Voert N-VA een aanval uit tegen de Belgische democratie en de waarden van de Verlichting?

Ik zal in deze inleiding op het debat deze vraag, mits enkele nuanceringen, met ja beantwoorden. Omdat ik er vanuit ga dat er over democratie en Verlichting geen consensus bestaat, zelfs niet bij de gerespecteerde panelleden van vandaag, zal mijn argumentatie omstandig zijn. Ik zal daarbij een heel eind terug gaan in de tijd vooraleer ik effectief over N-VA en haar project an sich zal spreken.

Democratie en mensenrechten als kinderen van de radicale Verlichting

Meer bepaald dienen we terug te gaan naar de 18de eeuw: de eeuw van de Verlichte revoluties. De eeuw waarin radicale denkers ons de democratie geschonken hebben. In die 18de eeuw zien we een hele resem aan nieuwe ideeën ontstaan die breken met het Ancien Regime. Vrijheid, gelijkheid, tolerantie, solidariteit, gelijke rechten, democratie; het zijn kinderen van een brede politiek-ideologische en emancipatorische strijd. De strijd van de filosofen was in eerste instantie een politieke strijd. Rousseau zei niet zomaar:“I saw that everything essentially depended on politics.” Het was een strijd voor een betere wereld, een emancipatorische strijd van de rede, een verzet tegen onderdrukking. Een strijd voor de autonomie van het individu om zijn leven in vrijheid uit te bouwen.

Ondanks de coherentie in streefdoelen was de Verlichting echter geen consistente theoretische constructie. Meningsverschillen en soms zelfs tegenstrijdige ideeën zijn essentiële karakteristieken van de Verlichting. En hier kom ik meteen bij een eerste noodzakelijke nuance. Er is, zeker als we nadenken over democratie en mensenrechten, niet zoiets als Dé Verlichting. Als we de gerenommeerde historicus Jonathan Israel volgen heeft iedereen die spreekt over dé Verlichting als een coherente theoretische constructie weinig tot niets begrepen van wat er zich in die revolutionaire eeuw afspeelde. “Immers”, zo stelt Israel, “de Verlichting herbergt een hele resem aan verschillende stromingen die vaak diametraal tegenover elkaar staan. Twee belangrijke stromingen binnen die Verlichting, namelijk de gematigde en de radicale Verlichting hebben door de Amerikaanse en Franse revolutie de loop van de geschiedenis gestuurd. Het was echter enkel de radicale stroming die democratie, mensenrechten en de ondeelbaarheid van de mensheid voorstond.”

De gematigde Verlichting zoals die uitgedragen werd door Rousseau, Kant, Hume en Voltaire leidde niet naar democratieën of naar universele mensenrechten. De gematigde Verlichtingsdenkers – Voltaire en Kant bijvoorbeeld – hielden helemaal geen pleidooi voor democratie, maar voor Verlichte monarchieën. Rousseau twijfelde heel sterk aan de mogelijkheid van een democratie in een groot land als Frankrijk. Kant vond democratie zelfs per definitie despotisch. Ook het recht op verzet, zo belangrijk in de ideologie van de revoluties, was niet aanwezig in hun denken. Gelijkheid, nog zo’n centrale waarde van de Verlichte revoluties stond dan weer wel centraal bij Rousseau, Voltaire daarentegen staat tot op vandaag gekend voor zijn misprijzen van de gewone man. Er mogen dan wel een aantal centrale Verlichtingsideeën zijn zoals vrijheid en gelijkheid, dat wil dus niet zeggen dat die door alle denkers die we vandaag als Verlichtingsdenkers beschouwen, gelijk begrepen worden. Deze gematigde Verlichting, die verschillende Verlichte monarchieën baarde, maakte wel de weg vrij voor de radicale Verlichtingsdenkers die vanaf de jaren 1780 dominant gaan worden.

De Amerikaanse revolutie en de strijd tegen de slavernij

De Amerikaanse revolutie is te begrijpen als een compromis tussen de gematigde en de radicale Verlichting. Dit verklaart meteen ook de halfslachtigheid in sommige keuzes van de founding fathers: geen afschaffing van de slavernij en geen doorgedreven democratie. Zelfs in Pennsylvania, waar radicale Verlichtingsdenkers, inclusief Paine, in 1776 een coup pleegden om vervolgens een in grote mate democratische grondwet op te stellen, waren de waarden van de radicale Verlichting niet helemaal in de realiteit vertaald. Ondanks grote verdiensten zoals het toekennen van stemrecht aan ongeveer alle mannelijke volwassenen, waren er tegelijkertijd grote tekorten in het realiseren van het algemene gelijkheidsbeginsel. Pas in 1780 slaagden de radicale denkers erin, met de hulp van de Quakers, om een antislavernij-wet goedgekeurd te krijgen. Maar ook deze wet was onvoldoende: slaven werden maar vrij als ze 28 werden – een leeftijd die ze maar zelden haalden. Deze tekortkomingen werden sterk op de korrel genomen door de Condorcet, Price, Brissot én Paine.

Pleidooi voor democratie en mensenrechten door de radicale Verlichtingsdenkers

Het zijn dus radicale Verlichtingsdenkers zoals Volney, Mirabeau, Barlow, Priestley, Raynal, Paine, Price en de Condorcet die ons de democratie, het gelijkheidsbeginsel en het idee van universele mensenrechten geschonken hebben. Deze radicale Verlichtingsdenkers, in tegenstelling tot hun gematigde collega’s zoals Hume, Voltaire of Kant, hielden onverkort pleidooi voor democratie en mensenrechten.

Zij schonken ons de ideeën dat we allen geboren worden met dezelfde, onvervreemdbare rechten; dat we allen vrij en gelijk zijn en dat de staat een instrument is om deze rechten voor alle burgers te garanderen en te verwezenlijken. Universalisme was in hun denken van onmetelijk belang: het waren rechten van de mensen, van alle mensen. Deze radicale denkers pleitten dan ook voor de afschaffing van de slavernij en de gelijkheid van man en vrouw. Enkel dan kon er volgens hen sprake zijn van een goede samenleving.

Ten grondslag van de democratie ligt dus het idee dat we allen gelijk zijn en dat we allen dezelfde rechten hebben. De democratie moet er zijn voor eenieders belangen en niet alleen voor de belangen van de meerderheid. Immers, zodra de meerderheid zijn wil doordrijft ten koste van de minderheden leven we niet meer in een democratie, maar in een despotisch regime. Dat is de reden waarom zelfs Rousseau een onderscheid maakte tussen ‘the will of all’ en ‘the general will’. ‘The will of all’ is de louter mechanische som van de stemmen van verschillende stromingen en tendenzen en zou in theorie unaniem moeten zijn. Maar in de praktijk, zo stelt Rousseau, wordt dat heel snel de dominantie van de stem van de meerderheid. “The general will” daarentegen neemt de verschillen in rekening. De basis van die algemene wil is dus het idee dat we allen gelijk zijn voor de wet en dat dus geen enkele burger kan uitgesloten worden of als inferieur beschouwd worden. Deze algemene wil is dus niet de som van de verschillende individuele identiteiten en meningen, maar bestaat uit het zoeken naar een algemeen belang dat alle verschillen incorporeert.

Het pre-revolutionaire Frankrijk

Het is geen toeval dat de radicale Verlichtingsdenkers in het pre-revolutionaire Frankrijk deze retoriek van Rousseau gebruikten in hun strijd. Alleen gebruikten zij dit concept, in tegenstelling tot Rousseau, om de nood aan een Verlichte democratie te onderbouwen. Die democratie is onvermijdelijk gestoeld op ‘the general will’: ze moet de rechten van eenieder realiseren en niet het belang of de visie van de meerderheid realiseren ten koste van de minderheden. Verkozenen in een democratie moeten dus regeren in het belang van alle onderdanen en niet alleen in het belang van degenen die hen verkozen hebben – zij zijn immers de dienaars van het volk. Opvallend is bovendien dat de democratie – en hier komt nog een verschil met Rousseau naar boven – door deze radicale Verlichtingsdenkers in universele en niet in nationale termen gedacht wordt. Democratie is een instrument om universele mensenrechten te realiseren en dus niet louter die van een particulier volk.

De Verklaring van De Rechten van de Mens

Niet alleen de democratie, maar ook de mensenrechten zoals die tot uiting komen in de Franse en Amerikaanse verklaring van de 18de eeuw spruiten voort uit de intellectuele traditie van de radicale Verlichtingsdenkers. De Condorcet, die mee de pen vasthield van de eerste versie van La Déclaration,zag de mensenrechten als een instrument om een goede samenleving op te bouwen. De mensenrechten waren volgens hem lang niet volledig, maar moesten gaandeweg uitgebreid worden zodat ze het geluk van eenieder konden vergroten.

Volgens die radicale Verlichtingsdenkers zijn democratie en mensenrechten twee zijden van dezelfde medaille. De democratie was voor deze radicale denkers de enige regeringsvorm die recht doet aan die onvervreemdbare en universele rechten van de mens. En dit precies omdat democratie gebaseerd is op gelijkheid, zoals Israel duidelijk maakt:     Precies zoals het principe van gelijkheid en de morele theorie gebaseerd op rechtvaardigheid en wederkerigheid democratie verankerden in de morele en politieke filosofie van de radicale verlichting, zo was het “gelijkheid” dat deze hele sociale theorie een grondlaag gaf.’   Vrijheid en gelijkheid waren voor deze radicale denkers dan ook onvermijdelijk verbonden met elkaar. Enkel als mensen gelijk waren en dus niet onderdrukt, konden ze vrij zijn.

Hiermee zijn de fundamenten van een Verlichte democratie summier geschetst. Als ik dus spreek over democratie en Verlichting, dan verwijs ik naar dit historisch begrip van deze concepten. Democratie is in dit betoog niet te herleiden tot verkiezingen, het is een ideologie. Nu kan ik eindelijk overgaan naar de eigenlijke antwoorden op de centrale vraag.

N-VA en de anti-Verlichting

Kijken we vanuit dit historisch perspectief naar mensenrechten en democratie, dan wordt meteen duidelijk dat er weinig van die retoriek terug te vinden is bij N-VA. Meer nog, als we het project en het discours van N-VA analyseren, dan zien we dat zij inhaken op een heel andere traditie, namelijk wat Zeev Sternhell de anti-Verlichtingtraditie noemt. Sternhell benadrukt dat de anti-Verlichting als concept een heel belangrijk methodologisch en wetenschappelijk instrument is: ze maakt het immers mogelijk om de opgang van een politiek ideologische tegenbeweging te vatten die minstens even oud is als de Verlichting zelf. Het is ook geen toeval, zo stelt Sternhell dat Nietzsche de eerste was die term Gegen-Aufklärung hanteerde: het was immers in zijn tijd dat die anti-Verlichtingstraditie voor het eerst zeer zichtbaar aanwezig was in het publieke leven.

Die anti-Verlichting was een politiek-ideologische beweging die niet terug wou naar het Ancien Régime, maar een andere moderniteit wou realiseren. Het was een twee eeuwen durende intellectuele revolte tegen rationalisme, intellectualisme, de autonomie van het individu en tegen alles wat de mensheid verenigt: hun bestaan als rationele wezens met natuurlijke en onvervreemdbare rechten. De moderniteit van de anti-Verlichting was daarentegen gebaseerd op alles wat de mensheid verdeelt: geschiedenis, cultuur, taal … De staat wordt in die traditie niet gezien als een instrument om het welzijn van elk individu te realiseren, maar om de samenleving te boetseren op basis van heel andere principes die in essentie alle “het belang van de natie als organische entiteit” vooropstellen.

Hoe divers de Verlichting ook mag geweest zijn, er was een logica en coherentie binnen die brede politiek-ideologische beweging die gericht is op de emancipatie van het individu. Ondanks de grote verschillen tussen Voltaire en Rousseau, tussen Rousseau en de Condorcet, tussen Montesquieu en Diderot of Kant, ze deelden wel een aantal principes die de kern uitmaken van de intellectuele revoluties van de 18de eeuw. En het is net die coherentie, die interne logica van de Verlichting die geviseerd werd door de tegenbeweging. De anti-Verlichtingsbeweging zag de hele Verlichting en de radicale Verlichting in het bijzonder als een aanval op de organische natie. Ze zagen die Verlichte revoluties als de oorzaak van decadentie, het uiteenrafelen van het sociale weefsel, het afglijden naar middelmatigheid en uiteindelijk naar de ondergang van de natie. De anti-Verlichtingsdenkers viseerden daarom Rousseau en zijn strijd voor gelijkheid, ze bestreden met alle mogelijke middelen het idee van universele en onvervreemdbare rechten van de mens en ze hadden een hartstochtelijke hekel aan democratie.

Anti-Verlichtingsliberalisme: De Wever en zijn idool Burke

Opmerkelijk is wel dat ze die Verlichting aanvallen in naam van een soort liberalisme, een anti-Verlichtingsliberalisme. Dit liberalisme kwam vaak onterecht als ongevaarlijk over, aldus Sternhell, want het bedreigde wel degelijk het voortbestaan van de democratie. Het politieke idool van De Wever, Edmund Burke, legde samen met Herder, het fundament van die politiek-ideologische strijd tegen de radicale Verlichting. Burke was een virulent tegenstander van de Verlichtingsideeën en al helemaal van ideeën als de universele en onvervreemdbare rechten van de mens, van democratie en gelijkheid. Zijn steun aan de strijd in Amerika voor meer rechten was een opportunistische steun: hij hoopte dat het toekennen van enkele rechten aan de Amerikanen zou verhinderen dat de ideeën van de radicale Verlichting zouden doorbreken tot in Groot Brittannië en Europa. Toen echter bleek dat de Amerikaanse revolutie geslaagd was, heeft Burke tot aan het uitbreken van de Franse revolutie met geen woord meer gerept over Amerika in de hoop dat de Verlichtingsidealen niet zouden overwaaien tot op het vaste land. Eenmaal de Franse Revolutie dan toch een feit was en het duidelijk werd dat zijn containmentpolitiek overduidelijk gefaald had, liet hij zijn “Reflections on the revolution in France” op de wereld los. Het was het begin van een twee eeuwen durende virulente aanval op die revolutie, haar denkers en haar centrale waarden.

Een opmerkelijke continuïteit

Het is dan ook vreemd om vast te stellen dat in tijden van luidkeelse engagementen aan de Verlichting, de gedachten en zelfs de woorden en zinnen van Burke vandaag nog altijd tot ons spreken door de mond van De Wever. Burke’s gedachtengoed laat zich gelden in de retoriek en de opvattingen van De Wever ten aanzien van de democratie, mensenrechten en de centrale waarden van de radicale Verlichting namelijk vrijheid en gelijkheid. Net zoals Burke hult De Wever zijn discours in een waas van gematigdheid: ook De Wever fulmineert zijn kritiek in naam van de democratie, in naam van de vrijheid. En net zoals Burke ziet De Wever de staat – én de media – als instrumenten om de samenleving te boetseren, met als doel die natie te (re)produceren naar het beeld dat zij ervan hebben. Aalst kan daarbij gezien worden als een volbloed laboratorium. De Wever zelf mag dan wel stellen dat hij het gedachtengoed van Burke aangepast heeft, op de punten van democratie en de Verlichtingswaarden zien we een opmerkelijke continuïteit.

Net zoals de strijd van Burke is de strijd van De Wever in eerste instantie een nationalistische strijd. De natie primeert altijd over het individu. De Wever gaat met zijn N-VA voor niet minder dan een onafhankelijke Vlaamse natie. Die strijd is echter niet ideologisch leeg in de zin dat haar Vlaams nationalisme zowel een linkse als rechtse invulling zou kennen. Het nationalisme van N-VA is heel duidelijk een ideologisch nationalisme in de traditie van de anti-Verlichting. De natie wordt in die traditie begrepen als een objectief waarneembaar organisme en gaat gepaard met een kostbaar weefsel van werkbare waarden. De Wever is daar zeer open over, net zoals over zijn beïnvloeding door Burke. Trouwens niet alleen de titels van De Wevers boeken verwijzen letterlijk naar Burke, hij stelt ook expliciet dat Burke zijn politieke voorbeeld is. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat hij heel wat overneemt van hem, zoals de opvatting dat de natie een organische gegroeide entiteit is die op zich staat en dat die natie niet maakbaar is door de mens. De vernieuwing die De Wever aanbrengt is dat die organische entiteit in zijn discours zowel een etnocultureel gegeven is als een sociale constructie. Die vernieuwing verandert echter ten gronde weinig aan het natiebegrip zoals Burke de natie dacht. Ook bij De Wever bestaat de natiean sich. De Wever onderschrijft in lijn met Anderson dat die natie ook wordt verbeeld, maar ze is niet ingebeeld zo benadrukt De Wever keer op keer. En het is in dat laatste statement dat de angel zit van De Wever’s discours. De Wever lijkt hier in lijn met de wetenschap en lijkt ook afstand te nemen van het natiebegrip uit de anti-Verlichting. Dat is echter vooral schijn, want De Wever benadrukt vanaf dag één herhaaldelijk dat hij gelooft dat die natie een etnocultureel gegeven is en dus niet maakbaar is. Hier zien we meteen een diametraal tegenovergestelde visie dan dat we bij de radicale verlichtingsdenkers ontwaren. Paine zei niet voor niets: “we have it in our power to begin the world over again”

De Wever zit in een heel andere denktraditie. In lijn met alle anti-Verlichtingsdenkers benadrukt hij dat ze organisch gegroeid is en dus niet maakbaar is. In de woorden van De Wever klinkt het dan dat de natie gekneed is door de geschiedenis tot een lotsgemeenschap. De natie zorgt er voor De Wever voor dat we met zijn allen een objectieve identiteit hebben. En die nationalistische identiteit moet gereproduceerd worden. Het gevolg is gelijkaardig aan wat Burke vooropstelt in zijn strijd: de Natie moet gekoesterd worden, no matter what. Dit verklaart waarom alle anti-Verlichtingsdenkers, inclusief De Wever zich zo verzette tegen revoluties. Maar er is meer, het verklaart ook waarom De Wever heel andere opvattingen heeft over democratie en de kernbegrippen uit de radicale verlichting. Hoewel De Wever ook zijn engagement uitspreekt aan deze begrippen, zien we dat ze ingevuld worden met een heel andere betekenis: een anti-Verlichtingsbetekenis.

