres kan men zich bijna niet voorstellen:
 
“Sharon is the very symbol of Israeli state terror and agression, with a rich record of atrocities going back to 1953. Sharon’s announced purpose was to demonstrate “Jewish sovereignity” over the “al-Aqsa compound”(…)[xx]
 
Gezien de verschillende politieke en diplomatieke contexten waaruit de twee intifada’s zijn ontsproten, kunnen we ons ook aan een verschillend verloop tussen beide intifada’s verwachten.
 
 
De Anatomie van de Tweede Intifada
 
De veranderde geografie in de ‘Palestijnse gebieden’ is één van de oorzaken van de ‘militarisering’ van de tweede intifada. Waar de Palestijnse jongeren tijdens de eerste intifada hun woede uiten door stenen te slingeren naar de kolonisten, is dit nu niet meer mogelijk. De geografie die geschapen wordt tijdens de Oslo-akkoorden zorgt er immers voor dat het Israëlische leger de Palestijnse bevolking ‘snel en efficiënt’ kan opsluiten in bantoestans[xxi].
 
“By means of the new geography, the Israeli army can better confine the insurgency within specific locations and protect itself at secure strategic positions. This narrowed “battlefront” has also allowed the greater militarization of the clashes.”[xxii]
 
De Israëlische kolonisten in Palestijns gebied worden echter niet alleen door de geografie beschermd. In tegenstelling tot de eerste intifada, krijgen de “settlers” volledige steun en nauwe samenwerking van de Israëlische regering en het IDF (Israeli Defense Force, het Israëlisch leger):
 
“In Addition, except possibly the case of Hebron, the past few years have seen a growing and conscious synergy between the army and the settlers – in contrast to their often conflict-ridden relationship before Oslo. The growth of permanent military garrisons at settlements with each new redeployment (all funded by US taxpayers) suggests the consolidation of this settler-army alliance.“[xxiii]
 
Het sprookje van de burgerslachtoffers bij de kolonisten moet duidelijk aan de kaak gesteld worden. De kolonisten zijn zeker niet allen onschuldige slachtoffers. Vooreerst is er natuurlijk hun aanwezigheid, wat volstrekt illegaal is en de Palestijnen, zeer begrijpelijk, voor de borst stoot. De ‘settlers’ bezetten vaak de beste gronden op Palestijns gebied, hebben meer rechten en meer comfort dan de Palestijnen. Vaak zijn deze kolonies op de toppen van de heuvels gevestigd, wat naast een ‘veiligere’, goed verdedigbare positie ook een uiting van ‘superioriteit’ met zich meebrengt: ze kijken als het ware neer op de Palestijnen. Een belangrijker punt is echter dat de kolonisten niet altijd ongewapende en/of onschuldige slachtoffers zijn (zie verder).  Ter verduidelijking stel ik hier dat er ook burgerslachtoffers vallen onder de kolonisten. Ik wens enkel een vaak voorkomend en ongenuanceerd beeld van de gewapende Palestijnse ‘terroristen’ tegenover de onschuldige Israëlische ‘settlers’ te nuanceren.
 
Doordat de wegen, de Palestijnse steden en de Israëlische kolonies volgens een militaire strategie zijn opgebouwd en de synergie tussen de kolonisten en het IDF op een hoogtepunt is, kan dit niet anders dan een weerslag hebben op de structuur en het verloop van de opstand:
 
“The second intifada has utilized violent methods more extensively than the first. The Palestinians’ use of firearms, especially against settlers and settlements near populated Palestinian communities, is perhaps one of the key differences between the uprisings.”[xxiv]
 
Het katapulteren van stenen, als protest tegen de bezetting, wordt mede door de veranderde geografie en de sterke banden tussen ‘settlers’ en het IDF niet meer als een reële mogelijkheid gezien. De structuur van de tweede intifada verschilt dan ook sterk van zijn voorganger. Nogmaals is nuancering hier op zijn plaats: de ‘militarisering’ van de opstand sluit de ‘ongewapende opstand’ immers niet uit.
 
“During the first months, there was still a sense that multitudes were taking part in an uprising: thousands marched to the roadblocks, hundreds dared to clash with the soldiers. Meetings and rallies called for continuing the uprising and for developing it in forms of mass action.(…) At this point, very little remains of all this, and all are groaning under the weight of Israeli countermeasures (…) The Intifada is therefore now above all, a day – to – day struggle against suppression.”[xxv]
 
Zeker in het begin zijn er dus nog betogingen en stakingen tegen de bezetting, maar ook in 2002 hebben we niet alleen massale stakingen gezien in Gaza, maar ook internationale steunbetogingen, … Sommige van deze eerste betogingen zijn volledig ongewapend; soms zijn de ongewapende burgers vergezeld door gewapende Palestijnse ‘veiligheidsmensen’:
 
 
Saled J. (the Palestine Report) geeft hieromtrent de volgende mening:
 
 “The participation of “armed” Palestinian elements in popular demonstrations and shootings at soldiers and settlers must end, even though we know that it occurs within a context of selfdefense. These shootings take place from a distance, and frankly speaking, are fruitless. (…) The participation of these elements are nothing more than symbolic, giving a false sense of safety and security. Instead they offer Israel the excuse to use tanks, Cobra helicopters and rockets to quell an uprising that is popular in essence.”[xxvi]
 
De ‘militarisering’ van de tweede intifada heeft verschillende zeer belangrijke nevenwerkingen. Een van de gevolgen van de wapenopneming is dat de drempel voor Israël verlaagt om hard toe te slaan. Geweld ‘rechtvaardigt’ immers voor velen een gewelddadige reactie, het ‘oog om oog, tand om tand’-principe zit nog steeds diep ingeworteld bij de mensen. De realiteit bevestigt dit: Israël maakt gebruik van tanks, raketten en aanvalshelikopters om het Palestijnse volk te onderdrukken. Zij kan dit doen zonder al te diepgaande en vernietigende internationale kritiek Ten tweede zien we dat de eerste intifada, door zijn ongewapende invulling, gemakkelijker de internationale steun en medeleven kan vergaren. Terwijl de tweede intifada gedoemd is te worstelen met de beeldvorming rond de opstand.
 
De Tweede Intifada en Beeldvorming
 
 
De meeste media presenteren hun verslaggeving van een delicaat conflict in ‘evenwicht’, teneinde het geloof in de ‘objectiviteit’ van het nieuws te installeren of om op zijn minst de kritiek van éénzijdigheid te vermijden. Een beeld van een Palestijns slachtoffer zal daarom steevast in ‘balans’ gebracht worden met een Israëlisch slachtoffer. Deze werkwijze komt deels door ‘tijdsgebrek’ in de meest ruime zin en is er hoofdzakelijk op gericht om kritiek te vermijden. In de praktijk heeft dit met ‘objectiviteit’ doorgaans weinig te maken:
 
“Attempts at “balance” are regularly observed in the coverage of funerals, particularly by the television news media. It is not unusual to see coverage of a Palestinian funeral immediately followed by coverage of an Israeli funeral. Although both are real events that tear apart the lives of grieving families, the reality is often that several other Palestinians were shot dead and tens injured on the same day that a single Israeli was killed.”[xxvii]
 
De media geven een beeld mee van een gelijkopgaande strijd tussen beide partijen. Het verstoorde machtsevenwicht tussen beide partijen blijft buiten beeld. Dit verstoorde machtsevenwicht is echter cruciaal om de verslaggeving over het conflict enigszins te begrijpen. Dit ‘evenwicht’ in de verslaggeving versterkt het beeld alsof men te maken zou hebben met een traditionele oorlog tussen twee partijen: ‘Palestina’ versus Israël, islam versus jodendom, ‘terrorisme’ versus verdediging, … Dit is natuurlijk een aanslag op de realiteit: de Palestijnen vormen geen reële dreiging voor het voortbestaan van de staat Israël. De Palestijnen hebben geen natie; zij hebben geen leger; zij hebben nagenoeg geen economie,  ze hebben geen vrijheid… Het Palestijnse volk is al meer dan 35 jaar onderhevig aan de bezetting door Israël: ze zijn machteloos. In het Israëlisch – Palestijnse conflict zijn er geen twee gelijke partijen die in staat van oorlog zijn, we hebben een slachtoffer die in opstand komt tegen zijn bezetter. Wil de media zo ‘objectief’ mogelijk zijn, dan is het hun taak om de reële situatie te verslaan en niet uit gemakzucht toevlucht te nemen tot de momenteel populaire “one from each side” aanpak van de (televisie)media.
 
