De boekbespreking als politiek wapen

Een analyse van Absillis ‘vernietigende’ recensie van N-VA – Analyse van een politiek ideologie

 

Interessant. Een dikke 3 jaar na de publicatie van mijn doctoraat verschijnt een bespreking ervan in Wetenschappelijke Tijdingen van de hand van Absillis. Het wordt heel snel opgepikt door Het Pallieterke, De Bron en enkele andere obscure (extreem)-rechtse en Vlaamse nationalistische media. Eindelijk, na drie lange jaren wachten, de zo noodzakelijke vernietigende bespreking. Het was wachten totdat het zou opduiken in de mainstream media. Vrijdag was het zover. De Morgen interviewde Bruno De Wever en bracht de ‘vernietigende recensie’ ter sprake. Van de marge naar de mainstream.

 

3dedrukNVA-AnalyseVanEenPolitiekeIdeologie

De bespreking

Volgens Bruno De Wever bewijst de recensie dat ik  (1) methodologische fouten heb gemaakt en  (2) dat het boek een foute cover heeft.  De eigenlijke bespreking verwijt me  voornamelijk een discours analist te zijn en in het bijzonder een leerling te zijn van Jan Blommaert en Jef Verschueren. Meer dan de helft van die recensie gaat dan ook over de invloed van een studie van Blommaert en Verschueren gepubliceerd in de jaren 90.

De bespreking tracht een soort discours-analyse toe te passen op mijn doctoraat. Het is interessant te zien hoeveel gewicht toegekend wordt aan de cover-foto. Zowel Bruno De Wever als Kevin Absillis suggereren dat EPO de afbeelding bewust voorzien heeft van een (schaduwsnorretje) zodat  De Wever op Hitler zou gelijken. Wat men lijkt te missen, is dat dit een originele Belga persfoto is van N-VA op hun propaganda tournee. De schaduw onder de neus is een normale schaduw van de neus, en is dus niet het gevolg van de A in de titel. Het is er al helemaal niet opgezet door de grafisch ontwerper, maar is deel van het origineel.

cover en orgineel

Heel interessant is ook hoe Bruno De Wever dit reproduceert in het interview met De Morgen:

“Neem alleen nog maar de cover van dat boek van Maly: N-VA. Analyse van een politieke ideologie. Absillis toont duidelijk aan hoe men door de plaatsing van de titel waarschijnlijk heel bewust een hitlersnorretje op de foto van mijn broer wil suggereren.” (De Morgen, 2016)

De hedge ‘waarschijnlijk’ raakt ondergesneeuwd onder de hyperbolen: ‘toont duidelijk’, ‘heel bewust’.  Bruno De Wever steunt volledig op de bespreking van Absillis en toont daarbij vooral aan dat hij geen discoursanalist is. De claim van De Wever in het interview, zich baserend op de recensie van Absillis is een methodologische fout. Een fundament van een discoursanalyse is dat je meerdere data moet hebben ter ondersteuning van je claims. Meer nog, je analyse van het hele corpus, moet ook terug te vinden zijn in één tekst (staat netjes vermeld in het methodologisch hoofdstuk van mijn doctoraat). In dit geval zou Absillis op zijn minst een interview of zo moeten kunnen opdiepen waarin ik zou stellen dat de N-VA fascistisch zou zijn. Ik daag hem uit om dat te doen. Dergelijke data bestaat niet. Mocht Absillis zijn huiswerk goed gedaan hebben, dan zou hij zien dat ik in het boek, in alle interviews , debatten en artikelen altijd expliciet heb gezegd dat N-VA en De Wever volgens mij niet fascistisch zijn. Wat me trouwens niet altijd in dank is afgenomen. Hun analyse van de cover wordt tegengesproken door alle andere data die ik heb geproduceerd.

De ‘analyse’ van de recensent vertelt ons veel  meer over de methodologie van de recensent en zijn doeleinden, dan over mijn of EPO’s intenties. Deze opener van de bespreking zet de toon. De introductie is de eerste indicatie dat Absillis zelf een intentieproces opzet; nota bene iets dat hij mij verwijt. In de 39-pagina’s lange recensie produceert Absillis één argument: Het onderzoek van Maly had van meteen af aan de intentie om De Wever en zijn N-VA te beschadigen.

Nu zijn intenties  in wezen irrelevant in de beoordeling van wetenschappelijk onderzoek. Men kan perfect de intentie hebben om arbeiders aan de band efficiënter in te zetten (of in links jargon: te onderdrukken en uit te persen) en daarover een stevig wetenschappelijk doctoraat schrijven. De intentie en de ideologie van de onderzoeker zijn niet relevant in de beoordeling van een wetenschappelijk werk. Einsteins relativiteitstheorie is niets minder waard omdat hij een communist is. Maar, als men dan toch mijn intentie wil weten dan kan men die krijgen: het doctoraat is er gekomen om ‘inzicht’ te verwerven in het discours en het succes van N-VA. Hoe kan De Wever het constructivisme rijmen met nationalisme? Nationalisme met verlichting. Hoe kan het dat De Wever ook bij linksen als een toffe pee wordt beschouwd. In mijn eerste publicaties over het thema, dus lang voor de publicatie van mijn doctoraat was mijn analyse ook gematigder. In Het rijpen van de Geesten bijvoorbeeld, werd enkel het uitsluitend karakter van het N-VA nationalisme aangehaald en haar neoliberale economische politiek. Niet dat dit alles ter zake doet, een wetenschappelijk onderzoek beoordeelt men op zijn wetenschappelijke merites niet op de intentie of politieke voorkeur van de onderzoeker.

 

De recensent en zijn politieke strijd

Laat we de bewijzen à charge ten gronde bekijken. Volgens Bruno De Wever zouden er grote problemen zijn met de methodologie van het onderzoek. Misschien interessant om aan te stippen in deze context dat het onderzoek een discoursanalyse is. Ik ben een cultuurwetenschapper en discoursanalist en werk vanuit een etnografisch paradigma. Noch Bruno De Wever (historicus), noch Kevin Absillis (docent Nederlandse letterkunde) zijn etnografen of discours analisten. Benieuwd welke methodologische problemen zij ontdekken in mijn benadering van het etnografisch paradigma.

De claim van De Wever wordt nog vreemder als we de recensie erbij nemen. Absillis schrijft welgeteld 5 lijnen over de methodologie en die zijn louter beschrijvend. Die vijf lijnen worden afgesloten met de volgende zin: ‘Essentiëler voor deze studie is echter het begrippenpaar verlichting en antiverlichting’. Volgens Absillis is er dus niet zozeer een probleem met de methode maar met het begrippenpaar verlichting en antiverlichting. Concreter, het grote probleem is volgens Absillis het gebruik van welbepaalde wetenschappers over de verlichting en antiverlichting. Dit zal een terugkerend motief worden in de bespreking, ik kom daar straks op terug.

Vooral het gebruik van Sternhell’s werk over de antiverlichting moet het ontgelden. Dat ik evengoed gebruik maak van Israel, Blom, Foucault en Hobsbawm in mijn benadering moet even wijken voor de duidelijkheid van zijn argument. Dat ik de originele geschriften van radicale verlichtingdenkers als  Paine en Condorcet gebruik naast de literatuur die gematigde verlichtingsdenkers als Jefferson, Locke, Rousseau en Kant achtergelaten hebben, wordt niet opgemerkt. Dat ik mij baseer op literatuur van conservatieve en antiverlichtingsdenkers als Herder, Renan, De Maistre, Taine en Burke en vele anderen ontgaat hem blijkbaar ook. Het punt is, ik gebruik ‘de foute literatuur’ – lees ik citeer Sternhell – aldus Absillis. Israel, Hobsbawm en Sternhell, het zijn niet meteen lichtgewichten in de academische wereld.

Het ontgaat hem ook dat ik geen enkele van die auteurs klakkeloos volg in hun categoriseringen. Volgens Israel is Herder een radicale verlichtingsfilosoof. Ik volg hem daar niet, je moet er nog maar ‘Another Philosophy’ bijnemen van Herder om te weten dat hij heel duidelijk probeert een filosofie te ontwikkelen die lijnrecht ingaat tegen het denken van de radicale Franse filosofen. Dat ik die categoriseringen niet volledig volg, betekent echter niet dat je de impact van die radicale verlichting kan afwijzen of het ontstaan van de antiverlichting ontkennen. Dat er wel degelijk een ideologische strijd was binnen en tegen de (radicale) verlichting en dat die ideeënstrijd niet alleen relevant is om de dialectiek van het verleden te begrijpen, maar ook van het heden, lijkt mij onomstreden. Dat ik de verlichting niet zozeer bekijk in haar historische realiteitspolitiek, maar vanuit het perspectief van de ideeën van grote denkers ontgaat hem ook. Dat ik een onderscheid maak tussen de gematigde (en onverdedigbare) verlichting en de radicale verlichtingsdenkers ontgaat hem. Dat ik een onderscheid maak tussen counter-enlightenment (dat vaak samenvalt met denkers die Israel als gematigde verlichting omschrijft) en antiverlichting ook. Antiverlichting en counter-enlightenment zijn trouwens niet inwisselbaar. De Counter-enlightenment wil terug naar het ancien régime, de antiverlichting wil een andere moderniteit dan de (radicale) verlichtingsdenkers.

Zijn suggestie op het einde van zijn bespreking, dat ik ‘de Verlichting’ in zijn geheel verdedigen is nogal onzinnig (lees mijn inleiding voor de Gentse Feesten debatten hierover), want dan zou ik met Kant ook verlichte despoten moeten verdedigen. Er zijn nogal wat schrijfsels van mij te vinden waarin ik dat expliciet ontken. Ik voel me dan ook niet aangesproken, als hij mij als een verdediger van het kolonialisme en imperialisme wil neerzetten. Ik zie niet in waarom ik niet kan stellen dat de radicale verlichtingsdenkers ons de ideeën van democratie, mensenrechten en sociale zekerheid geschonken hebben, en tegelijkertijd de historische periode die gekend staat als de verlichting sterk kan bekritiseren. Dat is iets wat Paine al deed in de 18de eeuw.

Belangrijker in het licht van de bespreking, is dat ik in mijn doctoraat niet de verdediging van de verlichting op mij neem, maar net de claims van De Wever en zijn N-VA op de verlichting analyseer. Absillis kan moeilijk het onderscheid maken tussen analyse en verdediging.  Het zijn De Wever‘s uitspraken – het zijn de data- die het noodzakelijk maken om die geschiedenis in mijn analyse te betrekken. Het zou van mij een slechte discoursanalist en cultuurwetenschapper maken als ik die niet  betrek in die analyse. Intertekstualiteit (impliciete en expliciete) is van cruciaal belang binnen elk politiek discours: alle woorden en discoursen hebben een geschiedenis van gebruik. Zeker als men die geschiedenis expliciet oproept, zoals De Wever die zich positioneert als in lijn met de verlichting en een volgeling van Burke, dan is het de job van de discoursanalist om dit te onderzoeken. In die zin heb ik veel te danken aan De Wever, het is dankzij hem dat ik al die primaire bronnen heb mogen lezen. En dat was een heel leerrijke en plezierige trip.

 

De foute vragen

Absillis geeft eigenlijk nergens kritiek ten gronde op de analyse en de methodologie. Wat Absillis stoort – naast de conclusie dat N-VA een anti-verlichtingsideologie uitdraagt –  is dat ik (1) allerhande vragen die hij interessant vindt, niet heb beantwoord en (2) niet de literatuur gebruik die hij vindt dat ik moet gebruiken. Zo wordt me verweten dat ik geen studie gemaakt heb van de impact van Herder en Burke op het Vlaams nationalisme. Blijkbaar had ik dus eerst hierover een doctoraat moeten schrijven, vooraleer ik iets mag zeggen over Herderiaans nationalisme binnen het Vlaams nationalisme. Bovendien haast Absillis zich, na zich verschillende alinea’s te hebben uitgesloofd om de impact van Herder op het Vlaams nationalisme in vraag te stellen, met de stelling dat Herder wellicht wel een grote impact heeft gehad op het Vlaams nationalisme. Geen enkele inhoudelijke tegenwerping op mijn vaststellingen dus, integendeel.

Hetzelfde met Burke. Absillis vindt mijn vaststelling van de invloed van Burke op De Wever evident en makkelijk. Dus terug geen enkele inhoudelijke kritiek op wat ik zeg. Ik krijg enkel het verwijt  volgende vragen niet te beantwoorden: “Hoe leest De Wever Burke? Hoe verhoudt die lezing zich tot Maly’s eigen, grondige en systematische lectuur van Burke? Welke rol heeft Burke gespeeld in de geschiedenis van de Vlaamse beweging? Als die rol minimaal zou zijn, waarom is De Wever dan zo door Burke aangetrokken? En waarom heeft het tot De Wever geduurd voordat Burke en zijn ‘identiteitsconcept’ in het Vlaams-nationalistische denken werden geïntroduceerd?”  Enkel de onderzoeksvragen die Absillis als relevant beschouwd, mogen worden beantwoord. Absillis voelt zich de hoeder van de juiste vraag, de pater die het juiste denken oplegt.

Idem met de claim dat De Wever een neoliberale nationalist is. Terug geen enkele kritiek op de analyse an sich, die analyse wordt niet vermeld (terwijl Absillis 39 pagina’s ter beschikking heeft!). Wel worden terug andere vragen gesuggereerd. Hij noemt “N-VA-voorzitter namelijk een “neoliberale nationalist”, maar gaat licht over de vaststelling dat pleiten voor zo veel mogelijk vrije marktwerking en een principiële achterdocht tegenover de overheid zich moeilijk laten verzoenen met waarden als gemeenschapszin, sociale cohesie en nationale solidariteit. Is De Wevers nationalistische discours dan onderschikt aan een neoliberale agenda of is het eerder omgekeerd? En hoe verhoudt De Wevers neoliberalisme zich tot de verlichting en de erfenis van de Vlaamse beweging?’” Nog los van het feit dat verschillende vragen wel worden beantwoord in het boek, wijs ik er graag op dat de these dat nationalisme en neoliberalisme de laatste decennia hand in hand gaan, geen nieuwe vaststelling is.  David Harvey (die stond niet op Absillis’ lijst van verboden boeken) gaat in zijn werk over neoliberalisme uitvoerig in op die verhouding.  We hoeven trouwens maar aan Thatcher te denken, of later aan het discours van New Labour (Fairclough schreef hier een interessant boekje over, maar die staat hoogst waarschijnlijk op de verboden lijst van Absillis).

 

De foute literatuur

Het belangrijkste argument van Absillis tegen mijn doctoraat is niet zozeer mijn analyse an sich, maar de literatuur waarop ik me baseer. Als ik over het Vlaams nationalisme spreek,  mag ik me niet baseren op Louis Vos, Lode Wils, Jan Blommaert, Marc Reynebeau, Morelli en Hobsbawm. Als ik over nationalisme schrijf, mag ik me niet op Anderson, Billig, Hobsbawm, Gellner, Blommaert en Hroch baseren. En ik mag me niet baseren op Israel, Condorcet, Paine, De Tocqueville, Rousseau en Kant als ik over de verlichting schrijf. En ik mag me al helemaal niet baseren op Sternhell als ik over de anti-verlichting schrijf. Ik moet me dan weer wel baseren op Lakoff  en dus linguïstische (en geen sociolinguïstische) analyses maken. Uiteraard mag ik me niet baseren op discoursanalisten zoals Hymes, Foucault, Fairclough, Billig en al zeker niet op Blommaert en Verschueren.

En zo komen we geleidelijk aan bij hetgeen Absillis echt viseert: De contestatie van het Vlaamse nationalisme door linkse intellectuelen en culturo’s zoals dat in het lingo heet.  Absillis’ stelling is bekend, links moet het nationalisme niet bekampen, maar omarmen en inzetten voor de linkse strijd. Jan Blommaert en Jef Verschueren, die doorheen de hele bespreking geregeld opduiken, zijn vanuit dit perspectief uitermate problematisch in zijn ogen. Zij hebben, aldus Absillis, een enorme impact gehad met hun boek Het Belgische migrantendebat op het verzet van linkse culturo’s en intellectuelen tegen het concrete Vlaams nationalisme.

Het is dan ook opvallend dat er slechts 12 van de 39 pagina’s gewijd worden aan mijn doctoraat.  Op de andere pagina’s wordt de invloed van ‘Het migrantendebat’ van Blommaert en Verschueren besproken. Zij zouden de houding van links ten opzichte van het Vlaams nationalismhebben bepaald en ‘de foute’ boeken binnengebracht hebben in het debat (lees: de werken van Hobsbawm, Anderson en Gellner) over nationalisme. Mijn doctoraat wordt als emblematisch neergezet wordt voor alles wat fout is aan de linkse houding ten aanzien van nationalisme in de laatste twee decennia:

Maly’s conclusie negeert dat sinds de doorbraak van het Vlaams Blok in de jaren 1990 wellicht geen enkele ideologie fel­ler en openlijker werd gecontesteerd dan nationalisme in het algemeen en Vlaams-nationalisme in het bijzonder. De doorbraak van de N-VA naar het centrum van de po­litieke macht heeft daar al met al niet zo veel aan veranderd.”

Absillis maakt hier typische fout: hij verwart tegenspraak met macht. Dat N-VA de grootste partij is van Vlaanderen, dat er op de PVDA na geen Belgische partijen zijn of dat de BRT VRT is geworden, dat is allemaal niet relevant. Een wetenschapper als Billig, zou daar iets anders over denken, maar die staat niet op de goede literatuurlijst. Wat Absillis niet lijkt te zien, is de machtsongelijkheid. De reële impact van die intellectuelen en culturo’s wordt niet in ogenschouw genomen. Een hegemonie is nooit totaal, er is altijd verzet. Het verzet wordt echter niet gehoord, belachelijk gemaakt, geïnstrumentaliseerd, geneutraliseerd of in de marge geduwd. Dat wil niet zeggen dat ze er niet is, ze heeft gewoon weinig impact, weinig macht.

Het is dan ook opvallend dat een bespreking die niet ingaat op de methode van het onderzoek, die geen enkele feitelijke fout aanhaalt, maar enkel wijst op ‘de foute literatuur’ en extra (interessante) onderzoeksvragen suggereert, heel snel opgepikt wordt om een onderzoek af te maken. Terwijl datzelfde medium nog nooit een letter heeft vuilgemaakt aan dat onderzoek. Laat staan dat De Morgen zou rapporteren dat het onderzoek nu ook in een internationale top journal als Nations and Nationalism is gepubliceerd. Het zegt iets over wat gezien wordt als normaal en wat gezien wordt als niet normaal in onze Vlaamse samenleving. Het kaartenhuis van Absillis stort onherroepelijk ineen.

 

De verborgen politiek van de recensent

‘Mijn doctoraat’ is maar een opstapje om het echte stokpaardje van Absillis boven te halen: De verdediging van (links) nationalisme. De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet. Freud zou het woordje projectie bovenhalen, maar die staat zeker ook op de foute literatuurlijst. Onder het mom van een objectieve recensie, smokkelt Absillis niet al te subtiel trouwens, zijn eigen politieke strijd binnen: de opleving van het Linkse nationalisme. Ik wens hem daarbij alle succes.

 

  1. Graag maak ik van de gelegenheid gebruik even te wijzen op een reeks feitelijke fouten in de bespreking. De cover is niet door Epo gemaakt (de Colofon checken is altijd handig). Ik ben nooit voorzitter geweest van Kif Kif, maar coördinator. Kif Kif was geen minderhedenplatform, maar een intercultureel platform. Ik ben geen politiek wetenschapper, maar een cultuurwetenschapper. Kif Kif is niet aan elkaar geschreven. Facebook en Instagram worden met hoofdletters geschreven. Sternhell is met ll –geschreven.

 

Advertisements

[e-boek] Superdiversiteit in Oostende

Schermafbeelding 2014-10-25 om 12.35.54 (2)In Superdiversiteit in Oostende brengt Ico Maly (Kif Kif – RITS) Oostende en meer bepaald één wijk in Oostende, het Westerkwartier, in kaart. Hij doet dat aan de hand van een etnografisch onderzoek en meer bepaald etnografisch linguïstisch landschapsonderzoek. De titel maakt meteen duidelijk dat ook in Oostende superdiversiteit een onontkenbaar feit is. Maly beschrijft niet alleen, hij analyseert en verklaart ook de structuur van die Oostendse samenleving, wijst op de problemen en schetst de contouren van een toekomstperspectief.

Volgens Jan Blommaert (Tilburg University) zit de meerwaarde van het werk van Maly erin dat het aantoont ‘dat superdiversiteit, incluis z’n vele ongelijkheden, nu ook een kenmerk is van kleinere steden, van centra die op een veel lager schaalniveau te situeren zijn dan de grote miljoenensteden die magneten zijn voor migratie. Superdiversiteit is dus niet langer een uitzonderlijk, exotisch of “freak” fenomeen: het is een algemeen fenomeen dat zich dus niet laat vatten in à la carte bedenkingen en maatregelen, maar een algemene aanpak vereist.’’

Het boekje kadert binnen een groter onderzoeksproject, ‘Een ander land’ genaamd. Het project wordt aangedreven door een samenwerkingsverband met de naam ‘De toekomstfabriek’. In dat samenwerkingsverband bundelen verschillende Gentse middenveldorganisaties de krachten (www.detoekomstfabriek.be) met als doel om na te denken over de toekomst van ons land, uitdagingen in kaart brengen en op zoek te gaan naar praktijken die een ander land voorafspiegelen. Het boek is een verdieping en dus complementair aan de gelijknamige documentaire over de stad. Ook deze documentaire komt binnenkort op Kif Kif.
Ico Maly is Doctor in de cultuur­wetenschappen, coördinator van Kif Kif en docent Politiek en Cultuur (Rits). Auteur van ‘N-VA. Analyse van een politieke ideologie’ (EPO, 2012). Samen met Jan Blommaert & Joachim Ben Yakoub schreef hij Superdiversiteit en democratie (EPO, 2014).

Praktisch

Om een e-boek te lezen installeer je best een specifiek (gratis) programma. Afhankelijk van de drager waarop je het boek wil lezen heb je verschillende mogelijkheden. De meeste programma’s hebben vandaag een app voor zowel Android-, mac- of Windows-besturingssystemen. Bluefire (http://www.bluefirereader.com/) & Adobe Digital Editions (http://www.adobe.com/be_nl/products/digital-editions/download.html) zijn zeer courante programma’s. Onze voorkeur gaat naar Bluefire.

Download het E-Boek

Download “Superdiversiteit in Oostende | Ico Maly” als epub (e-readers)

[SAMPOL] De Gravensteengroep, de discursieve linkerflank van N-VA (Lange versie)

Verkiezingen winnen doet een partij niet in zijn eentje. Verkiezingen worden maar gewonnen als men de brede lagen van de bevolking aanspreekt. Het discours moet normaal worden bevonden en moet door die bevolking worden begrepen als goed voor hen. Hoewel N-VA een rechtse, neoliberale en radicale Vlaams nationalistische partij is, wordt ook de linkerflank zoveel mogelijk afgedekt. Dat gebeurt niet alleen door Bracke die bij zijn overstap naar de politiek uitriep dat hij voor een linkse partij heeft gekozen of doordat Homans om de haverklap benadrukt dat N-VA sociaal is maar niet socialistisch. Een belangrijke speler die het discours van N-VA van legitimiteit voorziet, zo betoogt Ico Maly, staat officieel buiten de partij. De Gravensteengroep moeten we volgens hem zien als de discursieve linkervleugel van de N-VA. In deze bijdrage analyseert hij het discours van die groep progressieve intellectuelen. Meer bepaald heeft hij aandacht voor de intertekstuele relatie tussen het ‘linkse discours van de Gravensteengroep’ en het discours van N-VA.