De antidemocratie en de aanval op de (Belgische) democratie
Die visie op de natie als een organisme met een kostbaar weefsel van werkbare waarden heeft vergaande effecten op de manier waarop N-VA nadenkt over democratie. Meer nog, ze is, zoals ik al betoog in mijn doctoraat en de vele lezingen het afgelopen jaar, de basis voor een vierdubbele aanval op de democratie. Ondanks het feit dat De Wever deze stelling geleuter noemt, is het opmerkelijk dat hij en zijn partijgenoten een jaar lang geen enkele mogelijkheid onbenut gelaten hebben om mijn these rijkelijk te illustreren. Ik herhaal deze aanvallen even en illustreer ze met recente voorbeelden.

  1. Democratie is voor haar maar een democratie als die gestoeld is op een identiteit: het is die identiteit die de grens van de democratie moet bepalen. N-VA zet hier dus een nationalistische definitie neer van democratie: democratie wordt een etnocratie. Een Vlaamse natie waar je rechten afhankelijk zijn van je identiteit. Dat is een regelrechte aanval op de democratie zoals de Verlichtingsdenkers die begrepen. Die democratie is immers gegrond in de theorie van de Natural Law en gaat er dus van uit dat elke burger onvervreemdbare rechten heeft. Dat iedere burger gelijk is aan de andere.

    De Nieuw Vlaamse Alliantie ziet dat enigszins anders. Vlaanderen is in de eerste plaats aan de Vlamingen: zij genieten hun volle rechten. De nieuwkomers moeten zich eerst bekeren tot het Vlamingendom. Dat werd onder andere in Aalst goed geïllustreerd, maar ook de vreemdelingentaks in Antwerpen toont deze logica. Vreemdelingen moesten daar een hogere taks betalen als ze zich wilden inschrijven in het bevolkingsregister. Een compleet onwettelijke daad die o.a. het gelijkheidsprincipe schond. Een politieke daad die ook ongedaan werd gemaakt door de Antwerpse Gouverneur net omdat het illegaal was. De reactie van Homans in De Morgen was veel zeggend: “Er is de juridische werkelijkheid en de feitelijke werkelijkheid. De gouverneur beroept zich vooral op een wet uit 1968. Die bepaalt dat een stad niet de nodige autonomie heeft om een retributie in te voeren op verblijfsdocumenten voor nieuwkomers. Ik erken dat we bij de invoering van de loketretributie geen rekening hebben gehouden met deze vijfenveertig jaar oude wet. Maar ik leef in hedendaags Antwerpen. In 1968 werd de stad nog niet geconfronteerd met 11.000 aanvragen per jaar voor inschrijving aan ons loket vreemdelingenzaken. Vandaag wel.” De rechten van mensen en het gelijkheidsbeginsel worden neergezet als oubollig, voorbijgestreefd en ondergeschikt aan het belang van de homogene natie. Niet het gelijkheidsbeginsel, noch de wetten of de rechten van de mensen vormen de basis van de democratie voor N-VA maar de identiteit, de natie.

  2. Democratie wordt in de communicatie van N-VA ook herleid tot de verkiezingszege. Wie de meerderheid haalt heeft een absoluut recht om te regeren, met carte blanche, zonder tegenstem. Dat blijkt steeds opnieuw als N-VA reageert op kritiek, of tegenmachten. Democratie wordt zo een tijdelijke dictatuur van de meerderheid. Nochtans wijzen de Verlichtingsdenkers erop dat tegenmachten, inherent zijn aan een gezonde democratie. Elke kritische noot bij het N-VA-programma, elk verzet wordt gezien als illegitiem, ondemocratisch en wordt beantwoord met een ideologische aanval.

    Deze aanval op de democratie werd in het laatste jaar rijkelijk geïllustreerd door de N-VA’ers. De Wever zelf illustreerde het principe meermaals door alle media die kritisch waren voor hem of zijn partij meteen te straffen. Hij gaf zijn column bij De Standaard volgens Tom Naegels op omdat hij niet kon leven met hoe er op de opiniepagina’s van die krant over hem en zijn partij geschreven werd. Hij wou niet meer komen naar de regionale Antwerpse zender omdat hij niet gelukkig was met de aandacht die zijn partij kreeg in verhouding met de andere partij. Hij reageerde verkrampt op kritiek van Yves Desmet van De Morgen. En ook het Laatste Nieuws mocht zich laven aan de toorn van De Wever. Daar stopte het niet, het kritische middenveld lag volop in het vizier van N-VA. De oorlog tegen het ACV spreekt voor zich, maar ook de besparingen in de culturele en sociale sector spreken voor zich. N-VA ontplooit een ‘culture war’. Het is geen toeval gebleken dat de door N-VA geleidde coalitie in Herzele meteen na het aantreden begon met het intrekken van alle subsidies voor culturele bewegingen. Democratisch verzet, daar loopt N-VA niet hoog mee op.

  3. Democratie wordt ook begrepen als vox populisme: als ‘de stem van de burger’ die uit de mond van de politici rolt. De Vlaamse democratie is dan gelijk aan de Vlaamse natie en die natie spreekt met één stem door de mond van De Wever. Zij zijn de democraten, de anderen niet. Dergelijke demagogie wordt al door De Tocqueville begrepen als antidemocratisch: immers eigen aan de democratie is dat elk individu rechten heeft, een eigen stem heeft en dat dus niemand het recht heeft om in naam van het volk te spreken. Bovendien is er niet zoiets als één stem of één signaal van het volk.

    De Wever blijft echter spreken in naam van alle Vlamingen. Steeds weer komt de frase uit zijn mond gerold dat dé Vlamingen gekozen hebben voor verandering. Elke kritiek op de regering Di Rupo vertrekt vanuit de premisse dat N-VA spreekt voor het hele Vlaamse volk. Al die andere Vlaamse partijen lijken wel verkozen door Brusselaars of Walen. Ook in Antwerpen zien we deze premisse in actie. De Antwerpenaar zou gekozen hebben voor veranderingen en dus moet N-VA niet regeren voor alle Antwerpenaren, maar enkel voor haar eigen achterban. De sociale initiatieven en de kritische cultuurinstellingen worden gekortwiekt.

  4. De strijd van De Wever is niet alleen een strijd tegen democratie als ideologie, het is ook een aanval op de Belgische democratie in het bijzonder. Enkel een Vlaamse democratie heeft legitimiteit volgens De Wever. En ook op dit domein was de partij heel actief in het laatste jaar. In de steden waar N-VA aan de macht is, wordt heel duidelijk dat zij het stedelijk beleid inzetten om het Vlaams bewustzijn te versterken. Zo zien we in Aalst, Denderleeuw, Kortrijk en Brasschaat een Vervlaamsingspolitiek in werking treden. En ook in Antwerpen waar ondanks drastische besparing toch sterk geïnvesteerd wordt in een grootse viering van 11 juli. In dergelijke feiten zien we de prioriteit van N-VA nogmaals geïllustreerd: de strijd voor de Vlaamse natie. Al de rest is bijzaak.

    Deze vervlaamsingspolitiek is er op gericht een draagvlak uit te bouwen voor een onafhankelijke Vlaamse natie. Enkel die natie is legitiem aldus N-VA. Meer democratie, betekent dan in termen van N-VA meer Vlaamse natie. N-VA en co spreken niet zomaar over Vlaanderen als “mijn democratie “ of Di Rupo is “mijn premier” niet. De idee van de twee democratieën is een efficiënt wapen in de politiek-ideologische strijd van N-VA. Als iedereen deze beschrijving van de realiteit aanvaardt, verwerft de partij macht over de realiteit en komt het doel – een onafhankelijk Vlaanderen – dichterbij. Hoewel België kampt met een democratisch deficit betekent dat nog niet dat België een land is met twee democratieën. Dat is net het doel van N-VA. Het loont dan ook de moeite om deze oneliner te kaderen in die politiek-ideologische strijd van N-VA.

De twee democratieën-oneliner en de strijd tegen de Belgische democratie

België zou in de retoriek van N-VA zomaar, spontaan en natuurlijk verdampen, zonder dat daar een politieke strijd voor gevoerd moet worden. België is immers als een land met 2 democratieën en de middelpuntvliedende krachten zullen die splitsing als vanzelf, met de loop der tijd, bewerkstelligen. N-VA stelt zo de splitsing van het land voor als onvermijdelijk, als de natuurlijke en onomkeerbare loop van de geschiedenis. Elk verzet is dan ook zinloos, want de opmars van de Vlaamse natie is onvermijdelijk. Meer nog, N-VA presenteert die opmars in haar oneliner als al grotendeels gerealiseerd. N-VA-politici brengen de boodschap dat enkel Vlaanderen een legitieme democratie is constant te berde en dat door middel van heel diverse vormen: oneliners, metaforen en parabels. Duidelijk is dat deze oneliner helemaal niet onschuldig is. België verdampt niet zomaar als het gevolg van een soort natuurlijk proces, België wordt actief bestreden door N-VA. Door de Belgische democratie steevast voor te stellen als illegitiem, als een relict van het verleden, vormt deze oneliner ondubbelzinnig een aanval op de democratie.

De partij beperkt zich ook niet tot woorden, we zien die strijd dagelijks in haar politieke daden. Denken we maar aan de tegenkantingen van N-VA om vanuit Vlaanderen mee te helpen met het Federale niveau om de zogenaamde ‘loonlasten’ naar omlaag te halen. Hoewel de partij dit neoliberale geloofspunt over de nood voor lage loonlasten al jaren uitdraagt, weigert ze initieel haar medewerking. Immers zo stelt N-VA-minister Muyters, eerst moeten de bevoegdheden naar Vlaanderen komen. Niet de neoliberale agenda staat bovenaan de agenda, maar de onafhankelijke Vlaamse natie. Het neoliberale project van N-VA staat ten dienste van een onafhankelijk Vlaanderen. De regel voor N-VA op federaal niveau is dan ook dat er pas een federaal akkoord kan goedgekeurd worden door N-VA als en enkel als dat gepaard gaat met een verdere ontmanteling van de Belgische democratie.

In dit perspectief is de communicatie van N-VA tijdens de laatste federale onderhandelingen interessant. N-VA heeft honderden dagen mee onderhandeld om een nieuwe federale regering te vormen. De partij slaagt er niet in om een compromis te aanvaarden en beslist op 7 juli 2011 dat verder onderhandelen op basis van de nota-Di Rupo niet mogelijk was. De Wever voegt er wel aan toe: ‘N-VA blijft beschikbaar om te proberen een regering te vormen, maar alleen als er tegemoet gekomen wordt aan de fundamentele bezwaren.’ Die bezwaren zijn niet min, om niet te zeggen radicaal. De nota-Di Rupo, die door PS, sp.a, Groen, Ecolo, CDH, CD&V, MR en Open VLD gezien wordt als een mogelijke basis voor verdere onderhandelingen, moet van N-VA volledig van tafel. Ook de daaraan voorafgaande nota van Van de Lanotte was geen goede basis om de onderhandelingen verder te zetten. Er moet vertrokken worden van een ‘wit blad’ indien men wil dat N-VA nog meedoet. Bovendien moet er een ‘copernicaanse omwenteling’ worden gerealiseerd die het zwaartepunt legt bij de gemeenschappen. N-VA weet echter zeer goed dat zij op federaal niveau geen meerderheid hebben voor deze eisen, dat is voor De Wever bijzaak. Zij hebben de verkiezingen gewonnen en dus moeten zij het voor het zeggen hebben. Niet het compromis met de andere verkozenen telt, niet het regeren in het belang van elke Belg, maar de eigen nationalistische strijd staat voorop.

De nota-De Wever is voor De Wever het absolute minimum: ‘Dit is mijn minimumbod, ik doe het niet voor minder’, zegt De Wever in Terzake. ‘Wie hier nog wil aan raken,’ zo waarschuwt hij, ‘die zal het hele kaartenhuisje doen instorten.’ Een compromis is enkel mogelijk op hun voorwaarden. Liesbeth Homans, de rechterhand van De Wever, verduidelijkt die positie nog:

Ons neen gaat dieper dan de tegenstelling N-VA en PS. Dit is Vlaanderen tegen Wallonië, en omgekeerd. Met geen enkele Franstalige partij is tegenwoordig een compromis mogelijk. België is de moeilijke optelsom van twee democratieën. Dat getuigt ook de nota-Di Rupo, die verstoken is van enige kennis over Vlaanderen.’

Zo is de cirkel rond. N-VA wil enkel onderhandelen op federaal niveau om ‘het zwaartepunt van de federale staat’ naar de deelstaten te krijgen, om een copernicaanse revolutie te bewerkstelligen. Haar eigen poging om dit op papier te zetten, ziet men niet alleen als een compromis, het is tevens het minimumbod. Enkel een compromis op hun voorwaarden is dus mogelijk: zij spreken immers namens Vlaanderen. ‘Het is Vlaanderen tegen Wallonië en omgekeerd.’ Hoewel N-VA zichzelf opwerpt als de enige legitieme stem van Vlaanderen, onderhandelen de andere Vlaamse partijen verder met de Franstalige partijen én bereiken ze een echt compromis. De N-VA zet meteen een mediatieke catch-22 op:

Door zonder de N-VA te onderhandelen, hebben ze nog twee keuzes: een democratisch onaanvaardbare regering zonder Vlaamse meerderheid of één met een meerderheid, maar dan met de groenen. Daar moeten ze het mee stellen.’

Optie één werd realiteit en sindsdien spreken N-VA-politici consequent over ‘mijn democratie’ of ‘onze democratie’ waar de regering-Di Rupo geen meerderheid heeft. Enkel Vlaanderen is een legitieme ‘democratie’. Daarom weigert N-VA Elio Di Rupo als ‘hun premier’ te erkennen: ‘Hij is een sympathieke man, every inch a gentleman, daarom vind ik het moeilijk om te zeggen, maar ik zeg het toch: Elio Di Rupo is niet mijn premier’, zo stelt De Wever,‘[…] als hij geen meerderheid haalt in mijn democratie, is hij mijn premier niet.’

N-VA verwerpt dus de Belgische democratie. Dat de federale regering een democratische meerderheid heeft op het hele grondgebied, dat doet volgens N-VA niet terzake. Immers, niet België, maar enkel Vlaanderen heeft volgens De Wever legitimiteit. België is niet alleen niet ‘hun democratie’, het is volgens N-VA zelfs helemaal geen democratie. Hoewel de N-VA-blik op België, maar ook de nationalistische definitie van democratie, hegemonisch wordt, verandert dat niets aan het feit dat België tot op heden één land is, één democratie. Dat is heel duidelijk, we hebben één grondwet, één justitie en één wetboek, we hebben één sociale zekerheid, er is één politie, één economische ruimte en er is weldegelijk een taalgrensoverschrijdend middenveld. We hebben wel diverse kieskringen en verschillende gewesten en gemeenschappen. Hoewel die op bepaalde puntenvrij autonoom zijn, ressorteren ze nog altijd onder het Belgische, federale niveau. De website van de Belgische overheid laat daar geen twijfel over bestaan:

België is een democratie. De Belgische staat wordt geleid door volksvertegenwoordigers die het volk zelf kiest. Een democratie steunt op aantal pijlers. Ze eerbiedigt het principe van de rechtsstaat en er gelden vrijheidsrechten zoals de vrijheid van meningsuiting. Wetgeving en rechtspraak zijn essentieel. Een democratisch land houdt vrije verkiezingen waarbij de burgers kunnen kiezen voor verscheidene partijen.’

Het engagement van N-VA aan de democratie is dus enkel een engagement aan de (niet bestaande) ‘Vlaamse democratie’ – lees de Vlaamse natie. Meer nog, N-VA voert een regelrechte en onverholen aanval uit op de Belgische democratie. Vandaag spreken N-VA ’ ers openlijk over Vlaanderen als ‘mijn democratie’ en weigeren ze het resultaat van de Belgische democratie te erkennen. De oneliner over twee publieke opinies en twee democratieën heeft de weg vrijgemaakt voor N-VA om de legitimiteit van België openlijk te betwisten, zonder in Vlaanderen als radicaal bestempeld te worden. Het is opmerkelijk dat het project van N-VA op bitter weinig weerstand stoot. In de media wordt de partij en haar project nog altijd omschreven als centrum en gematigd rechts. Dat is deels een gevolg van de werking van de partij. N-VA zet, in lijn met de antiverlichtingstraditie, volop in op ideologische oorlogsvoering. De partij verkoopt haar project als een gematigd project en investeert daarbij volop in “communicatie”: in oneliners, metaforen en metonymieën. Hierdoor slaagt ze erin om een zeer radicaal project en een anti-Verlichtingsideologie te normaliseren.

De doorbraak van de oneliner van De Wever over democratie gaat gepaard met een afbraak van de oorspronkelijke invulling van democratie én met een frontale aanval op de Belgische democratie. In het kader van deze oneliner wordt de democratie een nationalistisch instrument, gericht op de realisatie van een Vlaamse onafhankelijke natie. In deze oneliner wordt de democratie dus op verschillende manieren ontmanteld. Ten eerste wordt democratie een etnocratie. Ten tweede wordt democratie gelijkgeschakeld met ‘publieke opinie’. En ten derde zien we dat democratie wordt ingevuld als verkiezingen, meer nog als de stem van de overwinnaar van de verkiezingen. Democratie wordt op deze manier een soort tijdelijke dictatuur tot het moment dat er nieuwe verkiezingen zijn.