De ‘al-Aqsa Intifada’ en de Islam
 
De huidige intifada zal hoogstwaarschijnlijk de geschiedenis ingaan als de ‘al –Aqsa intifada’, naar het bezoek van Sharon aan het complex. Hiermee wordt de toon direct gezet. In tegenstelling tot de eerste intifada, krijgt de huidige meteen de stempel opgedrukt van het religieuze, de islam. De al-Aqsa moskee is namelijk één van de drie belangrijkste plaatsen in de islam en is tot op heden een zeer belangrijk religieus en onderwijskundig complex. De indruk wordt gewekt dat enkel het provocerende bezoek van de eerste minister Sharon aan de al-Aqsa Moskee de opstand doet uitbreken. De religie wordt gezien als de belangrijkste onderliggende oorzaak van het conflict. Als we ons nu bewust zijn van het discours rond de islam in de internationale media[xxviii], kan men meteen voorspellen dat dit voor de Palestijnen geen goede zaak kan zijn.
Het gevaar van het beschrijven van deze opstand als de al-Aqsa intifada zit hem in het ééndimensionale beeld van de intifada. De opstand lijkt hoofdzakelijk gevoed door religieuze motieven en zou uitgebroken zijn naar aanleiding van de islamitische heiligdommen. Het verdoezelt met andere woorden de (gelegitimeerde) nationalistische beweegredenen. Het typeren van de opstand als de al-Aqsa intifada moet begrepen worden in de “Huntingtonificatie” van het conflict: het jodendom tegen de islam, “the clash of civilizations”. Het verstoorde machtsevenwicht tussen beide partijen lijkt verdwenen te zijn. Dit proces is zeer zeker niet vrijblijvend, maar toont ‘de ander’ als een enorme islamitische dreiging:
 
“Sharon is arguing that it is Arafat’s Palestinian terror, Islamic extremism, and Iran and Iraq that are disrupting the region.”[xxix]; “ The Palestinians and their supporters in the Arab and Muslim countries (…) The Arabs try to utilize every opportunity, no matter what the topic to focus the debate on Israel’s ‘crimes’(…)Levy also links the this to the events of September 11 (…): “At least for a few months the Muslims became the centre of attacks at international conferences”. He notes (…)’ they had to defend themselves against accusations that they were ‘enemies of humanity’,’ he says.”[xxx]
 
Palestijnen, moslims of Arabieren worden steevast als de grote Islamitische dreiging afgebeeld in onze media. Dit komt tot stand door de permanente associatie van de islam met terrorisme, fundamentalisme et cetera. Dit beeld komt echter niet per toeval tevoorschijn in het Israëlisch – Palestijnse conflict. Het is noodzakelijk om het beeld van ‘de spontane uitbarsting van geweld’ verkocht te krijgen. De werkelijke oorzaken van het conflict blijven veilig weggeborgen voor het grote publiek. Het geweld wordt, vaak impliciet, toegeschreven aan het ‘moslim-zijn’. Opeens lijken de legitieme nationale beweegredenen van de Palestijnen heel ver weg. De stempel is gedrukt: de ‘fundamentalistische’, ‘terroristische’ en ‘inherent gewelddadige’ islam met zijn martelaren voert oorlog tegen het jodendom met zijn ‘superieure waarden’.(Bv.“Striving for true peace as a supreme Jewish value.”[xxxi]) Dit zelfbeeld wordt vaak antagonistisch opgebouwd aan het vijandsbeeld. Het onrecht waarmee de Palestijnen sinds jaren te kampen hebben onder de Israëlische bezetting verdwijnt weer uit beeld.
 
Verschillende ontwikkelingen in de realiteit lijken in eerste instantie te suggereren dat de al –Aqsa intifada wel degelijk een religieuze strijd zou zijn. Bewegingen als Hamas en de Islamitische Jihad steunen namelijk op een fundamentalistische religieuze ideologie. Toch moet er mijns inziens op gewezen worden dat de intifada per definitie een nationale strijd is. Het is een verzet tegen hun bezetting door een koloniale supermacht en zijn bondgenoten. Het Palestijnse volk wenst, zeer begrijpelijk, de bezetting te beëindigen:  
 
“Het is de uitdrukking van een veel grotere frustratie over de algemene politieke toestand na de mislukking van het vredesproces dat in Oslo met zoveel beloften gestart was. Die uitbarsting hadden wij al heel lang verwacht. We wisten alleen niet wanneer de vonk in het kruitvat zou slaan.’”[xxxii]
 
 “The Intifada broke out because the Palestinian public was tired of this situation of occupation that adopts other names, which are userfriendly for 21st century Westerners. But because the Israeli public does not see the occupation, it perceives the uprising as a unilateral and unjustifiable act of aggression, rather than an act of resistance, of a type that has repeatedly taken place throughout human history.”[xxxiii]
 
Religie kan hier dan ook slechts als een mobiliserende factor gezien worden. Religie wordt namelijk aantrekkelijker naarmate het echte leven ondraaglijker wordt. Het wordt als het ware een toevluchtsoord. Bij de Palestijnse bevolking is dit niet anders. Prof. El Malik stelt: “Het fundamentalisme schijnt vooral in echt uitzichtloze tijden aantrekkelijk te worden.”[xxxiv] De religie is hier hoogstens een middel om een nationalistisch doel te bereiken: een soevereine Palestijnse staat. De Palestijnen verwijzen dan ook naar de huidige intifada als de “intifada voor de onafhankelijkheid”. Ludo Abicht verwoordt het als volgt:
 
“Op vrijdag 10 november 2000 zitten we namelijk al in de zevende week van de tweede volksopstand die intussen door alle Palestijnen de intifada van de Onafhankelijkheid genoemd wordt, met een enigszins uitdagende verwijzing naar de joods-Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog van 1948-1949.”[xxxv]
 
Dr. Majed Nassar staat achter volgende stelling:
 
“The role of the media in altering reality during both Intifadas has served to mask the primary purpose of Intifada, namely the struggle toward freedom form Israeli occupation.”[xxxvi]
 
 
                                                     Palestijnen zijn Arabieren
 
Het typeren van de Palestijnen als Arabieren (of zelfs dieren) moet ook in deze context gezien worden. Een overduidelijk en constant gebruikt concept in deze context is de ‘Israeli Arab’:
 
“The bill would have prevented Israeli Arabs (…)”[xxxvii]; “Inquiry on Arab Israeli riots starts(…)The clashes between Israeli citizens, both Arabs and Jews, (…)”[xxxviii]“bringing us venomous snakes (the Palestinians) and strengthening their hand.”[xxxix];
 