Klik hier voor de korte versie zoals het verschenen is in SAMPOL

 

De Gravensteengroep: progressief, links en Vlaams nationalistisch?

De Gravensteengroep is een merkwaardig project. De groep, bestaande uit intellectuelen kunstenaars en actieve burgers uit het middenveld, is gestart met de boodschap dat de groep de Vlaamse eisen uit de klauwen van de rechterzijde wou halen. Zo luidt het in de eerste twee paragrafen van het eerste manifest van de groep:

 

‘De ondertekenaars van dit manifest, die zich de Gravensteengroep noemen, vertrekken vanuit verschillende politieke en ideologische uitgangspunten, maar zijn het eens in hun gehechtheid aan de democratie en de mensenrechten. Zij stellen de waarden van vrijheid, gelijkheid, solidariteit en wederzijds respect centraal, en wijzen alle vormen van racisme en xenofobie radicaal af.

 

Zij zijn echter verontrust door het feit dat in de recente discussies over de staatshervorming de indruk wordt gewekt dat redelijke en rechtvaardige Vlaamse eisen telkens weer met een (extreem-) rechts gedachtegoed worden geassocieerd.’[1]

De groep profileert zich vanaf de start als niet-(extreem)rechts, meer nog als anti-(extreem)rechts. Uit deze paragrafen leren we dat het pluralisme aan politieke en ideologische uitgangspunten die de groep kenmerkt een pluralisme is in het centrum en aan de linkerzijde van het politieke spectrum. Het cement van de groep is hun streven naar vrijheid, gelijkheid, solidariteit en respect. Kortom, de Gravensteengroep presenteert zich enerzijds als een verlichtingsproject en anderzijds als een project die de ‘redelijke en rechtvaardige Vlaamse eisen’ voor een staatshervorming wil ontdoen van haar (extreem)-rechts imago. In deze analyse gaan we na in hoeverre die zelfbeschrijving ook spoort met de Gravensteenpraktijk.

De leden van deze groep zijn niet de minste. Etienne Vermeersch, Ludo Abicht, Jean-Pierre Rondas, Bart Maddens, Jef Turf, Tinneke Beeckman, Jan Van Duppen, Luc Doorslaer, Eric Defoort, Willy Courteaux, Edi Clijsters, Jo Decaluwe, Piet van Eeckhaut, Karel Gacoms, Paul Ghijsels, Nelly Maes, Chris Michel, Yves Panneels, Hugo Stevens, Johan Swinnen, Frans-Jos Verdoodt en Jan Verheyen vormen samen de Gravensteengroep. Overlopen we de staat van dienst van deze Gravensteners, dan wordt meteen duidelijk wat wordt bedoeld met het pluralistisch karakter van de groep. Enerzijds zien we mensen als Abicht, Turf en bijvoorbeeld van Eeckhaut die een linkse historiek hebben. Abicht kwam in 2012 op voor Rood, Turf is voorzitter geweest van de communistische partij, Van Eeckhaut is van sp.a-signatuur, Etienne Vermeersch staat gekend als een links intellectueel en ook Tinneke Beeckman profileert zich expliciet als links. Naast deze mensen met een links etiket zien we heel veel bekenden opduiken uit de Vlaams nationalistische strijd die een veel minder links imago uitdragen. Bart Maddens gaf zijn naam aan de Maddens-doctrine en is dus de vader van de verrotingsstrategie. Eric Defoort is een Vlaams nationalistisch historicus en moeilijk als links te categoriseren. Nelly Maes is ex-Volksunie en nu N-VA en ook Jan Verheyen en Jean-Pierre Rondas cirkelen rond N-VA. Chris Michel, de stichter van de Gravensteengroep, is twee jaar woordvoerder geweest van Geert Bourgeois. Het initiatief voor deze groep komt uit N-VA-hoek, niet vanuit de linkerzijde.

Het pluralisme van de Gravensteengroep wordt zo al iets duidelijker. We zien een mengeling van stemmen. Enerzijds een groep die dicht bij N-VA staat en anderzijds een groep  linkse intellectuelen met een Vlaams hart. Echter, belangrijker is of de groep haar inhoudelijke doelstellingen waarmaakt. De relevante vraag is dus of de Gravensteengroep er inderdaad in slaagt om de staatshervorming en de Vlaamse eisen in het perspectief te plaatsen van de verlichtingsstrijd voor meer democratie, meer vrijheid en meer gelijkheid. Slaagt de Gravensteengroep, ondanks een groot aantal N-VA’ers en sympathisanten om een onafhankelijke, progressieve en linkse koers te varen. Deze vragen onderzoeken we hieronder aan de hand van het Gravensteenboek: Land op de tweesprong.

Rondas over het Gravensteenboek

Dit Gravensteenboek is een luxe-uitgave van de ondertussen tien manifesten van de groep, aangevuld met individuele bijdragen van de Gravensteners (expliciet onder eigen naam en verantwoordelijkheid) en foto’s van de Gravenstener Johan Swinnen. Het boek opent met een stukje van Vermeersch over het ontstaan van de groep gevolgd door een ‘Ten geleide’ over de auteurs van het boek. Het eerste inhoudelijk stuk is van de hand van Jean-Pierre Rondas en biedt uitleg ‘Over het Gravensteenboek.’

Die eerste duiding van Rondas is verhelderend. Het toont ons een heel ander plaatje dan de links pluralistische vlag waaronder de groep vaart doet vermoeden. De hele bijdrage spreekt niet in een linkse taal, maar in de intertekstuele traditie van het conservatisme. Rondas spreekt in dezelfde woorden als De Wever of het ‘conservatieve wonderkind’ Thierry Baudet. In die traditie staat de natie voorop. Meer nog de natie is een entiteit op zich die zich onvermijdelijk beweegt op het pad naar de natiestaat. De politieke problemen die België vandaag kent zijn in die logica te herleiden tot het gevolg van het onvoltooid streven van de Vlaamse natie naar een eigen staat:

‘Deze crisis heeft onderhand het karakter van een permanente toestand aangenomen. Historisch gezien is dat ook logisch, want het gaat om een fase in de lange ontwikkeling van natievorming in de Lage Landen, waarbij de Vlaamse natie zich al van voor de Eerste Wereldoorlog aan het losweken is uit de Belgische constructie.’[2]

 

Dit citaat leert ons veel en dit om verschillende redenen. Duidelijk wordt dat Rondas de staatshervorming ziet als een gevolg van de opmars van de Vlaamse natie. Bovendien wordt ook duidelijk dat de natie an sich wordt gezien als een sociale en historische actor. Het zijn in het perspectief van Rondas niet zozeer individuen, politici en drukkingsgroepen die de natie boetseren door middel van een politiek-ideologische machtsstrijd. De natie is historisch gegroeid, ze is er gewoon en zit opgesloten in de Belgische constructie. Rondas hanteert in deze inleiding een klassiek nationalistisch discours veeleer dan een links of democratisch discours. Onderliggend aan deze uitspraken ligt een organisch nationalisme dat de Vlaamse natie voorstelt als echt, natuurlijk en gevormd door de geschiedenis. De Belgische staat daarentegen wordt niet alleen neergezet als een constructie en dus niet natuurlijk maar ideologisch, maar ook als een gevangenis die de Vlaamse natie onderdrukt. Dat verklaart dan de zogenaamde Vlaams nationalistische grondstroom.

De Gravensteengroep en de V-partijen zouden dan de grondstroom van Vlaanderen vertegenwoordigen, aldus Rondas. Rondas begrijpt die grondstroom net zoals De Wever als rechts nationalistisch. En meteen wordt ook de ‘wij-zij’ categorisering van N-VA overgenomen die het echte Vlaanderen contrasteert met het Vlaanderen van de cultuurdragers en andere linkse en wereldvreemde stemmen. De Belgische elite en de linkse elite, nogal vaak worden beide trouwens gelijkgesteld onder het label links tout court, worden dan afgebeeld als de krachten van behoud. Zij strijden tegen het Vlaams nationalisme en hebben alle media in handen: ‘(…) de algemene default position in de redactionele koppen blijft steevast kosmopolitisch, dus multiculturalistisch, dus antinationalistisch, en dus tegen meer Vlaanderen.’[3] Twee zaken vallen terug op. Ten eerste krijgen we hier een doordrukje van het bekende motief over ‘de linkse media’. Dat motief circuleert zeer vlot binnen rechts-nationalistische kringen. Ten tweede en ten gronde is het opmerkelijk dat Rondas zich hier expliciet afzet tegen kernelementen uit het verlichtingsproject dat per definitie universalistisch en kosmopolitisch geïnspireerd was.

De gelijkenissen tussen het discours van Rondas en De Wever zijn opvallend. Net zoals De Wever verwijt Rondas die linkse kerk omdat ze deze universele waarden uitdraagt en omdat  ze aan ‘deconstructie en demontage van Vlaanderen’[4] doen. Die linkse kerk vaart dan uitsluitend ‘ten behoeve van één politiek-institutionele keuze, namelijk pro Belgica.’[5] Net zoals De Wever schuwt Rondas de karikatuur niet in de strijd tegen de (linkse) criticasters van het Vlaams nationalistische project. Het is waarschijnlijk geen toeval dat de Gravensteengroep op geen enkel stuk van de Vooruitgroep geantwoord heeft. In het Gravensteenboek wordt de Vooruitgroep wel genoemd, maar nooit wordt er een stelling geanalyseerd of kritiek beantwoord. Dat kan ook niet, want dan blijft de karikatuur die de Gravensteners uitdragen niet overeind. Dan zou duidelijk worden dat die zogenaamde ‘Belgische nationalisten’ helemaal geen Belgicisten zijn, en al helemaal geen nationalisten. Meer nog, het zou duidelijk maken dat de Vooruitgroep helemaal niet pleit om alles op Belgisch niveau te regelen, de groep pleit immers voor een meerlagige oplossing. Ze pleit wel tegen het idee dat de Vlaamse natie een oplossing is voor de problemen waarmee de Belgische staat en democratie kampt en die de neoliberale globalisering met zich meebrengt.

De Gravensteengroep heeft er blijkbaar alle belang bij om een monolitische Belgicistische elite in het leven te roepen om haar project te legitimeren. Zelfs de historische staatshervorming, onder aanvuren van de Vlaams nationalistische Volksunie, wordt in de schoenen van die Belgicistische elite geschoven. Om de Belgische federatie te behouden, zo betoogt Rondas, ‘is men al sinds 1970 aan het parlementair-democratisch systeem beginnen morrelen, via vergrendeling middels speciale meerderheden die de Vlaamse meerderheid moesten neutraliseren. Het Belgische democratische deficit, dat ten koste gaat van alle Belgische burgers.’[6]  Dit democratisch deficit is een reëel probleem, een probleem waar verschillende oplossingen mogelijk zijn. Volgens Rondas kan van een herfederalisering echter geen sprake zijn, enkel veder splitsen wordt gezien als een legitieme oplossing. Hier zien we terug een kernelement opduiken van Rondas zijn betoog, een element dat hij bovendien terug deelt met N-VA. België wordt daarin gelijkgesteld met de blokkering van de democratie, met het installeren en betonneren van grendels die de Vlamingen minoriseren.[7] Minder België staat dan per definitie gelijk met meer democratie. Dat is ook de reden waarom men steevast de Vlaams nationalistische eisen zal verkopen als democratische eisen. In die ‘Vlaamse democratie’ zou er dan eindelijk geregeerd worden volgens de eigenheid van de Vlamingen. In wezen heeft dit echter weinig met democratie te maken. Een dergelijk spreken heeft wel een lange traditie binnen het conservatisme. Impliciet steunt deze retoriek op een vox populisme waarmee Rondas zich opstelt als de vertolker van de Vlaamse democratie, van de stem van het Vlaamse volk. Net zoals Baudet en De Wever begrijpt Rondas democratie als de stem van het volk. Net zoals die twee denkers ziet hij homogeniteit als een voorwaarde van democratie. Nochtans is democratie net het systeem bij uitstek om diversiteit een plaats te geven.

De vaststellingen die we hier maken over het perspectief van Rondas op ‘het Belgische probleem’ zouden kunnen afgedaan worden als loutere toevalligheden. Immers, het is geweten dat Rondas dicht aanschurkt bij de N-VA en bovendien wordt in het boek heel duidelijk gesteld dat de bijkomende teksten naast de manifesten zelf, louter onder de verantwoordelijkheid vallen van de auteur in kwestie en dus niet noodzakelijkerwijs het perspectief van de Gravensteengroep in zijn geheel vertolken. Ondanks deze disclaimer zien we een opmerkelijke consistentie in de verschillende teksten die volgen. Bovendien kunnen we er niet langs dat het stuk van Rondas niet alleen een inleiding is op alle teksten in het boek, het is ook geschreven door de redacteur van het boek. Het algemeen kader dat Rondas schetst is weldegelijk een goede inleiding op de verschillende manifesten en zelfs op de teksten ter persoonlijke titel. We duiden dit hieronder.

Land op de tweesprong: manifesten ter ontgrendeling van Vlaanderen

Het is hier niet de plaats om in detail in te gaan op de verschillende manifesten (de Vooruitgroep heeft dat al met verve gedaan[8]), laat staan op het hele boek. Wat wel interessant is, is om enkele van de opvallende concepten boven te halen uit het discours van de Gravensteengroep en ze naast het discours van N-VA te plaatsen. We starten door het algemeen perspectief van de Gravensteengroep op de Belgische situatie te schetsen en zo ook de positie te bepalen die de Gravensteengroep zichzelf toekent in dat politiek-ideologische en maatschappelijke veld. We zullen hieronder focussen op kernconcepten uit een linkse strijd, een strijd voor verlichting zoals gelijkheid, vrijheid, democratie en solidariteit. We baseren ons hiervoor op respectievelijk het eerste en het tweede Gravensteenmanifest.

De Belgische elite, de status-quo en democratische chantage

Het eerste Gravensteenmanifest start met een expliciete zelfdefiniëring van de groep en haar taak. Duidelijk wordt gemaakt dat de standpunten volgens de auteurs standpunten zijn die strijden voor gelijkheid en vrijheid, voor democratie en de mensenrechten. Kortom, de Gravensteners achten het van groot belang om zichzelf in de markt te zetten als intellectuelen die de erfenis van de verlichting hoog in het vaandel dragen. Opmerkelijk is wel dat ze hun peilen vanaf dag 1 richten op de linkse elite die in wezen conservatief zou zijn:

Dat een flink deel van de Vlaamse culturele wereld de intellectuele moed mist om deze analyse [dat de Belgische constructie onherroepelijk vast zit]  te maken, is onbegrijpelijk. Dat ze zich, samen met de oude Belgische elites, vastklampt aan een Belgische status-quo, is onaanvaardbaar. Dit zelfverklaard ‘progressief Vlaanderen’ stelt zich behoudsgezind op en dreigt de trein van de geschiedenis te missen.’ [9]

Vanaf het eerste manifest is de intertekstuele verbondenheid met het N-VA-discours onmiskenbaar. Terug krijgen we een linkse kerk die belgicistisch is en het status quo bewaart versus de Gravensteengroep die ‘de realiteit’ en zelfs de ‘loop van de geschiedenis kent’ en ze tot uitvoer wil brengen. Die loop van de geschiedenis wordt dan begrepen vanuit de klassiek nationalistische premisse dat de Vlaamse natie een Vlaamse staat moet krijgen. Dat is de ‘onomkeerbare optie op de toekomst.’[10] De oprichting van de Vlaamse natiestaat is de enige oplossing voor ‘de chaos die de Belgische constructie na 177 jaar lapwerk kenmerkt,’ [11] aldus De Gravensteengroep.Wie daartegenin gaat, zoals de culturele wereld en de oude Belgische elite, gaat dan ook in tegen de realiteit. Zij klampen zich dan vast aan de status-quo. Die nadruk op de status quo is ook een buzzwoord uit het N-VA-discours. Terug zien we hetzelfde perspectief om naar de realiteit te kijken zoals Rondas en N-VA reeds voordeden. Links, de culturele wereld en de oude (in de feiten niet meer bestaande) Franstalige Belgische elite in Brussel worden niet alleen voorgesteld als oppermachtig, maar ook als conservatief en beschermers van de  status quo.

De karikatuur regeert. Zij, die linkse kerk, zijn de ware conservatieven. Zij zijn Belgische nationalisten. Zij verknechten Vlaanderen, ze minoriseren Vlaanderen en onderdrukken zo ‘de meerderheid’ en ‘de democratie’. Terug krijgen we de constructie van een eenduidige vijand die alle criticasters van de Vlaamse eisen afschildert als oude belgicisten die de Vlaamse zaak verloochenen tegen de stem van het Vlaamse volk in. Opmerkelijk is ook dat we hier een hele politiek-ideologische uitholling  vaststellen van de termen progressief en conservatief. Deze termen verwijzen in het Gravensteendiscours niet meer naar hun historische betekenis.

In die historische betekenis strijden progressieven voor het realiseren van de verlichte samenleving. Zij verdedigen de waarden van de radicale verlichting: vrijheid, gelijkheid van elk individu. Progressieven zetten dus in op universele rechten, op democratie en solidariteit georganiseerd op een zo groot mogelijke schaal. De democratie is een instrument om dat mogelijk te maken. Democratie is dan een groot verhaal dat niet te herleiden is tot louter verkiezingen en al helemaal niet te herleiden is tot ‘de stem van het volk’, tot populisme. De radicale verlichtingsstrijd staat haaks op het organisch nationalisme. De verlichting ijvert voor universele rechten, voor een kosmopolitisme, voor een stelselmatige uitbreiding van de democratie en voor een uitbreiding van de solidariteit. Het is net het conservatisme en zeker het revolutionair conservatisme dat ijvert voor het particuliere. De morele orde en de gezondheid van het kostbare weefsel van de natie primeert voor conservatieven altijd op de rechten van het individu.[12]

In het discours van de Gravensteners zijn degene die pleiten om de solidariteit op een zo’n groot mogelijk schaal te houden echter de conservatieven. Terwijl het beperken van de solidariteit tot de Vlaamse natie voorgesteld wordt als progressief. Deze omkering is cruciaal om de vlag waaronder de Gravensteengroep vaart geloofwaardig te houden. Immers, moest de groep deze termen met hun historische betekenis hanteren, dan zou duidelijk worden dat hun nationalisme enkel maar als conservatief te brandmerken valt, zeker als ze dan nog eens gepaard gaat met een strijd tegen individualisme, kosmopolitisme en de nadruk op een ‘gezond sociaal weefsel’[13] waarin iedere nieuwkomer, en dus ook Franstaligen, zich moeten inburgeren. Centraal element hierin is, zoals in elk volksnationalistisch discours: ‘de taal.’[14]

Net zoals alle nationalisten staat taal bovenaan het prioriteitenlijstje van de Gravensteengroep: de taal is gansch dat volk niet waar. Dat vertaalt zich in een heel scherpe visie op meertaligheid en vooral op het spreken van Frans op het Vlaamse grondgebied. Zolang de Franstaligen niet akkoord gaan met die plicht om Nederlands te spreken op het Vlaamse territorium en zich te schikken naar de ‘Vlaamse meerderheidscultuur’ ondergraven ze volgens de Gravensteengroep ‘het principe van de politieke solidariteit tussen de gewesten, en meteen ook van de Belgische federale structuur op zich.’[15] Om die taal en de vergaande autonomie van de Vlaamse natie af te dwingen, dreigt de Gravensteengroep ermee om die sociaaleconomische solidariteit op te blazen. Solidariteit is dus niet het strijddoel van de Gravensteengroep, maar wordt gehanteerd een chantage-instrument. Taal en de natie primeren duidelijk op de centrale waarde van een links gedachtegoed: de herverdelende, interpersoonlijke solidariteit.

Voor de Gravensteengroep bestaat enkel de natie, de Vlaamse natie in opmars. Dat is het begin en het einde van de argumentatiehorizon. Centrale eisen van dit eerste Gravensteenmanifest in 2008 zijn, naast de taalkwestie op het grondgebied,  het respect voor ‘grens en ruimte’[16], de onmiddellijke splitsing van BHV en de ‘reële tweetaligheid in Brussel.’[17] Enkel dan is een confederaal België mogelijk, zo niet is het splitsen geblazen: ‘wie een hervorming in deze democratische zin afwijst, pleit in feite voor de ontbinding van die staat.’ [18] Vanaf het eerste manifest is de positie van de Gravensteengroep in feite al zeer duidelijk: het gaat om de Vlaamse natie, dat is democratie. De intertekstuele verbondenheid met het N-VA-discours is overduidelijk.

Solidariteit en solidariteit is twee

Het loont de moeite om even verder in te gaan op het concept solidariteit. Een analyse van de betekenis die aan het concept solidariteit toegekend wordt is een interessant instrument om te bepalen welke traditie voorrang heeft in de Gravensteenstrijd.  Solidariteit is immers niet alleen een kernconcept van elk links denken maar heeft ook een lange nationalistische traditie. In die linkse traditie verwijst solidariteit naar herverdeling, naar het recht op een menswaardig leven en dus naar de universele rechten van de mens. In een nationalistische traditie à la Renan verwijst solidariteit echter naar iets helemaal anders: naar nationale lotsverbondenheid en dus een sterke nationale identiteit. Of zoals De Wever het benoemt: de ‘spontane solidariteit’ die ontstaat als er een gezond kostbaar weefsel is binnen de natie.

Maken we die analyse dan zien we dat verbondenheid het kernwoord is als de Gravensteengroep spreekt over solidariteit. Zo wijst de groep in haar tweede Gravensteenmanifest er initieel terecht op dat solidariteit als instrument voor de bewerkstelliging van gelijkheid centraal staat in het verlichtingsdenken en in het socialisme. Ze wijst er ook terecht op dat binnen het socialisme solidariteit als grensoverschrijdend en dus universeel gedacht werd. En de groep wijst er ook terecht op dat dit ideaal vaak niet gerealiseerd werd. De groep wijst er ook terecht op dat in het links denken solidariteit niet verwijst naar liefdadigheid maar naar herverdeling via een sociale structuur gericht op het verminderen van ongelijkheid.

De eerste paragrafen van dit tweede manifest indexeren een verlichte positie inzake solidariteit. Meer nog, ze laten uitschijnen dat de Gravensteengroep zelfs een socialistisch perspectief op solidariteit zou aanhangen. Die lezing van de positie van de Gravensteengroep komt echter te vroeg. Na deze uiteenzetting van de historische politieke ideologische strijd over de betekenis van solidariteit verduidelijkt de groep haar eigen lezing. Die lezing is duidelijk gekoppeld aan haar nationalistische strijd. Want zo betogen de Gravensteners:

“dit principe wordt in de huidige Belgische context misbruikt. Wie in dit land durft te pleiten voor het verder ontwikkelen van de regionale solidariteit, die vandaag één van de wezenlijke voorwaarden vormt voor het behoud van de solidariteit in België, wordt bij voorbaat verdacht gemaakt.”