De anti-Verlichtingsideologie van N-VA

De effecten van dat ideologisch nationalisme blijven daarbij niet beperkt, ze hebben grote consequenties voor de rechten van de mensen en de twee kernwaarden van de verlichting: gelijkheid en vrijheid. Burke had meteen door dat zijn nationalisme een van de krachtigste wapens was tegen de ideeën van de radicale verlichting. Dat zijn ook de gevolgen van het nationalisme dat N-VA hanteert. De natie primeert, de mens is ondergeschikt. De rechten van de mens haalt de N-VA-voorzitter om de haverklap aan om zichzelf en zijn partij te distantiëren van het Vlaams Blok, maar zelf koppelt hij in andere contexten een zeer vreemde betekenis aan deze mensenrechten: ze worden ontdaan van hun Verlichte betekenis en gevuld met een anti-Verlichtingsbetekenis. Ik verklaar me nader:

Een zorgvuldige analyse van de N-VA-retoriek laat zien dat De Wever en zijn partij de mensenrechten niet begrijpen als universele en dus inclusieve standaarden die moeten vertaald worden in de praktijk, maar als een soort erfgoed van ‘ons’: de Westerlingen en de Vlamingen. In die logica zijn ‘wij’ per definitie Verlicht, en zijn ‘zij’ (lees de moslims) dat niet. In deze context tonen de N-VA’ers zich als absolute voorstanders van de Verlichting. Echter, eenmaal het over andere zaken gaat zien we een hele andere logica werken. Dan heet het dat de uitoefening van grondrechten zoals het inroepen van godsdienstvrijheid om een hoofddoek te mogen dragen niet telt, want ‘in de publieke cultuur moet afgewogen worden in functie van het algemeen belang’.Waar men dan steevast aan toevoegt dat het maar evident is dat de publieke cultuur dominant is.

Daar stopt het niet. De Wever is steeds zeer expliciet over zijn begrip van die rechten en de toepassing ervan in de samenleving. Zo stelt hij letterlijk: ‘Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden we wel het discours over de universele mensenrechten, dat ons in staat zou stellen om over de moraliteit van een regime te oordelen, maar als maatstaf voor het dagelijkse sociale verkeer zijn die te abstract.’ Nochtans zijn Verlichtingsdenkers als Condorcet van mening dat die mensenrechten net heel praktisch zijn. Het zijn volgens hen de instrumenten bij uitstek om een goede samenleving te bouwen. En waar De Wever jammert dat die rechten van mensen steeds uitgebreider worden – nog iets dat hij gemeen heeft met Burke – benadrukt Condorcet dat dit een goede zaak is. De mensenrechten, zo schreef Condorcet in de 18[de] eeuw, die zijn niet volledig en moeten uitgebreid worden: dat zag hij als de vooruitgang van de mensheid.

De Wever ziet het helemaal anders. Hij benadrukt steevast de plichten van de mensen ten aanzien van de natie. Die rechten ziet hij als een gevaar. Net zoals alle anti-Verlichtingsdenkers is De Wever immers van mening dat: ‘een samenleving nu eenmaal niet [functioneert] als optelsom van individuele vrijheden.’ Hiermee verwerpt De Wever uiteraard de hele verlichting: er moet meer zijn dan enkel rechten als basis voor een samenleving, aldus De Wever. De Verlichting moet in balans worden gebracht met antiliberale waarden. De Wever ziet het rechtenperspectief als een aanval op de morele gemeenschap, op de traditionele en ‘organische’ moraal.

Teveel nadruk op gelijkheid en vrijheid zorgen er volgens De Wever immers voor dat het kostbare weefsel uiteenrafelt. Ze zorgen voor een ontsporing van de samenleving. Vooral Mei 68 wordt in dit kader door De Wever begrepen als een brug te ver. ‘De sixties’, zo schrijft De Wever: ‘zetten immers ook de hakbijl in het gezonde hout van de traditionele samenleving.’ In zo’n samenleving moet elk akkefietje inderdaad worden opgelost door een derde partij.’ Het is een punt dat De Wever heel vaak aanhaalt: een samenleving die enkel op rechten gebaseerd is, zal noodzakelijkerwijs ontsporen: ‘Exclusief focussen op rechten geeft alleen de illusie van vrijheid, het resultaat is uiteindelijk het omgekeerde.’

Mei 68 is hier de boosdoener, volgens De Wever. Immers door mei 68 werden die vrijheden te veel uitgediept. ‘Dit alles leidt tot een samenleving van individuen met rechten en vrijheden, maar niet tot een gemeenschap’, aldus De Wever. Volgens hem zorgt die mei 68- generatie voor ‘het steeds sneller wegkwijnen van georganiseerde religie in Europa’ en ontstaat een ‘spirituele leegte in Europa’. De morele orde van de oorspronkelijke organische samenleving wordt aangetast door deze uitbreiding van vrijheden en rechten. Vandaag is er enkel maar vrijheid, wat onvermijdelijk leidt tot onvrijheid, zo vat De Wever het samen met een letterlijke kopie van de woorden van Burke. Immers, als enkel het recht op vrijheid bestaat, dan blijft ‘alleen vadertje staat […] nog over om al die individuele rechten te waarborgen […] Geconfronteerd met die onmogelijke taak kan de overheid niet anders dan haar beslag op de samenleving almaar vergroten en de vrijheid dus feitelijk verminderen.’ Hier zien we heel duidelijk de anti-Verlichtingsvisie van De Wever. Hij beklaagt het verdwijnen van subjectieve, spirituele banden als grondslag om de samenleving te organiseren ten voordele van een objectieve, juridische organisatie van de staat, wat het doel was van de verlichting.

De rationaliteit van de wet en de vrijheid die eruit voortvloeit, ziet hij als een groot probleem, niet als een vooruitgang. Hij ziet het als pure onvrijheid, de wet maakt voor hem niet vrij. Terug debiteert De Wever hier een klassiek geloofspunt uit de anti-Verlichtingstraditie: echte vrijheid ontstaat dan pas als een gezonde natie zichzelf reguleert en er dus geen wetten meer nodig zijn. Om dit te bereiken moeten er volgens De Wever dan ook extra waarden en normen geformuleerd worden die de culturele en morele sokkel bepalen waarop Vlaanderen moet worden georganiseerd. De Wever wil daarvoor niet terug naar de jaren vijftig, maar ziet die jaren wel als een model voor een gezonde samenleving: een samenleving die de nationale identiteit en de waarden en normen verder koestert. En het is die sociale cohesie/controle als een gevolg van dat sterk en gezond kostbaar weefsel dat we moeten terugwinnen aldus De Wever. Dat is ook de reden waarom De Wever de klikoproep van Procureur Dams ondersteunde; iets wat hij trouwens zelf met veel trots in de praktijk bracht met zijn tip over de verdachte handelingen bij zijn buren die een weedplantage zouden uitgebaat hebben. Dat is wat De Wever bedoelt als hij spreekt over actief burgerschap.

De Wever houdt een pleidooi voor de subjectieve gemeenschap. De natie en de nationale identiteit moeten daarom versterkt worden. Eenmaal iedereen tot de gemeenschap wil behoren, zullen er spontaan informele ‘wetten’ opduiken. Als die subjectieve identiteit geïnstalleerd is, zal de ‘organische rechtsstaat’ vanzelf de samenleving reguleren. Eigenlijk zijn er geen wetten meer nodig, want die rechtsstaat werkt onvermijdelijk subjectief en reguleert zichzelf: ze gaat ‘oom agent en oom advocaat ver vooraf ’. Hij is willekeurig (en dus dictatoriaal) georganiseerd. De Wever bestempelt de verlichte democratie die louter steunt op de grondwet als een problematisch gegeven. Daarom moet er een correctie komen op het perspectief dat de wet niet alleen vrij maakt, maar ook de basis is voor de moraal. Dit nochtans klassieke Verlichtingsdenken is voor De Wever de basis van onvrijheid en ontsporingen. Net zoals alle denkers binnen de anti-Verlichtingstraditie bestempelt De Wever de Verlichte democratie als de basis van decadentie. Daarom moet er een correctie komen op die vrijheden. Die correctie zit in een sterke identiteit die zelfbeheersing met zich meebrengt en ‘een gezonde sociale controle’. De organische moraal moet de wet domineren, niet omgekeerd. We horen hier heel sterke echo’s van Burke en Renan. De democratische mens, met zijn vrijheden en rechten, wordt bij De Wever iemand zonder zelfbeheersing die zorgt voor een ontspoorde maatschappij. De wet moet daarom vooraf worden gegaan door de sociale normeringen, eigen aan een gezonde gemeenschap. Enkel een gezonde gemeenschap met een sterke subjectieve identiteit voorkomt ontsporingen, enkel dan is echte vrijheid mogelijk volgens De Wever.

Die ‘vrijheid’ van De Wever heeft niets van doen met de ‘vrijheid’ in de traditie van de radicale Verlichting. Waar voor de Verlichtingsdenkers de wet vrij maakt, gaat De Wever net zoals Dalrymple en anti-Verlichtingsdenkers zoals Berlin uit van negatieve vrijheid. Vrijheid wordt herleid tot vrij zijn van elke (overheids)inmenging. Het klassieke denken van de Verlichting, namelijk dat gelijkheid een voorwaarde is om vrij te zijn verdwijnt. Net zoals het idee van een democratische en dus gedegen opgeleidde en geïnformeerde mens verdwijnt. Vrijheid is de vrijheid van overheidssteun zoals sociale woningen. Want dan bepaalt de staat waar je leeft en ben je onvrij. Hier zien we hoe de anti-Verlichtingsvisie van De Wever en co naadloos overgaat in een neoliberale visie: een smalle staat en een samenleving die zichzelf organiseert doordat ze een sterk identiteitsbesef heeft als gemeenschap.

Vrijheid is dan de vrijheid van overheidssteun en de vrijheid van ondernemen. Het is dan ook geen toeval dat De Wever letterlijk stelt dat echte vrijheid, de vrijheid is die Hayek en Friedman vooropstellen: absolute vrijheid van de ondernemer: niets of niemand, al zeker de staat niet, mag die ondernemers in de weg staan. De strijd tegen ongelijkheid is dan ook een uiterst problematisch gegeven volgens de N-VA-doctrine: het is immers niet aan de overheid om de economie te regelen.

Het actief ingrijpen in de samenleving om gelijkheid te bewerkstelligen, ziet de anti-Verlichtingstraditie als een ‘revolutionair’ of utopisch ingrijpen in de samenleving. Ook op dit vlak toont N-VA zich een klassieke vertegenwoordiger van de anti-Verlichting. Gelijkheid tussen man en vrouw is een tegennatuurlijk streven; enkel gelijkwaardigheid, het vieren van de aangeboren verschillen tussen man en vrouw is haalbaar. Praktijktesten, maar ook de huidige antidiscriminatiewet gaan te ver. Quota zijn een vorm van discriminatie en zijn dus geen legitieme beleidsdaden. De strijd van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding moet in de pas worden gebracht met de Vlaamse opinie en haar belangen. Ook sociaaleconomische gelijkheid behoort niet tot de legitieme politieke doelstellingen. Herverdeling, een actieve politieke strijd tegen ongelijkheid of overheidsingrepen om sociale gelijkheid te realiseren, zijn geen legitieme opties voor N-VA. Ook een focus op gelijkheid, mondt immers onvermijdelijk uit in het tegendeel. Elke ingreep in de samenleving gericht op gelijkheid of vrijheid, ziet N-VA als een aanval op de traditionele orde. Deze verlichtingswaarden ondermijnen een harmonieuze samenleving en kunnen bijgevolg niet anders dan uitmonden in regelrechte rampen.

N-VA, de antidemocratie en de aanval op de radicale Verlichting

Het N-VA-project ontmantelt het idee van de Verlichte staat: een staat die functioneert als een instrument om het goede leven te realiseren. Het warme nest van N-VA die ons moet beschermen tegen de globalisering is een hoax. Immers, de reële bescherming zoals de sociale zekerheid moet er aan geloven en in de plaats moeten we vertrouwen op het idee dat we een spontane solidariteit zullen zien opwellen in de organische natie. Geen sprake meer van rechten, maar van liefdadigheid uit verbondenheid. De idealen van de radicale Verlichting, van de democratie worden hier vernietigd. De natie primeert, de rechten van individuen zijn ondergeschikt.

N-VA zet een aanval op de centrale Verlichtingswaarden gelijkheid en vrijheid

Onderliggend aan de aanval op deze twee principes is het idee dat het belang van de natie met haar traditionele morele waarden moet primeren over de wil van het individu en zijn rechten. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat De Wever heimwee heeft naar de jaren 1950, waar de sociale controle nog bestond en de christelijke en traditionele waarden nog voelbare invloed hadden in de samenleving. Mei 68 en haar revolutionair perspectief op vrijheid en gelijkheid heeft die samenleving vernietigd met alle gekende ontsporingen als gevolg. Zelfmoorden, depressies, criminaliteit of relletjes, ze zijn volgens het N-VA-discours allemaal een gevolg van het moreel hypocriete rechtendiscours van de linkse elite. Het primaat van de natie is het fundament van de aanval van N-VA op de waarden van de Verlichting en de democratie.

Beluister het volledige debat hier

Advertisements

Vlaamse strijd in Syrië: contouren van een analyse

Het idee dat op vele fora dominant is, namelijk dat we dan van “hen” af zijn, is niet alleen racistisch en kortzichtig, het is alvast een deel van het probleem.

Het feit dat tientallen Vlaamse jongeren naar Syrië trekken om daar te strijden tegen het regime van Assad is zonder meer verontrustend. Berichten in de media, maar ook uit de straat wijzen op een groeiende groep jongeren die ten strijde trekt. Het profiel van de jongeren is vaak vrij gelijklopend: ze zijn jong, ze zitten vaak in de marge van de samenleving, en zijn in de greep van een jihadistische ideologie belandt. Er ontplooien zich nu drama’s in vele allochtone en autochtone gezinnen. Het idee dat op vele fora dominant is, namelijk dat we dan van “hen” af zijn, is niet alleen racistisch en kortzichtig, het is alvast een deel van het probleem.

De situatie is schrijnend en verdient heel duidelijke politieke en maatschappelijke actie. Er wordt echter nogal geheimzinnig gedaan over de omvang van het fenomeen, haar oorzaken en mogelijke oplossingsstrategieën. Vaak komt men niet veel verder dan dat het dramatisch is en dat het hun eigen keuze is om de woorden van Bart Somers te gebruiken. Het gaat hier nochtans niet om een individueel gegeven, maar om een complex sociaal gegeven dat we best in alle openheid bespreken.

De analyse

Elke oplossing begint met een gedegen analyse. Het is daarom van cruciaal belang dat we de complexiteit van deze realiteit in rekening brengen. Immers als we niet goed begrijpen wat zich hier afspeelt, dan zullen de genomen maatregelen op basis van die matige kennis de problemen enkel doen toenemen in plaats van ze krachtdadig aan te pakken. De gedetailleerde analyse moet nog gemaakt worden, maar de globale contouren zijn al langer duidelijk. Wat we vandaag zien ontplooien is een gelaagd en vrij recent fenomeen. Het is zowel een lokaal als een geglobaliseerd gegeven. En om dit ten volle te begrijpen dienen we terug te gaan naar de jaren 90.

Globaal zien we twee grote evoluties die we onvermijdelijk in de analyse moeten opnemen als we de huidige realiteit willen begrijpen. Ten eerste zien we sinds de jaren 90 de opkomst van nieuwe communicatietechnologieën. Nieuwe media zoals het internet, satelliet, chat, Facebook, Twitter en Youtube zorgen ervoor dat mensen hun identiteit niet meer louter lokaal opbouwen, maar zich ook op wereldwijde peergroups oriënteren. Concreet, zien we dat allochtone en autochtone jongeren in ons land zich oriënteren op een internationale hiphop of skatecultuur, we zien dat autochtone en allochtone jongeren identiteit produceren als Hijabista of dat ze meer vrienden hebben in de wereld dan in hun straat doordat ze actief zijn in World of Warcraft. Het betekent dus vooral dat onze wereld complexer geworden is en dat identiteitsproductie niet enkel in de straat gebeurd, maar geglobaliseerd is.

Die wereldwijde peergroups zijn één element in de verklaring waarom jongeren hun leven op het spel zetten en tegen de wil van hun ouders en vrienden afreizen naar Syrië. De wereld is in die zin een dorp geworden, maar dat heeft dus lang niet alleen positieve effecten. Dat betekent ook dat een groep jongeren zich solidair voelt met de Koerdische verzetsbeweging, of zich kan laten beïnvloeden door radicale jihadi’s die met de verspreiding van gruwelijke beelden en een scherp wij-en-zij-discours jongeren rekruteren voor de oorlog in Syrië.

Die ideologische beïnvloeding van jongeren in Antwerpen, Vilvoorde en Brussel zou echter weinig impact hebben mocht ze niet kaderen binnen een tweede onmiskenbare evolutie die sinds de jaren 90 van grote invloed is op het denken in de wereld. Sinds de jaren 90 en zeker na 9/11 zien we een scherpe polarisering in de wereld en in ons land tussen ‘het Westen’ en ‘de islam’. Dit bipolaire wereldbeeld heeft niet alleen de “War on Terrorism” op gang getrokken, ze heeft ook gezorgd voor een heropleving van een jihadi-islam die mobiliseert tegen een imperialistisch en islamofoob Westen. Dat is ook het rekruteringsverhaal van jihadi-bewegingen in Syrië en in ons land: ze stellen het voor als een strijd van moslims tegen een seculiere Assad, een dictator die zijn burgers vermoord.

Deze globale dimensie verklaart echter nog niet waarom er zoveel jongeren specifiek vertrekken uit België om te strijden in Syrië, of correcter waarom er zoveel jongeren vertrekken vanuit grootsteden als Antwerpen. Om dit te begrijpen is het van groot belang om de sociale, economische en politieke plaats van deze jongeren in de samenleving te begrijpen.

Vanaf de jaren 90 stond migratie, onder aanvuren van het Vlaams Blok, bovenaan de politieke agenda. Het integratiedebat werd in één decennium hertaald tot een islamdebat. Hun cultuur was het probleem, aldus het dominante discours. Intellectuelen legitimeerden dat de islam minderwaardig was. Sociologen als Marion van San legitimeerden, zij het op wankel onderzoek, het idee dat criminaliteit een cultureel gegeven was. Er stond een groot amalgaam rond woorden als islam, cultuur, terrorisme, criminaliteit, antidemocratisch, … Hun cultuur en de islam in het bijzonder werd steeds meer voorgesteld als problematisch. Dit beeld werd na 9/11 steeds vaker gereproduceerd als een louter “feit”.