De ‘Israeli Arab’ is natuurlijk een Palestijnse Israëli[xl]. Door de ‘ander’ te categoriseren als een ‘Arabier’ verdwijnt het onrecht uit het beeld, namelijk dat zij nog steeds leven in hun geboorteland ‘Palestina’, wat nu Israël is geworden. De keuze om de ander te bestempelen als Arabier of Palestijn is met ander woorden niet vrijblijvend: het is een ethisch – morele keuze met verregaande gevolgen in de realiteit. Immers men ontneemt de Palestijnse burger zijn nationale rechten door hem uitsluitend te categoriseren als een ‘Arabier’: dit heeft namelijk als gevolg dat er niet meer gepraat en gedacht wordt over het Palestijnse volk. Zo kan het Palestijnse volk ook geen aanstalten meer maken op hun rechten:
 
Bij deze categoriesering moet men steeds bewust zijn van de achterliggende mythe: “de Arabieren hebben 22 landen, waarom willen zij het enige joodse land hebben?” Volgens deze mythe is de Palestijnse nationaliteit onbestaand of op zijn minst onterecht. Zo worden zij ‘Arabieren’ en volgens de interne logica eisen zij dus onterecht het Israëlische land op. Dit is echter een aanslag op de realiteit! Voormalig Palestina (het huidige Israël en de bezette gebieden) was één provincie onder het Ottomaanse bestuur en onder het Britse Mandaat. De stakingen in 1930, 18 jaar voor het ontstaan van de staat Israël, waren uitingen van een Palestijns nationalisme. Deze mythe doet echter meer: het verdoezelt de verschillen tussen de Arabische landen onderling en hun vaak problematische relatie met het Palestijnse volk. Deze landen waren bijvoorbeeld de Palestijnse vluchtelingen liever kwijt dan rijk, denk maar Libanon en Jordanië. In de verschillende kranten zien we toch vaak dat de Palestijnen beschreven worden aan de hand van het concept Arabier. Het concept Arabier wordt dan weer geassocieerd met de islam.
 
“(…) and the threat of greater Arab violence.”[xli]; “(…) to use the Israeli –Arab dispute (…)”[xlii]; “(Shas Rabbijn Ovadia Yosef over Barak) (…) who is selling out everything to the Arabs just to keep his seat.(…).”[xliii] ; “the Arab-Israeli conflict is deepseated and almost intractable”[xliv]; “ All the suicides and would-be suicides have been Muslim, and most have been unmarried, but their ages and levels of education vary.”[xlv] “ “ the Islamic fundamentalist movement(…).”[xlvi]; “(…) Nobody expected the Arab Violence. (…) the volcanic explosion within the Arab sector.”[xlvii]
 
Het concept ‘Arabier’ wordt bij de gemiddelde nieuwsconsument meteen gelinkt met de islamitische godsdienst. De islam beschouwt men als gewelddadig en extreem gevaarlijk, men vergelijkt de opstand hier zelfs met “een vulkanische explosie”. De artikels in de kranten ondersteunen vaak dit beeld, maar ook een hele resem ‘wetenschappelijke’ boeken zijn aan dit onderwerp gewijd. De verwijzing naar de religie is een zeer handige strategisch politieke zet: zo worden ‘zij’ de schuldigen van het conflict: het zit hem in hun religie.
 
De mythe van de ‘grote islamitische dreiging’ moet constant nieuw leven ingeblazen worden. Dit gebeurt tegen de realiteit in: Israël is de grootste militaire supermacht van de regio en Israël wordt dan nog eens volop gesteund door de grootste macht in deze wereld. De Arabische buurlanden en ‘de islam’ vormen geen werkelijke bedreiging op het voortbestaan van Israël. Landen zoals Egypte (Vredesakkoorden met Israël, afhankelijk van de V.S. voor financiële steun), Jordanië (Vredesakkoorden met Israël, handelsrelaties, …), Syrië (na de val van de Sovjetunie, volkomen verouderde militaire infrastructuur) en Libanon (volledig afhankelijk van Syrië) zijn niet bij machte om een werkelijke partij te vormen voor de Israëlisch – Amerikaanse alliantie met zijn militaire superioriteit.
 
De islamitische eenheid die noodzakelijk zou zijn om een eventuele dreiging te vormen voor het voortbestaan van Israël is in de realiteit zeer ver te zoeken. Zoals de geschiedenis ons leert, hebben de Arabische landen de Palestijnen dan ook maar al te vaak lippendiensten bewezen, meestal uit ‘nationaal’ belang. Wil men deze mythe toch geloofwaardig maken, tegen de realiteit in, dan moet men deze natuurlijk op regelmatige tijdstippen voeden.
 
“Van Dijk points out that one means of increasing the appearance of truth in news is to resort to evidence from other reliable sources (authorities, respectable people, professionals)”[xlviii]. Dit mechanisme is hier ook aanwezig, het is immers zeer belangrijk dat de link tussen de Palestijnse groeperingen, hun ‘islamitische en Arabische broeders’ en de grote dreiging geloofwaardig blijft.
 
“The Mossad and Shin Bet delegates stressed that the Islamic terror groups are exploiting the current lull in order to gather strength and attain firearms from Arab states and other sources.”[xlix]; “After U.S. President George W. Bush’s state of the Union speech last week, in which he labelled the Iranian regime a member of what he called “an axis of evil” because of its support for the terrorist organizations like Hezbollah and Hamas, and its effort to develop weapons of mass destruction.”[l];
 
“PM: Irak, Iran and Syria backing Palestinian Terror. Prime Minister Ariel Sharon said Thursday morning that the Palestinian Authority was responsible for the recent wave of terror attacks and that Iraq, Iran and Syria were supporting terror.”[li] “ Shin Bet chief Dichter warns of imminent terror wave (…) He also said The Shin Bet had warnings of an additional 60 planned suicide bombings.”[lii]
Het ‘islamitische gevaar’ wordt leven ingeblazen en beïnvloedt het denken over de realiteit. De werkelijke oorzaken van de Palestijnse opstand worden zo professioneel weggewerkt, het ‘gevaar’ wordt als het reële vertrekpunt beschouwd om het conflict te benaderen:
 
“The transition from a peace process to an armed conflict with the Palestinians has had its impact on the way Israel sees the next war (…) The result could be Syrian Scuds launched into the Israeli home front, either with or without Iraqi help, and with Palestinian involvement in the conflict in order to increase the number of casualties.”[liii]
 
De Arabische landen lijken dus een reële dreiging te vormen voor Israël, de Palestijnen zijn echter ‘de gruwelijkste vijand’ als we dit citaat mogen geloven: “With Palestininian involvement in the conflict in order to increase the number of casualties”. Met de dreigende oorlogstaal van de V.S aan Irak, duikt Saddam Hoessein in de Israëlische media terug op als de bondgenoot van de Palestijnen. Samen vormen zij en andere Arabische landen de ‘grote Arabische bedreiging’ voor de staat Israël. Hier zien we een subtiel verschil tussen het ‘linkse’ Ha’aretz en het ‘rechtse’ Jerusalem Post. De Jerusalem Post stelt het volgende citaat centraal in het artikel “Saddam threatens ‘victory over Israel with the Palestinians’( 8 augustus 2002):
 
“Iraqi President Saddam Hussein threatened Thursday he would one day celebrate a victory over Israel with the Palestinians, media reports said.(…) a force of civilians that Saddam set up in 2000 with the aim of driving the Israelis out of Jerusalem and supporting the Palestinian uprising.”[liv]
 