Een eigen Vlaamse solidariteit is voor deze Gravensteners de basis voor het behoud van de solidariteit op het Belgische niveau. Daarom zijn er in dit land hoogdringend institutionele hervormingen nodig. Enkel als  ‘Het naast elkaar bestaan van deelstaten, als gelijkwaardige partners, biedt mogelijke garanties voor een reële én realiseerbare solidariteit, voor een op maat gemaakte invulling van regionale behoeften en individuele noden, en voor het aanpassen van onze sociale zekerheid aan nieuwe internationale uitdagingen.’ [19]  Er komen twee argumenten bovendrijven: (1) Solidariteit moet gekoppeld worden aan de Vlaamse (deel)staat om ‘realistisch’ te zijn. (2) Enkel op het Vlaamse niveau kan onze sociale zekerheid de ‘internationale uitdagingen aan’ aldus de Gravensteengroep. We overlopen eerst het eerste argument, we eindigen met de idee dat splitsing van de sociale zekerheid het antwoord is op ‘de internationale uitdagingen’.

De Gravensteners betogen dus dat een solidariteit op het Belgische niveau compleet onhaalbaar is omdat er geen politieke solidariteit is. Enkel een Vlaamse solidariteit is ‘realistisch’ want gebaseerd op onze individuele behoeften en noden. In naam van de verlichting argumenteren tegen uitbreiding van solidariteit, tegen universalisme en dus ook tegen idealisme en vooruitgang is natuurlijk heel vreemd. Moesten de verlichtingsdenkers gedacht hebben in termen van realisme dan hadden we vandaag geen democratie, geen mensenrechten en geen sociale zekerheid. Het argument van de Gravensteengroep past dan ook in een heel andere, maar even oude politieke traditie. Dit is een klassiek antiverlichtingsargument. Alle antiverlichtingsdenkers hebben twee eeuwen lang strijd gevoerd tegen ‘de utopie’ van de radicale verlichting. Allen hielden een pleidooi voor ‘realisme’ en tegen abstractie. Allen benadrukten dat de utopie van vrijheid, gelijkheid, solidariteit, democratie en universele mensenrechten tot drama’s gingen leiden en onrealiseerbaar waren want indruisend tegen de natuurlijke orde. Van Burke over Renan tot De Wever: allen zien ze de rechten van de mens als te abstract. De Gravensteengroep spreekt in diezelfde traditie als ze zeggen dat solidariteit enkel op een nationale basis kan functioneren.

‘Solidariteit moet de relatie tussen individu en maatschappij regelen. Zij vormt een reactie tegen het vooropstellen van het eigen belang en betekent een bewuste keuze voor de verbondenheid met anderen.’ [20]

Het gaat dus niet over automatische en onvoorwaardelijke solidariteit als deel van de onvervreemdbare rechten van elk individu, maar over wederkerigheid. Over voor wat hoort wat, over vrijwillige solidariteit en nationalistische solidariteit. Solidariteit wordt ook door de Gravensteengroep gekoppeld aan nationale identiteit. Enkel als er nationale verbondenheid is, kan er solidariteit zijn. Deze definitie stelt een nationalistische interpretatie voorop van solidariteit. Solidariteit stoelt dan niet op het onvervreemdbare en universele recht van elk individu op gelijkheid, maar

op de idee van gelijkwaardigheid en verdraagzaamheid. Het veronderstelt wederkerigheid    en vrijwilligheid. Wie zich solidair verklaart, aanvaardt een gedeelde verantwoordelijkheid.’ [21]

De solidariteit van de Gravensteengroep is een nationalistische solidariteit zoals Renan en De Wever het voor ogen hebben: het gaat dan in eerste instantie over ‘verbondenheid met andere leden van de gemeenschap’, veeleer dan dat men spreekt over herverdeling en gelijkheid. De universele dimensie van solidariteit valt weg. Niet de mensheid bepaalt de visie op solidariteit maar de natie. We horen hier terug geen links discours, maar een nationalistisch discours. Een discours ook over wederkerige, voorwaardelijke én vrijwillige solidariteit. Enkel als je bijgedragen hebt, kan je rekenen op solidariteit. Solidariteit moet voor de Gravensteners niet in eerste instantie gelijkheid realiseren door te herverdelen, maar ‘moet de relatie tussen individu en maatschappij’[22]   regelen. Maatschappij lezen we hier dan ook het best als een synoniem met de Vlaamse natie. Deze invulling van solidariteit is immers een springplank voor het ontmantelen van België en dus ook de ontmanteling van de bestaande geïnstitutionaliseerde solidariteit.

Dergelijk discours wordt ook door N-VA uitgedragen. Dit discours over solidariteit steunt op twee fundamenten. Enerzijds op de idee van de Vlaamse natie waarin alle Vlamingen zich verbonden weten en anderzijds het bekende verhaal van rechten en plichten. Vanuit het eerste fundament wordt benadrukt dat enkel nationale solidariteit mogelijk en wenselijk is. Enkel als mensen een identiteit delen, zich verbonden voelen, zullen ze solidair willen zijn. Dat is een punt dat Bart De Wever sinds de start van zijn politieke loopbaan reeds benadrukt: de natie is de basis van de solidariteit. Solidair zijn kunnen we in deze logica enkel met mensen waarmee we ons verbonden voelen. De Gravensteengroep herhaalt gewoon die visie. Voor hen is echte solidariteit, net zoals bij De Wever,  solidariteit ‘vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid, vanuit het diepe morele besef dat het normaal is dat wij de medemens hulp bieden, wanneer wij daartoe in staat zijn.’[23]  Opmerkelijk hier is de afwezigheid van de koppeling tussen gelijkheid, vrijheid en universaliteit. Gelijkheid was volgens de radicale verlichtingsdenkers de universele dimensie van vrijheid. Enkel als we gelijk waren konden we vrij zijn. Deze referentie naar de verlichtingstraditie ontbreekt in de definiëring van solidariteit. We krijgen wel intertekstuele referenties naar nationalistische en conservatieve opvattingen over solidariteit in woorden als: moreel besef, hulp geven aan de medemens als we daarvoor genoeg middelen hebben. Wij bepalen dus zelf als we solidair zijn en hoe we solidair zijn.

Er kan ook solidariteit zijn met bevriende naties maar dan moet die solidariteit kaderen in ‘transparante politieke structuren’ en bijdragen tot de ‘responsabilisering van de regionale besturen.’  Naties moeten er zelf voor kiezen om solidair te willen zijn. Het zijn in deze nationalistische logica niet individuen die onderling solidair zijn via de staat, maar de natie die kiest om solidair te zijn met een andere natie (waarmee men schijnbaar doelt op Wallonië). Solidariteit met Wallonië is dan maar mogelijk als Wallonië zich politiek solidair verklaard met Vlaanderen, of in andere woorden als de Franstalige politici instemmen met de Vlaamse eisen voor een confederaal België. Solidariteit is hier terug voorwaardelijk. Enkel als Vlaanderen haar eigen solidariteitsmechanismen (lees geld en macht) in handen krijgt is Vlaanderen volgens de Gravensteners nog bereid om solidair te zijn met Wallonië maar wel op Vlaamse voorwaarden. Net zoals N-VA gebruikt de Gravensteengroep solidariteit als een responsabiliseringsmechanisme. Mooie termen als transparantie verhullen dat men de facto de interpersoonlijke solidariteit opblaast. En ook dat heeft ze gemeen met N-VA die in naam van de efficiëntie, transparantie en de oversolidariteit strijdt tegen de interpersoonlijke solidariteit.

Ook het idee van wederkerigheid en vrijwilligheid dat voor de Gravensteners een integraal onderdeel uitmaakt van de solidariteit, toont aan dat hier een heel andere solidariteit naar voor geschoven wordt dan degene die links traditioneel naar voorschuift. Links ziet solidariteit als herverdeling met als doel gelijkheid tussen individuen te bewerkstelligen. De conservatieve en nationalistische solidariteit is gebaseerd op enerzijds vrijwilligheid, anderzijds op wederkerigheid. Met vrijwilligheid wordt verwezen naar het idee dat de Vlamingen zelf moeten kiezen om solidair te willen zijn met de zwakkeren in de samenleving en met bevriende naties zoals Wallonië. Die solidariteit is niet eindeloos, maar is afhankelijk van wat de ontvangers van de solidariteit hebben bijgedragen tot de samenleving. Als ze niets hebben bijgedragen, dan komen ze ook niet in aanmerking voor de solidariteit. Maar ook als de ontvangers hun verantwoordelijkheid niet opnemen, door bijvoorbeeld snel werk te vinden, dan sluiten ze zichzelf ook uit van de solidariteit. Terug is de intertekstuele verbondenheid met de N-VA-retoriek en breder met de conservatieve en nationalistische politiek-ideologische stroming overduidelijk.

De laatste onbeantwoorde vraag is nu of en hoe een dergelijke Vlaams nationale solidariteit een antwoord kan zijn op het internationale neoliberalisme. Het tweede manifest spreekt daar, afgezien van de bovenstaande claim, met geen enkel woord over. Die afwezigheid van expliciete argumenten doet vermoeden dat deze groep van menig is dat enkel een nationale solidariteit voldoende draagvlak heeft en dat die nationale verbondenheid dan het warm nest schept die ons wapent tegen die neoliberale aanval. Hoe het ook mag zijn, het is duidelijk dat een nationale solidariteit, ook op Belgisch niveau in deze tijden van globalisering absoluut niet voldoende is.

De Gravensteengroep houdt hier in naam van het realisme, van de verlichting en zelfs in naam van links een pleidooi om de bestaande solidariteit te ontmantelen en her op te bouwen op Vlaams niveau. Hoe dat men in tijden van neoliberale en rechtse dominantie in Vlaanderen ooit een versteviging van de solidariteit kan realiseren in deze context wordt niet beargumenteert. Hoe dat het naar beneden herschalen van solidariteit, en dus een solidariteit voor ‘het eigen volk’ voorop stelt, ooit kan zorgen voor een bredere solidariteit is een vraagteken natuurlijk. Vandaag zien we dat het Belgische niveau al schromelijk te kort schiet om gelijkheid te realiseren voor eenieder. De hypermobiliteit van de 21ste eeuw vertaalt zich immers in de aanwezigheid van heel veel verschillende nationaliteiten op één grondgebied. Aangezien onze rechten gekoppeld zijn aan onze nationaliteit betekent dat in de praktijk een toename van ongelijkheid. De solidariteitsmechanismen sluiten nu al mensen uit, dat kan echter ondervangen worden als we een uitbreiding krijgen van de solidariteit. Solidariteit kan niet behouden blijven op een loutere nationale schaal. De droom van een verlichte, universele solidariteit is een noodzaak in tijden van globalisering en superdiversiteit. De Gravensteengroep leidt ons naar de andere richting.

 

De Gravensteengroep als discursieve linkervleugel van N-VA

Het besluit kan niet anders dan hard zijn. De Gravensteengroep is in eerste instantie en nationalistische groep en net door haar nationalisme ondermijnt ze de solidariteit. De Belgische solidariteit willen ze ontmantelen om in de plaats een Vlaamse sociale zekerheid op te bouwen in een rechts en neoliberaal Vlaams landschap. De facto zou dat dus twee maal een verzwakking betekenen van de solidariteit. Bovendien is die solidariteit absoluut geen afdoend antwoord op de neoliberale globalisering. De Gravensteengroep spreekt duidelijk in dezelfde intertekstuele traditie als N-VA: die van het organisch nationalisme en de antiverlichtingstraditie.

Waar de Volksunie gekend stond voor haar linkse en rechtse vleugel binnen de partij, kan ook N-VA steunen op een ‘prominente linkervleugel’. Bovendien heeft die linkervleugel meer macht omdat ze in de perceptie zelfs los staat van die partij. Het zijn linkse intellectuelen die hetzelfde discours uitten als N-VA. Dit is een ideaal instrument in de strijd om de Vlaams nationalistische ideologie te hegemoniseren. Het profiel van N-VA is immers uitgesproken rechts, neoliberaal en nationalistisch, haar imago is echter dat van een rechts gematigde, democratische en nationalistische partij. Het imago van de Gravensteengroep en haar discours versterken het imago van N-VA als een redelijke partij nogmaals: zelfs linkse intellectuelen vertellen hetzelfde.

Het project van de Gravensteengroep is des te opmerkelijker omdat ze het aura van links en progressief nog steeds meedraagt in de perceptie van velen. Nochtans is na tien manifesten en een heus boek met dezelfde manifesten en individuele bijdragen van de auteurs meer en meer duidelijk dat er maar een iets bovenaan de agenda staat van die Gravensteengroep en dat is de Vlaams nationalistische strijd. Onderliggend aan alle manifesten is het idee van de Vlaamse natie, het idee van een homogeen Vlaanderen, het idee van België als een land met twee gemeenschappen, twee naties. En net omdat ze België zien als twee naties, moet het land in het beste geval omgevormd worden tot een confederatie, in het slechtste moet het geheel splitsen.

Dat er in België echter veel meer gemeenschappen en identiteiten zijn, lijkt niet bij de Gravensteners op te komen. Superdiversiteit wordt ontkend, en als de aanwezigheid van diversiteit al wordt erkend, dan moet die zo snel mogelijk weggewerkt worden: allochtonen moeten inburgeren. Maar niet alleen allochtonen moeten Vlamingen worden, ook Brussel in zijn geheel moet in de nationalistische logica geduwd worden. Brussel mag geen gewest worden. Hoewel een moderne visie op stedenbeleid ons noodzaakt om in te zien dat Brussel best uitgebreid wordt en meer bevoegdheden krijgt, zien we bij de Gravensteners daarover enkel maar walging. Brussel moet onder koloniale voogdij van Vlaanderen en Wallonië komen te staan.[24] Een standpunt dat ze terug delen met N-VA. België moet absoluut in het format van twee naties worden geduwd. En zo wordt het primaat van de nationalistische ideologie van de Gravensteners nogmaals duidelijk geïllustreerd. Niet meer democratie staat voorop, maar de Vlaamse natie.

Dat dit nationalistische denkkader centraal staat, blijkt ook uit het feit dat in alle bijdragen uit het boek de kerndomeinen van het nationalisme besproken worden: territorium, identiteit en verbondenheid, taal,  nationale solidariteit, de natie en haar staat(svorming). Meer nog, in de feiten zien we niet alleen gelijkaardige denktrends en argumentatie- of non-argumentatielijnen als N-VA. De concepten, zinnen, ideeën, oneliners en verwoordingen, ideeën en eisen tot de presentatie van hun positie toe, zijn bij momenten letterlijke kopieën van het N-VA-discours. We zien niet alleen impliciete intertekstualiteit, maar heel vaak ook een expliciete intertekstuele verbondenheid met N-VA en het discours van De Wever in het bijzonder. Omgekeerd wordt ook duidelijk dat De Wever met aandacht luistert naar die Gravensteengroep en ook haar concepten overneemt. Zo laat hij in zijn 11 juli-speech van 2012 het volgende citaat optekenen:

‘In dit land werd de meerderheid al institutioneel geminoriseerd door de grendelgrondwet. Nu wordt de meerderheid ook politiek en democratisch geminoriseerd. De meerderheid van dit land, de gemeenschap die bovenmatig bijdraagt  tot de staatsfinanciën, is de minderheid geworden in de huidige federale regering.’[25]

De Wever hanteert hier niet alleen een van de centrale concepten van de Gravensteengroep (zie bv. het concept de grendelgrondwet van 1970) maar ook de centrale idee van een democratie die herleid wordt tot de dictatuur van een demografische meerderheid. De intertekstuele verbondendheid tussen het N-VA-discours en het discours van de Gravensteengroep is manifest en expliciet. In de feiten fungeert de Gravensteengroep als niets anders dan de ‘linkervleugel’ in disguise van de N-VA.

 

 


[1] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[2] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg pg.13

[3] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg 2012 pg.14

[4] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg 2012 pg.14

[5] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg 2012 pg.14

[6] Rondas, J-P, 2012: Over het Gravensteenboek. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg 2012 pg.13

[7] Rondas, J-P, (2012). Grendel is een monster in Beowulf. In De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[8] Zie de website van de Vooruitgroep voor alle analyses, reacties en opiniestukken: http://vooruitgroep.wikidot.com/teksten

[9] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest: Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[10] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[11] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[12] Zie hiervoor o.a. Israel, J. (2010). A revolution of the mind. Radical Enlightenment and the intellectual origins of Modern Democracy. Princeton; Oxford: Princeton University Press.  En Israel, J. (2011).Democractic Enlightenment. Philosophy, Revolution, and Human Rights 1750-1790. Oxford & New York: Oxford university Press. Sternhell, Z. (1995). Neither right, nor left: Fascist ideology in France. Princeton, New Jersey: Princeton University Press. ; Sternhell, Z. (1996). The intellectual revolt against liberal democracy 1870-1945, Jerusalem: The Israel academy of sciences and humanities.; Sternhell, Z., (2010). The Anti-Enlightenment Tradition. New Haven; London: Yale University Press.

[13] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[14] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.28

[15] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.29

[16] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.29

[17] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.29

[18] De Gravensteengroep, 2008: Eerste Gravensteenmanifest Territorialiteit, in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout. Pg.29

[19] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[20] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[21] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[22] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[23] De Gravensteengroep, 2008: Het tweede Gravensteenmanifest: Meer solidariteit door gelijkwaardigheid. in De Gravensteengroep, (2012). Land op de tweesprong. Pelckmans, Kalmthout.

[24] Vooruitgroep, 2011: Principes of willekeur? De Vooruitgroep verwerpt twee van de drie Gravensteenprincipes. http://vooruitgroep.wdfiles.com/local–files/teksten/Vooruitgroep%20opiniestuk%2015.pdf

[Voorsmaakje] Mensenlandschappen in de 21ste eeuw

Het einde van de jaren 80 en het begin van de jaren 90 van vorige eeuw luidde een decennium in vol veranderingen op wereldschaal. We zagen niet alleen de instorting van het Sovjetrijk en de communistische regimes in Oost-Europa, het is ook in die jaren dat de wereld de val van het apartheidsregime in Zuid-Afrika aanschouwt, dat China zich inschakelt in de kapitalistische wereldeconomie, dat India sterke economische hervormingen doorvoert, en dat de EU met het Verdrag van Maastricht de binnengrenzen opent. Het zijn ook de jaren waarin ‘the coalition of the willing’ ondersteund door een gigantisch propaganda-initiatief de tweede Golfoorlog opstart.[1] CNN was in enkele weken een fenomeen en introduceerde de globaal gemediatiseerde samenleving. Het neoliberalisme kreeg in die periode meer en meer voet aan de grond. In verschillende Europese landen raakt het thema van migratie gepolitiseerd (en gepolariseerd, door de opkomst en doorbraak van extreemrechtse partijen), en maakt het integratiedebat opgang. De korte tijdspanne waarin we al deze immense politiek-economische veranderingen waarnemen is een goede illustratie van het schokeffect dat de wereld ondergaat vanaf 1989.[2]

1989 luidt een nieuwe fase in van de globalisering: de neoliberale globalisering. Globalisering, migratie en diversiteit zijn op zich geen nieuwe fenomenen. De globalisering is eeuwenoud en mensen migreren al van oudsher. Wat we de moderniteit noemen is in essentie een periode van globalisering. De verlichting, het kapitalisme en het kolonialisme zijn allemaal geglobaliseerde fenomenen. En toch leven we in nieuwe tijden. Wat deze tijd nieuw maakt is de intensiteit, de snelheid, de kwaliteit en kwantiteit waarmee deze fase van de globalisering zich ontplooit. In die jaren 90 zien we de doorbraak van een heel nieuwe wereldorde en dat heeft meteen materiële gevolgen. Onze wereld krijgt een nieuwe structuur. Sommige grenzen vervallen, andere worden makkelijker over te steken. Maar er worden ook nieuwe grenzen opgetrokken. Dit alles vertaalt zich onder andere in heel nieuwe migratiepatronen en migratietrajecten. De gevolgen van deze nieuwe realiteit zijn fundamenteel. De veranderingen in de mensenlandschappen van de 21ste eeuw gebeuren niet in een vacuüm maar zijn steeds meer globaal geconnecteerd. De homogene natie is vandaag meer dan ooit pure fictie, we leven in tijden van superdiversiteit.

De methode
Superdiversiteit is het voorsmaakje van de wereld van morgen. Veranderlijkheid, hypermobiliteit, complexiteit en geglobaliseerde connectiviteit zijn er kernwoorden van. Wat vandaag is, kan morgen evengoed weer verdwenen zijn. We leren dan ook maar beter nu wat die superdiversiteit met zich meebrengt en hoe we die nieuwe realiteit kunnen zien als een hefboom voor een betere en rechtvaardigere wereld voor iedere mens. De basis van een adequaat beleid is zoals altijd een gedegen beschrijving en analyse van deze nieuwe realiteit.

De centrale doelstelling van dit boek bestaat er dan ook uit om die complexiteit in kaart te brengen en een kader aan te reiken om die nieuwe realiteit verstaanbaar te maken. Hiervoor vertrekken we vanuit de methode van Linguistic Landscape research of taalkundig landschapsonderzoek. In deze relatief jonge onderzoekstraditie wordt taal niet gezien als iets dat zich louter manifesteert in de hoofden van mensen, in teksten voor institutionele consumptie of in interactie tussen mensen, maar als een inherent deel van onze fysieke omgeving. Zeker in urbane contexten zijn we constant omgeven door taal.[3] Reclameborden trachten ons te verleiden om zaken te kopen, vitrines lokken ons in winkels, verkeersborden geven ons richtlijnen, posters nodigen ons uit, graffiti ’s en tags trekken onze aandacht, … Maar ook het soort architectuur, de wijze waarop gebouwen aangekleed zijn, de geluiden die we horen maken allemaal samen de betekenis die we toekennen aan een wijk, een plaats.[4]

Taal en taalgebruik worden hier gehanteerd als een instrument om de realiteit empirisch in kaart te brengen. Centraal in onze benadering van taalkundig landschapsonderzoek staat taal-in-beweging. De nadruk ligt op het in kaart brengen van de complexiteit en veranderlijkheid, op meertaligheid en migratie, op gelaagdheid van wijken en stratificatie in deze wijken. Het taalkundig landschap-onderzoek injecteren we daarom met etnografie.[5] De redenen hiervoor zijn simpel. We kunnen de verschillende talen en taaluitingen in een wijk niet begrijpen zonder ze in een bredere context te plaatsen. Die context is per definitie een complexe, gelaagde en gestratificeerde context. De fysieke ruimte is immers ook altijd een sociale, culturele en politieke ruimte: een ruimte die zaken aanbiedt en mogelijk maakt, die aanzet tot bepaalde patronen van sociaal gedrag, daartoe uitnodigt of dat gedrag zelfs voorschrijft of net verbiedt. Een ruimte is dus nooit een niemandsland, maar altijd iemands ruimte. Het is een historische ruimte en dus steeds een ruimte vol codes, verwachtingen, normen en tradities. Elke ruimte is een ruimte van macht die gecontroleerd wordt door sommige mensen en dus ook sommige mensen controleert.

Bovendien is er niet één centrum in een stad of een wijk, maar zien we onze steden beter als polycentrisch en elk van die centra (school, administratie, pleintje, slager, ….) stelt verschillende verwachtingen ten aanzien van haar gebruikers.[6] Als je spreekt met je baas of met de politie, dan wordt je verondersteld om je anders te gedragen en anders te spreken dan tijdens een scherp cafégesprek met een goede vriend. Als we de wijk die we bestuderen willen begrijpen kan het fotografisch in kaart brengen van die wijk slechts een startpunt zijn. We beperken ons dus niet een ‘snapshot’ –onderzoek.