Media en politici hanteerden stoere taal ten aanzien van ‘allochtonen’ en moslims in het bijzonder. Die beeldvorming zorgde voor een vergaande uitsluiting en baarde kritische bewegingen van onderuit zoals Kif Kif, AEL, talloze federaties en middenveldorganisaties die de strijd tegen racisme op de agenda trachten te plaatsen. De geschiedenis leert ons ondertussen wat daar gebeurd is. Deze strijd van onderuit werd afgedaan als radicaal, ongewenst en overbodig. Als er plaats was in de media voor deze organisaties, dan was dat vooral uit redenen van verkoopbaarheid. Ze werden opgevoerd als het tegengestelde van de Vlaming. Er werd vooral niet geluisterd naar deze stemmen en er werd verder ingezet op aanpassing, al werd het inburgering genoemd.

In naam van de democratie, in naam van de mensenrechten werden echter ongelijke rechten bepleit. Jongeren die dag in, dag uit ongelijkheid als realiteit kennen, werden om de oren geslagen met een discours dat “ons” verbeeldde als democraten bij uitstek en dat dat als argument gebruikte om hen ongelijke rechten toe te kennen op lokaal vlak. Aan de loketten en in scholen moest subjectieve neutraliteit de norm zijn, met als gevolg dat een groep moslimmeisjes uitgesloten werd en een veel grotere groep moslims zich geviseerd voelden. Democratie, neutraliteit, vrijheid, verlichting werden allemaal ingezet als uitsluitingsargumenten. In de globale arena diende deze beeldvorming als de verantwoording voor verschillende oorlogen tegen Irak, Afghanistan en Libië. Kortom, zowel lokaal als globaal leerde dit discours jongeren in ons land dat ze van democratie niet veel moesten verwachten om hen een beter leven te geven. Dat ze er niet echt bij hoorden.

Hoewel iedereen de mond vol had van democratie, werd er niet meer ingezet op een uitbreiding van democratie, op een krachtdadige strijd tegen discriminatie, op het streven naar gelijkheid… Het gevolg is een steeds groeiende allochtone onderklasse en een steeds stevigere radicalisering. Reeds in 2005 waarschuwde Kif Kif dat verschillende grootsteden, waaronder Brussel en Antwerpen een sociaaleconomisch kruitvat vormen. 50% van de werkzoekenden in Antwerpen is allochtoon. De armoede neemt steeds meer toe onder ‘ allochtonen’. Meer dan 50% van de mensen met een Marokkaanse of Turkse familiegeschiedenis leven onder de armoede grens. Elk onderzoek treft structurele en manifeste discriminatie aan en dat al twee decennia lang. Niemand horen we echter spreken over een ‘nultolerantie’ tegen racisme, niemand spreekt over het failliet van het beleid. Racisme is nochtans alomtegenwoordig. Niet alleen het internet bulkt van de racistische commentaren, de discriminatie vertaalt zich in onze samenleving: in de uitgangswereld, op de huurmarkt en op de arbeidsmarkt.

Allochtoon en dan vooral moslim zijn in deze samenleving staat synoniem voor een tweederangspositie. Hun toekomstperspectief ziet er veel minder rooskleurig uit dan dat van de gemiddelde autochtoon. Koppel deze lokale positie aan een jihadistisch discours van ‘moslims’ die zich nuttig kunnen/moeten maken door te strijden tegen barbaren, aan gruwelijke beelden van de daden van Assad en we kunnen enigszins beginnen te vatten hoe sommige jongeren een dergelijke drastische beslissing nemen. Hoe het komt dat tieners en jonge twintigers radicaliseren. Hoe het komt dat ze zich aansluiten bij sektes a la Sharia4Belgium. Hoe het komt dat ze beslissen om te gaan strijden. Een dergelijk kruitvat is de ideale voedingsbodem voor radicalisering. Jongeren zonder toekomstperspectief zijn vatbaar voor radicale ideologieën die hen een vals toekomstperspectief, een zin in het leven geven, met alle dramatische gevolgen van dien. Een klein deel van de nieuwe generatie Belgische moslims zoekt nu haar heil in een strijd in Syrië. Dat is niet alleen een globaal gegeven, maar ook heel duidelijk een lokaal gegeven en vergt dan ook een complexe aanpak.

De toekomst

Bovenstaande ruwe analyse toont de complexiteit van het probleem, het toont ook dat dit probleem zowel lokaal als globaal is en dat het actie vereist. Vraag is nu welke actie. Dat is natuurlijk een oefening voor de beleidsverantwoordelijken, we kunnen enkel maar hopen dat er in die oefening niet louter voor een repressieve aanpak gekozen wordt, maar dat ze ook werkt aan een sociale aanpak. We lijsten enkele elementen op:

1. Politieke spelletjes en electorale agenda’s laten we best achterwege. De politieke recuperatie van deze schrijnende realiteit kan die situatie enkel maar verergeren met dramatische gevolgen van dien voor de familie en vrienden van jongeren. Politici maken best niet teveel kabaal in de media, maar kijken best heel praktisch en kordaat welke te volgen weg is.

2. Laten we ons alstublieft ook ver houden van culturalisering, want die culturalisering is deel van het probleem. We zien hier geen probleem eigen aan DE islam. De realiteit is veel complexer dan dat. We mogen niet vergeten dat moslims, zowel in Syrië als in ons land slachtoffers zijn. Er is geen zwart-wit-beeld. Discoursen over problemen inherent aan de islam slaan de bal serieus mis. De jihadistische ideologie overtuigt slechts sommige jongeren en dat leidt tot scherpe tegenstellingen binnen de verschillende moslimgemeenschappen in ons land. Het feit dat jongeren vertrekken, zorgt ervoor dat ouders met de handen in het haar zitten en vaak niet weten waar ze terecht kunnen. Vele gezinnen zijn radeloos. Dergelijke culturalisering zorgt er bovendien voor dat niet alleen de polarisatie toeneemt, maar dat bezorgde moslimouders niet weten waar ze terecht kunnen met hun angsten en bezorgdheden. Het zorgt niet alleen voor een gebrek aan vertrouwen van deze ouders in de politiek, de politie en de media, het vormt steeds opnieuw een bevestiging voor jongeren die in de ban zijn van het jihadisme en dat er hier geen plaats is voor hen. Dat vertrouwen herstellen en hen een toekomstperspectief geven is van cruciaal belang.

3. Dat toekomstperspectief kan maar geboden worden als er dus ook gekeken worden naar de bestaande realiteit. En die realiteit in ons land is niet rooskleurig, het is een realiteit van discriminatie en ongelijkheid, van precaire levensomstandigheden en gevoelens van uitsluiting en een gebrek aan hoop. Hieraan sleutelen is van cruciaal belang willen we de voedingsbodem wegnemen van die jihadistische radicalisering.

4. Ten vierde is het van groot belang dat de informatie van veiligheidsdiensten zoals de Staatsveiligheid en OCAD, maar ook van universiteiten niet alleen samengelegd wordt en doorstroomt naar het justitieel en politioneel apparaat, ook het middenveld zou hier zicht moeten op krijgen. Het middenveld is een cruciale partner in de strijd tegen radicalisering, het is het middenveld die vaak als eerste heel concrete problemen signaleert en beleidsmakers en politie bekritiseert op hun blinde vlekken. Het zijn zij ook die in alle stilte het probleem aanpakken en ervoor zorgen dat de jongeren een andere kijk op de samenleving krijgen. We leven echter in een imagosamenleving waarbij politici maar al te vaak kritiek willen smoren in plaats van er van te leren bij het voeren van hun beleid. Racisme en ongelijkheid aankaarten werd afgedaan als ‘politiek correcte praat’ in het beste geval, als radicaal en schandalig in het slechtse.

5. Ten vijfde betekent dit ook dat we niet louter een justitiële aanpak kunnen hebben, maar dat een sociaaleconomische aanpak van cruciaal belang is. Heel concreet moeten we denken aan hoe we jongeren verhinderen te vertrekken enerzijds en anderzijds moeten we kijken hoe we de jongeren die terugkomen opvangen. Ook mogen we zeker niet vergeten om algemeen preventief de jongeren een toekomst te geven hier. Zij zijn Belgen en verdienen hier een volwaardig leven. De geschiedenis van de Afghaanse strijd in de jaren 80 leert ons immers dat strijders ook terugkomen met de nodige littekens, maar ook mogelijks met een rekruteringsopdracht.

Tijd voor actie

Tientallen, zo niet honderden Vlaamse jongeren vertrekken naar Syrië om daar te gaan strijden. Dat zijn menselijke drama’s. Zeer zeker. Maar het is meer, veel meer. Het is een geglobaliseerd samenlevingsprobleem. Een democratisch probleem van ons allen. Het gaat iedere mens aan op het grondgebied België en zelfs in de wereld. We zouden er dan ook maar beter met zijn allen van wakker liggen. Het toont ons heel duidelijk, althans voor degenen die het willen zien, de wereld waarin we leven. En die wereld is heel complex. Complexer dan ooit te voren waarschijnlijk.

De geschiedenis herhaalt zich nooit tweemaal op dezelfde wijze. Schalen, contexten en dimensies verschillen steeds weer opnieuw. Vandaag leven we in een tijd van superdiversiteit en die is bij uitstek geglobaliseerd en vooral gelaagd. Het schept een heel nieuwe, complexe, sociale realiteit en dat zorgt ervoor dat we heel nieuwe manier van samenleven moeten organiseren. Met nationalisme en inburgering gaan we er niet komen, een nadruk op onvervreemdbare mensenrechten voor eenieder en democratie als ideologie is de weg die we in tijden van globalisering moeten bewandelen.

Als we de nieuwsberichten van de laatste tijd over jongeren die naar Syrië trekken om daar te strijden willen begrijpen, dan kunnen we dat enkel maar doen vanuit een gelaagd en dus uitermate complex perspectief. Enkel als we die gelaagde, meerschalige bril opzetten kunnen we de drama’s die zich nu afspelen in veel gezinnen in Vlaanderen niet alleen begrijpen, we kunnen beginnen denken en handelen om ze te vermijden, om een betere wereld te scheppen. Dat begrip is van cruciaal belang, want ze toont een nieuwe wereld in al zijn overmacht, en we kunnen maar beter maken dat we er klaar voor zijn. De bal ligt nu heel duidelijk in het kamp van de politiek en de beleidsmakers. Het is tijd voor een ommezwaai, voor een echt krachtdadige aanpak. Niet voor de media, niet voor het electorale resultaat, maar voor de hele samenleving.
>>> Lees hier Kif Kif’s tienpuntenplan Syrische strijd <<<

Verdeel en heers -beeldvorming

Over neoliberalisme, democratie en de nood aan politisering

 In de laatste twee decennia zijn we getuige geweest van een grondige herstructurering van onze samenleving en bij uitbreiding van de wereld. De jaren ‘90 waren de jaren van wat Bush senior ‘De nieuwe wereldorde’ noemde. Het communistisch blok stortte in en het neoliberalisme werd omarmd als winnaar. Overal weergalmde de oneliner ‘there is no alternative’. De vrije markt werd gebombardeerd tot de enige mogelijke weg en het failliet van het socialisme werd van de daken geschreeuwd. Vandaag worden we wakker in een koude en kille samenleving.

Een gepolariseerde samenleving waar de kloof tussen arm en rijk, en tussen armen onderling steeds groter wordt. Migranten, en moslims in het bijzonder, werden kop van jut. Dit nieuwe discours was een glijmiddel om allerhande rechten in te perken en leidde de aandacht af van de sociaaleconomische agenda. De welvaartstaat en onze democratie staan onder druk, dat is het minste dat we kunnen stellen. In dit stuk schetsen we deze evoluties, hun gevolgen en kijken we naar de rol die het middenveld kan opnemen in de strijd voor democratie, vrijheid en gelijkheid.

De context van een democratisch probleem

1989 is een kantelpunt in de geschiedenis (Maly, 2007). Het luidt de wereldwijde doorbraak in van het neoliberalisme enerzijds en betekende een heropleving/herlegitimatie van nationalisme anderzijds. Niet enkel in de voormalige Sovjetrepublieken zien we de groei van een tot dan toe marginaal politiek nationalisme (Hobsbawm, 1994), ook in eigen land is het nationalisme een dominante ideologie. Niet alleen het Vlaams Blok en de Volksunie waren de dragers van dat nationalisme, ook de CVP en de PVV trokken toen voluit de nationalistische kaart op. De Batselier en Abicht zochten toenadering tot de Volksunie door met Coppieters het Sienjaal uit te geven (Blommaert, 2012). Het nationalisme was terug mainstream. De verankeringspolitiek van de prille Vlaamse regering en de campagne Vlaanderen-Europa 2002 waren onomfloerst gericht op Vlaamse nation-building (Blommaert, 2001).

In de jaren tachtig deed ook het neoliberalisme zijn intrede in België. De grootste voorvechter was Verhofstadt, toen beter gekend als ‘da joenk’, en zijn PVV: hij zag een grote kloof tussen de burger en de politiek en die kloof viel samen met het middenveld (Blommaert, 2001; Maly, 2007 & 2009). De vakbonden, straathoekwerkers en belangenverenigingen die de stem vertolken van mensen die vaak in een precaire positie leven, werden gezien als drempels voor een ‘ware democratie’. Democratie werd in ware Vlaams Blok-logica hertaald tot vox populisme. De burger moest rechtstreeks spreken met de politici. En die burger leek vooral wakker te liggen van de vreemdelingen (Blommaert, 2001). Dit Tatcheriaanse discours van Verhofstadt was een frontale aanval op het middenveld met de vakbonden op kop. Het betekende in de praktijk dat het middenveld en bij uitbreiding de linkerzijde het heel moeilijk begon te krijgen.

De val van de muur luidde immers ook het einde in van de angst voor het socialisme bij de werkgevers en de rechtse politieke partijen. Die angst voor het rode gevaar, samen met de goede conjunctuur en de strijd van de arbeidersbewegingen leidden na de Tweede Wereldoorlog tot de uitbouw van de welvaartstaat. Bedrijven, overheid en werknemers sloegen de handen in elkaar voor de uitbouw van een sociale zekerheid. Het onderliggend denkkader bij de uitbouw van die welvaartstaat was dat de belangen van al die partijen werden gezien als complementair (Maes, 2010). Groei stond niet louter in het teken van winst, maar in het teken van welzijn en dus van herverdeling. De welvaartstaat bracht de idealen van de radicale verlichting dichterbij: gelijkheid en vrijheid stonden op de agenda. De politiek zag de staat als een instrument om een goede samenleving uit te bouwen met als doel: het geluk van de bevolking. Rechten hadden we nodig om onze plichten als burger te kunnen vervullen; dat was toen een democratische evidentie. En we waren burger in deze samenleving ten aanzien van de staat: de staat moest onze rechten garanderen.

Die gestage uitbouw van de welvaartstaat komt na de oliecrisis in de jaren 70 in het gedrang (Maes, 2010). De regering Martens voerde in de jaren 80 een neoliberaal beleid gericht op besparen. Het zijn ook de jaren waarin een heel pak van de arbeidsmigranten en hun kinderen structureel in de werkloosheid terechtkomen. Straathoekwerkers en vakbonden trekken aan de alarmbel: zij roepen de politiek op om een beleid van integratie te voeren. Sociaaleconomische integratie wel te verstaan. Zij vreesden immers de groei van een etnische onderklasse. Hun oproepen bleven echter onbeantwoord (Blommaert, 2011). Pas op het einde van de jaren 90 wordt er door de regering geleidelijk aan werk gemaakt van integratie. Dit nieuwe integratiebeleid was echter geen antwoord op de verzuchtingen van die straathoekwerkers, maar op die van een nieuwe politieke partij: het Vlaams Blok.

De uitbouw van het integratiebeleid kan gezien worden als een uiting van die globale veranderingen zoals we ze hierboven geschetst hebben. Nationalisme was de fundamentele premisse van dit integratiebeleid. Samenlevingsproblemen werden culturele problemen en dus moesten nieuwkomers zich integreren in onze cultuur en de taal leren (Maly, 2009). De homogeniteit van de samenleving moest gevrijwaard blijven. Door de probleemdefiniëring over te nemen van het Vlaams Blok en niet van de basiswerkers, legitimeerde men de premissen van het Vlaams Blok.

Migratie moest gestopt worden, want de natie stond onder druk. Migratie was een probleem. Een tijdbom die zo snel mogelijk moest ontmanteld worden. Dit kon enkel door enerzijds migratie zoveel mogelijk te stoppen, anderzijds ‘onze waarden en normen’ op te leggen aan ‘die ander’ en ze Nederlands te leren (Maly & Blommaert, 2012). Zij ‘onderdrukken immers hun vrouwen’, zijn ‘niet democratisch’, ‘hun religie is fundamentalistisch’, ze haten het westen,… De idee van de botsende culturen werd, zeker na 9/11 gemeengoed. Het werd zelfs legitiem om terug te spreken in termen van onze superioriteit. Daarom moesten ‘zij’ cultureel geïntegreerd worden, ze moesten zichzelf inburgeren. En om die inburgering af te dwingen werden allerhande rechten voorwaardelijk gemaakt: het recht op een woning werd afhankelijk gemaakt van de wil om het Nederlands te leren. Er werden GAS-boetes ingevoerd die voor het eerst sinds eeuwen ervoor zorgen dat de scheiding der machten geschonden werd. Privacy sneuvelde in naam van onze veiligheid en de strijd tegen terrorisme ten voordele van camera’s.

Dit discours beperkte zich niet tot stoffige beleidsteksten en de pure politiek, maar is tot op vandaag een discours dat in het lang en in het breed gevoerd wordt in onze media. De werking en de structuur van de media veranderden in diezelfde twee decennia zeer grondig. De openbare omroep kreeg concurrentie van verschillende commerciële omroepen. De zuilgebonden kranten werden geïntegreerd in grote commerciële mediaconcerns en werden commerciële producten die zoveel mogelijk lezers moesten verleidden de krant te kopen. Hiervoor werd ingezet op sensationele koppen, licht verteerbaar nieuws met veel foto’s en vaak met een ontstellend gebrek aan nuance. In een dergelijke media gedijt populisme zeer goed en dat wordt nergens treffender geïllustreerd dan in het zogenaamde integratiedebat. (Maly, 2009 & 2012).