Bij de krant Ha’aretz vinden we in het artikel “Iraq’s Saddam Hussein says not frightened by U.S. threat”(8 augustus 2002), dat handelt over dezelfde toespraak, dit citaat helemaal niet terug. Meer nog op 5 augustus 2002 wijdt men een artikel aan het ‘ontkennen’ van de inmiddels populaire vergelijking tussen ‘Arafat en Saddam’. Deze vergelijking heeft sterk aan belang gewonnen na het vacuüm dat ontstond door de ‘verdwijning’ van Bin Laden uit het V.S. –discours liet. Al is er volgens dezelfde journalist:
 
“(…) plenty of evidence in the archives proving the similarity of the two. And for those who don’t remember the pictures of the “butcher of Baghdad” in Arafat’s arms, along comes the news report of an Iraqi plot to equip Arafat’s soldiers with biological weapons.”[lv]
 
 … toch kan men, volgens deze journalist, de claim niet leggen dat Arafat en Saddam elkaars gelijken zijn:
 
“There is no greater lie than the claim of the similarity between Arafat and Saddam, and the propagandists who are spreading the lie know it.”[lvi]
 
Het ligt in de lijn der verwachtingen dat een krant met een faam zoals Ha’aretz veel subtielere methoden zal gebruiken dan de Jerusalem Post. Hoewel dit Ha’aretz-artikel een zeer kritische toon in zich lijkt te dragen, zien we bij nader onderzoek een mooi afleidingsmanoeuvre. De gelijkenis tussen Arafat en Saddam wordt onderuit gehaald maar het beeld van de PA en Irak als trouwe bondgenoten blijft overeind. De mythe van ‘het grote Arabische gevaar’ blijft overeind:
 
“Iraquses dollars to pay of families of suicide bombers. (…) Even if Bush Jr. finishes what his father didn’t, some other Arab or extremist Muslim zealot (Iran for example) will take Saddam’s place as the hero in the mosques of Nablus and on the banks of Gaza.”[lvii]
Even recapituleren: in het eerste citaat roept de journalist het beeld op van de grote gelijkenis tussen Arafat en Saddam (plenty of evidence in the archives proving the similarity of the two.). Daarna stelt hij dat er geen grotere leugen bestaat dan die gelijkenissen, waarvan er nochtans genoeg bewijzen zijn. Tot slot doet hij het statement dat het Palestijnse volk uiteindelijk toch een Arabische en extremistische Moslim zal volgen. Met andere woorden vloeit het probleem niet voort uit de persoon van Saddam Hoessein, noch van Arafat, maar uit de Islam, de Arabieren.
Het verwijzen naar de ander als een Arabier met alle connotaties als gevolg, is niet alleen eigen aan het rechtse Likud, maar ook de linkse flank ontsnapt er niet aan. Toenmalig premier E. Barak toont hier hoe je de spelregels van het discours toepast:
 
“Israel strives for peace but a peace that will be reached around the negotiating table rather than through (the imposition) of the will of one side on the other or through a kind of international (coercion).(…) Unfortunately we do hear different signals from the Arab side”[lviii]
We moeten er nogmaals op wijzen dat als Barak het heeft over de ‘Arabische’ zijde, hij een metonym gebruikt waarmee hij de Palestijnen typeert als Arabieren. Arabieren en ‘de’ islam worden in de Westerse media steeds benaderd aan de hand van hoofdzakelijk negatieve kenmerken (fundamentalisme, terrorisme, niet-democratisch, achterlijk). Dit citaat vormt hier geen uitzondering op: Israël is vredelievend en wil dit bereiken via diplomatieke middelen, de ‘Arabieren’ zouden geen vrede willen. Hierdoor ontkent de toenmalige premier niet alleen de politieke doeleinden van de Palestijnen als een volk met rechten[lix], hij suggereert dat de Arabieren het conflict steeds willen verderzetten: de Arabieren willen niet wat de Israëli’s willen, namelijk de diplomatieke weg naar de vrede. Men kan dit enkel ‘begrijpen’ als men vooronderstelt dat Arabieren ‘inherent gewelddadig’ zijn, maar zeg nu zelf: welke burger wil in normale omstandigheden nu geen vrede?
Deze stigmatisering van ‘de ander’ als een Arabier leeft blijkbaar ook sterk onder een deel van de Israëlische bevolking:
“A few meters down the road angry protesters gathered shouting, “Death to the Arabs.” A group of men at one point decided to take revenge on the Arab workers at a building site across the street. Police stopped them (…) “ We don’t want them in Israel. Why are they(the police) pushing us away? The Arabs kill us, why can’t we do to them what they do to us?”(…)”[lx] “ “Death to the Arabs” (…)” You see the Arab beggar sitting there? The police are protecting him so we can’t lynch him. Let me go over there and I’ll show them that we can do to them what they are doing to us.”[lxi]
 
Het concept wordt niet alleen gebruikt om ‘de ander’ te stigmatiseren. Het verklaart de Palestijnse nationaliteit als onbestaande of onterecht. De achterliggende redenering gaat als volgt: als de Palestijnse nationaliteit onbestaande zou zijn of onterecht, dan is de stap klein voor Israël om de Palestijnen hun recht op hun land en vrijheid te ontzeggen. Het wordt dan namelijk ‘Israëlisch grondgebied’. Zij zijn Arabieren en moeten maar onderdak vinden in de Arabische landen. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat veel gelauwerde, corrupte boeken gewijd zijn aan het ontkennen van de nationale rechten van de Palestijnen (denk maar aan het veel gelezen

De demonisatie van Yasser Arafat

De demonisatie van Yasser Arafat

Van retoriek naar realiteit

door ICO MALY* (2002)

Momenteel wordt PA Chairman Yasser Arafat in zijn hoofdbureau in Ramallah ‘volledig’ afgesloten van de buitenwereld, gegijzeld door Israëlische soldaten. Palestijnse steden als Ramallah, Kalkilya, Jenin, en Bethlehem zijn militair herbezet en onder volledige Israëlische controle. 8 steden zijn volledig afgesloten door Israëlische troepen: Israël bereidt een langdurige militaire bezetting/belegering voor, 11 000 reservisten zijn reeds opgeroepen. De V.S. en de V.N. kijken met lede ogen toe: de zoveelste absurde escalatie van het conflict. Het discours van Sharon lijkt naar de realiteit vertaald: Arafat is de ‘grootste vijand van Israël’ en is ‘verantwoordelijk’ voor ‘alle terreuraanslagen’ in Israël.

Sinds de aanslagen van 11 september is er een gevaarlijke en dus belangrijke nieuwe dimensie waar te nemen in het discours die gebruikt wordt ter verantwoording van de militaire acties in de realiteit. De internationaal gesteunde retoriek die gepaard gaat met de ‘war against terrorisme’ verleent Israël de ruimte om haar acties te ‘rechtvaardigen’. Het proces van de demonisatie van Arafat is niet nieuw, de hedendaagse retoriek steunt immers steeds op het historisch retorisch draagvlak (concepten zoals: terrorisme, islam, jihad, controle, …)[1]. Ook het proces van de demonisatie is wijdverbreid en meermaals succesvol toegepast om militaire actie te verkopen aan het publiek[2] (Saddam Hoessein en Irak, Bin Laden en Afghanistan, ..) 