Het in kaart brengen van de verschillende talen in verschillende omgevingen met verschillende functies voor verschillende gebruikers binnen één wijk is louter het startpunt van ons onderzoek. Daarom zijn we als ‘antropologen’ aan de slag gegaan in de wijken. Bovendien zijn we geen buitenstaanders die even aan participerende observatie doen en daarna de wijk achter ons laten. De wijken die we bestuderen zijn ook de wijken waar we al jaren in leven en/of werken. Dat is van belang omdat we zo een langere termijn perspectief hebben op de ontwikkelingen in deze wijken. Dat betekent echter niet dat we de wijk louter ‘kennen’ als gebruiker, we hebben ze ook ervaren als bewoner, en we hebben er onze eigen zone van belangenbehartiging in gesitueerd. Dit boek is zo gezien weldegelijk ook een lange termijn onderzoeksproject geworden. Deze unieke combinatie van gebruiker, bewoner, belanghebbende en onderzoeker laat ons toe om de complexiteit van de wijk in kaart te brengen, zowel in haar ‘objectieve’ als in haar ‘subjectieve’ dimensies. De etnografische methode stelt ons in staat om strikt empirisch te werk gaan. We werken van onderen uit: we brengen in kaart wat er is en werken vandaaruit naar boven.

Dit boek
We schrijven dit boek vanuit een nieuw perspectief omdat we denken dat de huidige blik van politici en beleidsmakers op de samenleving niet alleen hopeloos verouderd is, maar omdat ze ook meer en meer uiterst negatieve effecten genereert. In het eerste hoofdstuk duiden we superdiversiteit als een nieuw paradigma. We zijn van oordeel dat dit nieuwe paradigma veel nauwkeuriger de huidige realiteit in kaart brengt en dus ook veel beter geschikt is als basis om na te denken over een sterk beleid. In dit eerste hoofdstuk schetsen we de globale en lokale context waarin superdiversiteit geboren wordt. De nadruk ligt er op het feit dat superdiversiteit een empirisch gegeven is.

Vervolgens valt het boek uiteen in twee grote delen die nauw verbonden zijn met elkaar. In het eerste deel beschrijven we hoe die superdiversiteit zich manifesteert in ons land. In eerste instantie lijsten we hiervoor een aantal cijfers en empirische gegevens op over die superdiversiteit en tonen de effecten van deze fase van de globalisering op de bevolkingssamenstelling en de infrastructuur van België in het algemeen. Maar er is meer, we duiden aan de hand van concrete voorbeelden hoe de bestaande cijfers over afkomst, religie en taal onvermijdelijk leiden tot een enorme simplificatie van de realiteit. Superdiversiteit rijmt op complexiteit en het is die complexiteit die we moeten begrijpen willen we een gedegen beleid kunnen voeren.

Om die complexiteit te begrijpen en te duiden gaan we vervolgens in de diepte. Elke auteur bekijkt telkens één wijk in één stad door de lens van die superdiversiteit. Joachim Ben Yakoub brengt de wijk rond de Fortstraat in Brussel in kaart. Ben Yakoub analyseert hoe de historische migratiestromen zich settlen in Sint-Gillis en in de Fortstraat in het bijzonder. Hij toont aan hoe die verschillende fases van migratie een gevolg zijn van zowel globale als lokale beslissingen en gebeurtenissen. Bovendien schetst hij hoe ze resulteren in een gelaagde, gestratificeerde en geglobaliseerde gemeente.

Ico Maly zoomt dan weer in op de buurt rond de Wondelgemstraat in de 19de eeuwse gordel van Gent. Maly toont de historische lagen van de buurt rond de Wondelgemstraat en beschrijft de straat als een ruimte waarin heel veel verschillende schaalniveaus interveniëren. Enkel als we die verschillende schaalniveaus in rekening brengen, kunnen we de samenstelling van de wijk begrijpen, zo besluit hij zijn onderzoek.

Jan Blommaert toont ons zijn oud Berchem in Antwerpen als een wijk vol verandering en complexiteit. Blommaert zoomt in op wat de samenhang in oud Berchem genereert. De wijk is arm en superdivers. Vanuit de gangbare paradigma’s zou dat moeten resulteren in ‘onleefbaarheid’. Dat is echter niet het geval. Blommaert verklaart hoe dat komt.

Het is vanuit die empirische oefening in het eerste deel van het boek dat we in het tweede deel kijken naar wat de effecten zijn van het huidige beleid op die superdiverse realiteit. Het ontstaan van superdiversiteit heeft een sterke impact gehad op het beleid ten aanzien van migratie en diversiteit.[7] Het is immers in de jaren dat we superdiversiteit zien ontstaan dat er voor het eerst een migratie-, asiel- en integratiebeleid tot stand komt in België. Als inleiding op dit tweede deel contrasteert Ico Maly in hoofdstuk 6 de realiteit van superdiversiteit en de multiculturele consensus die door politici en journalisten uitgedragen wordt.

Ico Maly en Jan Blommaert tonen in hoofdstuk 7 hoe de opkomst van superdiversiteit parallel loopt met opkomst van nationalisme en neoliberalisme. Beide ideologieën krijgen hun vertaling in het integratie-en migratiebeleid en leiden –ondanks de mooie emancipatievlag waaronder dit beleid vaart- de facto tot ongelijkheid en een ondermijning van de democratie.

In hoofdstuk 8 schetst Ico Maly de contouren van een toekomstperspectief op een goede samenleving, een samenleving die de superdiversiteit een plaats geeft terwijl ze de democratie opbouwt en verdiept. Hiervoor gaat hij kijken naar wat we kunnen leren van de geschriften van de radicale verlichtingsdenkers over democratie en universele mensenrechten.

Jan Blommaert besluit dit boek in hoofdstuk 9 met de vaststelling dat ons denken over de samenleving anachronistisch is. De samenleving, de wereld is grondig veranderd de laatste decennia, maar het denken over die wereld gebeurt nog altijd in de termen van het verleden. Hij houdt dan ook een pleidooi om de oude vormen en gedachten te laten sterven.

Het mag duidelijk zijn. De oefening die voor ons ligt is zowel antropologisch, historisch, sociologisch, sociolinguïstisch, filosofisch en onvermijdelijk ook politiek van aard. Politiek niet alleen door het thema an sich, maar ook politiek in de gevolgen en de doelstellingen van dit onderzoek. We gaan na aan welke voorwaarden een toekomstig beleid moet voldoen willen we werken aan een rechtvaardige samenleving, een democratie die zijn basisprincipes niet verloochend en dus effectief werk maakt van een samenleving waar eenieder effectief kan genieten van zijn onvervreemdbare rechten Vooraleer we kunnen nadenken over politiek en beleid in tijden van superdiversiteit is het van belang dat we inzicht verwerven in die nieuwe realiteit.

Bronnen

[1] Maly, I. (red).(2007). Cultu(u)rENpolitiek. Over globalisering, media en culturele identiteiten. Garant: Berchem.
[2] Parkin, D. & Arnaut, A. (2012). Super-diversity & sociolinguistics – a digest. Working Paper:http://www.academia.edu/3851384/Super-diversity_elements_of_an_emerging_…
[3] Pennycook, A., Morgan, B. & Kubota, R.(2013). Series editors’ preface. In Blommaert, J. (2013). Ethnography, superdiversity and Linguistic Landscapes. Chronicles of complexity. Multilingual Matters. Bristol-Buffaolo-Toronto.
[4] Scollon, R. & Scollon, S.W. (2003). Discourses in place : language in the material world. London: Routledge. p.12
[5] Blommaert, J. (2013). Ethnography, superdiversity and Linguistic Landscapes. Chronicles of complexity. Multilingual Matters. Bristol-Buffaolo-Toronto.
[6] Blommaert, J., Collins, J. & Slembrouck, S. (2005). Spaces of multilingualism. Language and Communication 25, 197-216.
[7] Vertovec, S. (2007). Super-diversity and its implications. Ethnic and Racial Studies30 (6), 1024-1054.
Maly, I., Blommaert, J. & Ben Yakoub, J. (2014). Superdiversiteit en democratie. Epo: Berchem.
Blijf op de hoogte door de pagina van het boek te volgen: https://www.facebook.com/superdiversiteitendemocratie

 Image

[In Knack] De juridische strijd tegen racisme is doorn in het oog van N-VA

De strijd voor de mensenrechten is in de N-VA-logica ondergeschikt aan het belang van de natie en de vermeende overtuigingen van de Vlamingen. Racisme moet niet bestraft of vervolgd worden. Inzetten op de morele opvoeding en harmonieuze integratie: enkel dan kunnen ‘zij’ aanvaard worden als volwaardige Vlamingen.

N-VA-fractieleider in Antwerpen André Gantman laat er geen misverstand over bestaan: het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding (CGKR) moet opgedoekt worden, niet omdat ze te weinig juridische strijd voert tegen discriminatie, maar omdat die juridische strijd ‘niet productief’ is. Morele opvoeding, daar moet op ingezet worden. Afgaande op zijn opeenvolging van controversiële uitspraken zou het publiek kunnen vermoeden dat Gantman een soort losgeslagen einzelgänger is die het zorgvuldig geconstrueerde imago van N-VA als een gematigd rechtse partij steeds opnieuw vakkundig doorprikt. Niets is minder waar.

Dit stuk verscheen ook op Knack.be

Neutraal in de strijd tegen racisme

Al in 1997 wou Geert Bourgeois de werking van het Centrum inperken. N-VA is nooit afgeweken van deze Volksunielijn, in tegendeel. De juridische strijd tegen racisme en discriminatie is een ware doorn in het oog van de partij. ‘Zo’n centrum moet informatie vergaren en de overheid correct inlichten, maar moet niet de plaats van de politiek of het gerecht innemen,’ zei Bart De Wever in 2006.’ Het is dan ook geen toeval dat De Wever sterk gekant was tegen het racismeproces van het Centrum en de Liga voor de mensenrechten tegen het Vlaams Blok omdat het precedentwaarde had. En ook in 2011 is de partij duidelijk: ‘Het repressieve karakter, zoals het beginnen van rechtszaken, behoort niet tot de job.’

Het Centrum moet volgens N-VA volledig neutraal zijn, absurd genoeg ook in de strijd tegen racisme. Nochtans is die juridische strijd volledig in lijn met de wettelijke opdracht van het Centrum. Meer nog, het is niet alleen een expliciete taak van het CGKR om juridisch te ageren tegen discriminatie, de bevoegdheden en de onafhankelijkheid van het Centrum zouden nog uitgebreid en versterkt moeten worden volgens mensenrechtenspecialiste Eva Brems (Groen). Enkel dan kan het Centrum op Europees niveau volwaardig meespelen en erkend worden door de Verenigde Naties.

De Vlaamse opinie vs Mensenrechten

Voor N-VA mag het Centrum echter enkel ‘een positief verhaal brengen’. In de woorden van Gantman heet dit vandaag ‘morele opvoeding’ en bijdragen tot ‘harmonieuze integratie’. Organisaties als het Centrum moeten inzetten op die integratie, want racisme dat is vaak niet meer dan een cover up voor persoonlijke mislukkingen, dixit Liesbeth Homans. Lees: ze kunnen geen Nederlands en zijn geen Vlaming onder de Vlaming.

Bovendien, zo verduidelijkte Homans wars van elke kennis van de mensenrechten: racisme is geen misdaad tegen de menselijkheid. Het Centrum moet dus vooral gericht zijn op inburgeren. Het moet daarom ook een Vlaams Centrum worden, aldus Theo Francken. Want enkel dan kan het ‘minder wereldvreemd de praktijk benaderen’, en dat is nodig want nu kunnen ‘hun voorstellen op weinig tot geen steun rekenen van Vlaanderen’. Niet de universele mensenrechten, maar de Vlaamse publieke opinie moet de moraal maken.

De strijd voor de mensenrechten is in de N-VA-logica ondergeschikt aan het belang van de natie en de vermeende overtuigingen van de Vlamingen. Racisme moet niet bestraft of vervolgd worden. Inzetten op de morele opvoeding en harmonieuze integratie: enkel dan kunnen ‘zij’ aanvaard worden als volwaardige Vlamingen. In naam van ons allen wil men de verzekering van de mensenrechten ondergraven. Dat men daarmee het fundament van de democratie ondergraaft, namelijk het gelijkheidsbeginsel, is blijkbaar van geen tel. Gantman is goed geïntegreerd in de antiverlichtingsideologie van N-VA. Dat is helaas geen geruststelling. Integendeel.

Ico Maly is doctor in de cultuurwetenschappen, coördinator van Kif Kif en auteur van ‘N-VA. Analyse van een politieke ideologie’

Interview in Mo-Magazine: Superdiversiteit betekent dat we allemaal minderheden zijn

Bouwen aan je identiteit gebeurt vandaag zowel globaal als lokaal, vindt Ico Maly, coördinator van KifKif. ‘Zowel bij autochtone als bij allochtone jongeren wordt de identiteit beïnvloed door het fenomeen van de globalisering,’ stelt Ico Maly. Een hele reeks problemen kunnen ook niet meer opgelost worden op het niveau van de natie-staat, vindt Maly. De uitdaging voor de toekomst is democratie en het gelijkheidsprincipe blijven garanderen voor iedereen in een geglobaliseerde wereld.

Mediaviewer

Ico Maly.

 

© MO*/Alma De Walsche

De jongerencultuur bij etnisch-culturele minderheden, zegt Ico Maly, is een palet van talloze niches en subculturen die globaal georganiseerd zijn. ‘Allochtone jongeren krijgen online toegang tot een islam die gaat van een Tariq Ramadan-islam (“Europese” islam)  tot een Syriëstrijders-islam, met daartussen een brede waaier varianten.

Ook autochtone jongeren hier focussen op een globale cultuur. Neem de skaters: die voelen zich niet op de eerste plaats verwant met hun buurjongen (die misschien een emo is of een punker) maar met een globaal netwerk van skaters, die samen een aantal kenmerken delen waarmee ze zich onderscheiden van de anderen. Op YouTube vind je een heleboel filmpjes van hijab-istas (hijab + fashionista), die je vertellen hoe je als moslima modieus gekleed kan gaan, een gecommercialiseerde moslimmode die als referentie dient. Je hebt magazines hierover, met foto’s die gehypet worden.

Jongeren uit Dadizele kijken hiernaar, maar ook jongeren uit Londen, Pakistan of  Afghanistan. Er is dus een hele waaier van subculturen waarop allochtone jongeren zich oriënteren om hun eigen identiteit te profileren en die subculturen zijn even genormeerd als de mainstreamcultuur en vaak ook even gecommercialiseerd.

Dat zijn niet echt de probleemjongeren waar onze maatschappij mee worstelt.

Ico Maly: De probleemjongeren die vandaag in het nieuws komen, vertegenwoordigen een kleine groep van mensen die zich profileren op hun islamitische identiteit. Vaak voelen ze zich uitgesloten. De jongeren die naar Syrië gaan strijden, hebben meestal gemeen dat ze uit een gebroken gezin komen of nooit een positie hebben gevonden in de samenleving. Ik denk aan de Sharia 4Belgium- jongeren. Ook de leider van Sharia4Belgium is een kleine crimineel die in de marge van de samenleving leefde.

Wanneer jongeren, die een probleem hebben met hun persoonlijkheid, opgroeien in een samenleving die racistisch is, dan gaat hun identiteit hierdoor gekleurd worden. Ze construeren hun identiteit in de marge van de samenleving en kunnen kiezen uit verschillende opties: veel jongeren in Brussel die zich in de marge bevinden kiezen op de eerste plaats voor een identiteit als hiphopper, in tweede instantie zijn ze Marokkaan of marxist. Over die hiphopjongeren weten we nauwelijks iets: zij staan niet in het middelpunt van de mediabelangstelling. En als ze dan nog af en toe een pint drinken, zijn het zelfs nog toffe pees. Er is maar één groep waarop we ons viseren, waardoor het lijkt dat alle allochtonen of Marokkanen fundamentalistische vormen van islam hebben aangenomen, wat uiteraard niet waar is.

Het probleem ligt bij in het gegeven van de islam?

Ico Maly: De aanwezigheid van de islam wordt gezien als een probleem voor onze samenleving. Sinds het einde van de jaren 80 komt de islam in het middelpunt van de belangstelling te staan, mondiaal gezien zien we dat maar exploderen sinds 11 september.

Dan krijg je respectabele politici als Patrick De Wael die zich laat ontvallen: “We moeten toch durven zeggen dat onze waarden superieur zijn”.  Dat is heel vergaand: het echoot immers het koloniale discours.

De superpopulaire en zogenaamd progressieve Jan Leyers zei op een bepaald moment over de moslims in relatie tot ons: “Democratie is een onderdeel van onze culturele software en zij hebben dat niet. We moeten ons de vraag stellen of ze dat wel willen en of ze dat wel kunnen willen”.  Dat is angstaanjagend want cultuur wordt hier gebiologeerd: het is hun essentie. Het integratiedebat eindigt altijd weer in een bevestiging van deze wij-zij-clichés: dat de hoofddoek voor vrouwen problematisch is omdat het de vrouw onderdrukt en omdat het seksistisch is.

Doorheen deze debatten krijgen de jongeren steeds hetzelfde signaal: jij hoort hier niet thuis; jouw waarden zijn onze waarden niet, onze waarden zijn meer waard dan de jouwe. Je moet die van ons aanvaarden als je hier wil wonen.  Dat is de boodschap die de voorbije 25 jaar constant naar buiten gebracht is.

Hoe beïnvloedt dit discours de identiteitsvorming?  

Ico Maly: Je vormt altijd een identiteit in een context en die context is zowel lokaal als globaal. Als je in je directe omgeving constant geconfronteerd wordt met het idee dat je hier niet hoort, dan heeft dat een gigantische impact.

Ik kan een simpel voorbeeld geven. Ik ben met vrienden in Marokko met een kindje van zeven jaar. Een kind van derde generatie. Dat kind vraagt op een bepaald momentt: “Ben ik ook een allochtoon?”. Eigenlijk wel, antwoordt de vader. “Maar nu ben ik in Marokko, dus hier ben ik niet allochtoon”,  zei het kind. “Eigenlijk niet, hier ben je ook allochtoon, want je woont in België,” was het antwoord van de vader. De jongen was daar echt van in de war en was daar erg door geraakt. Zo zie je hoe labels een impact hebben op mensen, omdat het mensen definieert.

Op een gegeven moment nemen mensen zelf die positie over, ze identificeren zich ook met dat label of verzetten zich er tegen. Er zijn dus ook mensen die zich loskoppelen van die herkomst en ervoor opteren om te voldoen aan het beeld van wat het is een goede Vlaming of Belg te zijn. Dat zijn degenen die het meest kans op slagen hebben in deze samenleving. Hetzelfde zie je ook bij een aantal hoog opgeleiden, die in een Vlaamse context groot geworden zijn, die misschien hun religie achterwege laten, drinken, … Dat is een minderheid, maar eigenlijk zijn het allemaal minderheden! En net dat is de norm vandaag: superdiversiteit betekent dat we allen minderheden zijn, vandaar dat gelijke rechten van cruciaal belang is.

Er zijn hoogopgeleiden die religie heel belangrijk vinden maar daar erg pragmatisch mee omgaan. Ze doen bijvoorbeeld de ramadan wel mee, maar gaan geen vijf keer per dag bidden. Anderen eten vegetarisch in plaats van halal. Soms draagt in hetzelfde gezin het ene meisje een hoofddoek en haar zus niet. Weer anderen eindigen bij Sharia4Belguim. Dat is de complexiteit waar we vandaag in leven.

Naargelang de identiteit die je opbouwt, zijn de slaagkansen in deze samenleving groter, of kleiner en dan kunnen andere zaken plots heel aanlokkelijk worden. Jongeren die hier marginaal zijn en uitgesloten, vertrekken naar Syrië, waar ze dan ineens een grote man zijn. Sommigen zijn bang van je, anderen zien je als held en martelaar. Opeens krijg je een eigenwaarde die heel belangrijk is.

Nu gaat dat over Sharia4Belgium. Destijds had je de Arabisch Europese Liga, een politieke beweging waar veel jongeren aansluiting bij vonden.

Ico Maly: In de feiten was dit een zeer open en seculiere beweging. Je had moslims, maar je had daar ook atheïsten tussen, net zoals socialisten, Berberse activisten en Arabisch-nationalisten. Het aantal hangjongeren en de criminaliteitscijfers bij jongeren daalden. Men had het gevoel een politieke emancipatiebeweging op te bouwen die opkwam voor rechten. Opeens waren die mensen iemand en was er een toekomstperspectief.

De reactie van de politieke kaste op de AEL was bedroevend. Guy Verhofstadt riep op om speciale wetten te maken, om de voorman van de AEL achter de tralies te kunnen zetten. Dat zijn zaken die mensen niet vergeten en die een blijvende impact hebben. Iedereen die ooit bij AEL gezeten heeft, draagt daar de gevolgen van, tot vandaag.

Hebben we vandaag nood aan een beweging zoals de AEL, een politieke beweging vanuit de moslimwereld?

Ico Maly: Persoonlijk ben ik van mening dat de hele samenleving vandaag kampt met een gebrek aan politisering. Kif Kif is een politiek-emancipatorische beweging, niet om aan actieve partijpolitiek te doen maar we leiden wel burgers op voor democratische participatie. Daarnaast zie je mensen van vreemde origine die zich engageren bij verschillende politieke partijen.

Het bewijs dat ze geïntegreerd zijn?

Ico Maly: Het zijn mensen van hier, zoals ook de Syriëstrijders van hier zijn en hier opgroeiden. Hun identiteit is deel van onze samenleving. De reden dat ze daar gaan strijden, is onder meer omdat ze hier opgegroeid zijn. Er zijn veel minder Turkse jongeren die naar Syrië gaan strijden, ook al ligt Turkije vlak bij de grens van Syrië, dat zegt wel iets.

Sommigen  ontwaren een groeiende invloed van de salafisten in onze samenleving. Deelt u die analyse?

Ico Maly: Dat is een globale evolutie. Na WO II zijn de linkse oppositie en intelligentsia in de Arabische landen monddood gemaakt, vaak letterlijk. Dat heeft een vacuüm gecreëerd waar radicale antidemocratische islamistische bewegingen voet aan de grond kregen. Vandaag doen charlatans als Abu irmam daar hun voordeel mee.

Anderzijds zien we dat zich vanaf de jaren zeventig de Saoedische islam zich wereldwijd verspreidt. Met de opkomst van het internet neemt die circulatie nog toe. Het is onmiskenbaar dat de jihadistische islam hier ook doordringt. Jongeren sprokkelen al die dingen samen.

Dat is trouwens de paradox van Westen: aan de ene kant heb je de strijd tegen het terrorisme die verkocht wordt als een strijd tegen de islam, aan de andere kant heb je Saoedi-Arabië dat door het Westen ongemoeid wordt gelaten omwille van de economische belangen. De Saoedische islam is hier binnengehaald in 1974 na de oliecrisis. En er zijn akkoorden gesloten en die hebben een heel grote impact gehad op de samenleving. Dat is de hypocrisie die we op alle vlakken zien.

Het blijft een pervertering van de islam, met twijfelachtige ideeën die uitgaan van een sterk zwart-wit denken. De islam is echter ook altijd een interpretatie binnen een concrete context. Je kan de tekst niet los zien van de periode waarin die tot stand is gekomen. Men wist die context en gaat de teksten letterlijk interpreteren en citaten van Mohamed parafraseren. De islam kan zo al snel gebruikt worden als een instrument om jongeren te mobiliseren om te gaan strijden. Dat is even gevaarlijk als het nationalisme.