Door dat gemediatiseerd debat werd een draagvlak opgebouwd bij de bevolking voor het nieuwe integratiebeleid. Politici, deskundigen en journalisten hebben in de laatste decennia de bevolking leren spreken over migratie, over vreemdelingen, asielzoekers, allochtonen en moslims in het bijzonder. De autochtonen uit de lagere klassen werden opgezet tegen hun allochtone collega’s. Allochtonen werden zowel verweten ‘ons werk af te pakken’ als van de sociale zekerheid te profiteren. De solidariteit tussen de werkende mensen werd gebroken: de blik stond niet meer naar boven gericht, maar naar de collega’s naast zich. Armen verweten andere armen de schuld te zijn van hun eigen armoede. Armoede werd in die periode ook geherdefinieerd: armoede was geen gevolg meer van het economisch systeem, maar werd een individuele verantwoordelijkheid (Maly & Blommaert, 2012).

Superdiversiteit, neoliberalisme en precariteit

De globalisering en de doorbraak van het neoliberalisme na de val van de Berlijnse muur zorgen voor een nieuwe wereldorde en ook een heel nieuwe migratie. We spreken vanaf dat moment van superdiversiteit. Superdiversiteit houdt een multidimensioneel perspectief in op diversiteit. Het concept stelt de diverse reeks invloeden centraal die samen komen in het leven van mensen en hun leven conditioneren (Vertovec, 2007). Naast de klassieke elementen als geslacht, politieke voorkeur, leeftijd en religie, slaat die superdiversiteit ook op een hele resem andere variabelen zoals de verschillende immigratiestatussen en de bijhorende (ingeperkte) rechten van nieuwkomers, hun onderwijs- en arbeidservaring en hun ervaringen met administraties. Maar ook de plaats waar migranten wonen in ons land en hun relatie met onze overheidsinstellingen zijn factoren die bepalend zijn in de aard van diversiteit en dus in de aard van onze samenleving.

Superdiversiteit beschrijft als concept die nieuwe migratie die zich vanaf de jaren 90 in ongeveer alle Europese steden voltrokken heeft en de samenstelling van alle landen grondig veranderd heeft. Die superdiversiteit kleurt niet alleen de grootsteden, ze kleurt België. Op het Belgisch grondgebied leven in totaal mensen uit 194 verschillende landen. België is dus niet te verwarren met een homogene natie, waar ook enkele migranten aanwezig zijn. Terwijl in de media gefocust werd op die ‘oude migratie’ en de nood tot (her)homogenisering om de natie te redden, onderging onze samenleving diepgaande en structurele veranderingen. Superdiversiteit is in België de norm. Van homogeniteit is al lang geen sprake meer.

Toch blijft onze regering steeds meer inzetten op culturele integratie, inburgering en het stellen van extra voorwaarden vooraleer migranten alle rechten hebben. Ongewilde migratie, lees migratie van armen, moet zoveel mogelijk gestopt worden. Al deze beleidsopties vertrekken vanuit een rechts nationalistisch en niet vanuit een democratisch perspectief. Ondanks alle mooie woorden die gehanteerd worden in het migratiedebat zoals democratie, verlichting en mensenrechten zien we dat deze woorden gebruikt worden om anderen uit te sluiten, om ze minder rechten te geven. Rechten worden voorwaardelijk gemaakt. Bovendien zorgt het dominante discours over ‘de onaangepastheid’ van migranten en de nood aan culturele integratie voor een opstoot van racisme. Migranten worden dag in en dag uit afgerekend op ‘hun graad van integratie’: als ze werk zoeken, als ze een appartement willen huren of als ze willen uitgaan worden ze door autochtonen beoordeeld.

Bovendien gebeurt dit alles binnen een neoliberale economische context. In die context functioneert iedereen als een kleine mini-onderneming die moet zorgen dat hij of zij geïntegreerd blijft. Immers, in de laatste decennia is de verhouding tussen burger en politiek geherdefinieerd. Het is niet langer de staat die ons onze rechten garandeert, vandaag zijn we daar voor een groot stuk zelf verantwoordelijk voor. Vandaag staan plichten en verantwoordelijkheid, zoals dat dan zo mooi heet, voorop. We moeten zelf zorgen dat we een job blijven hebben, we moeten flexibel zijn en ons ten allen tijde herscholen. We moeten tevreden zijn met interimcontracten en werken onder enorme druk. We moeten onze (aanvullend) pensioen zelf bijeen sparen en we kunnen maar beter maken dat we een hospitalisatieverzekering hebben. Sociaaleconomisch geïntegreerd blijven is vandaag moeilijker dan ooit, en het is een individuele verantwoordelijkheid geworden. Steeds meer mensen vallen uit de boot, de kloof tussen rijk en arm wordt steeds groter. Sociaaleconomische integratie is vandaag de opdracht van eenieder, niet alleen van allochtonen. Hoewel die laatste groep, als een gevolg van de dominante beeldvorming en bijgaand beleid, meer kans maakt om tot die lagere klassen te behoren.

Het gevolg van dit neoliberalisme is de groei van een nieuwe klasse – die Standing het precariaat noemt – als gevolg van een economisch systeem dat de nadruk legt op zo groot mogelijke winsten ten voordele van enkelen en ten koste van de samenleving. Ten koste van onze democratie. Dat precariaat is een klasse in wording die gekenmerkt wordt door enerzijds bestaans-en werkonzekerheid en anderzijds door minder sociale, culturele, politieke, economische rechten. Dat precariaat is een globale klasse geschapen door het neoliberalisme en is gekenmerkt door superdiversiteit. In ons land zien we een oververtegenwoordiging van zogenaamde allochtonen in deze klasse. Dat is enerzijds het gevolg van het gevoerde integratiebeleid, en anderzijds door het structurele racisme. Het beleid organiseert ongelijkheid en het dominante discours versterkt die productie van ongelijkheid. Concreet houdt dit in dat we leven in een samenleving waar mensen ongelijke rechten hebben en dat wordt genormaliseerd door de heersende beeldvorming als een zaak van realisme (Maly & Blommaert, 2012). Dat schept een dijk van een democratisch probleem; immers een democratie is gegrondvest op het idee dat we allemaal gelijke, onvervreemdbare rechten hebben. Dat iedereen in die samenleving recht heeft op een goed leven.

Het middenveld en de toekomst van de democratie

Het was geen toeval dat Verhofstadt zijn pleidooi voor neoliberalisme combineerde met een aanval op het middenveld. De vakbonden en het kritische middenveld vormden immers een dam tegen zijn neoliberale dromen. Het is helaas Verhofstadt die aan het langste eind getrokken heeft. Het middenveld zit al enkele decennia in de hoek waar klappen vallen. Het gevolg is een vergaande depolitisering van dat middenveld. Het middenveld is vandaag vaak geïnstrumentaliseerd als een uitvoerder van het beleid. Het middenveld werkt niet meer bottom-up, maar top-down. Niet de stem van haar achterban wordt naar buiten gebracht, maar de stem van het beleid. Dat betekent in de praktijk vaak een gebrek aan kritiek. Dat is terug een democratisch probleem. De Tocqueville (1835) waarschuwde al in de 18de eeuw dat een democratie zonder middenveld, zonder kritische tegenmachten in de feiten geen democratie is.

Dergelijke kritische tegenmacht kan maar bestaan als er gedegen informatie voorhanden is, als er goed geïnformeerde democratische burgers zijn. Zonder informatie, is er geen tegenmacht. De radicale verlichtingsdenkers lieten dan ook niet na om te wijzen op het belang van een goed onderwijs en gedegen media als voorwaarden voor een gezonde democratie (zie bv. Jefferson en Paine). De commercialisering van de media is dus een democratisch probleem. En het is hier dat het middenveld een eerste daad van verzet kan plegen: namelijk door vanuit haar expertise te bouwen aan ruimtes voor diepgang. Vandaag zorgt het internet voor ongekende mogelijkheden voor informatieverspreiding gaande van eigen website, sociale media als micromedia zoals Kif Kif en De Wereldmorgen. Het ontsluiten en diepgaand informeren van mensen is een cruciale stap in het heropbouwen van onze democratie in tijden van globalisering, superdiversiteit en neoliberalisme. Dat vereist dat er terug denkwerk verricht wordt over schijnbaar zeer abstracte zaken, die in wezen zeer praktisch zijn. Namelijk hoe zorgen we dat het idee van onvervreemdbare rechten eigen aan het individu eindelijk gerealiseerd wordt. Hoe zorgen we dat democratie terug begrepen wordt als een groot verhaal. Als een ideologie met als fundament vrijheid en gelijkheid. Hoe bouwen we aan zo’n democratie in tijden van globalisering en hypermobiliteit. Hoe stoppen we de ‘verdeel -en heers’-beeldvorming? Hoe tonen we aan de armen en uitgestotenen dat ze in hetzelfde schuitje zitten, dat ze dezelfde democratische strijd moeten voeren. En nog belangrijker hoe voeren we die strijd?

Met informatie en denkwerk, hoewel uiterst noodzakelijk, alleen zullen we er niet komen. De bestaande negatieve beeldvorming over moslims of de afbraak van de democratie en de welvaartstaat is niet louter een zaak van tekort aan kennis, het is een gevolg van een politiek-ideologische strijd. Dat betekent dan ook dat het louter aanbieden van informatie niet voldoende is. Die informatie moet de basis vormen van acties. Als het middenveld terug een fundament wil zijn van de democratie en de strijd voor democratisering, dan moet ze onvermijdelijk instappen in een politiek-ideologische strijd. Het middenveld moet van onderuit naar boven werken en dus moet ze zich onafhankelijk en kritisch opstellen ten aanzien van het beleid, van politici, van werkgevers en van de media. Het middenveld moet de rol opnemen van waakhond van de democratie. Zij moet politici controleren, ze moet kijken of het beleid ten goede komt van alle mensen op het grondgebied en ze moet zich verzetten tegen het beleid dat vrijheid, gelijkheid, democratie en onvervreemdbare rechten in het gedrang brengt. Het middenveld moet terug politiserend werken. Ze moet haar achterban informeren, opleiden en mobiliseren. En dat is een dringende opdracht, want de diagnose is ernstig. Onze democratie en onze rechten zijn in snel tempo aan het afkalven. Vijf voor twaalf, dat was gisteren.

Dit stuk werd eerder gepubliceerd in Terzake-magazine

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen en coördinator van Kif Kif. Hij schreef o.a. N-VA | Analyse van een politieke ideologie (EPO, 2012).

Bronnen.

Blommaert, J. (2001). Ik stel vast. Politiek taalgebruik, politieke vernieuwing en verrechtsing. Berchem: EPO.
Blommaert, J. (2011a). ‘Superdiversiteit’, KifKif.be: http://kifkif.riffle.be/actua/superdiversiteit.
Blommaert, J. (2011b). De heruitvinding van de samenleving. Berchem: EPO.
Blommaert, J. (2011). Burgerschap, integratie en ander fraais: drie problemen.http://feweb.uvt.nl/pdf/2010/InleidingJanBlommaert.pdfHobsbawm, E. (1992). Nations and nationalism since 1780. Cambridge: Cambridge University Press.
Blommaert, J. (2012). Over links en nationalisme: De Kloof tussen Abicht en de realiteit. http://www.kifkif.be/actua/over-links-en-nationalisme-de-kloof-tussen-ab…
De Tocqueville, A. (1835). Democratie: wezen en oorsprong. Kapellen: Agora Pelckmans.
Maes, J. (2012). Uw sociale zekerheid in gevaar. Berchem: EPO.
Maly, I. (red.) (2007). Cultu(u)rENpolitiek. Over media, globalisering en culturele identiteiten. Berchem: Garant.
Maly, I. (2009). De beschavingsmachine. Wij en de islam. Berchem: EPO.
Maly, I. (2012). De stilte in het debat. Over macht, anti-Verlichting en superdiversiteit. Vlaams Marxistisch Tijdschrift:http://www.imavo.be/vmt/1216-Maly.pdf.
Maly I. (2012). N-VA. Analyse van een politieke ideologie. Berchem: EPO.
Maly I & Blommaert, J. (2012). ‘Realisme’ als ideologie. Over superdiversiteit, precariteit en de nood aan Verlichting” (Kif Kif, 9/1/2013 – oorspr. bijdrage in: Filip Coussée & Lieve Bradt, red.: “Jeugdwerk en sociale uitsluiting. Handvatten voor emanciperend jeugdbeleid”, 2013):
Standing, G. (2011). The Precariat. The New Dangerous Class. London: Bloomsburry Academic.
Paine, T. (1791). Rights of Man, part the first. Being an answer to mr. Burke’s attack on the French revolution. (pp. 61-169). In Paine, T. & Linebaugh P. (2009). Peter Linebaugh presents Thomas Paine: rights of man and common sense. Verso, London, New York.
Vertovec, S. (2007). Super-diversity and its implications. In Ethnic and Racial Studies, 30: 6, 1024-154.

Wereldburgerschap en de toekomstige samenleving


Wereldburgerschap. Het klinkt vandaag voor velen als vloeken in de kerk. Utopisch en dus gevaarlijk. Van de pot gerukt en onwenselijk. Enkel overjaarse hippies en ander werkschuw tuig houden zich nog bezig met dergelijke hallucinante dromen. Zo beeld ik me de commentaren in van honderden nationalisten die reageren op het nieuws dat het onderwijs onze jongeren zal opleiden tot wereldburgers. We hebben in de laatste decennia heel duidelijk afgeleerd om na te denken over wereldburgerschap. Het idee van universaliteit staat onder druk. En dat is volgens mij een vergissing. In onze geglobaliseerde en superdiverse samenlevingen is het meer dan ooit van cruciaal belang dat we onze kinderen, maar ook de volwassen leren nadenken vanuit het perspectief van de wereld. Ik pleit dan ook onomwonden voor wereldburgerschap.

De globalisering van onze leefwereld

Het is geen nieuws als we stellen dat de aarde bestaat als één ondeelbaar globaal ecologisch systeem. De opwarming van de aarde door de mens beperkt zich niet tot de rijke landen, maar heeft wereldwijd effecten. In de laatste decennia is onze wereld ook economisch steeds meer globaal verstrengeld. Een economische crisis is meteen een globaal gegeven. Als de huizenmarkt instort in Amerika, dan zijn de gevolgen daarvan wereldwijd te voelen. Bedrijven die failliet gaan in China, brengen migratiestromen op gang die niet stoppen aan de Chinese grenzen. Bedrijven als DHL deinzen er niet voor terug om staten tegen elkaar uit te spelen in hun zoektocht naar meer winst. Sinds de jaren 70 is die economische globalisering meer en meer gestoeld op een neoliberale ideologie die de concurrentie tussen staten naar een hoogtepunt voert en de democratie in vergaande mate ondermijnt. Multinationals spelen nationale politici zonder veel probleem uiteen.

De economie is niet alleen globaal georganiseerd, ze vindt ook op die schaal in de politiek een bondgenoot. Toen Arcelor Mittal besliste om haar vestiging te sluiten in ons land, was Di Rupo in Davos waar hij lunchte en vergaderde met andere politici en de ceo’s van multinationals. Hij vroeg meteen een onderhoud aan met Lakshmi Mittal over de sluiting van de staalproducent. De impact ervan was nihil. En meteen wordt de verschuiving en verplaatsing van macht duidelijk. De macht van nationale politici over dergelijke multinationals is verwaarloosbaar. Hun macht is evenredig met hun competentie in het paaien van die top-ceo’s met subsidies en belastingvrijstellingen. Politici worden hierdoor niet zelden gedegradeerd tot facilitators van de grote bedrijven. Enkel als ze met geld over de brug komen van de belastingsbetalers krijgen ze nog iets gedaan van die topceo’s.

Elk beleid dat de economische crisis wil aanpakken zal dan ook onvermijdelijk op globale schaal moeten opereren. En hier zien we meteen het probleem: onze democratieën zijn helemaal niet op wereldschaal georganiseerd. De burger heeft geen macht over die multinationals. Er is geen sprake van een democratische controle op de economie, net omdat de democratie zelden het nationale niveau overstijgt. Dat betekent natuurlijk niet dat de politiek niet actief is op wereldschaal. Ze is dat weldegelijk. Op wereldschaal heerst de wet van de sterkste en die komt tot uiting via allerlei organen zoals het IMF, de Wereldbank of de G10-meetings. Van democratie is er op die schaal weinig sprake.

Nationalisme en globalisering

In dezelfde periode dat het neoliberalisme op wereldschaal hegemonisch is, zien we op het niveau van staten een opkomst van nationalisme. Begin jaren negentig laait over heel Europa het nationalisme terug op. België en dan vooral Vlaanderen vormde daarop geen uitzondering. Terwijl het Vlaams Blok domineerde in de jaren negentig en het begin van de 21ste eeuw, zien we vandaag dat N-VA vooroorlogse electorale scores haalt. Het N-VA- nationalisme positioneert zich heel duidelijk als een antwoord op die neoliberale globalisering. Om het in de woorden van N-VA te duiden, pretenderen deze nationalisten een warm nest te bieden als bescherming tegen de globalisering.

Kosmopolieten of wereldburgers worden door dergelijke nationalisten al snel gelijkgeschakeld met neoliberalen. Enkel de gegoede klasse, de bedrijfsleiders of toppolitici kunnen in deze logica dan effectief kosmopolitisch zijn. Het nationalistische discours laat uitschijnen dat de nationalisme gelijkstaat met zorg voor de gewone man. De natie en haar ‘spontane solidariteit’ worden dan neergezet als het antwoord op de neoliberale globalisering. In de praktijk zien we dat die ‘nationale solidariteit’ in de plaats gezet wordt van de interpersoonlijke solidariteit. Herverdeling wordt zo vervangen door de “voor wat, hoort wat”-logica, liefdadigheid en projectsubsidies. Rechten, een centraal fundament van de verlichting, komen zo steeds meer onder druk te staan.