Dividing and rejecting

Het principe van demonisatie werkt volgens processen van een inclusief ‘ons’ en een exclusief ‘hen’, vaak ‘hem’. Het proces van uitsluiting is gebaseerd op twee assen: ‘DIVIDING”, ‘verdeling’ (‘ons’ en ‘hen’/’hem’) en “REJECTING”, ‘afwijzing’ (het creëren van een negatief beeld). Dit artikel spitst zich toe op het proces van afwijzing, de creatie van de vijand. Die creatuur (hen of hem) staat pal tegenover het inclusief ‘ons’ . Die constructie koppelt aan de vijand een hele reeks van waarden, negatieve eigenschappen als irrationaliteit, gekheid, … Men kan steeds een verscherping van “the rejection –process” waarnemen als voorbereiding van een mogelijke escalatie van het conflict. De acties van het IDF (Israëlisch leger) zijn dan ook niet als een verrassing gekomen: internationale veroordeling en acties zijn nu al hopeloos te laat, maar niettemin hoogstnoodzakelijk!

Die processen worden gerealiseerd door een discours dat gebruikt maakt van verschillende linguïstische en argumentatie strategieën. Het belangrijkste, maar niet het enige, machtsinstrument om dit discours te voeden zijn de massamedia[3]. Dit artikel zal kort (1) het historische, retorische draagvlak toelichten; (2) de nieuwe dimensie sinds 11 september nader bekijken; (3) om uiteindelijk tot de huidige toestand te komen.  

 


1. Het retorische draagvlak

Het retorische draagvlak is gebaseerd op de categorisering van een Israëlisch ‘ons’ en de Palestijnse ‘ander’. Waarbij de ‘ander’ gedefinieerd wordt als ‘de ergste vijand’, dit heeft natuurlijk zijn weerslag op de ‘politiek’ die gevoerd wordt sinds 1967. Zoals Peres het zei in zijn biografie: “De Palestijnen (samen met de  Syriërs) (zijn) de ergste vijanden die Israël ooit heeft gekend. Vijanden die door Israëlische leiders de verpersoonlijking van de duivel werden genoemd omdat ze ernaar zouden streven ons (Israëliërs) in de zee te drijven.”[4]

De categorisering van de ander

De ‘ander’ wordt geconstrueerd als een Islamitische, fundamentalistische, irrationele, terrorist en hun daden zouden onmenselijk gruwelijk zijn en worden gevoed door haat, woede, irrationaliteit. De ander lijkt bezeten te zijn door geweld om het geweld… ze lijken geen vrede te willen.

De typering van de ander als terrorist is sinds de jaren ’70 het officiële politieke Israëlische beleid[5]. Met de woorden van de internationaal bejubelde journalist R. Fisk: “But in Israel, ‘terrorist’ means all Palestinian Arabs – and very often, all Arabs- who oppose Israel in word or deed.”[6] Dit is een zeer machtige en bewuste strategie om de ander te stigmatiseren en om militaire actie tegen de ander te verantwoorden[7].

Door de ander als terroristen voor te stellen, worden ze de slechten; ze worden de barbaren, de nazi’s,… . Elk verzet in woord of daad tegen Israëls politiek wordt hierdoor in de kiem gesmoord, geen enkele individu kan immers tegen de strijd van ‘het’ goede zijn: de mythe van de ‘goede’, gerechtvaardigde oorlog. In deze logica kunnen de politieke eisen van de Palestijnen niet als gerechtvaardigd beschouwd worden. Voor een meer diepgaande uitwerking van de categorisering verwijs ik naar mijn scriptie.

De personificatie van het conflict

PNA chairman Yasser Arafat wordt in dit discours – zeker in tijden van crisis – de prototypische Palestijn, meer zelfs: hij staat symbool voor elke Palestijn. Men gebruikt de metonym: Arafat is de Palestijnen. Hij kan en moet hen controleren (bv. “Yasser Arafat beseft dat het menens is. De Palestijnse leider moet na het moordende weekend in Israël aantonen dat hij wel degelijk de situatie onder controle heeft,…[8]). Hij is de oorzaak van alle kwaad; hij schiet tekort; hij wil het geweld niet controleren; hij is een leugenaar (“De basisinstelling van Sharon is dat er met de “aartsleugenaar” Arafat geen zaken te doen zijn”[9]);  hij is onbetrouwbaar, bv. “ze ( de Israëlische regering) verwijt Arafat dat hij alleen maar voor de schijn arrestaties uitvoert en dat terroristen de gevangenissen vrij in –en  uitgaan.”[10]); hij wil geen vrede; kortom hij is de terrorist “pur sang”…

Het bestempelen van Arafat (en de PLO) als de ergste ‘vijand’ van Israël is zeker niet nieuw, maar is een steeds wederkerende strategie in het Israëlisch discours. Begin, premier ten tijde van de invasie in Libanon, verklaarde dat Arafat de vijand van de Joodse staat was ter verantwoording van voornoemde militaire actie. Hij zag in Arafat de nieuwe Hitler: “He (Begin) did believe that Arafat was the second Hitler.”[11] In 1989 verkondigde Sharon dezelfde gevaarlijke en verdraaide analogie: “… Arafat is the same kind of enemy (as Hitler), that with whom you don’t talk.”[12]

Het Israëlisch -Palestijnse conflict wordt zo herleid tot een probleem tussen Israël en Arafat (en zijn PLO). Met Arafat kan niet onderhandeld worden want hij is een terrorist (de ergste) en staat aan het hoofd van een “terroristische” –organisatie: Arafat is ‘Palestina’, de Palestijnen:

“Yasser Arafat chose the path of violence that endangers regional stability and the interests of the international community.” (Barak, in Jerusalem Post:17 Nov. 2000: Herb Keinon)

“Peres waarschuwde Arafat snel tegen de terreur in de Palestijnse gebieden op te treden. Zo niet zal “het land branden en het vuur niet meer worden gedoofd.” (In Standaard: 18 oktober 2001)

Adviseur van premier Sharon Meir Rosenne: “Maar sinds veertien maanden heeft Arafat zich roekeloos  in deze Intifada gestort.(…) “door uit te leggen aan de Palestijnse president Yasser Arafat dat geweld hem niet vooruit helpt. (…) Arafat zet zijn intifada voort en dat is “een misdaad tegen de Palestijnen”.”[13]

Dat Arafat aan de oorsprong zou liggen van de tweede intifada is een misvormd historisch beeld; de tweede Intifada is, zeker in het begin, zelfs deels tegen Arafat en zijn corrupte PA gericht, die de Palestijnen onderdrukte in ‘opdracht’ van Israël[14]. Het waren de gevolgen van de zo bejubelde Oslo-akkoorden die aanleiding gaven om op te komen tegen de bezetter. De Israëlische bezetting van een gans volk gedurende tientallen jaren en de militaire herbezetting wordt in dit verhaal niet als een oorzaak van het ‘terrorisme’ gezien, terwijl dit natuurlijk “the rootcause” is. Doordat de media nu dit discours bestendigen, trekken zij partij in het conflict, met name voor Israël.