Volgens sommigen vindt dit soort islam hier aanhang omdat er een voedingsbodem voor is. 

Ico Maly: Inderdaad, moesten de moslims hier leven als moslims onder de Vlamingen, vanuit hun eigen identiteit maar met een goeie job en goeie huisvesting, dan zou dat gedachtengoed veel minder pakken. Bij sommige jongeren slaat het aan omdat ze dan een kader krijgen dat ervoor zorgt dat ze “een echte moslim” kunnen zijn. Het grote probleem is dat die geperverteerde versie van de islam op ramkoers zit met de democratie. En democratie is de enige oplossing voor het samenleven in tijden van superdiversiteit. Dat is dus werkelijk een probleem.

Ook de democratie op zich heeft het moeilijk met diversiteit.

Ico Maly: Ik denk eerder dat de democratie in het Westen al enkele jaren onder druk staat, niet door de moslims, maar door de wijze waarop onze politici en intellectuelen reageren op de realisatie van superdiversiteit in onze samenleving. De denkers van de Verlichting waren absolute voorstanders van vrijheid van religie, als een recht. Tenzij dat recht zou betekenen dat de rechten van anderen geschaad zouden worden. Dat betekent dan ook dat een hoofddoek moet kunnen.

Etienne Vermeersch vindt echter van niet, op basis van vermoeden, want “ik kan het vermoeden hebben dat ik niet eerlijk ga behandeld worden”. Dat is van de pot gerukt. Je kan evengoed stellen: als een moslim aan het loket staat, moet die bediend worden door een vrouw met hoofddoek, want anders kan er bij hem “het vermoeden komen dat de niet-moslim hem tekort doet”. Je krijgt dus constant een redenering die elementen bevat die een aanslag zijn op de democratie, waardoor men steeds dezelfde boodschap geeft aan moslims : “Democratie is niet voor jullie”.

Het is de uitleg om Irak of Afghanistan binnen te vallen of om het hoofddoek te verbieden. Hetzelfde probleem zien we bij concepten als “integratie”, waarvoor de parameters heel vaag blijven. Wanneer is iemand geïntegreerd genoeg? Die vaagheid leidt tot frustraties.

Sommigen stellen duidelijk dat elke  nieuwkomer  mee moet bouwen aan de samenleving waarin hij aankomt. 

Ico Maly: Op zich ben ik het daar zeker mee eens. Vraag is: wat verstaan we daaronder? De mijnwerker die mee ons pensioen betaalt, draagt bij aan onze samenleving. Ook de baas van een multinational die Engelstalig is, hier belastingen betaalt, mensen tewerk stelt en ’s avonds naar een Engelstalige kroeg gaat, draagt ook bij aan onze samenleving. Maar je kan hem geen waarden en normen of zelfs een taal opleggen. We leven vandaag in tijden van superdiversiteit.

Het integratiedebat van de voorbije twintig jaar gaat over Turken en Marokkanen. De Wondelgemstraat in Gent wordt gezien als een Turkse buurt, maar dat klopt niet meer. De Wondelgemstraat is een geglobaliseerde en superdiverse straat. Slechts 35 procent van de mensen die er wonen, zijn nog Turks. 15 procent is Bulgaars, er wonen nog Polen en Slovaken; die werken hier een maand en vertrekken dan naar Berlijn om daar enkele maanden te werken. Dat zijn wereldburgers. Er zijn Pakistanen en Ghanezen. Die Turkse straat is daar niet meer.

Maar ook de idee dat ze daar blijven wonen, is er niet meer. En dus is de uitdaging: hoe zorgen we ervoor dat we democratie hebben en dat die mensen politiek, economisch en sociaal dezelfde rechten hebben als de anderen? Onze samenleving is complex, en blijft niet meer binnen de grenzen van de natie. Maar onze rechten zijn wel gekoppeld aan de grenzen van de natie. Als we die grenzen overschrijden, veranderen onze rechten. Voor het eerst sinds lange tijd leven we in een samenleving van superdiversiteit met heel veel verschillende rechten. De basis van democratie is het gelijkheidsprincipe maar dat hebben we niet.

Wat zijn voor u beleidsprioriteiten om de diversiteit te managen?

Ico Maly: Gent heeft 170 nationaliteiten, Brussel 184, Antwerpen 179, België 195. Die mensen verschillen allemaal van elkaar. De diversiteit komt niet alleen van de islam. De pinksterkerken bijvoorbeeld maken opgang, maar die ervaren we niet als een probleem. Ze nemen vaak de taak van de staat over, door voor opvang van nieuwkomers te zorgen.

Diderot zei twee eeuwen geleden al dat als mensen geen gelijke rechten hebben, er ongelijkheid ontstaat, en als er ongelijkheid is, is er frustratie en als er frustratie is, krijg je polarisering en geweld. Dat is een gulden wet. We kunnen nu nog altijd doen of die zeg maar vijfduizend Slovaken- die hier niet mogen zijn- geen impact hebben op onze samenleving, maar ze hebben dat wel. Ofwel met zwartwerk, met bedelen of met andere middelen zullen ze hier proberen te overleven. We zitten met krakende Roma’s omdat ze niet kunnen rekenen op het universeel woonrecht. Men kiest dan niet voor een rechtenperspectief, maar men wil het kraken strafbaar stellen.

De natie-staat is helemaal niet meer aangepast aan de geglobaliseerde samenleving waarin we leven. In plaats van naar een Vlaamse natie te gaan, moeten we op een Europees domein sociale zekerheid gaan opbouwen. We moeten niet naar beneden gaan opdelen.

Het probleem van de Roma, zo zeggen ook progressieve politici, is dat die een druk op het sociale systeem creëren. Maar je krijgt die mensen ook niet zomaar weg door ze uit te sluiten, je creëert met zo’n beleid enkel maar ongelijkheid. Vandaar dat het beter zou zijn die kwestie op een grotere schaal te organiseren. Dat vergt veel moed en een langetermijnvisie, terwijl politici vooral verkiezingen willen winnen en die volgen elkaar zeer snel op. Zij doen dus vooral aan marketing en maken geen analyses meer.

http://www.mo.be/opinie/ico-maly-superdiversiteit-betekent-dat-we-allemaal-minderheden-zijn#.UlK22ONWiUp.twitter

‘Scientific’ Nationalism. N-VA, banal nationalism and the battle for the Flemish nation

This paper investigates how the discursive battle for the Flemish nation is waged by politicians of the Flemish nationalist party N-VA (New Flemish Alliance) in Belgium. More specifically, it analyzes the ways in which the N-VA tries to establish a banal Flemish nationalism in the context of a super-diverse Belgium (Blommaert, Rampton & Spotti (eds.), 2011). We thereby focus on the use and role of social sciences in the nationalist construction and deconstruction of the Flemish nation state. Anderson, Gellner, Hroch and Billig are being integrated in the discourse and strategy of the party to establish a Flemish nation. Especially the work of Billig plays a major role in the (communication) strategy of the party. It will be argued that N-VA uses the famous work of Michael Billig – Banal nationalism – as a manual for the construction of the Flemish nation state.

Keywords: N-VA, De Wever, the Flemish nation, banal nationalism, media, ideology, hegemony, Hroch, Anderson, Billig.

Introduction

Nation-building, especially in its early stages, has always had a direct connection with intellectuals, and, more specifically, with committed intellectuals in the Marxist sense of the word (Sternhell, 2010). Hobsbawm (1992) stresses that in the first decades of its existence the nation was a (petit) elite-affaire par excellence. The nation was born, constructed through and reproduced by the writings of intellectuals such as Edmund Burke, Johann Gottfried Herder, Ernest Renan, and Hippolyte Adolphe Taine. That’s why Hobsbawm (1992) discarded most of the 19th century literature on nations and nationalism. It is in this context that we should understand the harsh and by now famous words of this renowned historian:

‘[…] I cannot but add that no serious historian of nations and nationalism can be a committed political nationalist […] Nationalism requires too much belief in what is patently not so.’ (Hobsbawm, 1992: 12)

This qualification by Hobsbawm receives a new dimension if we contrast it with the present-day political developments in Flanders, i.e. the northern part of Belgium. Since 2004, we have seen a new Flemish nationalist party, namely N-VA (The New Flemish Alliance), rising under the leadership of an intellectual, and, more specifically, under the leadership of a historian specialized in the study of nations and nationalism. This chairman of the party, Bart De Wever, not only presents himself as a politician, but is also active in the public debate as a columnist and explicitly positions himself as a historian and intellectual. What is more, De Wever regularly quotes several leading scientists on nationalism and even defines his political project by employing concepts used by the most eminent scientists in this field.

In this paper I analyze how the Flemish nationalistic political party N-VA uses insights from social sciences in their battle for the establishment of an independent Flemish nation state. This will be explained in detail below, but for now we can say that the chairman of N-VA, Bart De Wever, is obviously familiar with the literature on nationalism. In a former life he was an assistant at the history department of the University of Leuven, Belgium, where he was working on a PhD on Flemish nationalism after the Second World War. Although he didn’t finish his PhD, he still uses, as I shall demonstrate, the insights he gathered during his study in the political battle for the Flemish nation state. For now we can say that De Wever, in his frequent columns in the mainstream Belgian media, regularly quotes Benedict Anderson, Ernest Gellner, Miroslav Hroch, and Michael Billig. Especially insights from Billig’s work concern us here the most, because De Wever quotes him several times when he describes the goal of his party establishing a banal Flemish nationalism (De Wever, 2011b & 2011e).

Before we can focus on this battle for a banal Flemish nationalism, we need to go back in time. To understand this battle waged by N-VA, it is useful to sketch a brief history of the party within the general tradition of Flemish nationalism.

Belgium, Flemish nationalism and N-VA: a short history

When Belgium was established in 1830, it was, in line with the Herderian paradigm, established as a monolingual state with French as the official national language (Reynebeau, 2009). In reality the new nation was multilingual. The elites in Flanders, Brussels and Wallonia spoke French, but most of the common people in Flanders only spoke Dutch. In that sense the Flemish dialects can be seen as a proto-national bound as Hobsbawm (1992) defines it. This doesn’t mean that the Flemings saw themselves as a different people or as constituting a different nation. In fact, in 1830 there were no Flemings or Walloons (Wils, 1992; Vos, 1994; Reynebeau, 2009). Rather, at the time Belgian nationalism was the dominant sound as all Belgians were united in their battle against the common enemy: the Dutch ruler Willem I. However, it did not take very long before the one language-regime –all the official communication was limited to French- in Belgium would lead to the establishment of a Flemish Movement. That Movement was not initially directed against the Belgian nation; rather, cultural and language rights of Dutch-speaking Flemings within the framework of a single Belgian nation were the goal at the time (Wils, 1992). This Movement was for the most part a movement of the liberal and progressive Flemish petit bourgeois. This underlines the point made by Hobsbawm (1992) that nationalism is initially carried by the (petit) elites, not by the common people.

This new Flemish elite in the 19th century is engaged in a battle for political hegemony (Blommaert, 2011) and to fight that battle a whole range of organizations have been established that function as an ideological apparatus in the Althusserian (1971) sense. We have witnessed the birth of Flemish theatre companies, literary circles, student unions (Vos, 1994) and Flemish magazines and papers (De Bens, 2001). From 1870 onwards, the Flemish cultural battle has not only given birth to the idea that the Flemings are one people, but also established a much wider institutional base. Not only was there a fairly broad movement constituted out of several cultural civic organizations, but the movement also became integrated in the dominant Belgian political parties (the liberals and after 1870 mostly within the Catholic party). This growing institutional support is paralleled with an ideological shift within the Flemish movement towards a linguistic, cultural and organic nationalism. However, the success of this Flemish nationalism in the next decennia isn’t just based on its demands in the fields of language and culture. Blommaert stresses that “The nationalist elite could thus ride on the waves of social unrest and demands for social, economic and political enfranchisement of the masses of the population […]” (Blommaert, 2011: 246) Even though the Flemish movement became more political and more radical at the end of the 19th and the beginning of the 20th century, it wasn’t yet directed against Belgium. On the contrary, the Flemish identity was still embedded within the Belgian national feeling (Vos, 1999). But this was all about to change.

Within a couple of decennia, roughly between 1870 and 1930, we see that the Flemish Movement changes into a full-blown Flemish nationalist movement with “the language is the whole people” as its central slogan (Roosens, 1981). This change translates into a collaboration between a small fraction of the Flemish Movement and the German occupiers between 1914 and 1918. This collaboration is rather small-scale, and so are its consequences for the Flemish movement after the war, however, with the exception of one crucial element. According to Wills (1992), one lasting consequence of the collaboration during the First World War is the idea that Flanders is disconnected from Belgium; even more so, within parts of the Flemish movement the idea was established that the two ‘identities’ are in contradiction with each other.

In the interwar period we see the further growth of the impact of the Flemish Movement. The Catholic party was an important advocate for the Flemish nationalist demands. They realized the so-called minimum program entirely before the war: higher education, administration and justice in Flanders became monolingually Dutch. But that didn’t prevent the steep electoral rise of several nationalist and even fascist parties in Flanders (such as the Verdinaso and the Vlaams Nationaal Verbond (VNV) (Flemish National Alliance). During the 1930s it is clear that the anti-Enlightenment-ideology (Sternhell, 2010) dominated within the Flemish Movement and in the end even a fascist Flemish nationalism became dominant (Wils, 1992; Sternhell, 1995). This again led to collaboration, this time with the Nazi party during the Second World War. Because of the depth of the collaboration and the high number of collaborators, the consequences for the Flemish nationalist cause were devastating. Whereas before the war the minds of many were ready for the far-reaching demands of the Flemish Movement, after the war the Flemish Movement equaled collaboration with the Nazis in the minds of many.

This wasn’t the end of the Flemish Movement and its political strive for a Flemish nation, on the contrary. As a result of a quite harsh repression of Nazi collaborators and what is known as the Royal Question[i], the Flemish Movement rises from its ashes in the fifties (Wils, 1992; Reynebeau 2009; Blommaert, 2011). And with this resurrection, it didn’t take long before the demand for political autonomy for Flanders was again on the table. With the founding of the Volksunie (The People’s union) in 1954, these political Flemish nationalistic demands would stir all political parties towards more Flemish autonomy. The Volksunie was established after The Second World War as a nationalist party aiming at a federalist Belgium with a high degree of autonomy for Flanders and striving for a general pardon of the Flemish nationalist collaborators with the Nazis. The Volksunie would become the most successful Flemish nationalist party in Belgian history (Blommaert, 2011). When the Volksunie fell apart in 2001 it had fully accomplished its federalist aims. Their first major breakthrough already came in the sixties with the introduction of the famous language frontier. This frontier, while in essence a pragmatic political solution, meant a major shift towards a Herderian nationalism in Flanders because it introduced territoriality into the strategy of the Flemish (and Walloon) movement (Blommaert, 2011). In the meanwhile Flanders has become the wealthiest part of the country.

The defining of the language frontier was just the beginning of a whole series of different agreements on further federalization of Belgium (in 1980,1988-1989, 1993, 2001-2003 and in 2011). These reforms in Belgium have resulted in extensive autonomy for the regions and communities in Flanders. What is more, they not only deepen federalism, but they also create national Flemish state structures such as a Flemish government and a Flemish parliament. These developments have further fuelled a Flemish nationalism. The Volkunie lost support, simply because all its political goals were realized and it finally ceased to exist in 2001. The party split in a ‘left’ wing (Spirit) and a ‘right’ wing: the N-VA (The New Flemish Alliance).

N-VA was thus born out of the ashes of the Volksunie and is just like the Volksunie a Flemish nationalist party. Even though N-VA is relatively new in Belgian politics, it thus has quite a long political tradition. That doesn’t mean that N-VA has the same demands and political goals as its mother party, the Volksunie. To name just one example, where the Volksunie strived for and established a federalist Belgium, N-VA sees this legacy from the mother party as ultimately problematic. In contrast, N-VA strives for a ‘confederal’ Belgium in the short run and an independent Flanders in the long run. In the last decade this right wing nationalist party has gained a lot of success and anno 2012 the party has become the biggest political party in Flanders.

The discourse of N-VA is not only a radicalized version of the Flemish nationalist discourse of the Volkunie, but is also a radicalization of the discourse that is also being used by the other Flemish mainstream parties such as the Liberals of Open VLD or the CDV (Catholic Democrats) (Maly, 2012). Moreover, N-VA is not a Flemish nationalistic party that pretends to be open for left- and right-wing activists like the Volksunie did. On the contrary, N-VA, and certainly its chairman Bart De Wever, position N-VA as a right-wing, conservative Flemish nationalist party. N-VA’s nationalism is an updated version of an organic nationalism in the sense of Burke and Herder (Maly, 2012). What is more, just as in the writings of these main theorists of nationalism, the ideological nationalism of N-VA is filled with what Sternhell (2010) calls an anti-Enlightenment ideology. That means concretely that the N-VA nationalism is combined with a battle against the main values of what Israel (2001 & 2010) calls the Radical Enlightenment, namely equality, freedom and democracy. Just like all anti-Enlightenment thinkers, N-VA positions itself as virulently anti-individualist, anti-materialist and anti-socialist in particular (Maly, 2012).

N-VA and the multilayered communication of moderation

Even though N-VA promotes an anti-Enlightenment ideology and a radical separatist agenda (Maly, 2012), the party contrasts itself successfully with the extreme right Vlaams Belang (Flemish Interest). This self-image of the N-VA is picked up by the mass media in Flanders who portray N-VA as a moderate, centrum right and democratic nationalist party. This perception of the party and its electoral success is mainly due to its focus on smart and professional (mass)media communication. The communication of the party is characterized by what Kenneth Burke (1939) called the efficiency of the one voice, implemented through a total organization. The whole party speaks with the voice of De Wever (Maly, 2012). That’s no coincidence, as we learn from the book ‘De Ware De Wever’ (The True De Wever), but a well-considered political strategy. The journalist Kristof Windels who wrote this book while following De Wever daily during his election campaign for the local elections of 2012, mentions that all local N-VA candidates are trained and coached to avoid the freewheeling of one or more local sections of the party (Windels, 2012: 103). All communication by the party is pre-formulated, and nothing is a coincidence (Maly, 2012; Windels, 2012: 90). This pays off, as N-VA keeps all possible dissonance within the party behind closed doors.

This ‘one voice’-strategy already makes it clear that N-VA is quite conscious of the importance of mainstream media for their political project. The party has a multilayered communication strategy that not only focuses on the hard news, but also integrates performances in talk shows, quiz-shows, popular magazines and so on. N-VA, and especially its chairman, are omnipresent in all these media. In the more serious programs we see the dominance of De Wever as the great communicator of the party. His own rhetoric and that of his party is carefully constructed and avoids radical or racist connotation. The central instrument in this rhetoric is the packaging of the message in metaphors and euphemisms. For example, De Wever will never speak of the need of separatism (De Wever, 2010a) but instead speaks of the ‘high heteronomy costs of the blocked democracy of Belgium that can only be fixed if we go for confederalism’. The rhetorical packaging of the agenda thus serves to obscure the actual message.

It is important to stress that N-VA-politicians not only adjust their political communication to the news formats of the commercial media, but they also invest a lot in what Silverstein (2003) calls the ‘communication of identity’. The best-known example of this communication of identity is the mediatization of De Wever’s diet. Before 2012 De Wever was known as a heavily overweight politician. His obesity was even part of his image: De Wever was known as a politician who, like the common man, loved to eat Belgian fries and hamburgers. Even more, he made his weight the subject of numerous sarcastic jokes at his own expense. As a consequence of this self-mockery he gained the image of a funny man. He was seen as “one of us” (Rochtus, 2012).

So when in December 2011 he announced that he was going on a diet, it became big news (Maly, 2012). For several months all media in Flanders regularly reported on the progress that De Wever made with his diet. From highbrow political magazines such as Knack to popular gossip magazines such as Story, De Wever’s fight against his weight was news for more than 10 months. And this diet was quite successful, not to say spectacular. In 6 months he lost 60 kilos. This unusual metamorphosis was soon politically instrumentalized in the central slogan of the election campaign: “the power of change”. De Wever was the prominent face of this campaign. Even though these were local elections, and De Wever ran for the major of Antwerp, billboards with his face and the central slogan appeared in the whole of Flanders. He was and is the face of the party. He is “the power of change”.

In the last 5 years De Wever has become a truly Famous Fleming, which means that he isn’t only in the news, but he is also present in the tabloids, quiz-shows and entertainment shows. There he sells his identity as an intellectual and a man of the people, as a man who has the strength and courage to go on a diet, and a funny man with whom most Flemings would like to go out to have a beer. By communicating all these identities in all these different settings he can reach out to many different target audiences: he’s the intellectual and the common man, the hero and the victim of the political parties in Wallonia who are blamed to demonize him. His first breakthrough in this light was his performance in the very popular Flemish quiz show ‘The smartest man on earth’. The second time he participated in this quiz he not only showed himself as a funny man, he also showed himself, by ending second, as a smart man. An intellectual even, but an intellectual-of-the-people that also reads the tabloids. This status as intellectual is being enhanced by the Latin quotes that De Wever uses at strategic moments. The best know example is the Latin oneliner: Nil Volentibus Arduum (nothing is impossible if you want it). De Wever used this line not only when he won the elections in 2010, he also wore it on a banner when he ran the Antwerp 10 miles after losing his weight.

De Wever himself cherishes and also maintains this status as an intellectual in his opinion articles for papers as De Standaard and De Morgen. In these columns he regularly cites intellectuals such as Glucksmann, Proust, Fukuyama, Kohn, Weber, Cuperus, Machiavelli, Dukakis, Hayek, Friedman, Bush, Warren, Klein, Plasterk, Bredero, Dirks, Meijer, Lambert, Saul, Rawls, Hobbes, Locke, Rousseau, Kouchner, Billig, Mak, Bodifée, Knoop, Gantman, Abicht, Renan, De Tocqueville, Burke, Dalrymple, Clifford, Camus, Kant, Wittgenstein, Hume, Sartre, Canetti and Mommsen. By citing these intellectuals he not only gives his discourse a scientific aura, but even suggests that his political project incorporates the insights of these intellectuals and ‘thus’ his project is harmless: it’s ‘just science’. And so we see that both ways of communicating, the pure political communication and the communication of identity, are both deeply political. The one serves the same goal as the other.

Progressive journalists, Hroch and De Wever’s ‘scientific’ nationalism

The image of De Wever as an intellectual helps to feed the idea that his nationalism is in line with science. His nationalism is then different than the old nationalisms because, to use the words of the famous progressive Flemish columnist Tom Naegels, his nationalism has internalized “the critiques of postmodernism […] without taking over its excesses.” (2011: 7) Naegels therefore calls him “one of the most thoughtful, reasonable and nuanced voices […] within the context of the identity debate that in Europe has already being waged since the eighties and in the last ten years has erupted in all its severity.” (2011: 7) These statements are in many ways quite interesting. What strikes us first of all is the public support that is given to De Wever and his political project by this progressive columnist by writing these lines in the introduction for De Wever’s second book. As we have just seen, in that introduction Naegels positions De Wever as one of the most moderate, nuanced and intellectual voices within what he euphemistically calls ‘the identity debate’. Secondly, we see that the image of De Wever as a person is reflected in the qualification of his project. He is an intellectual and thus his project is also intellectual. De Wever, according to Naegels, ‘is a consistent advocate of a self-conscious, moderate and open nationalism’. (2011: 7).