Dat warm nest is dus een misleidend gegeven. Meer nog, nationalisme en neoliberalisme zijn objectieve bondgenoten. Het is geen toeval dat N-VA de neoliberale logica ten volle onderschrijft zolang ze het natieproject van de partij niet in de weg staat. De economische recepten van de partij komen letterlijk uit de bijbel van het neoliberalisme. De naoorlogse welvaartstaat is daarbij een doorn in het oog. Zij zorgt volgens De Wever voor onvrijheid, want de echte vrijheid is degene die uitgetekend is door de peetvaders neoliberalisme: Hayek en Friedman. Het nationalisme is dan ook niet in contradictie met het neoliberalisme, maar is er een steunpilaar van. Ze zorgt ervoor dat de concurrentie tussen staten steeds verder kan woeden en steeds meer kan leiden tot een vervanging van de welvaartstaat waar burgers rechten hebben, naar een organische natiestaat waar mensen moeten hopen op een voluntaristische solidariteit en verbondenheid.

De radicale verlichting, wereldburgerschap en democratie

Het mag duidelijk zijn dat de voorwaarden om een goede samenleving te organiseren vandaag op wereldschaal te zoeken zijn. Een heel pak van de beslissingen die ons leven bepalen worden genomen op niveaus die niet onder democratische controle vallen. Willen we terug een politics of paradise kunnen voeren, een politiek met hoop op vooruitgang en het realiseren van een goede samenleving waar gelijkheid en vrijheid voor eenieder gerealiseerd worden, dan moet de democratie in ruime zin, actief zijn op globale schaal. We kunnen de ecologische crisis maar ten gronde aanpakken op het niveau van de hele planeet. En net zoals de remedies voor de economische crisis en de concurrentie tussen staten maar kan aangepakt worden als de politiek terug greep krijgt over de bedrijven, zal ook de ecologische crisis maar opgelost worden als het primaat van de politiek hersteld wordt.

De politiek en de democratie in het bijzonder zijn de instrumenten bij uitstek om die goede samenleving op te bouwen. De radicale verlichtingsdenkers hebben ons de idee van onvervreemdbare mensenrechten geschonken als instrument om die goede samenleving op te bouwen. Zij vertrokken van het idee dat iedereen onvervreemdbare en dus ook gelijke rechten had. De oplijsting van die mensenrechten moest dienen als een heel praktisch instrument om nieuwe samenlevingen te bouwen die deze natuurlijke rechten garanderen aan alle burgers. De democratie was voor hen de ideologie en het systeem bij uitstek dat deze natuurlijke rechten kon garanderen.

Democratie was voor die radicale verlichtingsdenker echter absoluut niet te herleiden tot verkiezingen, democratie was voor hen een groot verhaal gegrond in de theorie van natuurlijke, onvervreemdbare en universele rechten, op een grondwet en op een democratische mens. Een democratie zonder democratische mensen enerzijds en anderzijds zonder kanalen waar dat die burgers zich gedegen kunnen informeren is voor die verlichtingsdenkers dan ook geen democratie. Hier wordt meteen de rol van het onderwijs en de media duidelijk. Correcte informatie en een goede opleiding van alle burgers is een conditio sine qua non van elke democratie.

Het is geen toeval dat een radicale verlichtingsdenker als Condorcet vanaf dag 1 pleitte voor een publiek onderwijs voor iedereen. Immers, aangezien iedere burger gelijk is, heeft hij dezelfde rechten en om die rechten te kunnen uitoefenen moet hij opgeleid zijn. Cruciaal voor elke democratische burger is dat hij over voldoende informatie beschikt om zijn positie in de samenleving te analyseren. Vertalen we dat principe naar de 21ste eeuw, dan betekent dat dat elke burger een analyse moeten kunnen maken van zijn of haar positie in een geglobaliseerde wereld. En hier raak ik het centrale onderwerp van vandaag. We kunnen vandaag geen democratisch burger meer zijn, als we geen wereldburger zijn.

Het onderwijs, wil ze haar democratische opdracht vervullen, moet onze kinderen dan ook opleiden tot wereldburgerschap. Deze opdracht is niet nieuw, Kant droomde al van een universele moraal. De hele radicale verlichting was vanaf dag één gericht op een universele mensheid. De hele mensheid, en dus elk individu had volgens hen gelijke rechten. Slavernij, of de ongelijkheid van vrouwen was voor hen geen optie. Ze gingen er ook vanuit dat de hele mensheid meer en meer verbonden zou worden en naar elkaar zou toegroeien door een steeds grotere verwezenlijking in de mensenrechten in de praktijk.

Vandaag zijn onze rechten in de praktijk nog altijd niet onvervreemdbaar, maar worden ze toegekend op basis van ons lidmaatschap van een bepaalde natie en onze verhouding tot de economie. Dat betekent in de praktijk dat mensen ongelijke rechten hebben. Willen we bouwen aan een democratische tegenmacht voor de neoliberale globalisering en de afbraak van verworven rechten in de laatste decennia, dan moeten we bouwen aan wereldburgerschap. En dan is in eerste instantie het onderwijs van cruciaal belang. Het is via het onderwijs dat we democratische burgers hebben en het is het onderwijs dat het fundament legt van een toekomstige democratische strijd.

Wereldburgerschap en de toekomstige samenleving

Wereldburgerschap is geen zaak van utopie, maar van noodzaak en realisme. De wereld is er ook in ons dorp, we leren dan ook maar beter snel om te gaan met deze realiteit. Als sommige mensen in onze samenleving minder rechten hebben omdat we die rechten vasthaken aan nationaliteit dan is dat niet alleen desastreus voor die individuen, het is een aanval op de hele samenleving. Als bedrijven hier de deuren sluiten omdat ze in andere landen meer winst kunnen maken door mensen uit te buiten, dan is dat een probleem voor ons én voor de mensen in dat andere land. De oplossingen voor al deze problemen, inclusief de ecologische, zullen er maar komen als we het wereldburgerschap opnemen en vertalen in een globale democratische strijd. De toekomstige samenleving begint vandaag.
Deze tekst was de basis voor een lezing in het kader van het pakket actieve wereldburgers van Scholen zonder racisme: Bever zaken!

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen en coördinator van Kif Kif en schreef o.a. N-VA | Analyse van een politieke ideologie (EPO, 2012) en De beschavingsmachine. Wij en de islam (EPO, 2009). Onder zijn redactie verscheen eerder Cultu(u)rENpolitiek, dat in 2008 de publieksprijs van boekhandel De Groen Waterman won.

[Veto] De ideologie van Bart De Wever en zijn N-VA gefileerd: “Bloed-Vlamingen en neoliberalen”

Filosoof en cultuurwetenschapper Ico Maly is al langer een luis in de pels van de N-VA. In zijn doctoraat – dat verrassend vlot over de toonbank gaat – analyseert hij de ideologie van de Vlaams-nationalistische partij. Zijn conclusie? De N-VA is een neoliberale partij, gestoeld op een anti-verlichtingsdenken.

SAM RIJNDERS (FOTO: ANDREW SNOWBALL) | Veto

Om met de deur in huis te vallen: wat verstaat u onder de anti-Verlichting?

Ico Maly: «Historisch gezien was de anti-verlichting een ideologische en intellectuele verzetsbeweging tegen de Franse revolutie. Deze beweging wou geen terugkeer naar het ancien régime zoals de contraverlichting, maar streefde naar een andere moderniteit dan de radicale verlichtingsdenkers. Eentje die niet gebaseerd is op verlichtingswaarden als gelijkheid, vrijheid en democratie in een ideologische betekenis. Maar wel op ongelijkheid en leidersfiguren die spreken voor het volk: een antidemocratie. Denk aan het grote voorbeeld van Bart De Wever, Edmund Burke, hij was samen met Herder het fundament van die antiverlichtingstraditie.»

De N-VA is onder andere voor holebirechten. Is dat dan geen verlichtingswaarde?

Maly: «Als conservatief en Vlaams nationalist zat De Wever aanvankelijk in dezelfde niche als het Vlaams Belang. Om zich te onderscheiden van het Vlaams Belang beriep hij zich op de verlichting. Zo is hij inderdaad voor holebirechten. Maar dat maakt hem nog geen verlichtingsdenker, het is slechts een vernislaagje, waaronder zich een diepgeworteld antiverlichtingsdenken bevindt.»

AANPASSEN OF OPKRASSEN

Als je N-VA’ers vraagt naar hun ideologie, antwoorden ze “nationalisme”. Dat zou grondig verschillen van het etnische en culturele nationalisme van het Vlaams Blok.

Maly: «Alhoewel ze nationalisme niet zien als een ideologie, zetten ze zich inderdaad in de markt met een ‘nieuw nationalisme’. Een humanitair nationalisme voor de eenentwintigste eeuw, vrij van de zonden van het verleden. Maar het bloed-en-bodem-nationalisme van een Vlaams Blok vind je wel degelijk terug bij N-VA. Wij zijn dan Vlamingen omdat we hier geboren zijn, Nederlands spreken en dus dezelfde normen en waarden delen. Fictie volgens mij, maar zo zegt De Wever het letterlijk. Dat wordt aangevuld met een zogezegd civiel nationalisme. Iedereen is welkom als ze maar onze taal leren spreken en normen en waarden overnemen. Daar valt het masker: vreemdelingen mogen enkel lid van de club worden als ze “echte Vlamingen” worden. Wat is dan het verschil met het “aanpassen of opkrassen” van het Vlaams Blok?»

«Wij, de bloed-Vlamingen, hebben bijvoorbeeld automatisch recht op een sociale woning. Mijn vrouw met Turkse roots moet eerst bewijzen dat ze goed Nederlands spreekt, als het van Liesbeth Homans (Antwerps OCMW-voorzitter voor N-VA, red.)afhangt. Terwijl sommige Vlamingen niet eens voor die taaltesten zouden slagen. In Asse gaat N-VA nog verder: de gemeente moet huizen opkopen en die enkel aanbieden aan mensen met Nederlands als moedertaal. Dat is pure discriminatie: hoe kan je ooit je moedertaal veranderen?»

Hun centrale argument is dat België geen democratie is, maar een optelsom van twee democratieën. Het stemgedrag in Vlaanderen en Wallonië verschilt toch inderdaad grondig?

Maly: «Die oneliner kan je enkel begrijpen als je het democratiebegrip van N-VA onderschrijft. Voor haar is democratie de stem van het volk. Dan geloof je dat het volk met één stem kan spreken. Nochtans, ik ben een Vlaming en De Wever spreekt nooit in mijn naam. Ik word nooit meegerekend, tenzij als “slechte Vlaming”. Men creëert een ideaaltypische, rechtse Vlaming en doet alsof alle Vlamingen zo zijn.»

«Er zijn inderdaad verschillen in stemgedrag tussen Vlaanderen en Wallonië, maar die zijn het gevolg van een homogeniserende en communautaire bril. In de realiteit zijn de concrete levensomgevingen van mensen, zoals verschillen in stemgedrag tussen stad en platteland, veel relevanter om die verschillen te verklaren. Bovendien zie je vanuit historisch perspectief dat die verschillen helemaal geen structurele culturele uitingen zijn. Nu is de PS de grootste, enkele verkiezingen terug was het nog MR. Kortom, die oneliner toont de nationalistische invulling van democratie door N-VA.

Paradoxaal genoeg steunt deze nationalistische partij wel het Europese project.

Maly: «Die steun is strategisch en voorwaardelijk. Eerst en vooral wil men zich onderscheiden van het Vlaams Blok als een partij die wel open staat voor de wereld. Ten tweede is die steun erg voorwaardelijk. Het is een Europa van naties, geen federaal Europa zoals Guy Verhofstadt wil. Logisch, want N-VA gelooft niet in een ‘democratie’ met meerdere identiteiten. Op Europees niveau is vanuit die logica nooit een democratie mogelijk. Tot slot steunen ze de Europese unie omdat die dezelfde economische politiek voert als de N-VA. Namelijk het neoliberalisme.»

NEOLIBERALE AGENDA

Neoliberalisme: de term is gevallen. Wat verstaat u onder dat hedendaagse politieke buzzword?

Maly: «Je mag dat niet begrijpen als een ideologie die alleen maar zo weinig mogelijk overheid wil. Concurrentie tussen bedrijven staat centraal. Overheidsingrijpen is geen probleem voor neoliberalen, zolang die gericht is op het bevorderen van de concurrentie en de marktwerking. Gelijkheid en sociale voorzieningen nastreven is echter een taboe.»

Neoliberalisme en nationalisme: wat is dan het middel en wat is het doel?

Maly: «Die vraag krijg ik zo vaak dat ik plan er een boek over te schrijven. (lacht) De Wever is een nationalist maar ziet neoliberalisme als noodzakelijke voorwaarde voor een onafhankelijke natie. Je moet immers een bloeiende economie hebben.»

«Omgekeerd heeft neoliberalisme nationalisme nodig. Je economie moet globaal zijn met een vrijheid van kapitaal, maar de politiek en dus de democratie moeten nationaal blijven. Zo heeft ze geen macht over die globale economie. Een perfecte beschrijving van onze huidige situatie. N-VA onderschrijft het neoliberalisme, zolang haar nationalistische idealen maar niet in gevaar komen.»

Vinden we de invloeden van het neoliberale denken dan niet terug bij alle politieke partijen? Het is toch geen monopolie van de N-VA?

Maly: «Een hegemonie zou Gramsci het noemen. De besparingspolitiek van Wilfried Martens in de jaren ’80 heeft het neoliberalisme in België geïmporteerd. Vanaf de 90 is het neoliberalisme hegemonisch. Sinsdien wordt ‘de economie’ steeds meer begrepen als een systeem op zich, wat totale onzin is. Economie staat niet los van de politiek, daar worden heel wat machtsbeslissingen genomen.»

«Stilaan wordt echter duidelijk dat deze dominantie van het neoliberalisme niet eeuwig is. Het neoliberalisme werkt niet, tenzij voor een kleine elite. Vroeger hing economische groei tenminste samen met stijgende lonen. Deze basis van de welvaartstaat is volledig losgelaten.»

Waarom horen we dit verhaal zo weinig in de media?

Maly: «In de eerste plaats dankzij het fantastische retorische talent van De Wever, hij communiceert zich als gematigd en intellectueel. Bovendien verkoopt De Wever zeer goed. Veel journalisten ontbreekt het echter ook aan historische kennis, laat staan dat ze de wortels van de verlichting beheersen of de tijd hebben om een scherpe analyse te maken van de ideologie van N-VA.»

Allochtoon of niet? Over het schrappen van woorden en de realiteit

Het is een kleine hype aan het worden. De krant De Morgen beet de spits af. Zij zouden het woord ‘allochtoon’ niet meer gebruiken. Stadsbesturen in Nederland en nu ook in België volgen en schrappen het concept uit hun beleidsnota’s. Het woord zou stigmatiseren, het zou een wij-zij-onderscheid in zich dragen, … Allochtoon is dan een containerwoord dat anderen labelt als anders, als niet van hier én als minder waard. Het schrappen van het concept allochtoon wordt neergezet als de ultieme antiracistische daad. In onze samenleving waar we al decennialang overspoeld worden met een anti-vreemdelingen-ideologie, is het zonder twijfel zo dat een dergelijke oproep getuigt van politieke moed. Het laat een ander geluid horen en schept de hoop op een strijd voor een wereld van gelijke burgers met onvervreemdbare rechten. Vraag is nu of dit schrapgedrag ook effectief een andere realiteit schept? En wat zijn de randvoorwaarden vooraleer deze politieke daad structurele effecten heeft in de realiteit?

Om op deze vragen te kunnen antwoorden is het niet alleen interessant om zicht te krijgen op de relatie tussen woorden en realiteiten, het is noodzakelijk. De sociolinguïstiek is waarschijnlijk de wetenschappelijke discipline bij uitstek om ons te leiden naar het antwoord op deze vraag. We starten deze paper dan ook met enkele theoretische bespiegelingen over de relatie tussen taal en werkelijkheid. Vervolgens kijken we vanuit die inzichten naar de mogelijke effecten van de schrapping van het concept en duiden enkele randvoorwaarden die kunnen leiden tot een werkelijke beweging in het maatschappelijk debat en in de maatschappelijke praktijk. Ik zal daarbij pleiten om de huidige actie te kaderen binnen een bredere politiek-ideologische strijd die de waarden van de radicale verlichting centraal stelt.

Ten ingeleide

Een eerste vaststelling. Het idee dat woorden louter woorden zijn en geen materiële effecten hebben is uiteraard fout. Woorden scheppen mee de realiteit waarin we leven. Ze bepalen niet alleen de perceptie van die realiteit, ze structureren mee die realiteit en geven er betekenis aan. Ze vormen de basis voor onze handelingen. Vanuit dit perspectief lijkt het schrappen van het woord allochtoon een daad van betekenis met directe gevolgen in de realiteit. Daarmee lijkt de kous af. Helaas is het vraagstuk complexer dan dat. Immers het concept allochtoon staat niet op zichzelf, maar kan als het ware gezien worden als het sluitstuk van een ideologie, de ideologie van het homogeneïsme. Nog buiten de vragen gerekend of het schrappen van woorden ook effectief kan, en of dit dan ook onvermijdelijk tot gevolg heeft dat ook de burgers zelf die woorden schrappen, staat het schrappen van één woord nog niet gelijk met het schrappen van een heel discours, van een ideologie.

Dat werd pijnlijk duidelijk toen de toenmalige hoofdredacteur van De Morgen in De Kruitfabriek op Vier de beslissing van zijn krant kwam toelichten. Wouter Verschelden stelde daar dat De Morgen het woord allochtoon niet meer zou gebruiken omdat het stigmatiseert enerzijds en omdat het onnauwkeurig is anderzijds. Men kon er volgens hem niets mee aan in een kwaliteitskrant. Wel benadrukte hij, net zoals in zijn column in de krant, dat dit niet betekende dat het maatschappelijk debat over integratie en de ‘multi-etnische’ samenleving niet moest gevoerd worden. Wel integendeel.