 


2. De nieuwe dimensie

Sinds de gruwelijke aanslagen op de WTC –torens en het totstandkomen van de internationale coalitie is er een nieuwe dynamiek ontstaan die een hernieuwde impuls van schijnbare ‘legitimiteit’ bezorgt aan het Israëlisch discours. Kort na de aanslagen verwijst Sharon naar Arafat als “onze Bin Laden” (Standaard 20 september 2001[15]); Minister Landau: “there is more than mere circumstantial evidence of links between Palestinian Authority Chariman Yasser Arafat and Saudi billionaire-turned-terrorist Osama Bin Laden (…)”[16]. Dit wijst reeds op een poging tot aanknoping met het V.S. discours. Bin Laden vormt hierin de hoofdpersoon, de ‘superterrorist’.  Op dat moment krijgt Sharon nog te maken met kritiek van Peres, die Arafat als de ‘best mogelijke optie’ verdedigt. Peres roept Arafat wel op: “the attacks in the United States require Palestinian Authority Chariman Yasser Arafat to denounce whether he wants to be a terrorist or a statesman. (…) this is a genuine opportunity for him to get out of the world of terrorism.”[17]

De vergelijking en de verbinding van Arafat en de Palestijnen met al-Qaeda smeult al onder het oppervlak: “De Palestijnse zaak vormt de inspiratie en de verenigende factor voor het terreur-netwerk van Osama Bin Laden”[18]“Sharon die al eerder Arafat Israëls Bin Laden noemde..”[19]; Foto-onderschrift: “Palestijnse jongetjes in Gaza-stad presenteren hun speelgoedgeweren terwijl een meisje een poster met Osama Bin Laden toont.”[20]

Na de moord op de rechtse minister Rahavam Ze’evi stuurt Sharon vier ministers naar Washington om hen ervan te overtuigen dat Arafat Israëls Bin Laden is[21]. De analogie begint voeten aan de grond te krijgen, bv.: “Peres meende dat de VS na de aanslagen van 11 september ook op dezelfde lijn zitten: “De VS hebben openlijk gezegd dat ze Bin Laden willen pakken dood of levend”.”[22] Sharon benadrukt tegenover onze premier Verhofstadt nogmaals de gecreëerde ‘analogie’ tussen het discours van de internationale coalitie en de Israëlische situatie: “De bron van de terreur en opruiing ligt bij Arafat, die een coalitie van terrorisme leidt”[23]

Onze Guy stelde vervolgens dat de EU er bij Arafat had op aangedrongen dat “de Palestijnse Autoriteit alles zou doen om de terroristen te arresteren en het geweld in te dijken.”[24] “Even the Israeli left has concluded that Palestinian Authority Chairman Yasser Arafat is no partner for negotiations.”[25] 

Op 4 december 2001 verklaart Sharon de oorlog  “aan de terreur en de Palestijnse leider Yasser Arafat.”[26]“Sharon laid full blame for the wave of terror at Arafat’s feet. “He is directly responsible for everything that is happening … and he is the greatest obstacle to peace and stability in the Middle East.”[27]; “(…) Sharon zei dat Israël in de strijd tegen het terrorisme zal handelen met alle middelen die de staat tot zijn beschikking heeft.”[28] De concepten in cursief klinken ons zeer bekend in de oren: het discours van de internationale coalitie… Sharon benadrukt dit zelf in hetzelfde artikel:  

”Sharon vergeleek de huidige campagne van zijn regering met de campagne die de Verenigde Staten voeren tegen Osama Bin Laden en zei dat Israël op dezelfde wijze het hoofd zal bieden aan terreur en terrorisme als de Verenigde Staten dat doen onder president Bush.”; “De coalitie van Sharon…”[29];

“Sharon verklaarde dat “de Palestijnse Autoriteit terrorisme steunt” en dat “ons een oorlog wordt opgedrongen. Een oorlog tegen de terreur.(…) “Net zoals de Verenigde Staten hun oorlog voeren tegen het internationale terrorisme met al hun macht, zo zullen ook wij dat doen met alle middelen die tot onze beschikking staan”[30]. “Maar Israël stelt Arafat verantwoordelijk en zegt dat hij terroristen ongestraft hun gang laat gaan.”[31]

De gevolgen van dit discours worden voor het eerst zeer duidelijk met het bestoken van Arafats hoofdkwartier en de luchthaven in Gaza. Op 14 december 2001 komt er een nieuwe typering voor Arafat naar boven: hij is ‘irrelevant’:

“Arafat is voor zijn (Sharons) regering “irrelevant”. Met de Palestijnse leider mag niet meer worden gecommuniceerd door Israëlische gezagsdragers.”[32] “The security cabinet decided overnight that Palestinian Authority Chairman Yasser Arafat is “irrelevant” and ordered the IDF to target PA facilities and recapture trerritoy in the West Bank and Gaza Strip.”[33]


3. Van retoriek naar realiteit

Israel’s National Security Council beschouwt dit als een één van de twee mogelijke strategieën op 4 januari 2002:

“The first proposal, (…), is consistent with the cabinet’s recent decision to view Arafat as “not relevant” Based on this strategy, Israeli would not implement immediate measures but rather create a scenario on which Arafat is gradually forced to leave the territories, become a puppet ruler or be replaced.”[34]

Hierbij moet opgemerkt worden, zoals Van Dijk stelt, dat het gebruik van andere officiële instellingen (zoals regeringen, gerespecteerde mensen, ..) een enorme kracht aan hun argumenten geeft omdat het idee van de waarheid verbonden wordt met de ingenomen stellingen.

De retoriek begint zo het aura van een normaal, officieel en rationeel alternatief te krijgen: op 24 januari duikt het o.a. ook nog eens op in het artikel van Nathan Guttman[35].

Na het onderscheppen van het Karina A schip wordt de retoriek weer keihard: “Sharon brandmerkt Arafat als “bittere vijand van Israël”.(…) Sharon omschreef het Palestijnse Zelfbestuur als een van top tot teen terroristische organisatie die zich met Iran – “het centrum van de wereldterreur”- heeft geallieerd.”[36]

De bedoelingen van Sharon (en met hem de Israëlische regering) worden duidelijker: in een gesprek met Bush stelt hij dat “Arafat geen gesprekspartner is en wordt hij dat ook niet meer: “hij staat buitenspel”. Sharon benadrukt de nood aan een alternatief Palestijns bestuur.”[37]

Sharon kondigt ook aan dat hij spijt heeft Arafat niet te laten uitschakelen: “Sharon – who has indicated regret that he didn’t order the killing of the wily Palestinian leader when, as defense minister, he cornered Arafat in Beirut during the 1982 Lebanon invasion – (..)”[38] De mythe van Arafat als ‘het’ Palestijnse probleem lijkt steeds meer normaal en aanvaard te worden, meer zelfs het is de officiële politieke agenda van Israël:

“The following are the main issues on the agenda for Sharon’s visit with Bush: 1. The Palestinians: Sharon wants the U.S. to “ignore” Arafat and cut off contacts with him. Sharon has promised not to physically harm Arafat and will tell the Americans Israel has no intention of toppling the PA. (…)”[39]

Op 12 maart beslist Sharon om Ramallah binnen te vallen en tanks rondom het Palestijns Hoofdbureau te rollen. Twee ultra-nationalistische ministers nemen op dat moment zelfs ontslag omdat ze vinden dat de premier niet ver genoeg gaat[40]. Cheney, die een bezoek brengt aan de Arabische landen en Israël, weigert de Palestijnse Chairman te ontmoeten. Het discours van Sharon lijkt toch indirect zijn vruchten af werpen: de sponsor gaat immers akkoord. Sharon verklaart op de gezamelijke persconferentie dat “hij Arafat toestemming zal geven om vrij te reizen als een bestand is bereikt. Hij stelde daarbij als voorwaarde dat Israël het recht krijgt te beslissen of Arafat weer mag terugkeren, afhankelijk van het gedrag van de Palestijnse leider op een Arabische top later deze maand in Beiroet.”[41] Arafat weigert dit voorstel resoluut. Dit is volgens de PA ingaan op een voorstel tot verbanning. 