To say something about De Wever is to say something about the political project of N-VA and vice versa. It is in examples like these that we see that the communication of identity by De Wever is deeply political. The self-image of De Wever and his perception of his own project are not being critically reviewed, but are reproduced as real truths. Even more strikingly, this self-image is being reproduced by journalists who are known to be rather left-wing. In that way De Wever appears in public perception to have the approval of the left wing.

We see the same phenomenon occurring in the already mentioned book The true De Wever. The author of that book, Windels, works as a (sports) journalist for the ‘progressive’ newspaper De Morgen. What is striking about the book is its complete lack of critique, it ‘just’ describes what happens. Windels mostly reproduces the image of De Wever as an intellectual. By following De Wever, Windels comes to notice that De Wever not only read Hroch’s ‘Social Preconditions of National Revival in Europe’, but that he uses the book as a manual for success in his own nationalistic project. Windels writes as follows:

Empirical research, De Wever reads it as some sort of manual for nationalists. ‘You find in it how you should do it’, summarizes De Wever. That’s why the work [of Hroch] made such a big impression on his assistant. He found it extremely tangible. Useable especially. How can you acquire public support for the idea of a nation? That actually stands in the booklet. What does it take? What guarantees ‘success’? Feel free to call it-with some exaggeration- De Wever’s ‘instruction booklet’ ’ (Windels, 2012: 109)

According to this journalist, De Wever uses Hroch to gain success for his own nationalistic project. That’s why De Wever’s discourse focuses

‘[…] on Migration. On safety. On financial transfers between Flanders and Wallonia. […]’ (Windels, 2012: 110).

Windels’s understanding of De Wever’s use of scientific writing is very similar to that of Naegels’s, namely that De Wever is in the first instance a scientist and an intellectual, and as a consequence that his nationalistic project is also completely new. His project is in line with science and, according to Windels, De Wever has left behind everything that was indefensible:

‘De Wever debated constantly with postmodernists during lunch break [at the University of Leuven]. ‘They sat with a whole bunch opposite of me, I sat lonely at the other side. That pures out your thinking. Then you let go of the standpoints that are unsustainable. All the classic nationalistic ideas I had to let go. There all the romance has been kicked out of my body. That wasn’t that hard, because these ideas were already quite loose. The idea that the nation and nationalism are a man-made idea, that I have accepted. No problem. But my defense is simple: everything is man-made.” (Windels, 2012: 113)

Windels, like Naegels, sees and portrays De Wever as an intellectual with an intellectual and scientific vision on nationalism. In that perception De Wever doesn’t stand for a romantic nationalism, his political project is understood as ‘rational’. They portray him as the man who reinvented nationalism so that it is free from the sins of the past. And this idea is constantly linked to the implicit and explicit labeling of De Wever as an intellectual, as a historian and as a former PhD student. The communication of identity is deeply political, it provides support for the nationalist project.

Scientific nationalism and the battle for banal nationalism

The idea that the political project of N-VA is a scientific project instead of a radical, (extreme) right and organic nationalistic political project, is off course an interesting selling argument in the contemporary mainstream media. Strikingly from this perspective, is that this image has also entered the scientific world.

In 2012 Dirk Rochtus from Lessius University College published the article “The rebirth of Flemish Nationalism: assessing the impact of N-VA Chairman Bart De Wever’s Charisma.” in Studies in Ethnicity and Nationalism. In that paper Rochtus – the former vice-chief of Cabinet of minister Bourgeois (N-VA) – in large extent reproduces the discourse of N-VA and its chairman De Wever and the media reporting on N-VA as scientific truths. The success of the party and its chairman is presented as results of what the ‘Flemings want’ and the charisma of De Wever. The project of N-VA is described as a purely democratic political project that has nothing to do with the old nationalisms or with the extreme right Flemish Bloc. The whole communication of N-VA on the nature of her project is simply taken to be true, without any analysis. Rochtus quotes several journalists and De Wever himself to underline the democratic nature of N-VA:

“The electoral victory was also a ‘moral’ victory for De Wever: Flemish nationalism in its democratic form captured a large section of the public vote, and the N-VA deprived the VB [Flemish Bloc] of its monopolization of the ideals of the Flemish Movement. Asked what the VB’s losses meant to him, De Wever answered: ‘the Flemish call for independence again becomes a negotiable and honourable [sic] endeavor For that reason June the 7th was an historical day’ (Van Baelen, 2009). ‘The Black beast has been tamed’, a leftist columnist exclaimed (Naegels, 2009), referring to VB’s defeat. On election day.”(Rochtus, 2012)

What strikes us while analyzing this citation is the fact that Rochtus not only reproduces the words of De Wever as mere truths that don’t need no investigation, he also reproduces the reproductions of the image of N-VA by journalists as scientific proof that De Wever is right about his statements on the democratic nature of N-VA. What De Wever says about N-VA is a fact, not something that needs to be scrutinized. By publishing this article Rochtus grants ‘scientific allure’ to the discourse of De Wever and underlines the image of De Wever as an intellectual.

What the progressive columnist, the journalist and the scientist miss to see, is that the nationalistic project of De Wever an sich isn’t new. De Wever doesn’t include the criticisms of all the intellectuals he cites on nationalism in his project. He just uses what is useful in these scientific researches to sell his nationalism as a moderate nationalism, a democratic nationalism cleared from all the dangers of the old nationalisms. But in reality De Wever thus uses science as a means to strive for classical nationalist hegemony.

From this perspective, there isn’t anything new about the N-VA project. If scratch of the rhetoric, we see that De Wever still tries to sell a very old nationalism. The fact that the above mentioned scientist and journalist don’t detect this, is a consequence of the lack of analysis of the N-VA-project. Rochtus, for example, doesn’t analyze the claims of De Wever, but uses the media-reporting as proof of that the rhetoric of the N-VA-chairman is a scientific fact. By doing so, Rochtus and mainstream media repeat the political communication from N-VA and the reproduction of that image in the mainstream press.

What is new is the package and the communication strategy, a strategy based on a selective reading of scientific work. What is useful on the level of discourse is incorporated in the general communication of the party. The point is that De Wever uses scientific research on nationalism for two reasons:

  1. To sell his nationalism as a safe nationalism, as a humanist and democratic nationalism of the 21st century that has nothing in common with the ‘wrong nationalisms’ of the 19th and 20th century.
  2. To increase insight in the growth of public support for a nationalist cause as a base for the communication strategy in the mass media.

We work out these two points in depth below. To illustrate point 1, we focus on how De Wever understands and uses the famous insights of Anderson who sees the nation as an imagined community. Point 2 will be illustrated with how De Wever uses the research of Michael Billig as a manual to banalize his Flemish nationalist project.

The redefinition of Anderson’s imagined community

From De Wever’s perspective, the view of him as an intellectual and his nationalism as simply reiterating scientific research will not be problematic. Indeed, if this perspective on his project is dominant, then it is a step closer to being normalized. Both of these perceptions establish and underline the idea that his nationalism is unproblematic, normal even. The problem with the suggestion that the nationalism of De Wever is in line with scientific research is that De Wever is quite selective in using the intellectuals whose work he refers to. He selects what is useful for his nationalistic project and discards every critical eye of these intellectuals on nationalism. Only what fits to position his project as a moderate, even a democratic project that’s free of all the sins of the past nationalisms is what he retains.

In the above citation we already saw an implicit reference to Anderson and, more specifically, to his understanding of nationalism as a construction. The fact that De Wever accepts this isn’t as revolutionary as one might imagine. It isn’t even a new idea within nationalist circles, for it echoes for example Renan’s famous speech ‘What is a nation’. Moreover, this acknowledgement by De Wever doesn’t alter in any way his organic view on the nation as we know to exist within the anti-Enlightenment tradition (Sternhell, 2010, Maly, 2012). That becomes especially clear in the use of the work of Anderson in the discourse of De Wever.

On the webpage for De Wever’s second book – Workable Values (2011) – De Wever acknowledges that Calhoun’s “Nations Matter” together with “ […] Social Preconditions of National Revival in Europe by Miroslav Hroch and Imagined Communities by Benedict Anderson laid the foundation of my thinking.”(De Wever, 2011a) It is therefore no coincidence that De Wever several times implicitly refers to Anderson’s famous concept . De Wever, especially when his concept of nationalistic identity comes under attack from political adversaries, suggests that he subscribes to the theory by Anderson. But, if we look closely we see that De Wever provides a rather peculiar interpretation of this theory:

“Identity is, however, no imaginary [ingebeeld] community. It is a represented [verbeelde] community. Yes, identity and nationalism are invented constructions, but all -isms are invented by humans. Are they therefore wrong?’ (De Wever, 2010b)

De Wever uses the ambivalence of the translation of the word “imagined” in Dutch strategically. Imagined can be translated in Dutch as ‘verbeeld’ [represented] and as ‘ingebeeld’ [imagined]. He uses this ambivalence to twist Anderson’s theory . Where Anderson stresses that the rise of capitalist communication media made it possible to imagine a nation, to invent and construct a nation that wasn’t there before, we see that De Wever stresses the fact that the nation is represented, but not imaginary. The nation according to De Wever is somewhere out there as an entity with one national identity. And this last point is interesting because it shows that De Wever uses Anderson to rehabilitate and give legitimation to an old nationalist idea: namely the nation as symbolized in one identity and carried by one language and culture. This becomes clear if we scrutinize all the statements by De Wever on this Flemish identity. If we do that, we see that De Wever stresses the fact that the nation is more than a construction:

“The Flemings are a community of six million people formed by destiny, who can recognize themselves as players of the same team because they have a name. We are “the Flemings”. We know exactly about whom we speak. The Flemings have a definite territory, a common history and a cultural pattern. That binds us to each other at such a level that we can communicate and act with each other more easily than with outsiders. […] There is also a subjective element. You should also want it. If you don’t want to be a Fleming you won’t recognize the objective factors. ‘ (De Wever, 2009)

In the first instance, the conceptualization of objective and subjective elements of the nation echoes Hroch. But whereas Hroch (2000: 11-13) speaks of objective political, social and economic relations between individuals and subjective relations which he understands as a ‘memory’ of some common past, a higher degree of social communication and equality of all members of the group, we see that De Wever sees the territory, the language, the culture and the history as objective factors. Relations become characteristics and subjective elements turn into objective elements. Even more, he positions these factors as things that are just there, not as results of a historic nationalist struggle. So if we scratch the surface of the scientific rhetoric, we find a classical Herderian definition of the nation as a group of people with a name, a territory, a culture and a common language. De Wever sees these as the objective elements of the nation, a definition that in this conception isn’t anywhere to be found in Anderson’s or Hroch’s work.

The concept of imagined community is filled by De Wever with a combination of two concepts of the nation. On the one hand, we distinguish a classical anti-Enlightenment concept of the nation as an organic community that connects all its members through the Dutch language (see f.e. De Wever, 2008a). On the other hand, we see a Renan-like conception of the nation (Renan, 1882) defined as ‘the will to be a Fleming’, the will to reproduce the nation. And to reproduce the nation, according to De Wever, we should cherish what he, like Renan, calls the narrative or mythical history (De Wever, 2012). Therefore De Wever advocates that school should not only teach ‘deconstructivist or factual history’;

‘But we must also know the value of the historical narrative. That historical stories are not just manipulations, but functional stories that connect people in a positive way with each other.’ (De Wever, 2012)

In short, we can establish already that the use of Anderson and Hroch’s concepts is nothing more than a strategic instrument to sell his nationalistic ideas as new, moderate and ‘scientific’. In reality, underneath the science-package we see a classic Herderian concept of the nation. What is more, science is instrumentalized to hegemonize that Herderian nationalism. Every Fleming has to see him- or herself as a Flemish nationalist: Flemish nationalism should become hegemonic. Not surprising, then, is the insight from Windels that the major lesson that De Wever has learned from Hroch is that ‘a nation is an idea that must conquer the heart and soul of the people’ (Windels, 2012: 110). To succeed in that operation, De Wever looks at another heavy-weight in the study of nationalism: Michael Billig.

N-VA, Billig and the battle for a banal nationalism

On several occasions, De Wever has pointed out that he strives for a banal nationalism in the sense that Michael Billig described it: ‘Unlike the nationalism of the established nations (or patriotism) Flemish nationalism doesn’t enjoy the luxury of what Michael Billig described as ‘banal nationalism’, an identity experience that’s not being questioned and whose expression is omnipresent but usually totally unconscious’ (De Wever, 2011b: 47). In De Wever’s perception, the objective basis for the Belgian nation is pulverized by the establishment of different communities (Flanders, Brussels and Wallonia). The establishment of these communities is a consequence of the battle waged by the mother party of N-VA: the Volksunie. The main problem for the nationalist project of N-VA, as De Wever sees it, is that although the battle of the Volksunie created an objective base for the Flemish nation (with its own public broadcasting company, own parliament, own government, etc.), the subjective will of all Flemings to form a nation is not yet strong enough. A lot of Flemings still see themselves as Belgians. De Wever sees the problem as follows:‘[t]he subjective will to form one [Belgian] community, is still stronger but is becoming less motivated from a classical patriotism viewpoint, but arises out of the cherishing of Belgium as non-nation, the country with surrealism as main binder.’ (De Wever, 2010b: 47 ).

So the challenge for De Wever’s nationalist project lies in the creation of the subjective will to form a Flemish nation: “Although the germs of such a banal nationalism in Flanders are present through the political and institutional system and the impact of the media, the strive to bring the Flemings as a community to political autonomy still has to be explicitly articulated.” (De Wever, 2010b: 48) Note here the intertextuality with Billig. De Wever wants a Flemish nationalism that is seen as completely ‘normal’ and natural, a nationalism that is implicit in all talk. De Wever’s goal is a nationalism that functions as a Barthesian zero point. Therefore the subjective basis of the nation has to grow; the Flemings should have the will to become one nation. All Flemings should see themselves as Flemish nationalists who then as a consequence want a Flemish state. Therefore N-VA has to win the Flemish souls (De Wever, 2011d).

 

When De Wever talks about this subjective will to form a nation, he not only echoes Renan’s famous paper, but he also points in the direction of Michael Billig’s Banal nationalism. De Wever has learned a lot from the work of Billig who, in his Banal nationalism, reminds us of the analysis by Roland Barthes. In his path-breaking Mythologies, Barthes (1959) points us towards normality as a site of power: the flag that hangs at the front of a city hall isn’t innocent or powerless. On the contrary, says Barthes, just the fact that nobody notices this flag shows its hegemonic status. Normality is thus the result of established power and that power shapes the views of people.

We can see in the policy and conduct of N-VA that the party has understood this point very well (Maly, 2012). ‘Communication’ is seen in a Whorfian way by N-VA: political talk is equaled with political deeds. ‘Communication’ is seen as an instrument to establish a banal Flemish nationalism. N-VA implements this strategy of normalizing the nation in several domains. Let us now have a look at examples from two domains where N-VA is fighting this ideological battle, namely the role of the mainstream media in the political project of N-VA and the “Flemish character”- policies on the city level.

Mainstream media and the construction of the nation

The mainstream media are seen as crucial instruments in realizing the nationalistic project of N-VA. Their media strategy is directed towards what they call ‘Flemish framing’ (Bracke, 2011). Bracke, now a top N-VA-politician but in a former life one of the leading political journalists in Flanders, regularly criticizes his former employer – the public broadcasting company of Flanders – for promoting the Belgian identity by making programs with titles such as “Made in Belgium” or programs focusing on Belgian scientists or Belgian musicians instead of Flemish ones. We see another instance of this framing in the policy of the N-VA politician and former Minister for Media Geert Bourgeois who wanted to install a quota for Flemish music on the radio. To summarize, we can say that the central element in N-VA’s media strategy is the instrumentalization of the public broadcasting company for the normalization of Flemish nationalism as something uncontroversial and realistic, a Barthesian zero point.

In practice this means that the Flemish public broadcasting (VRT) company should not only promote and help construct the Flemish identity, but it should also not depart from the Flemish nation as its only frame of reference. Therefore not the Belgian national holiday should be celebrated and broadcasted, but the Flemish one. Thus, when in 2011 the VRT would not cover ‘The Gulden Ontsporing’ (a free festival to celebrate the Flemish holiday), Wilfried Vandaele, a Flemish MEP for N-VA, reminded the Minister of Media, Ingrid Lieten that ‘ […] the management agreement clearly [states] that public service broadcasting must strengthen the Flemish identity. Perhaps we should be even clearer in the management agreement that a presence in Brussels on the Flemish holiday is essential.’ (Vandaele, 2011) Public broadcasting services are being understood as necessary instruments to strengthen the subjective will of the Flemish to form a nation. Bracke summarizes this view as follows: ‘ The money of the public broadcasting company should not only be used to create programs’ […] ‘ It can also be deployed in the battle for the soul.’ (Bracke, 2011) Aside from this ‘framing’ policy, the party invests a lot in their political communication. “If one wants to sell his ideas”, says De Wever, “you should try to impose your political language on your opponent. You catch flies with honey, not with vinegar” (De Wever, 2008a: 16).

In line with this, De Wever never speaks of separatism, but instead speaks of the need to restructure Belgian society because of the high heterogeneity costs (De Wever, 2010a). Of course, the underlying message is the same; N-VA strives for an independent Flemish nation. Language and semiotics are seen and being consciously used by N-VA as building blocks for the normalization of the Flemish nation, to build on the subjective will of all Flemings to establish a Flemish nation state. N-VA stands for a ‘hot nationalism’ but puts it in the package of a ‘banal nationalism’.

The nation and the national inspirations of the party are seldom made explicit. On the contrary, in the N-VA-discourse they are constantly used implicitly, as a normality (Maly, 2012). De Wever doesn’t speak about the need for a Flemish nation, but instead he speaks of the need to unblock the Belgian democracy. Note, by the way, that implicitly we see that N-VA is using a rather peculiar definition of democracy. Democracy in the discourse of N-VA isn’t based on freedom, equality, and a constitution like in the Enlightenment tradition (Paine, 1791, Israel, 2010). Democracy, according to De Wever, is based on an identity:

‘Identity gives the answer to the question who belongs to the people and who doesn’t. In that way it creates a democratic community.’ (De Wever, 2011a: 16)

A healthy democracy, according to N-VA, can only be built on one language, one culture and one public opinion. More democracy equals more nationalism in the discourse of N-VA (Maly, 2012). By using this rhetorical strategy, De Wever projects an image of moderateness. By doing so, the nationalistic project of N-VA is redefined as a purely democratic project and thus not to be mistaken for an extreme right or exclusive nationalism. Their separatist agenda is being sold as a democratic battle: the hot nationalism comes in the disguise of a banal one and that isn’t a coincidence.

The city and the construction of the nation: the case of Aalst

Of course this quest for a Flemish nation isn’t restricted to the context of media. Since the city elections of 2012, N-VA is one of the ruling parties in a lot of cities. As a result, we see in cities like Brasschaat, Wijnegem and Aalst the emergence of a new department: a department of Flemish affairs with an N-VA politician as alderman of Flemish affairs. In Aalst, Karim Van Overmeire, a former member of the racist and extreme right Vlaams Belang, takes up this position for N-VA. Even though the policy of the newly elected coalition isn’t available yet, we can get an idea of what policy N-VA has in mind to keep Aalst a Flemish city by looking at the program of N-VA on this issue. A central idea underlying all the propositions is the idea that Aalst has ‘a Flemish character of its own’ (N-VA Aalst, 2012) that is threatened by immigration of people from the big city of Brussels. This arrival of ‘people with other languages’ is a threat ‘to the social cohesion, and is a source of annoyance and concern with the real native population of Aalst’(N-VA Aalst, 2012). Immigration of French-speaking Belgians and non-Belgian migration is seen as a danger. That immigration could (possibly) degrade Aalst to a ‘never ending growing suburb of Brussels’ (N-VA Aalst, 2012). To face these threats, says the brochure, a position for an alderman of Flemish Affairs and Integration has to be created and installed. N-VA Aalst lays out five tracks to conserve this authentic Flemish city by the alderman:

‘1. an open and honest communication to the general public about these issues.

2. maximally slowing down the inward migration, and the import of poverty and backwardness.

3. additional efforts of the local government for the civic integration policy.

4. to prevent ghettoisation.

5. community-enhancing measures.’ (N-VA Aalst, 2012)

We can group the points mentioned into three domains: 1. Communication (1&5), 2. Stopping migration (2) and 3. Integration (3&4). We can see the first four points as a basis for understanding point five that concerns us here the most. The implicit idea underlying all these tracks is the classic nationalist myth of an authentic community of, in this case, real and authentic Flemish people of Aalst that talk Dutch. This is seen as a lost ideal that is threatened by migration. The migration, according to N-VA, is being facilitated and created by the policies of the federal government on the one hand, and the fact that Aalst is geographically situated near the Belgian capital Brussels on the other. Brussels is seen as the cause of the ( undesired) migration towards Aalst. That migration – note that this ‘bad migration’ is equaled with the import of poverty and backwardness – has to be stopped: ‘The policy should aim to keep Aalst compact and livable and thus the city can’t grow any further either in surface, or in number of inhabitants.’(N-VA Aalst, 2012) The city has, according to N-VA, some instruments at hand to do this. If all these measures fail, the migrants have to be integrated to prevent ghettoisation.

For integration to succeed, as De Wever stressed before (2011c), it is a condition sine qua non that there is a strong (Flemish) community with a strong identity, and that’s where track five comes in. This track is introduced by the following sentences:

 

            “For the N-VA, there should be no doubt that Aalst is a Flemish and Dutch city. By         communicating this clearly and behaving consistently, it helps the process of      integrating new residents that speak a foreign language (both French-speaking           Belgians as well as people from other countries).” (N-VA Aalst, 2012)

Note here that N-VA stresses the need of communicating Aalst as a Flemish city where one speaks Dutch as a means to help the integration of new residents. Communication is seen as a central element in the community-building policy of N-VA. Aalst has to be communicated as a Flemish city and therefore N-VA proposes the following communication measures:

  • The strict application of the language legislation in administration (in particular at the counters); only Dutch in the city schools. Only Dutch in childcare.
  • To install a new type of welcome board at the borders (by analogy with various municipalities in Flemish Brabant), new type of street signs, with the icon of the Flemish lion on it and with the street name also mentioned in the local dialect.
  • The flagging of city buildings and the streets: only the flag of the city and of the region. In the towns: the former flag of the municipality also.
  • To promote businesses with a Dutch name in Aalst
  • 11-July-celebration as fully-fledged and contemporary celebration of our [Flemish] national day
  • Consistent reference to the use of Dutch at concessions, permits and authorizations.
  • Spreading a (Flemish) party flag among the inhabitants.

The alderman of Flemish affairs, according to N-VA, should deploy a multilevel plan to construct a national identity. Central to this plan aiming at the banalization of the nation is communication by introducing new street signs, by distributing the Flemish flags, by promoting Dutch shop names, etc. In all this communication we see that Billig’s Banal nationalism is used as a kind of manual. The task of the alderman is to make sure that the Flemish nation is flagged constantly. Concretely, we thus see that N-VA wants the normalization of a hot nationalism. To build a new nationalistic community, N-VA focus on a multilevel strategy: from the mainstream media to the classical political alderman: all are used as platforms to create that homogenous identity in a time of super-diversity.