Wat dit debat dan inhield volgens die hoofdredacteur en hoe het gevoerd moest worden, werd in dezelfde uitzending meteen rijkelijk geïllustreerd. Het andere item in dit programma ging immers over de relletjes in Borgerhout ten tijde van de Reuzenstoet in het najaar 2012. Dergelijke opstootjes trekken traditiegetrouw een klassiek-distantiëringsritueel op gang. Relletjes van enkele ‘allochtone jongeren’ leiden bij een groot deel van de journalistieke klasse meteen tot een zoektocht naar distantiëring van de ‘gematigde allochtonen’. De onderliggende gedachte is immers, dat er een probleem is met de integratie van moslims in onze samenleving.

Iedereen die destijds aanwezig was tijdens de stoet, of in de dagen erna luisterde naar de reacties van ‘allochtone’ politici of keek naar het ‘allochtone’ middenveld, die kon vaststellen dat die betogers een kleine minderheid vormden en dat hun baldadig optreden er uiterst kritisch becommentarieerd werd. Echter, even klassiek in het ‘allochtonen’ of moslims-discours van die groep journalisten is dat ze die distantiëring maar minnetjes vinden of zelfs helemaal niet zien of horen. Verschelden behoort blijkbaar tot deze categorie van journalisten. Hoewel zowel de imam Taouil als de Groen-politica Meyrem Almaci in zijn bijzijn net deze relschoppers in prime time hadden veroordeeld, had dat geen enkele impact op zijn ‘mening’. Hun nadruk op het feit dat deze jongeren een minderheid waren, dat tientallen ‘moslimjongeren’ meeliepen in die stoet en dat er nog veel meer ‘allochtonen’ kwamen kijken, had geen effect op wat de hoofdredacteur van De Morgen ‘zag’. Dat Taouil en Almaci geduid hadden dat de ‘moslimtoeschouwers’ en –deelnemers aan de reuzenstoet deze opstootjes veroordeelden, kon Verschelden niet overtuigen. Hij bleef bij zijn vaststelling, bij zijn ‘mening’:

“Wat mij stoort in het hele debat. Dat er weinig… jullie zeggen altijd der is een grote meerderheid en die zijn gematigd. Het gaat enkel maar over een kleine groep extremisten. Maar toch hoor ik die gematigde groep eigenlijk heel weinig. Die vraag over die ouders is heel terecht, maar het gaat toch veel breder dan dat?”

Verschelden ziet een breed probleem en dat probleem is een probleem eigen aan ‘jullie’, aan de integratie van ‘de moslims’. Dit is voor imam Taouil het signaal om op te roepen om een witte mars van moslims te organiseren om duidelijk te maken dat die moslims dergelijke opstoten afkeuren. De roep naar distantiëring is zo klassiek dat de geviseerden steeds straffer uit de hoek willen komen om zich te distantiëren. Die effectloosheid van het distantiëringsritueel werd ook deze keer pijnlijk duidelijk geïllustreerd, dit maal door een van de lievelingen van ‘progressief Vlaanderen’: Tom Lenaerts. Lenaerts haakte in op het voorstel van Taouil met volgende assertieve opmerking: “Jullie moeten geen witte mars organiseren, jullie moeten jullie kinderen in bedwang houden”. Taouil kent ondertussen het klappen van de zweep en bevestigde meteen dat dit een ouderlijk probleem is. Waarop Verschelden terug inhaakt: “Waar zijn die gematigde moslims dan”.

Hier zien we meteen de kern van het probleem: woorden schrappen staat niet gelijk aan het schrappen van discoursen, laat staan dat het raakt aan de machtsverhoudingen. Immers, Verschelden schrapt dan wel het woord allochtoon en roept op tot nuance, in de praktijk verandert dat geen zier aan zijn discours dat nog altijd gebaseerd is op een heel duidelijke wij-zij-categorisering. De nuance betekent in dit geval dat stereotiepe veralgemeningen niet meer vastgehaakt worden aan het concept allochtoon, maar aan het concept moslim. En dat zorgt nog altijd voor een heel duidelijke wij-zij opdeling. Dat wordt treffend geïllustreerd door Lenaerts’ nadruk op ‘jullie’ als hij Almaci en Taouil aanspreekt. Hoewel ze de rellen veroordelen, er zelf niet bij betrokken waren en ook hun kinderen niet, worden ze wel tot de ‘jullie’-groep gerekend. En dus zijn ze ook mee schuldig én dus moeten ze zich distantiëren en zorgen dat heel ‘hun’ gemeenschap zich distantieert.

Dit distantiëringsritueel is bovendien enkel bij ‘hen’ noodzakelijk. Als een samenkomst van Vlaamse jongeren, na een Facebook-oproep om een collectief dansje op te voeren op het plein voor het Centraal station in Antwerpen, uitmondt in gevechten en onlusten, dan moet geen enkele Vlaming zich distantiëren. Hier wordt de hele machtsongelijkheid die schuilgaat achter het discours duidelijk en het wordt even duidelijk dat het schrappen van het woord allochtoon daar geen bal aan verandert.

Verschelden en Lenaerts illustreren hier een klassieke sociolinguïstische wet: woorden hebben, in de praktijk, geen vaste woordenboekdefinitie. Woorden krijgen betekenis doordat ze gebruikt worden in een bepaalde context, binnen een welbepaald discours door een bepaalde spreker in een bepaalde tijd met welbepaalde doelstellingen, enz. In de realiteit zien we dus dat de betekenis van woorden constant aan verandering onderhevig is. Een simpele knipoog kan de betekenis van een woord veranderen. Toch is die verandering niet oneindig: er zijn allerhande regels die in een dergelijke specifieke setting gelden en die regels zijn ook onderhevig aan politieke, sociale economische en culturele contexten van strijd. En het is in die context dat de betekenis bepaald wordt van een woord. Dat verklaart ook waarom een vrij neutrale en objectieve term als gastarbeider in de loop van de decennia een negatieve connotatie verwierf en vervangen werd door het woord migrant. Al snel nam het concept migrant en later de opvolger allochtoon die negatieve connotatie over. We leren hieruit dat niet zozeer het woord an sich een probleem is, maar wel het bredere discours. Barthes benoemt dat als het effect van de mythe. Die mythe geeft woorden een nieuwe betekenis en dat is het gevolg van een politiek-ideologische machtsstrijd.

Allochtoon en de politiek ideologische strijd om betekenis

Het vanuit dit sociolinguistisch perspectief dat ik vandaag kijk naar de impact van het al dan niet afschaffen van het woord. Vanuit die bril kunnen we niet anders dan vaststellen dat het concept allochtoon haar betekenis verwerft in de wijze waarop het gebruikt wordt in het dominante debat. En in die zin is het woord, met de bijhorende negatieve connotatie, perfect inwisselbaar met termen als migrant, vreemdeling, moslim, Turk, Gentse Turk, … Elk van deze termen krijgt binnen dat dominante discours dezelfde mythische definitie namelijk: iemand die niet van hier is en daarom problemen met zich meebrengt.

Bovendien hoeft de betekenis die kleeft aan een woord niet blijvend te zijn, ze is immers het gevolg van menselijk handelen. Of concreter, de betekenis is het gevolg van een voortdurende politiek-ideologische machtsstrijd. Het zou dus ook tot de mogelijkheden behoren dat zogenaamde ‘allochtonen’ het concept zelf hanteren als een geuzennaam, net zoals rappers dat gedaan hebben met het aangebrande ‘nigga’. Vanaf dan krijgt het concept een andere betekenis omdat het ingebed zit in een ander discours.

Vanuit deze realiteit is het misschien interessant om in rekening te brengen dat het begrip allochtoon initieel werd geïntroduceerd vanuit twee bezorgdheden. Ten eerste omdat het concept migrant te veel negatieve connotaties had opgelopen. En ten tweede, omdat beleidsmakers inzagen dat de kinderen van migranten ook te kampen hadden met discriminatie. Om deze mensen ook onderdeel te kunnen maken van een beleid gericht op gelijkheid moest die groep zichtbaar worden. Het begrip allochtoon was in eerste instantie een onderdeel van een discours gericht op gelijkheid, gericht op de bestrijding van discriminatie. Het zat ingebed in een wetenschappelijk discours en had geen enkele identitaire betekenis. Allochtoon was een concept dat een realiteit beschreef. Het beschreef die groep mensen in onze samenleving die vanwege hun afkomst of die van hun ouders en grootouders te maken hadden met discriminatie en zo als groep tevoorschijn kwamen in de statistieken van de arbeidsmarkt, van de huisvestingsmarkt en in het onderwijs.

De negatieve connotatie van het concept is dus een gevolg van een specifieke politiek-ideologische strijd en het gebruik van het concept in een heel andere context, namelijk de context van het gemediatiseerde maatschappelijk debat waar politieke partijen niet zelden trachten electoraal kapitaal te vergaren door te strijden tegen die ‘gevaarlijke, onaangepaste moslims’. Vanuit dit perspectief wordt duidelijk dat ook de nieuwe woorden die in de plaats zullen komen van het label ‘allochtoon’ an sich geen revolutionaire verandering teweeg brengen. Meer nog, de vraag is welke labels vervolgens zullen gebruikt wordt. De term etnisch-culturele minderheden is bijvoorbeeld als alternatief helemaal niet zo heilig makend. Integendeel. De intertekstuele traditie waarin het woord gebruikt werd in de laatste eeuwen is niet meteen een positief gegeven. De term etnie is geen waardenvrije term, maar is een concept dat een heel lange geschiedenis van gebruik kent en die geschiedenis kleeft aan dat concept. Zo is het opvallend dat we onszelf nooit zien als deel van een etnie. Je zal op het journaal nooit horen dat iemand een etnische Vlaming is. En net dat gebruik verraadt een geschiedenis. In de jaren 60 bijvoorbeeld werd etnie gebruikt als ‘a polite term for Jews, Italians and other lesser breeds.’ En ook het gebruik van het concept binnen de antropologie stond steeds gelijk aan de beschrijving van ‘de ander’. We bestudeerden ‘etnieën’ om iets te leren over ‘de oorsprong van de mens’: etnieën lijken dan relikwieën uit het verleden. De vervanging van allochtoon door etnisch culturele minderheden is dus helemaal geen stap vooruit, misschien zelfs integendeel. Ze herleidt mensen per definitie tot 1 identiteit: de etnische identiteit.

De afschaffing van een concept en de politiek-ideologische strijd

Is het schrappen van het woord allochtoon dan alleen maar een nietszeggende en louter symbolische actie? Is het een zaak van veel blabla en weinig boemboem? Niet noodzakelijk. Het concept allochtoon, als symbool van die dominante ideologie, is een problematisch gegeven en het afschaffen van het concept kan deel zijn van een veel bredere beweging. Enkel als de afschaffing past binnen een veel breder verhaal dat enerzijds focust op een ander discours en anderzijds op andere praktijken die in de ongelijkheid in burgerschap en discriminatie bestrijden, is deze afschaffing van de term werkelijk een revolutionaire verandering. Zo niet dreigt die afschaffing niet meer te zijn dan symboolpolitiek of een vorm van citymarketing. Om deze symbolische daad te laten uitgroeien tot het begin van een nieuwe realiteit moeten er dus een heel pak randvoorwaarden worden vervuld.

Eén ding is vandaag al duidelijk. Gent stuurt met deze beslissing een belangrijk signaal de wereld in. Ze klaagt als stad de wij-zij-categorisering aan en houdt pleidooi voor een nieuw burgerschap, een inclusief burgerschap waar “iedereen Gent is”. Deze slogan roept meteen ook een hele geschiedenis op: de geschiedenis van de radicale verlichting waar iedere burger gelijk is en onvervreemdbare rechten heeft. Dat is uiteraard een opvallend statement in tijden van een rechtse, antimigratie en Vlaams nationalistische hegemonie. De grote vraag is nu of deze symbolische politieke actie ook zijn vertaling zal krijgen in een ideologisch en beleidsmatig offensief op het Gentse grondgebied. Immers, de afschaffing van het woord an sich, als dat al zou kunnen, betekent in de praktijk vaak dat er een nieuwe categorisering zal verschijnen. De afschaffing van het concept, wil ze een nieuwe realiteit scheppen, zal dus een onderdeel moeten zijn van een veel bredere politiek-ideologische strijd. En deze politieke strijd zal zich moeten vertalen, zowel in het discours van de politici als in haar dagelijks beleid.

Concreet betekent dit dat Gent zal moeten bouwen aan het realiseren van een nieuw burgerschapsdiscours – én praktijk. Het voordeel is dat er op zich weinig nieuws moet uitgevonden worden op discursief vlak: er bestaat immers een heel lange traditie van spreken, denken en handelen dat gebaseerd is op een inclusief burgerschap. Die traditie kennen we onder het concept van de radicale verlichting.

Hier moeten we even uit het verhaal stappen. Immers hoewel DE verlichting vandaag een dominant gegeven is in het maatschappelijk debat, is het vanuit historisch perspectief heel moeilijk om te spreken over DE verlichting. Jonatan Israel, een van de meest eminente geschiedkundigen over de verlichting en de radicale verlichting in het bijzonder, is na jarenlang onderzoek en duizenden pagina’s tot de conclusie gekomen dat mensen die spreken over DE verlichting eigenlijk niet weten waarover ze het hebben. Israel benadrukt dat er heel veel verschillende stromingen zijn binnen die verlichting die vaak op ramkoers liggen met elkaar. Hij spreekt dan onder andere ook van het onderscheid tussen een gematigde verlichting (met Voltaire, Hume en Rousseau …) en een radicale verlichting (met Diderot, d’ Holbach, Condorcet, Paine, …). Hoewel beide bewegingen zich beroepen op de waarden van vrijheid en gelijkheid, is het volgens Israel de radicale verlichting die ons de democratie en de mensenrechten geschonken hebben. De gematigde verlichting pleitte voor verlichte monarchen en verzette zich tegen democratie en het idee dat iedereen gelijk is.

Het is waarschijnlijk geen toeval dat de ideologie van de radicale verlichting nagenoeg niet weerklinkt in het maatschappelijk debat. Het is immers opmerkelijk om vast te stellen dat vooral de rechterzijde van het politieke spectrum, zeker in het kader van het debat over diversiteit in onze samenleving, zich beroept op ‘de’ verlichting. Nog opmerkelijker is dat we in dat discours van de rechterzijde een enorme pervertering zien van de waarden van die politiek-ideologische traditie die ons de democratie geschonken heeft. De (radicale) verlichting, de rechten van de mens en de democratie worden in hun discours ingezet om ‘de ander’ uit te sluiten om ze extra plichten op te leggen en hun rechten voorwaardelijk te maken. De intellectuelen van de rechterzijde beroepen zich in de praktijk veeleer op de denkers uit de antiverlichting zoals Burke, Renan, Taine, De Maistre, Herder, enz… of in het beste geval op denkers uit de gematigde verlichting zoals Voltaire of Hume. Het hoeft geen betoog dat een dergelijk discours over de verlichting niet meteen het draagvlak versterkt heeft voor radicale democratie en de centrale waarden van de radicale verlichting binnen een superdiverse samenleving als de onze.

Jonatan Israel werpt op dat volgens hem de standpunten van de gematigde verlichtingsdenkers niet meer relevant zijn, meer zelfs, ze zijn volgens hem onverdedigbaar: ze leiden ons naar intolerantie, afbraak van rechten, verlicht despotisme of een verlichte monarchie, vox populisme en een afwijzing van ideeën die centraal staan in de opkomst van de democratie. De waarden van de radicale verlichting daarentegen zijn volgens hem relevanter dan ooit en verdienen dan ook een radicale verdediging, zeker in tijden waar de ideologie van de antiverlichting terug stevige voet aan de grond krijgt in heel Europa en bij uitbreiding de wereld. Lezen we de werken van die radicale verlichtingsdenkers dan valt op dat ze absoluut niet gedateerd zijn. Meer nog, vaak lijken ze nog maar net geschreven te zijn en hebben ze nog niets aan revolutionaire kracht ingeboet. Hun strijd om een betere samenleving klinkt actueler dan ooit. Opmerkelijk is bijvoorbeeld hun universeel en kosmopolitisch perspectief. Niet zelden waren die radicale intellectuelen van de 18de eeuw zelf migranten en voerden ze intellectuele discussies met mensen uit alle uithoeken van de wereld. Wat nieuw is aan deze radicale verlichting is niet zozeer de verschillende ideeën die ze opperen – veel van die ideeën zijn niet nieuw, maar worden overgenomen van de oude Grieken, van de freethinkers uit het Midden-Oosten, uit Indië, … – maar het feit dat al die ideeën samengebald geraken in een ideologie gericht op de opbouw van nieuwe samenlevingen.

In het ideeëngoed van die radicale verlichting staan gelijkheid en vrijheid centraal. Iedere burger heeft in die traditie onvervreemdbare rechten. Ik herhaal onvervreemdbare rechten: in die traditie is het niet een staat of een overheid die rechten toekent aan haar burgers, het tegendeel is het geval. De burger is eigenaar van zijn rechten. Society grants him nothing, onderstreepte de radicale verlichtingsdenker Thomas Paine. De staat is dan een instrument om de burgers die rechten te garanderen. Politici en ambtenaren werken in dienst van de burger, van alle burgers op het grondgebied ongeacht hun specifieke kenmerken zoals hun afkomst of nationaliteit.

Het is dan ook geen toeval dat radicale liberale denkers zoals Condorcet, die een prominente rol speelden ten tijde van de Franse revolutie, zich al jaren aan het inzetten waren voor gelijke rechten voor vrouwen, voor zwarten en zich fel verzetten tegen elke vorm van slavernij en uitbuiting. Gelijkheid en vrijheid waren in die traditie geen abstracte waarden die ergens zweefden boven de realiteit, maar dienden net als praktische handleidingen om nieuwe samenleving te bouwen. Samenlevingen die gekenmerkt worden door gelijkheid en vrijheid van eenieder op het grondgebied. Gelijkheid was voor deze denkers de voorwaarde om vrij te kunnen zijn. Willen we de waarden van deze radicale verlichting vandaag realiseren dan hebben we een radicale politiek nodig. Die radicale politiek begint met het uitwerken van een radicaal discours dat als leidraad dient om de samenleving te veranderen. Condorcet hield daarom pleidooi om de mensenrechten zoals die opgesomd werden in la declaration des droits de l’homme steeds uit te breiden als een instrument om veranderingen in de realiteit te bewerkstelligen. Eerst kwam het ideaal, en dat moest dienst doen als een instrument om de samenleving zelf te veranderen.