De PA voorzitter Arafat staat in contact met de delegaties van de verschillende Arabische Landen via de telefoon. De bloedige aanslag in het Chique Park Hotel in Netanya zet een domper op het, met Arabische unanimiteit, goedgekeurde vredesvoorstel. Israël maakt zich klaar om massaal en langdurig te reageren. Arafat opnieuw. Donderdagnacht komt de Israëlische regering bijeen: er wordt beslist dat Arafat moet geïsoleerd worden, in de letterlijke zin blijkbaar: “Before the government formulated its official position, Sharon insisted that the statement makes clear that Arafat is to be isolated “at this stage”. (…)”[42]  Dit was de vrijbrief waar Sharon op zat te wachten: ”The decision to embark Friday on a massive military operation came after a seven-hour cabinet meeting during which it was decided to declare Arafat an “enemy” and to partially mobilize reserve forces, a move indicating widespread and extended military action.”[43] Sharon en Ben Eliezer krijgen de vrije hand bij  het in de praktijk brengen van het isolement ‘at this stage’: “The cabinet did not discuss the specific details of its decision to “isolate” Arafat. Instead, the government decided that the specifics of this policy are to be decided directly by Sharon and Ben-Eliezer.”[44]

Op 30 maart zijn die gevolgen al duidelijk: vijf steden zijn al volledig militair herbezet, verschillende steden zijn reeds omsingeld, Israël bereidt een langdurige escalatie en bezetting voor. De demonisatie van Arafat bereikt zijn hoogtepunt: Yossi Belein in het Canvas-journaal: “Arafat is het gevaar voor de regio, er is geen compromis mogelijk.”[45]; Sharon in Ha’aretz:

“According to the prime minister, “we must fight this terror with no holds barred, and rip out the weeds from the root, because there can be no compromises with those who are willing to die just so they can kill innocent people and cause fear and terror, like the suicide attackers in the cities of Israel and at the Twin Towers in the United States.”

Sharon laid the blame for the terror squarely on the shoulders of the Palestinian leader. “This terror is being directed, put into practice and initiated by a single individual – Palestinian Authority Chairman Yasser Arafat. He is the enemy of Israel and the entire free world, an obstacle to peace in the Middle east and a threat to the stability of the entire region.”[46]

Maar ook de Israëlische journalisten (zelfs in Ha’aretz: Israël’s meest prestigieuze krant) bestendigen het discours:

“Arafat persues the Lebanon Scenario.

Have we reached the peak of Palestinian terrorism against Israeli civilians? The answer is a resounding no. The Palestine Liberation Organization showed the extreme levels it can reach during the civil war in Lebanon when its terror actions reached the level of massacres, destroying Beirut and Lebanon.

Some of the Palesinian players at that time – Yasser Arafat first and foremost among them – are playing a key role in the attacks waged against Israel today. Arafat and his aides have a tendenct to forget that the blood letting and destruction in Lebanon ended only after he and his army were expelled from lebanon by Israel and the Syrians.

The assessment in Israel is that Arafat hopes to repeat the Lebanon scenario, not only in terms of a repetition in the territories of the relatively recent Israeli withdrawal in the face of Hezbollah terrorism. He wants to repeat earlier stages when he and his people made daily life in Lebanon untolerable. At that tim, too, Arafat was adept at declaring endless “cease-fires” and making it appear he was trying to calm the situation.”[47]

Dit is een knap staaltje van herschrijven van de geschiedenis: eerst en vooral lijkt het alsof Arafat gekozen heeft voor de huidige ingeslagen weg, het lijkt alsof hij nog enige keuzevrijheid heeft. Is het niet Sharon en Israël die Arafat het “Lebanon scenario” opdringen? Is het niet Israël die Beirut gebombardeerd heeft met cluster- en fosforusbommen, met duizenden vaak onschuldige slachtoffers als gevolg? Waren de genocides van Sabra en Chatilla niet veroorzaakt door de handlangers van de Israëli’s? Arafat ‘is’ de almachtige demon, de vijand van Israël:

 “Ook al wordt Arafat’s kantoor omsingeld, Arafat is verantwoordelijk en is de oorzaak voor alle terreurdaden: “Israël haalde opnieuw uit naar Yasser Arafat in verband met de aanslag. De Palestijnse leider werd ervan beschuldigd geen bevelen te hebben gegeven om een einde te maken aan de anti-Israëlische aanvallen.”[48]; “De Amerikaanse president George Bush verklaarde zaterdagavond dat Arafat “veel meer kan doen om het Palestijnse geweld te stoppen”. Bush zei alle begrip op te kunnen brengen voor het recht van Israël zichzelf te verdedigen.”[49]

Dat Arafat momenteel gegijzeld wordt, geen contact heeft met de buitenwereld, de gehele Palestijnse politie-infrastructuur platligt, dat drie steden volledig militair bezet zijn, dat de bevolking onder vuur ligt, wordt gemakkelijkheidshalve vergeten.


De demonisatie van Arafat

De constructie van deze retoriek heeft tot doel mensen (de lezer) te overtuigen van de ‘rechtvaardigheid’ en de ‘noodzaak’ van de oorlog. Daarvoor wordt eerst en vooral een ‘ander’ gecreëerd waaraan men bepaalde eigenschappen toekent. De tegenstellingen zoals goed tegenover slecht, rationeel tegenover irrationeel, zijn hier erg strategische en machtige concepten: door het toekennen van slechte eigenschappen aan de ‘ander’, wordt door middel van oppositie een rationeel, goed ‘ons’ gecreëerd.“The exclusion of the ‘other’ gives direction to the reaction, and, more importantly, justifies the war: the madman is dangerous, he must be eliminated – if not, he may impose his irrationality on the world.”[50]

“Sharon laid the blame for the terror squarely on the shoulders of the Palestinian leader. “This terror is being directed, put into practice and initiated by a single individual – Palestinian Authority Chairman Yasser Arafat. He is the enemy of Israel and the entire free world, an obstacle to peace in the Middle East and a threat to the stability of the entire region.[51]

Hier wordt Arafat gezien als de irrationele, onbetrouwbare, terroristische, seniele, … gek, naar analogie met Bin Laden in het VS–discours. Het is juist doordat men Arafat als vijand construeert dat men deze oorlog kan ‘rechtvaardigen’. Men creëert een beeld over de oorlog naar de structuur van een sprookje: met een held en een slechterik.[52] De ‘slechterik’ van dienst wordt door het gebruik van de metonym: Arafat= de Palestijnen, het prototype van elke Palestijn. Elke eigenschap die toegeschreven wordt aan de PA voorzitter Arafat, wordt een eigenschap van elke Palestijn. ‘Het’ gedrag en ‘de’ waarden van de Palestijnen worden als het tegengestelde van de eigen waarden en gedragingen geconstrueerd. Het zijn deze ‘tegenstellingen’ die van de ‘ander’ de slechte maken en een superieur ‘ons’ creëren.

We hebben gezien dat het discours scherper en bitsiger wordt naarmate de grootschalige militaire invasie van de Palestijnse Bezette Gebieden dichter bijkomt. De aanknopingspunten met het discours van de V.S. zorgen voor een aura van ‘legitimiteit’. George Bush steunt en deelt de Israëlische retoriek. Arafat kan veel meer doen om de terreur te stoppen, ook al is hij volledig geïsoleerd van de buitenwereld en is er nog bitter weinig over van de Palestijnse infrastructuur. Die steun van de V.S. zorgt ervoor dat de Israëlische acties retorisch gesteund worden door de grootste macht op deze planeet. Het blijft echter niet alleen bij deze retorische steun: de V.S. gebruiken hun veto in de V.N. om groen licht te geven aan Israël. Deze dimensie van het discours, deze analogie, is van cruciaal belang voor Israël om de internationale kritiek te counteren. Bush verleent Sharon (enige) geloofwaardigheid. 