Conclusion

In this paper I have demonstrated how N-VA and their chairman in particular instrumentalizes scientific research on nations and nationalism for their battle for a Flemish nation. Concretely we established that these scientific authors are used for two goals. The first goal is to project the image that N-VA is striving for a moderate, even a democratic nationalism that is ‘scientific’ in that it is presented as building on established analyses of nationalism. Their nationalism is free from all the faults of the nationalisms of the past. The party creates this image by using the main concepts of famous scholars on nationalism in their own discourse, such as Anderson’s imagined community or Billig’s banal nationalism. This image of the N-VA nationalism as a scientific nationalism is strengthened by the communication of identity by De Wever: he is not only active as a politician in the public debate, but also makes frequent use of the label of intellectual and historian to refer to himself. In his columns in the newspapers De Standaard and De Morgen he regularly cites all the leading intellectuals on nationalism. The result of this strategy is the normalization of the Flemish nationalistic project of N-VA.

The scientific package makes the nationalism acceptable for the wider audience because it gets an intellectual and safe image. Underneath this scientific package though, we see a classical Herderian nationalism based on the idea of a homogenous nation with one people, one identity, one language, one history, one culture. The scientific research doesn’t alter the nationalistic project as such, but is being instrumentalized to create a homogenous people with one identity as a basis for the establishment of an independent Flemish nation.

Here we see the second use of the scientific research in the project of N-VA. Scientific research like that of Hroch and Billig are being used as manuals for the hegemonization of the Flemish national identity and support for the nationalist cause of N-VA. The media communication of the party and especially the policy of the aldermen of Flemish affairs are directed to banalize Flemish nationalism. The party ignores the criticisms voiced by these intellectuals and uses their analysis to hegemonize Flemish nationalism. This ‘scientific’ nationalism is only scientific in the way it uses science as a manual to establish a banal Flemish nationalism as a major step in realizing an independent Flemish nation.

Bibliography

Althusser, L. (1971). On ideology. London: Verso.

Anderson, B. (1983). Imagined communities: reflections on the origin and spread of nationalism. London: Verso.

Barthes, R. (1957). Mythologies. New York: Hill & Wang.

Billig, M. (1995). Banal nationalism. London: Sage.

Blommaert, J. (2011). The long language-ideological debate in Belgium. Journal of Multicultural Discourses, 6(3), (pg. 241-256). London; New York: Routledge.

Blommaert, J., Rampton, B. & Spotti,M. (eds). (2011). Language and superdiversity. In Diversities.Vol. 13. NO.2. 2011.

Burke, K. (1939-1940). The Rhetoric of Hitler’s ‘Battle.’ (Pg. 61-81). In Shapiro, M. (1984).     Language and politics. Oxford: Basil Blackwell.

Bracke, S., (2011). Siegfried Bracke: VRT niet Vlaams genoeg. In De Standaard, 23 februari 2011: http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=UN36MULFenkanaalid=1597ens=1

De Bens, E. (2001). De Pers in België. Het verhaal van de Belgische dagbladpers. Gisteren,      vandaag en morgen. Tielt: Lannoo.

De Wever, B., ( 2012). Wat Lisa Simpson ons over onszelf leert. Essay Bart De Wever over geschiedschrijving en verhalen vertellen. In De Standaard, 24 maart 2012. http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=VB3NSP2D

De Wever, B. (2011).Werkbare Waarden. Kalmthout: Pelckmans.

De Wever, B. (2011a). Advertising site of Workable Values. http://www.werkbarewaarden.be/bart-de-wever/boekentop

De Wever, B. (2011b). Liberalisme en nationalisme. (Pg. 39-48). In De Wever, B. Werkbare Waarden. Kalmthout: Pelckmans. Pg. 47.

De Wever, B. (2011c). Sociaal houvast. (Pg. 116-118). In De Wever, B. Werkbare Waarden. Kalmthout: Pelckmans. (in De Standaard, 2 februari 2010).

De Wever, B. (2011d). Voluit Vlaamse zieltjes winnen. in De Standaard. 7 oktober 2011: http://www.n-va.be/nieuws/opinie/voluit-vlaamse-zieltjes-winnen

De Wever, B., (2011e). ‘Dear Friends, fellow nationalists, what is a nation?’ in De Morgen, 24 oktober 2011.

De Wever, B. (2010a) ‘Een mens die niet verandert, is een saai mens ‘De Wever en Bracke over politiek, IJzertorens en het Vlaamse lied: http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=6C2PU6PI in De Standaard, 8 mei 2010

De Wever, B. (2010b). ‘Identiteit kan een samenleving sterker maken. In De Redactie.be, 28 september 2010: http://www.deredactie.be/cm/VRTnieuws/politiek/1. 872919

De Wever, B., Nieuw-Vlaams magazine, december 2009: Een Vlaming bestaat wel: http://www.n-va.be/files/default/generated/ledenmagazine/n-vm10-09. Pdf

De Wever, B. (2008). Het kostbare weefsel. Vijf jaar maatschappijkritiek. Kapellen: Pelckmans.

De Wever, B. (2008a). Intellectuele eerlijkheid. (Pg. 15-21). In De Wever, B. Het kostbare weefsel. Vijf jaar maatschappijkritiek. Kapellen: Pelckmans. (in De Standaard, 16 augustus 2003). Pg. 16.

Hobsbawm, E. (1992). Nations and nationalism since 1780. Cambridge: Cambridge University Press.

Hroch, M. (2000). Social preconditions of national revival in Europe. A comparative analysis of the social composition of patriotic groups among the smaller European nations. New York: Columbia University Press.

Maly, I. (2012). N-VA. Analyse van een politieke ideologie. Berchem: EPO.

Naegels, T. (2011). Woord Vooraf. Het boek is beter (pg.7-12). In De Wever, B. Werkbare Waarden. Kapellen: Pelckmans.

N-VA Aalst (2012). Verkiezingsprogramma Aalst 2012: http://aalst.n-va.be/verkiezingen2012/programma

Israel, J. (2010). A revolution of the mind. Radical Enlightenment and the intellectual origins of Modern Democracy. Princeton; Oxford: Princeton University Press.

Israel, J. (2011). Democractic Enlightenment. Philosophy, Revolution, and Human Rights 1750-1790. Oxford & New York: Oxford university Press. Naegels, T. (2011). Woord Vooraf. Het boek is beter. (pg.7-12). in De Wever, B. Werkbare Waarden. Kapellen: Pelckmans.

Paine, T. (1791). Rights of Man, part the first. Being an answer to mr. Burke’s attack on the French revolution. (pp. 61-169). In Paine, T. & Linebaugh P. (2009). Peter Linebaugh presents Thomas Paine: rights of man and common sense. Verso, London, New York.

Renan, E. (1882). What is a nation (Que’est-ce que’une nation?): http://ig.cs.tu-berlin.de/oldstatic/w2001/eu1/dokumente/Basistexte/Renan1882EN-Nation.pdf

Reynebeau, M. (1998). De Vlaamse Beweging, een geschiedenis. In Swyngedouw, M. & Martiniello, M. Belgische toestanden. De lotgevallen van een kleine bi-culturele democratie. Antwerpen: Icarus, Anthos.

Reynebeau, M. (2009). Een geschiedenis van België. Tielt: Lannoo.

Rochtus, D. (2012). The rebirth of Flemish nationalism: assessing the impact of N-VA chairman Bart De Wever’s charisma. Studies in Ethnicity and Nationalism, 12: 268–285. doi: 10.1111/j.1754-9469.2012.01174.x

Roosens, A. (1981). De Vlaamse kwestie. ‘Pamflet’ over een onbegrepen probleem. Leuven: Kritak.

Silverstein, M. (2003). Talking Politics. The substance of style from Abe to ‘W.’ Chicago: Prickly Paradigm Press.

Sternhell, Z. (1995). Neither right, nor left: Fascist ideology in France. Princeton, New Jersey: Princeton University Press.

Sternhell, Z., (2010). The Anti-Enlightenment Tradition. New Haven; London: Yale University Press.

Vandaele, W., N-VA persbericht, 29 juni 2011: De Gulden Ontsporing moet op de VRT. http://www.n-va.be/nieuws/persberichten/de_gulden_ontsporing_moet_op_VRT

Vos, L. (1999). Van België naar Vlaanderen (Pg. 91-102) In Deprez, K. & Vos, L. Nationalisme in België. Identiteiten in beweging 1780-2000. Antwerpen, Houtekiet.

Vos, L. (1994). De nationale identiteit in België. Een historisch overzicht . (Pg 120-150) In Detrez, R. & Blommaert, J. Nationalisme, kritische opstellen. Berchem: Epo.

Wils, L. (1992). Van Clovis tot Happart. De lange weg van de naties in de Lage Landen. Berchem: Garant.

Windels, K. (2012). De ware De Wever. Portret van de populairste politicus van het land. Gent: Borgerhoff & Lambergts.

 


[i] The Royal Question refers to the political conflict surrounding the question whether King Leopold III should return to Belgium after World War II. This question was part of a referendum in Belgium. A small majority of the Belgian voted for his return.

Democratie in tijden van superdiversiteit

Over de nood aan utopistiek

“De multiculturele samenleving is failliet. In naam van de vrijheid geen hoofddoeken aan het loket. De islam bedreigt onze waarden. De tolerantiedrempel is overschreden. Er is dringend nood aan actie, de tijdbom tikt”, zo bulderen vele politici al jaren.

De multiculturele samenleving staat in onze mediadebatten al decennia synoniem met problemen. Het is echter niet de multiculturele samenleving die failliet is – die is immers een feit, of we dat nu leuk vinden of niet. Meer nog, we leven vandaag niet langer in een multiculturele samenleving, maar in een superdiverse samenleving. Niet die samenleving is failliet, maar het beleid ten aanzien van die superdiversiteit is bankroet. Het beleid resulteert al jaren in de feitelijke afbouw van onze democratie. De vaak hysterische mediadebatten fungeren zo als politiek-ideologische instrumenten voor de constructie van andere samenlevingen. In deze debatten rijgt men de ene sappige oneliner aan de andere hyperbool. Het multiculturele debat wordt in apocalyptische termen gevoerd. Het hoeft geen betoog dat dit ons weinig vooruit helpt. Dergelijk bombastisch taalgebruik is niet geschikt om onze samenleving empirisch te analyseren. Daarvoor hebben we een concreter en nauwkeuriger arsenaal nodig. Het is immers enkel door de complexiteit van de samenleving van vandaag te beschrijven en in rekening te brengen dat we kunnen werken aan een betere samenleving voor morgen.

In deze paper schets ik de contouren van een toekomstperspectief op een goede samenleving, een samenleving die de superdiversiteit een plaats geeft terwijl ze de democratie opbouwt en verdiept. Ik doe dit door het huidige debat in een historisch perspectief te plaatsen. Meer bepaald ga ik na welke lessen de radicale verlichtingsdenkers ons kunnen leren. Daarvoor zoom ik in op democratie, mensenrechten en het universalisme van verlichtingsdenkers als Paine, Condorcet en Jefferson. Vervolgens schets ik de samenleving waar we vandaag in leven, namelijk een superdiverse en door en door geglobaliseerde samenleving. Ik ga daarbij na wat die realiteit betekent voor het democratisch gehalte van onze samenleving. Ik eindig met een pleidooi voor het investeren in een utopistiek rond democratie en superdiversiteit.

Een verkorte versie van deze analyse verscheen DenkMee-krant van Jong CD&V

Het multiculturele debat en de tirannie van de meerderheid

De multiculturele samenleving zorgt al meer dan twee decennia voor verhitte en circulaire debatten (Maly, 2007 & 2009). De dominante thema’s waarover mediafiguren debatteren zijn opvallend gelijkaardig en komen steeds terug. Van de hoofddoek tot halalvlees, van een gebrek aan integratie tot radicalisering en terrorisme; om de zoveel tijd beheerst één van deze thema’s het mediatieke debat. Deze debatten kleuren niet alleen onze blik, ze veranderen de samenleving.

Vooruitgang is in die debatten zelden te bespeuren. Dezelfde (schijn)argumentaties komen steeds terug, ook al had de argumentatie al van in den beginne niet veel om het lijf. Diversiteit wordt in al die debatten niet zelden voorzien van een associatie met problemen. Problemen die, afgaande op die mediadebatten, vooral door moslims veroorzaakt zouden worden. De vaststelling dat onze samenleving niet langer multicultureel is, maar superdivers belooft dan ook niet veel goeds voor veel publieke opiniemakers en politici. Teveel diversiteit wordt gezien als “a recipe for disaster”. De oplossing voor die diversiteit wordt gevonden in inburgering: ze moeten zich cultureel inpassen in “onze cultuur”.

Die gedachtesprongen vertellen veel over hoe we als samenleving omgaan met deze nieuwe superdiverse realiteit. Ze tonen niet alleen een intellectuele armoede, ze zijn het gevolg van een ideologisch project dat haaks staat op een superdiverse en geglobaliseerde wereld en op ramkoers ligt met een verlichte samenleving, met een democratie. Willen we als samenleving en als mensheid democratisch omgaan met die superdiversiteit, dan is het hoog tijd om een heel andere weg in te slaan.

Sommige lezers zullen na het lezen van bovenstaande alinea’s waarschijnlijk de opmerking maken dat het hele inburgeringsbeleid en de mediadebatten over die superdiverse samenleving net in het teken staan van de democratie. Want, kunnen zij aanvoeren, die debatten staan krom van de engagementen aan de democratie. Het hele inburgeringsbeleid wordt toch in de markt gezet als een instrument tot emancipatie en gelijke kansen? De mediatieke aanvallen op de islam worden toch gevoerd onder de vlag van de democratie? Om de democratie te vrijwaren, zo voeren die intellectuele elites in de talloze mediadebatten dan aan, moeten zij inburgeren, want ‘hun cultuur’ of ‘hun religie’ zou botsen met ‘onze waarden’.

Vanuit een historisch en democratisch perspectief is die visie echter uiterst problematisch. Maar ook met de blik op de toekomst gericht biedt deze visie geen toekomstperspectief die werkelijk in staat is een goede samenleving op te bouwen. Democratie wordt in die discoursen niet alleen begrepen als een eigenschap van ons, van onze samenleving, maar ook als een instrument voor exclusie in plaats van inclusie. In die debatten wordt democratie niet gebruikt in haar historische en dus ideologische betekenis, maar als een cultuurkenmerk van ‘ons’. Wij zijn dan democraten, wij aanvaarden de scheiding kerk en staat, wij zijn voor gelijkheid man en vrouw, … En zij? Zij worden afgebeeld als ons spiegelbeeld.

We kennen deze riedeltjes ondertussen al en weinigen stellen er zich vragen bij. We zouden dat nochtans beter wel doen; dan pas worden de verborgen agenda’s en de gevolgen duidelijk. Vooreerst is het opmerkelijk dat deze ‘cultuurkenmerken’ slechts een zeer summiere selectie zijn van de rechten die we kennen als de mensenrechten. Bovendien zijn het net die waarden die in het dominante discours over de islam worden gezien als on-islamitisch. Meteen wordt ook duidelijk dat dit net het doel is, die waarden worden opgerakeld als onderscheid tussen ‘ons’ en ‘de ander’. Een hoofddoek wordt dan meteen neergezet als een eenduidig symbool van onaangepastheid, van fundamentalisme en onderdrukking. En dus moet de hoofddoek in naam van de vrijheid verdwijnen. Om de vrijheid te vrijwaren, moeten ‘we’ ‘hun’ godsdienstvrijheid opofferen. Zij moeten worden als ‘wij’; enkel dan kunnen ze vrij zijn. Enkel dan is men neutraal, aldus intellectuelen als Vermeersch.

Neutraliteit in deze betekenis is natuurlijk het platweg opleggen van één visie aan anderen. Ze is met andere woorden onderdrukkend en heeft met vrijheid niets van doen. Ze is gebaseerd op de macht van één groep over de andere. Dat is geen democratie, maar een tirannie van de meerderheid. In tijden van superdiversiteit is een dergelijke benadering van de samenleving gedoemd om te leiden tot polarisering, onderdrukking en conflicten. Het idee van godsdienstvrijheid gestoeld op de scheiding van Kerk en Staat was dan ook niet toevallig een idee dat rijpte in tijden van godsdienstoorlogen. Locke pleitte in zijn “on toleration” voor godsdienstvrijheid, inclusief het belijden van die godsdienst in groep en in het openbaar. Het was volgens hem aan het individu om te bepalen wat hij geloofde of niet geloofde, de staat had daar – zolang die de beleving van de civiele rechten van anderen niet schond- volgens hem niets in te zeggen. Spinoza, Paine en bij uitbreiding alle radicale verlichtingsdenkers pleitten niet louter voor tolerantie, maar zagen godsdienstvrijheid en vrije meningsuiting als een recht voor eenieder. Dit recht was voor deze radicale verlichtingsdenkers een van de vele onvervreemdbare rechten die alle mensen hadden. Willen we de democratie en de mensenrechten overeind houden, dan kunnen we dus maar best onze geschiedenis kennen. Anders verkoopt men ons een dictatuur in naam van de democratie.

Democratie en mensenrechten

Democratie en mensenrechten zijn twee zijden van dezelfde medaille. De mensenrechten zoals die tot uiting komen in de Franse en Amerikaanse verklaring van de 18de eeuw spruiten voort uit de intellectuele traditie van de radicale verlichtingsdenkers en vormen de basis van een verlichte democratie. Deze radicale verlichtingsdenkers, in tegenstelling tot hun gematigde collega’s zoals Hume, Voltaire of Kant, hielden onverkort pleidooi voor democratie en mensenrechten. Zij schonken ons de ideeën dat we allen geboren worden met dezelfde, onvervreemdbare rechten; dat we allen vrij en gelijk zijn en dat de staat een instrument is voor alle burgers om deze rechten te garanderen en te verwezenlijken. Dat zijn tevens de fundamenten van een democratie.

Condorcet, die mee de pen vasthield van de eerste versie van La Declaration, zag de Mensenrechten als een instrument om een goede samenleving op te bouwen. De mensenrechten waren volgens hem lang niet volledig, maar moesten gaandeweg uitgebreid worden zodat ze het geluk van eenieder konden vergroten. Volgens de verlichtingsdenkers was de democratie het systeem bij uitstek om die rechten te garanderen. Ten grondslag van de democratie ligt namelijk het idee dat we allen gelijk zijn en dat we dus allen dezelfde rechten hebben.

De democratie moet er dan ook zijn voor eenieders belangen en niet alleen voor de belangen van de meerderheid. Immers, zodra de meerderheid zijn wil doordrijft ten koste van de minderheden leven we niet meer in een democratie, maar in een despotisch regime. Dat is de reden waarom Rousseau een onderscheid maakte tussen “the will of all” en “the general will” (Todorov, 2010). “The will of all” is de mechanische som van de verschillende stemmen en zou in theorie unaniem moeten zijn, maar in de praktijk betekent ze voor Rousseau de stem van de meerderheid. “The general will” daarentegen neemt de verschillen in rekening. De basis van die algemene wil is dus het idee dat we allen gelijk zijn voor de wet en dat dus geen enkele burger kan uitgesloten worden of als inferieur beschouwd worden. Deze algemene wil is dus niet de som van de verschillende individuele identiteiten en meningen, maar bestaat uit het zoeken naar een algemeen belang dat alle verschillen recht aan doet.

De verlichte democratie is onvermijdelijk gestoeld op “the general will”. Enkel daardoor kan ze verbinden, ze tracht de belangen en rechten van eenieder in de samenleving te realiseren en niet het belang of de visie van de meerderheid te realiseren ten koste van de minderheden. Verkozenen in een democratie moeten dus regeren in het belang van alle onderdanen, niet alleen in het belang van degenen die hen verkozen hebben. Vanuit deze opvatting van democratie heeft iedereen dan ook te winnen met democratie. De reden waarom de tweede Belgische revolutie in 1830 slaagt, is omdat ze vertrekt vanuit dit perspectief. Enkel zo wordt een gemeenschappelijk strijddoel geschapen voor zowel katholieken en liberalen. De Belgische natie moest ‘[…] voortaan bestaan uit gelijke staatsburgers met als leuze ‘vrijheid in alles voor allen’. (Wils)

Vanuit dit historisch perspectief op democratie als filosofisch en politiek idee leren we twee zaken. Ten eerste zien we dat de zogenaamde verlichtingsadepten in het huidige maatschappelijk debat een geperverteerde visie van democratie en mensenrechten naar buiten brengen. Ten tweede leren we dat deze historische visie op democratie binnen het radicale verlichtingsdenken uitermate relevant is in de huidige context van globalisering en superdiversiteit net omdat ze vertrekt vanuit natuurlijke en onvervreemdbare rechten van elk individu en niet vanuit de dominantie van de meerderheid.

Universalisme

Een derde ingrediënt die deze radicale verlichtingsdenkers ons twee eeuwen geleden aanreikten was universalistisch denken. Veel van deze intellectuelen leefden niet binnen de contouren van één grondgebied maar in een globale wereld. Thomas Paine vocht in Ierse revoluties, was in Amerika ten tijde van de Amerikaanse revolutie en in Frankrijk ten tijde van de Franse revolutie. Thomas Jefferson verbleef niet louter in Amerika, maar trachtte vanuit Parijs de Amerikanen te overtuigen om de Franse revolutie te steunen. D’Holbach studeerde net zoals Voltaire in Leiden. Hume bezocht dan weer zijn Franse geestesgenoten enz enz. Niet alleen hun dagelijkse praktijk was globaal, ook hun denken was kosmopolitisch.

De verlichting is vanaf de start heel duidelijk universeel georiënteerd (Sternhell, 2010). ‘Universalism was one of the quintessential characteristics of the Enlightenment’, schrijft Israel (2011). De filosofen dachten volgens Hobsbawm (1962) niet in national(istisch)e termen, maar in termen van universele eenheid van de mensheid. En ook Israel (2011) benadrukt dat: ‘[…] the concept of distinct ‘national’ enlightenments seems to me altogether invalid […]’. Iedere mens, waar ook ter wereld, heeft dezelfde natuurlijke en onvervreemdbare rechten.

De mensenrechten waren voor hen per definitie universeel en dus geldig voor elk individu. Bovendien waren die rechten onvervreemdbaar. Iedereen was er onverkort eigenaar van en niemand mocht deze rechten inperken, ook democratisch verkozen leiders niet. Condorcet pleitte in de 18de eeuw niet alleen voor gelijke rechten voor man en vrouw, hij hield ook vurige pleidooien voor gelijke rechten van zwarten en voor de afschaffing van de slavernij. Meer nog, deze denkers waren niet louter papieren tijgers, ze streden actief voor een betere samenleving. Zo was Condorcet ook sterk actief in de lobbygroep “Society of the friends of Negroes” die actief ijverde voor de gelijkberechtiging van zwarten in tijden dat dit lang niet evident was.

Filosofie stond dus niet los van de samenleving, maar was net een fundament van maatschappelijke en politieke actie. Condorcet droomde van de vrolijke revolutie. Hij wijdde er niet alleen essays aan, hij voegde de daad bij het woord in de eerste revolutionaire regering van Frankrijk. Paine en Barlow hielden een stevig pleidooi voor wat zij een ‘generale revolutie’ noemen tegen vooroordelen en onwetendheid. De verlichte revoluties zijn ook geslaagd in hun universele opzet. Niet alleen zijn de ideeën die deze revoluties gevoed hebben universeel (de radicale verlichtingsdenkers beroepen zich niet louter op een globaal intellectueel debat, ze spelen ook leentje buur bij de oude Grieken, bij de islamitische freethinkers en bij Indische denkers enz.), ook in de praktijk heeft hun strijd universele gevolgen. Paine stelt over de Franse Revolutie heel duidelijk dat ‘there was little that was inherently French about the democratic ideology premeating the Revolution of 1789-1792’, (Israel 2010) Ook Hobsbawm komt tot deze conclusie in zijn klassieke werk ‘The age of revolution’: ‘All of them [de Franse revolutionairen; IM] therefore conceived of revolution as unified and indivisible: a single European phenomenon rather than an aggregate of national or local liberations.’ (Hobsbawm, 1962). Israel (2011) wijst ons er in dit kader zelfs op dat de Nederlandse, Britse, Franse en Duitse verlichtingsdenkers invloed kenden over de hele wereld. Hun ideeën circuleerden in Rusland, Scandinavië, Oostenrijk, Polen, Spanje, Portugal, Griekenland, Amerika en Egypte.