De radicale verlichting als stedelijke en kosmopolitische praktijk

De verlichting is dus niet iets wat deel is van ons erfgoed, iets uit het verleden dat al lang gerealiseerd is. Het kan ook niet ingezet worden om een cultureel evolutionisme te prediken, maar dient een handleiding te zijn om vooruitgang te boeken, om een samenleving op te bouwen die gericht is op de realisatie van deze idealen in de praktijk. Vanuit dit perspectief gedacht betekent dat heel concreet dat de afschaffing van het concept allochtoon slechts een mini-stapje is naar een betere wereld. Het verhaalt een intentie maar dient dus gepaard te gaan met een heel duidelijk discours en een heel duidelijke praktijk.

Concreet gaat dit over een discours over burgerschap waar het idee van onvervreemdbare rechten centraal staat in de context van een geglobaliseerde en superdiverse stad. Immers, hoewel de waarden van de radicale verlichting al meer dan twee eeuwen oud zijn, zijn ze nog altijd niet gerealiseerd. Meer nog, ze komen steeds meer onder druk te staan. Vandaag zijn onze rechten bijvoorbeeld voor een groot stuk afhankelijk van onze nationale identiteit. Dat betekent in de praktijk ongelijke rechten. Zo hebben officiële onderdanen meer politieke rechten dan nieuwkomers. Maar ook op sociaal, economisch, cultureel als religieus vlak hebben ‘echte Belgen’ meer rechten dan ‘nieuwkomers’.

Dat is bovendien niet alleen een officieel gegeven, het is ook een officieus gegeven. Het gros van de mensen met Turkse, Congolese of Marokkaanse roots zijn hier geboren en hebben ook de Belgische nationaliteit. Officieel hebben ze dus dezelfde rechten. In de praktijk is dat echter niet het geval. Racisme en discriminatie zijn nog altijd schering en inslag. Onderzoek na onderzoek stelt deze realiteit vast. Gisteren nog, toonde het consumentenprogramma VOLT nog aan dat racisme een gangbare praktijk is in het Gentse uitgangsleven. Charters en sensibilisering halen blijkbaar allemaal niet veel uit.

Het hoeft geen betoog dat het zwaaien met de verlichting als iets typisch ons, terwijl de realiteit hen net het tegenovergestelde toont, uitermate contraproductief is. Ze kan enkel maar het draagvlak ervan ondermijnen. Dat betekent dan ook dat Gent niet alleen het concept allochtoon moet afschaffen, maar vooral de realiteit van dat concept moet afschaffen. De stad is natuurlijk niet voor alles bevoegd en kan dan ook niet alles veranderen, maar het betekent wel dat de stad en haar politieke partijen consequent op alle niveaus – van de VN en Europa tot België en Vlaanderen – moet strijden om die ideologie van de radicale verlichting te realiseren. Op stedelijk niveau moet ze de bevoegdheden die ze heeft als stad maximaal inzetten om die idealen om te zetten in de praktijk.

De centrale vraag is dus hoe de Stad Gent discriminatie en ongelijkheid in de realiteit zal bestrijden. Zal de stad, in navolging van Brussel, bijvoorbeeld praktijktesten organiseren die discriminatie in kaart brengen en zo het fundament vormen voor de daadkrachtige bestrijding. Zal de stad Gent het verbod op religieuze symbolen opheffen en in de geest van de radicale verlichting godsdienstvrijheid en beleving beschouwen als een recht dat het toelaat om een vreedzame samenleving op te bouwen. Hoe zal de stad omgaan met mensen zonder papieren die nu in vaak schrijnende omstandigheden tewerkgesteld zijn en gehuisvest worden? Zal de stad een instrument worden dat voor eenieder op het grondgebied een goed en gelukkig leven in het vooruitzicht stelt? Zal de stad bijvoorbeeld pleiten voor een juridische regeling van praktijktesten? Zullen de stad en haar politieke partijen bijvoorbeeld pleiten voor de afschaffing van de notionele interest en voor de invoering van een vermogensbelasting. Zal de stad de wooncrisis verlichten voor de armsten?

Vandaag kunnen we enkel maar de hoop uitspreken dat de symbolische actie van de stad Gent in het kader van de dag tegen het racisme de eerste stap is naar een structureel antidiscriminatiebeleid. Dat het slechts een klein onderdeel is van een veel bredere contrahegemonische strijd voor gelijkheid en tegen discriminatie. Een strijd voor gelijkheid en vrijheid van eenieder, voor onvervreemdbare rechten en een constante uitbreiding en verdieping van onze democratie die uiteindelijk moet leiden naar een politiek op wereldschaal die de idealen van die radicale verlichting in de praktijk omzet. De stad kan daarbij dienen als laboratorium van het verzet. Een democratisch verzet dat gericht is op het uitbouwen van een betere wereld gestoeld op een universeel burgerschap.

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen, gastprofessor Politiek en Cultuur aan het Rits en coördinator van Kif Kif. Hij schreef o.a. N-VA | Analyse van een politieke ideologie (EPO, 2012) en De beschavingsmachine. Wij en de islam (EPO, 2009). Onder zijn redactie verscheen eerder Cultu(u)rENpolitiek, dat in 2008 de publieksprijs van boekhandel De Groene Waterman won.

Bourgeois en de dictatuur van de minderheid

Bij het lezen van het interview met Geert Bourgeois in de weekendeditie van De Standaard weet een mens niet of hij moet lachen of huilen. Zijn uitspraken zouden louter lachwekkend zijn, ware het niet dat de consequenties ervan zo dramatisch zijn. De democratie wordt door Bourgeois ontdaan van alle inhoud en ingezet om een puur antidemocratisch voornemen te verkopen als democratie.

Lachwekkend wordt het als Bourgeois stuntelig de communicatie van zijn voorzitter en diens rechterhand na-aapt. Dat de man het ene na het andere woord en zelfs hele oneliners en gedachtesprongen van De Wever en Bracke herhaalt alsof het zijn eigen woorden zijn, werkt bij momenten danig op de lachspieren. Zo kopieert hij Bracke als hij zegt: “Als grote partij mogen we ons niet als Calimero gedragen”. En ook zijn voorzitter wordt letterlijk gereproduceerd als Bourgeois vertelt dat De Wever ‘een fundamentele vrolijkheid’ nastreeft. Ongeveer alle woorden die Bourgeois aaneenrijgt in het interview hebben De Wever of Bracke hem ooit voorgekauwd. Eén stem die door een hele organisatie wordt gecommuniceerd, dat is de basis van goede propaganda.

Echter net omdat Bourgeois geen groot communicator is, maakt hij expliciet wat andere N-VA’ers, in hun voornemen om als gematigd over te komen, impliciet laten. De opvattingen die Bourgeois in de etalage zet zijn bij momenten verstommend. Opmerkelijk aan dit interview is dan ook het ondubbelzinnig karakter ervan. Niemand kan er nog aan twijfelen. Het geduld is op. 2014 is het moment van de waarheid voor N-VA. De partij maakt er steeds minder een geheim van dat ze alles inzet op die verkiezingen. De volgende federale regering, aldus Bourgeois, mag enkel nog het splitsen van de staat begeleiden.

Al snel vergaat het lachen dan ook. De traan komt met het besef dat het de heer Bourgeois bittere ernst is en dat belooft helaas weinig goeds. Bourgeois stelt er een wel heel vreemd idee van democratie tentoon. We leren dat 2014 het jaar van het separatisme is, no matter what. N-VA wil dan een complete Vlaamse autonomie met Brussel als een gedeelde kolonie. Die oekaze wordt desnoods aan de meerderheid van de Belgen en zelfs de Vlamingen opgelegd. Al benoemt Bourgeois het streven van N-VA nog zo vaak hij wil als de ‘democratische legitimiteit’ van een ‘copernicaanse omwenteling’, in de feiten zien we een heel andere realiteit. Het loont dan ook de moeite die twee begrippen in het discours van N-VA even te fileren.

Wat N-VA verstaat onder de copernicaanse omwenteling is nu voor eens en voor altijd duidelijk wanneer Bourgeois zegt: “Alles moet naar Vlaanderen komen: fiscaliteit, werk, sociale zekerheid… gewoon alles”. De strijd van N-VA is een separatistische strijd. Voor degenen die er ooit aan zouden hebben getwijfeld: artikel 1 van de statuten van N-VA is nog altijd het doel, zelfs op korte termijn. Traditiegetrouw wordt die separatistische strijd echter nog altijd verkocht als een democratische strijd. De Wever deed het Bourgeois al jaren voor. Spreek niet over separatisme, want ‘de’ Vlamingen associëren dat met chaos, geweld en barbarij. Je spreekt volgens De Wever dan ook beter over een strijd voor meer democratie. Meer democratie betekent in het N-VA-discours al altijd meer Vlaamse onafhankelijkheid.

Tevens benadrukt de voorzitter van N-VA dan altijd, in zijn hunker naar een gematigd imago, dat hij geen revolutie wil, maar een evolutie die steunt op een democratisch draagvlak. Vandaag weten we wanneer dat draagvlak gerealiseerd is volgens de N-VA’ers. We weten nu wanneer er volgens hen kan overgegaan worden tot een de facto splitsing van het land. We citeren Bourgeois:

“Met veertig procent hebben wij democratische legitimiteit. Dan kunnen de Franstaligen niets anders dan met onze conclusies rekening houden.”

Bourgeois hanteert hier een huiveringwekkend begrip van democratie. Ten eerste zien we dat een relatieve meerderheid in een handomdraai omgezet wordt in een absolute meerderheid. 40 procent halen bij de Vlaamse kiezers is dan blijkbaar genoeg om tegen de wil in van de meerderheid van de Vlamingen, Brusselaars en de kiezers in Wallonië een volledige Vlaamse autonomie af te dwingen. Bourgeois pleit hier onomwonden voor een dictatuur van de N-VA-minderheid. Ten tweede wordt nog maar eens duidelijk dat N-VA de Belgische democratie platweg verwerpt, want met de meerderheid in Brussel en Wallonië moet geen compromis gemaakt worden: zij moeten zich schikken naar een minderheid van de Vlamingen. Ten derde leren we dat N-VA weigert te onderhandelen om een akkoord te bereiken, maar een dictaat oplegt. Ten vierde; als N-VA de grootste partij is in Vlaanderen dan interpreteert zij dat als een vrijkaart om in heel België te doen wat de partij wil. Iedereen moet zich daar naar schikken. N-VA’s wil is wet.

Dergelijke invulling van democratie is ronduit angstaanjagend. Dat dit alles met democratie niets te maken heeft, zou duidelijk moeten zijn. De antidemocratie – het spiegelbeeld van een verlichte democratie – staat centraal in het project van N-VA. De leiders spreken in naam van het volk. Zij bepalen, de anderen moeten slikken. Het volk, ook al is de meerderheid geen voorstander van het N-VA-project moet zwijgen. Wat echter nog het meest angst inboezemt is de stilte. N-VA geraakt al jaren weg met de meest antidemocratische standpunten, maar blijft gezien worden als een normale centrumrechtse, democratische en gematigde partij. Hoog tijd dat er democratisch tegengas komt, zo niet verkwanselen we in snel tempo onze democratie.

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen en coördinator van Kif Kif. Hij schreef o.a. N-VA | Analyse van een politieke ideologie (EPO, 2012).
ImageN-V

[De Gids] Recensie N-VA | Analyse van een politiek ideologie

De Gids over N-VA | Analyse van een politieke ideologie: Als men er de lijvige, goed gedocumenteerde en indrukwekkende analyse over deze partij – het doctoraat van Ico Maly – N-VA. Analyse van een politieke ideologie op naleest krijgt men wel een duister beeld van conservatief-rechts in ons land.

Image

Image

Image

[In De Morgen] N-VA toont complete onmacht om met migratie om te gaan

Image

OPINIE − 12/02/13, 07u40

“Het gaat vooral om perceptie, de partij wil zich stoerder en vooral Vlaamser en rechtser tonen”, schrijft Ico Maly, doctor in de cultuurwetenschappen, coördinator van Kif Kif en lid van de Vooruitgroep. Hij schreef ‘N-VA | Analyse van een politieke ideologie’ (EPO, 2012).

  • Het vervlaamsings- beleid van de N-VA houdt in dat de instroom van (arme) migranten zoveel mogelijk moet worden gestopt

     

  • profile

    Ico Maly

     

Het nieuwste Antwerpse relletje beheerst alweer enkele dagen het nieuws. De Wever en zijn ploeg zijn nog geen twee maanden aan de slag en de ene polariserende uitlating volgt de andere op. Van het project patsers tot de bestendiging van het lokettenbeleid. Van de verdediging van het klikbeleid van procureur Dams tot het viseren van hiphop als oorzaak van criminaliteit. En vrijdag kondigde Homans het volgende relletje aan: de inschrijvingskost aan het vreemdelingenloket stijgt van 17 naar 250 euro. Van relletje tot relletje naar 2014. We beleven het begin van de langste verkiezingscampagne ooit.

Elk relletje is goed voor dagenlange media-aandacht. N-VA kiest niet voor een verenigende, maar voor een polariserende politiek. Ze vertrekt niet vanuit de oude democratische overtuiging dat een democratie nooit mag uitmonden in een dictatuur van de meerderheid. N-VA kiest ervoor om maximaal uit te pakken met eisen die haar achterban tevredenstellen en die erop gericht zijn om het electoraat van het Vlaams Belang verder aan te boren en te consolideren op weg naar de moeder der verkiezingen.

Het plan van De Winter
N-VA Antwerpen zet daarvoor in op een perceptiepolitiek. Hoewel het bestuursakkoord in lijn ligt met wat de vorige coalitie heeft opgezet, moeten we met z’n allen overtuigd worden dat het met N-VA allemaal anders zal zijn: stoerder en vooral Vlaamser en rechtser. N-VA moet zich dus constant communiceren als de kracht van verandering. Alle mogelijke instrumenten worden ingezet: van de media tot de stedelijke politiek, ze staan allen ten dienste van de verkiezingsstrijd van 2014. We krijgen een aankondigingspolitiek van kleine feiten, met grote gevolgen zowel qua media-aandacht als qua herschepping van de samenleving.

Waar N-VA de macht heeft, wordt een vervlaamsingspolitiek gevoerd: al die steden moeten terug echte Vlaamse steden worden. Vandaar dat er overal schepenen opduiken die moeten waken over het Vlaamse karakter van onze steden. Centraal in dat beleid staan zaken als Vlaamse vlaggen verdelen, nieuwe welkomstborden installeren met Vlaamse leeuwen erop, een vernederlandsingspolitiek voeren, (extra) inburgering, … Dit vervlaamsingsbeleid houdt ook in dat de instroom van (arme) migranten zoveel mogelijk moet worden gestopt. Ondanks de objectiverende retoriek van Homans, kan deze gigantische prijsverhoging niet anders begrepen worden dan in het kader van dit brede politieke project van N-VA.

Migratie wordt door N-VA niet bekeken als een deel van de condition humaine, of vanuit een rechtenperspectief. Migratie wordt louter gezien als een economische kost, een kost die vermeden moet worden. Enkel migratie van rijke industriëlen of sportmensen die de glorie van de natie versterken wordt gefaciliteerd. Andere migratie moet zoveel mogelijk worden gestopt. Kan dat niet op federaal of Vlaams niveau, dan wordt het ingevoerd op stedelijk niveau.

In die zin zien we hier ook heel weinig verschil met de verkiezingsbeloftes van het Vlaams Belang. Die extreemrechtse partij wou een inschrijvingsstop voor migranten in Antwerpen. De Wever zei toen dat we ‘actieve’ migratie nodig hebben zoals de Indiaanse diamantairs. Vandaag wordt het plan van De Winter in wezen ‘pragmatisch’ in de praktijk gebracht. Arme migranten worden ontmoedigd om naar Antwerpen te komen, de Arnaults van deze wereld zijn welkom.

De gevolgen van deze perceptiepolitiek zijn niet min. Ze creëert een stad gebouwd op ongelijkheid en polarisatie. Rijke nieuwkomers vinden hun weg, voor hen is 250 euro geen probleem. Arme nieuwkomers (die bijvoorbeeld in Antwerpen willen wonen omdat ze er al een sociaal netwerk hebben) worden verder in de problemen geduwd. Het is bovendien een illusie dat dit migratie zal tegengaan. De effecten ervan zullen tweeërlei zijn. Enerzijds zullen we een toename zien van mensen die in de illegaliteit terecht komen. Anderzijds wordt er een stedelijke concurrentie op gang getrokken waarbij steeds meer steden een verhoging van de inschrijving zullen trachten door te voeren met theoretische verschuiving van migratie als gevolg (mensen schrijven zich in in een ‘goedkopere’ stad, maar blijven effectief in de ‘duurdere’ wonen). Een dergelijke perceptiepolitiek heeft vergaande effecten op de structuur van onze samenleving. In die samenleving hebben sommigen meer rechten dan anderen. Ongelijkheid wordt dan de norm.

Failliet
Dit beleid toont een complete onmacht om met migratie om te gaan. Nochtans is migratie eigen aan de mens en dus van alle tijden. Het is bovendien een globaal fenomeen. Het antwoord van de beleidsmakers is echter al twee decennia hetzelfde: migratie zoveel mogelijk stoppen. In de realiteit heeft het beleid bitter weinig impact op de migratiestromen naar ons land. Migratie is een onomkeerbaar feit. Het migratiebeleid bereikt enkel een verdere uitholling van het basisprincipe van elke democratie: namelijk dat iedereen onvervreemdbare en gelijke rechten heeft. Het migratiebeleid is al lang failliet.