Een discours brengt immers kennis voort: het zorgt ervoor, o.a. door middel van categorisering dat realiteit begrijpelijk wordt. De realiteit wordt simpel(er) voorgesteld, het geeft een beeld van de realiteit: Arafat is een terrorist die niets doet om de zelfmoordaanslagen te stoppen waarbij vele onschuldige slachtoffers vallen, hij is een gevaar voor de stabiliteit in de regio en de gehele vrije wereld. De realiteit zit natuurlijk veel complexer in elkaar, er is niet één schuldige in het conflict. Het isoleren of het verbannen van Arafat zal het conflict dan ook niet oplossen. Zolang het Palestijnse volk onderdrukt en bezet blijft zal het conflict blijven. Het discours verdoezelt de realiteit, verschaft de nieuwsconsument een verkeerd beeld over het conflict.

De creatie van de demon, de slechte is noodzakelijk om het ideologisch verzet van een volk tegen oorlog te overwinnen. De demonisatie van Arafat wordt zo een gemakkelijk en noodzakelijk proces om de oorlog te kunnen verkopen aan het publiek.

______________________________

NOTEN:

[1] Zie Maly Ico 2000: Racisme en Beeldvorming in het Israëlisch-Palestijnse conflict. Op deze site: imaly/index.htm

Said Edward (e) 1988: Blaming the Victims: Spurious scholarship and the Palestinian Question

[2] Rojo Martin Luisa 1995, Division and rejection: from the personification of the Gulfconflict to the demonization of Saddam Hussein.

[3] Thompson John B. 1990: Ideology and modern culture: critical social theory in the era of mass communication.

[4] Peres Simon 1994: Biografie.

[5] Said Edward, 2000: The end of the peace process.

[6] Fisk R. 2001 (1990): Pity the nation. Lebanon at War. (p.388)

[7] Zie Chomsky  Noam, 1988: Middle East terrorism and the American Ideological System in Said E. 1988: Blaming the Victims.

[8] In De Standaard: Manu Tassier 3 december 2001: Arafat aan zet.

[9] In De Standaard: Salomon Bouman 20 januari 2002: Niemand gelooft nog in vredesproces.

[10] In De Standaard: Manu Tassier 4 december 2001: Arafats gezag niet Absoluut.)

[11] Fisk R. 2001 (1990): Pity the Nation. Lebanon at War. (p.393)

[12] Fisk. R. 2001: idem

[13] In De Standaard: Manu Tassier 2 december 2001: Israël onderhandelt niet onder Geweld.

[15] In De Standaard: Manu Tassier 20 september 2001: Druk zorgt voor bestand.

[16] In de Jerusalem Post: JP-internetstaff 13 september 2001: Minister Landau: Strong Arafat-Bin Laden links.

[17] In de Jerusalem Post: Gill Hoffman/Lamia Lahoud 13 september 2001: Peres: Decision time for Arafat.

[18] Israëlisch terrorisme expert in De Standaard SN 12 oktober 2001: Palestijnene paradoxale lijm voor terreurgroep Bin Laden.

[19] In De Standaard: Salomon Bouman 19 oktober 2001: Sharon spant valstrik voor Arafat en zichzelf.

[20] In De Standaard: Axel Buysse 26 oktober 2001: Nieuwe terroristen hanteren zelfde wereldbeeld.

[21] In De Standaard: Salomon Bouman 20 – 21 oktober 2001: Militair offensief tegen Palestijns zelfbestuur.

[22] In De Standaard: (mta) 7 november 2001: Peres praat met Sharon over vredesplan.

[23] In De Standaard: Manu Tassier 19 november 2001: Sharon wijst Europese compromissen af.

[24] idem

[25] in Ha’aretz daily: Akiva Eldar 12 november 2001: Never a partner, never a peace.

[26] In De Standaard: SN 4 december 2001: Sharon verklaart de oorlog.

[27] In Ha’aretz daily: Aluf Benn 4 december 2001: Cabinet debates policy on Aragfat in late-night meeting.

[28] In De Standaard: SN 4 december 2001:  Sharon verklaart de oorlog.

[29] In De Standaard: SN 5 december 2001: Coalitie Sharon staat onder druk.

[30] In De Standaard: Evita Neefs 5 december 2001: VS spelen gevaarlijk spel.

[31] In De Standaard: SN 5 december 2001: Raket slaat in  vlakbij Arafat.

[32] In De standaard: Salomon Bouman 14 december 2001: “Irrelevante” Arafat speelt nog belangrijke rol in vredesproces.

[33] In de Jerusalem Post: JP internet staff 13 december 2001: Israel: Arafat is no longer relevant.

[34] In Ha’aretz: Aluf Benn 4 januari 2002: Security Officials: Either press Arafat or dump him.

[35] In Ha’aretz: Nathan Guttman 24 januari 2002: It’s not simple for the U.S. to redraw Arafat relations.

[36] In De Standaard: Salomon Bouman 7 januari 2002: Sharon brandmerkt Arafat “als bittere vijand van Israël”

[37] In De Standaard: SN 9-10 februari 2002: Bush behoudt Arafat als gesprekspartner.

[38] In Ha’aretz: Bradley Burston 6 februari 2002: With Arafat in West bank bell jar, Israel lobbies U.S. to turn to ‘alternative’ PA leadership.

[39] In Ha’aretz: Aluf Benn 6 februari 2002: PM to tell Bush: Iran’s influence in Lebanon must end.

[40] In de Morgen: (LD) 13 maart 2002: Israëlische tanks bezetten Ramalah.

[41] In de Morgen: SN 20 maart 2002: Cheney weigert Arafat te ontmoeten.

[42] In Ha’aretz: Gideon Alon 29 maart 2002: “Labor stonewalled PM’s plan to expell Arafat.

[43] In Jerusalem Post: Herb Keinon 31 maart 2002: Zinni stays; Arafat declared enemy.

[44] In Ha’aretz: Gideon Alon 29 maart 2002: “Labor stonewalled PM’s plan to expell Arafat.

[45] In het Canvas- journaal van 31 maart 2002:

[46] In Ha’aretz: Aluf Benn 1 april 2002: ‘We are at war’ Sharon tells the nation.

[47] In Ha’aretz: Ze’ev Schiff 29maart 2002: Arafat persues the Lebanon scenario.

[48] In De Morgen: (FS) 21 maart 2002: Arafat heeft terroristengroepen niet onder controle.

[49] In De Standaard interneteditie:  (SN) 1 april 2002: “Sharon bereidt aanslag op Arafat voor”

[50] Rojo Martin Luisa 1995, Division and rejection: from the personification of the Gulfconflict to the demonization of Saddam Hussein

[51] In Ha’aretz: Aluf Benn 1 april 2002: ‘We are at war’ Sharon tells the nation.

[52] Zie Lakoff G. (1992) ‘Metaphors and War: The Metaphor System Used to Justify War in the Gulf. In M. Pütz(ed.), Thirty Years of Linguïstic Evolution.

 

*Zie Ico Maly’s licentieverhandeling online op deze site: “Racisme en beeldvorming in het Israëlisch-Palestijns Conflict”