Superdiversiteit en de herschaling van de democratie

Als we ons nu concentreren op de realiteit van vandaag, dan zien we dat deze historische uitstap heel interessante ingrediënten oplevert die oplossingen aanreiken voor de huidige realiteit. Die realiteit is er niet alleen één van globalisering en superdiversiteit, maar steeds meer ook een realiteit van ongelijkheid en democratische afbraak. Bovendien hangen al deze fenomenen in een heel complexe dialectiek samen. Willen we nadenken over een toekomstige goede samenleving, dan dienen we ons bewust te zijn van de complexe realiteit waarin we leven en de samenhang tussen de aangehaalde evoluties. Ik doe hier een summiere en dus onvolmaakte poging.

Sinds de val van de Berlijnse muur stellen we wereldwijd ingrijpende veranderingen vast in migratiegolven en patronen. Simpel gesteld: vòòr de val van die muur en vòòr de verdere eenmaking van de Europese unie zagen we geen Bulgaarse of Poolse nummerplaten rijden op onze wegen. Vandaag zijn die er wel. Vandaag leven we niet meer in een Belgische samenleving met enkele migranten, we leven in een superdiverse samenleving. Superdiversiteit is vandaag de norm – niet ‘Vlaams’. 50% van de leerlingen in onze grootsteden hebben een migratieachtergrond. Op het Belgisch grondgebied leven mensen met roots in bijna 200 verschillende landen. Diversiteit is geen randfenomeen meer. Empirisch gezien is “dé Vlaamse samenleving” – in de zin van 1 volk, 1 natie, 1 taal en 1 cultuur- een fictie. Het is een ideologisch beeld dat weliswaar nog steeds bestaat in de hoofden van veel autochtone Vlamingen, maar niet tastbaar is. De feiten zijn wat ze zijn. We wonen met zijn allen in een superdiverse en sterk geglobaliseerde immigratiesamenleving. Dat is de empirische realiteit.

Het denken in termen van gemeenschappen op basis van afkomst is vandaag extreem moeilijk empirisch te staven. Immers, zelfs binnen één qua waarden en normen verondersteld homogene groep zien we gigantische verschillen. Nationaal denken of culturaliseren is meer dan ooit absoluut onzinnig. Mensen, zelfs mensen met eenzelfde nationaliteit, verschillen mogelijks van religie, van opleiding, van politieke voorkeur, van seksuele voorkeur of van geslacht. Ze hebben andere schoolervaringen of ervaringen met administratie of werk. Ze spreken andere talen en zijn anders gesocialiseerd. Maar er is meer, ze wonen potentieel op verschillende plaatsen in ons land en hebben bijgevolg heel andere leefomgevingen. Een nieuwkomer die terecht komt in de Brugse poort in Gent of Molenbeek in Brussel moet zich in een heel andere buurt nestelen dan een persoon die terechtkomt in Wingene dorp.

Die superdiversiteit is maar mogelijk binnen een globale context. Ze hangt bovendien ook sterk samen met de opkomst van nieuwe media in de jaren 90. Die media laten immers toe dat migranten hun band met het thuisland actief kunnen onderhouden. Migranten communiceerden in de jaren 70 o.a. via cassettebandjes die ze opstuurden naar het thuisland. Die communicatie verliep zeer traag, al snel ging er een maand voorbij vooraleer de communicatie heen en terug was gereisd. Vandaag zorgen email, Facebook, Skype en gsm’s voor een ogenblikkelijk en continu contact. Bovendien kunnen migranten via satelliettelevisie kijken naar het nieuws en de shows uit het thuisland. Dat betekent dat personen die hier geïsoleerd leven een groot sociaal leven kunnen hebben eenmaal ze achter hun pc kruipen (Blommaert en Backus, 2012). Die nieuwe migratie, gekoppeld aan de hedendaagse communicatiemiddelen én aan het beleid van de verschillende Europese lidstaten, zorgt voor die enorme diversiteit aan elementen die het leven tekenen van iedereen in onze samenleving, zowel autochtoon als allochtoon. We bouwen en onderhouden onze identiteit virtueel of fysiek via meerdere media in meerdere landen.

In de laatste twee decennia zien we die superdiversiteit de norm worden. Niet alleen migranten of hun kinderen bouwen immers hun identiteit op in een geglobaliseerde context, ook zogenaamde autochtonen doen dat. De kans is reëel dat jij en je vrienden via Facebook, Twitter, online games of Erasmus-uitwisselingen vriendschapsrelaties onderhouden met mensen uit uiteenlopende hoeken van de wereld. De kans is even reëel dat ze zich oriënteren op een wereldwijde subcultuur. Ze zijn dan skater, hipster, hijabista (Blommaert & Varis, 2012) of neopunker. Wat belangrijk is in hun leven wordt niet meer per sé bepaald door de vriendjes in de straat, maar is vaak globaal gestructureerd en niet zelden ook gecommercialiseerd.

Onze meerlagige identiteiten mogen we dan wel deels globaal construeren, onze democratie speelt gek genoeg nog steeds in een nationale logica (Maly & Blommaert, 2013). Meer nog, als een gevolg van deze globale evoluties zien we al decennia een opstoot van nationalisme. Dat nationalisme stelt zich voor als een antwoord op de onzekerheid en de bedreigingen van de neoliberale globalisering. Tevens pretendeert ze “onze identiteit” te beschermen tegen de invasie van die superdiversiteit. Deze oplossingen zijn echter schijn. De nationalistische reflex ten aanzien van superdiversiteit toont enkel met verve het deficit aan van nationale democratieën.

Dat onze democratie beperkt is tot het nationale niveau, heeft in de praktijk heel ondemocratische effecten. In de praktijk zijn deze democratieën in tijden van superdiversiteit en globalisering immers geen instrumenten meer die rechten realiseren en garanderen. Integendeel, voor steeds meer mensen zijn ze zelfs een rem op het realiseren van die rechten. Concreet vertaalt die nationale democratie zich vandaag in het feit dat we hier samenleven met mensen op één grondgebied die heel verschillende statuten hebben in onze samenleving. Minder eufemistisch betekent dit dat deze mensen verschillende politieke, sociale, culturele en economische rechten hebben. Onze rechten hangen in een wereld van naties’ af van onze nationaliteit, niet van het feit dat we mens zijn. En meteen wordt duidelijk waarom het universele denken zo belangrijk is om te kunnen spreken van een democratie. Als een democratie beperkt blijft tot de natie, dan betekent dat in tijden van superdiversiteit en globalisering dat een van de fundamenten van de democratie weggeslagen is: het gelijkheidsbeginsel.

Superdiversiteit, utopistiek en de democratische strijd

In het licht van het bovenstaande gaan de vragen die ons vandaag bezig zouden moeten houden over hoe we de idealen van de radicale verlichtingsdenkers vandaag kunnen realiseren. Hoe we in tijden van globalisering en neoliberalisme kunnen bouwen aan goede samenlevingen. Het is via ideeën dat we bouwen aan de samenlevingen van morgen. Enkel als we durven denken en dromen van betere, rechtvaardigere en gelijkere samenlevingen zullen we later in staat zijn om deze te realiseren.

De verlichte revoluties van de 18de en 19de eeuw zijn volgens Israel “revolutions of the mind”. Ze komen voort uit ideeën die velen vandaag als “te abstract” zouden afdoen. Vandaag hebben we een overdosis aan politici en met hen ook veel intellectuelen die zich louter bezig houden met de waan van de dag. Zogenaamd ‘realisme’ viert hoogtij: enkel wat vandaag mogelijk is en lijkt, wat ‘de mensen vandaag willen’ staat op de agenda. Weinigen breken het hoofd over wat zou kunnen of wat zou moeten zijn. Nochtans is er weldegelijk ruimte tot verbetering. Meer nog, er is sterke nood aan. We leven in een tijd waar een heel pak van de verworven rechten –hetgeen ons leven tot een goed leven maakt – onder druk komen te staan of zelfs daadwerkelijk afgebroken worden onder het eufemisme van modernisering. Progressie staat nog zelden gelijk met vooruitgang voor eenieder.

Ik volg dan ook Wallerstein (1996) wanneer hij oproept tot het beoefenen van utopistiek. Utopistiek is volgens de gerenommeerde socioloog niet zomaar een woordspelletje. Terwijl een utopie per definitie verwijst naar iets wat nergens bestaat, wil Wallerstein met zijn pleit voor een utopistiek nadenken over historische alternatieven. In de rijke traditie van de radicale verlichtingsdenkers pleit hij voor wetenschap die ten dienste staat van de creatie van een nieuwe, betere samenleving. Via de utopistiek zouden volgens Wallerstein serieuze analyses moeten gemaakt worden van de historische alternatieven die mogelijk zijn. De utopistiek moet dus niet de perfecte en onvermijdelijke toekomst uittekenen, maar betere, rechtvaardige alternatieven uitdenken die historisch mogelijk zouden kunnen zijn. Geen determinisme bestaand uit een onafwendbaar hemel op aarde, maar politiek, wetenschap, moraal en sociale actie die samenvloeien in een streven naar een betere samenleving.

Deze oefening doen inzake democratie lijkt me in deze tijden van economische, financiële, ecologische en democratische crisissen geen overbodige luxe. Meer nog, het is een absolute noodzaak. Om deze oefening te kunnen maken is de erfenis van de radicale verlichtingsdenkers inzake democratie en mensenrechten van onschatbare waarde. In plaats van te vertrekken van het idee dat de verlichting gerealiseerd is, en haar te zien als een historische feit, moeten we beginnen nadenken hoe we de democratie van de verlichtingsdenkers volledig kunnen realiseren of vrijwaren. Een aantal ingrediënten zijn daarbij duidelijk: gelijke en onvervreemdbare rechten voor eenieder, democratie en universele mensenrechten.

Vraag is nu: hoe realiseren we dat in de geglobaliseerde wereld van vandaag? Hoe realiseren we op wereldschaal gelijke rechten voor eenieder? Is een sociale zekerheid op wereldschaal een oplossing, is het mogelijk? Is een democratie op die schaal wenselijk en hoe verhoudt die zich tot democratie op de andere schalen? Hoe garanderen we vrijheid en gelijkheid voor eenieder op wereldschaal? Onderwijs voor eenieder was één van de basisvoorwaarden van een democratie, zonder democratische mens immers geen democratie. Hoe organiseren we dat en wie organiseert dat? Het losgeslagen economisch systeem zorgt vandaag voor de grootste factoren van onderdrukking, welke alternatieven zijn daarvoor denkbaar en hoe kunnen we die implementeren? Hoe garanderen we de politieke rechten van alle individuen in tijden van hypermobiliteit? Is het normaal dat, als we verhuizen, we ook onze politieke rechten verliezen? Welk politiek systeem laat ons toe om die te behouden en hoe organiseren we zo’n systeem? Hoe garanderen we het universele recht op gezondheidszorg in een meertalige en superdiverse samenleving? Dit recht houdt in dat ieder individu waar ook ter wereld de beste zorgen moet kunnen krijgen, ongeacht zijn of haar nationaliteit. In de praktijk kan dat bijvoorbeeld betekenen dat er steeds tolken ter beschikking moeten kunnen staan van patiënten.

Onze toekomstige samenlevingen zullen meertalige, multiculturele, multireligieuze steden zijn. Ze zullen superdivers zijn, “no matter what”. Willen we staatsstructuren oprichten die voor al deze mensen over de hele wereld het goede leven faciliteren, dan zullen we die moeten uitdenken, want ze zullen er niet spontaan komen. Dat betekent dat we algemene principes moeten hanteren die we in heel concrete situaties op zo’n manier vertalen dat ze bijdragen tot het garanderen van gelijke rechten van eenieder op elk grondgebied. We moeten de oefening maken om de universele rechten van eenieder om te zetten in de praktijk. Er is dus niets abstracts aan de waarden van vrijheid en gelijkheid, integendeel: ze noodzaken een heel concreet dagelijks strijden voor de realisatie van onze onvervreemdbare rechten. Net daarom is het hoog tijd dat we de democratie 2.0 uitdenken en dat we alternatieven voorbereiden. als we ze niet kunnen denken, dan wordt heel moeilijk om ervoor te strijden.

Utopistiek als permanente democratische strijd

Er is dus duidelijk een hoop (denk)werk aan de winkel. Opvallend is dat de grote vragen die ons leven bepalen in wezen weinig gebaat zijn met voorstellingen over ‘ons’ en ‘de ander’, maar veel meer met zaken die ieder van ons, ongeacht ons geloof, onze voorkeuren, onze waarden en normen toelaten om ons leven uit te bouwen zoals wij dat willen. In de debatten over de multiculturele samenleving zien we een complete afwezigheid van een rechtenperspectief, van democratie als groot verhaal. Democratie wordt geen zaak van constante strijd, constante verdieping en verbreding, maar wordt verbeeld als een eigenschap van ‘ons’. En net die beweging zorgt voor een armoede in het denken en een uitholling van democratie. Kritiek, kritisch nadenken en verzet zijn de basis van een democratie, het is hoog tijd dat we dit terug in de praktijk zetten. Als we nu niet denken over alternatieven voor morgen en er voor strijden dan zouden wel eens kunnen wakker worden in een wereld van lang geleden. Een wereld zonder rechten.

Bibliografie

Blommaert, J. & Backus, A. (2012). Superdiverse Repertoires and the individual. Tilburg Papers in Culture Studies.

Blommaert, J. & Varis, P. (2012). How to, how to. The prescriptive micropolitics of Hijabista. Kif Kif:http://www.kifkif.be/actua/how-to-how-to

Condorcet in Lukes, S. & Urbinati N., (2012). Condorcet Political writings. Cambridge, Cambridge University Press.

Decrues, T. (2013). Een paradijs waait uit de storm. Berchem: EPO.

Hobsbawm, E.J. (1962). The age of revolution. Europe 1789-1848. London: Abacus.

Israel, J. (2010). A revolution of the mind. Radical Enlightenment and the intellectual origins of Modern Democracy. Princeton; Oxford: Princeton University Press.
.
Israel, J. (2011).Democractic Enlightenment. Philosophy, Revolution, and Human Rights 1750-1790. Oxford; New York: Oxford University Press.

Locke, J. 1983 [1689]: A letter Concerning toleration. Hackett Publishing Company, INC. Indianapolis.

Maly, I. (red.) (2007). Cultu(u)rENpolitiek. Over media, globalisering en culturele identiteiten. Antwerpen: Garant.

Maly, I. (2009). De Beschavingsmachine. Wij en de islam. Berchem: EPO.

Maly, I (2012). N-VA. Analyse van een politieke ideologie. Berchem: EPO.

Maly, I & Blommaert, J. (2013). ‘Realisme’ als ideologie. superdiversiteit, precariteit en de nood aan Verlichting. In Coussée, F. & Bradt, L. (2013). Jeugdwerk en sociale uitsluiting. Handvatten voor emanciperend jeugdbeleid. Leuven / Den Haag: Acco.

Sternhell, Z. (2010). The Anti-Enlightenment Tradition. New Haven; London: YaleUniversity Press;

Todorov, T. (2010). In defence of the Enlightenment. London: Atlantic Books.

Paine, T. & Linebaugh P. 2009: Peter Linebaugh presents Thomas Paine: rights of man and common sense. Verso, London, New York.

Rousseau, J-J. (1755). Vertoog over de ongelijkheid. Amsterdam: Boom.

Sternhell, Z. (2010). The Anti- Enlightenment Tradition. Yale University Press.

Wallerstein, I (1998). Utopistics. Or, Historical choices of the Twenty-first Century. New York: The new press.

Wills, L. (1992). Van Clovis tot Happart. De lange weg van de naties in de Lage Landen. Antwerpen: Garant.

De toekomst van links

Een pleidooi voor een politics of paradise

De toestand is ernstig. Zoveel zou ondertussen duidelijk moeten zijn. We beleven in de laatste jaren niet alleen een financiële, economische en ecologische crisis, maar ook een politieke. Een crisis van de democratie. Deze crisissen slaan wild om zich heen. De kennis van de oorzaken van deze crisissen is beperkt tot een zeer kleine groep mensen. Een groep die als ze zich mengen in het publieke debat bovendien om de haverklap neergezet wordt als ‘linkie-winkies’, ‘naïeve wereldverbeteraars’, ‘doemdenkers’, ‘populisten’ of met andere onvriendelijke labels. Of je nu een Nobelprijswinnaar bent zoals Krugman of niet, het doet er niet toe: als je niet meegaat met de dominante consensus dan plaats je jezelf buiten het debat. Met als gevolg dat allerhande invloedrijke politici, experts en bedrijfsleiders of hun lobbyisten zonder veel tegengas dezelfde recepten die deze crisissen veroorzaakt hebben opnieuw naar voor kunnen schuiven en zelfs doorduwen. Dat dit vroeg of laat tot menselijke en ecologische drama’s zal leiden staat nu al in de sterren geschreven.

De situatie is dus ernstig en ze plaatst de politiek, en de linkerzijde in het bijzonder, voor gigantische uitdagingen. In deze tekst schets ik een ruwe analyse en enkele van de grote politieke uitdagingen voor de politieke linkerzijde in de volgende dagen, weken, maanden, jaren en decennia.

Een triple van crisissen en andere uitdagingen

In de laatste decennia is het hard gegaan. We leven in tijden van snelle veranderingen en schaalvergroting. Die schaalvergroting kennen we onder de noemer van globalisering en het bepaalt ons leven tot in de kleinste details. Het bepaalt de aanblik van onze stad, wat in de mode is en wat niet, de manier waarop, waarmee en met wie we communiceren, wat we bekijken op televisie en vaak ook of we binnen hier en tien jaar nog een job zullen hebben of niet. Ons leven is geglobaliseerd, dat is een feit. En dat is lang niet altijd een zaak van rozengeur en maneschijn.

Een schets van de context

Het proces van globalisering an sich is niet nieuw. Het is een eeuwenoud proces. Wat wel nieuw is, zijn de schaal, de impact, de inhoud en de snelheid van die globalisering. We leven vandaag dus in een heel specifieke fase van die globalisering die ergens in de jaren 70 van de vorige eeuw gestart is. Die fase van de globalisering drijft op een dominante ideologie. Een ideologie kennen we onder de noemer van het neoliberalisme of in minder beladen termen: de dominantie van de markt in alle domeinen van de samenleving. Sinds de oliecrisis van de jaren 1970 krijgen de neoliberale ideeën meer en meer vrij baan. De Friedmans van deze wereld zien hun ideeën uitgedragen worden door allerhande politici in de meest uiteenlopende landen van de wereld. De neoliberale ideeën vertalen zich in de materiële wereld.

België vormt hierop geen uitzondering. Zeker vanaf de jaren 1980, onder aanstuwen van de regering Martens met ‘da yoenk’ Verhofstadt worden ook hier neoliberale recepten geïntroduceerd om de crisis te lijf te gaan: besparingen, besparingen en besparingen, dat was wat de klok sloeg. Het was een tijd van crisis, maar ook de tijd van de yuppies, van de Millets en de Docksides, van de snobs en van de Jambers reportages over deze figuren maar vooral over de mensen aan de rand van de samenleving. De kloof tussen arm en rijk werd groter en de linkerzijde kwam meer en meer in het defensief te zitten.

Na de val van de Sovjetunie krijgt de hele linkerzijde serieuze klappen. Het socialisme heette failliet te zijn: enkel oude knarren met een acute aanval van nostalgie citeren nog Marx of linkse intellectuelen als Sartre en Barthes. Het socialisme was in crisis. Het was de tijd van de derde weg. Een weg die in wezen de dogma’s van het neoliberalisme omarmde. Het was ook de tijd van de kloof tussen de burger en de politiek. Er was nood aan een nieuwe politieke cultuur, zo heette het dan. Een cultuur waar de politicus ‘dé stem van dé burger’ zou gaan vertolken. De intellectueel zat per definitie in een ivoren toren, kende de ware bezorgdheden van de burger niet. Het anti-intellectualisme voerde de boventoon: geen analyses meer, geen argumenten, maar gevoelens recht uit de buik. Die stem uit de buik was echter een product van een nieuwe speler in het maatschappelijk veld: de communicatiegoeroes. De intrede van (ver)marketing als basis van de politieke communicatie was de essentie van de nieuwe politieke cultuur.

Die vermarkting van de politiek ging hand in hand met de commercialisering van onze media. Onze media mochten geen instrumenten meer zijn van politiek-ideologische emancipatie, maar moesten werken volgens de principes van de markt. De concurrentie werd gepresenteerd als een weldaad voor de kwaliteit van onze kranten. Ideologie werd door steeds meer mensen gezien als iets van het verleden: er werd niet meer gesproken over links en rechts maar over goed bestuur en objectieve berichtgeving. Wat men er niet bij vertelde, was dat de politieke lijn vervangen werd door een commerciële lijn. Winst en verkoopbaarheid werden het te dienen doel, niet politieke emancipatie.

Het is ook in deze periode dat we, deels als een gevolg van de politieke ontwikkelingen, ook heel snelle en ingrijpende veranderingen zien in migratie van mensen. Grenzen vallen weg, mobiliteitsopties nemen toe en de sociaaleconomische ongelijkheid tussen de verschillende delen van de wereld nemen toe. Bovendien zorgen de veranderingen in communicatietechnologieën ervoor dat mensen beelden kunnen ontvangen vanuit alle uithoeken van de wereld en vaak zijn die mensen ook verbonden via die nieuwe wereld. Kort samengevat steeds meer mensen migreren vanuit steeds meer gebieden en eenmaal ze aankomen wil dat niet zeggen dat ze losgesneden zijn van hun land van herkomst. Superdiversiteit is geboren en kleurt meer en meer steden in alle uithoeken van de wereld.

In de laatste decennia is onze wereld zeer sterk veranderd. We kunnen stellen dat het neoliberale marktdenken zijn intrede deed in alle velden van de democratie: de politiek, de media, de overheid en zelfs het onderwijs. Alles moest werken als een bedrijf, ongebreidelde concurrentie was een zegen. De staat moest dringend en permanent op dieet, de privé ging het allemaal wel oplossen: als je de markt haar gang maar laat doen, dan gingen we in een soort paradijs op aarde komen. “There was no alternative”, zo klonk het uit duizenden monden tegelijkertijd.

De financiële, economische en ecologische crisis

De droom blijkt echter een nachtmerrie geproduceerd te hebben. Twee decennia neoliberale hegemonie hebben een reeks crisissen gecreëerd die de limieten tonen van het kapitalistisch systeem. De financiële crisis in 2008 werd al snel een economische crisis die zich sindsdien laat voelen over de hele wereld. De kloof tussen arm en rijk stijgt zienderogen. De situatie in Griekenland, Ierland en IJsland, maar ook Spanje, Portugal en Italië is niet minder dan dramatisch te noemen. In Griekenland is meer dan 43% van de jongeren werkloos en degenen die werken zijn niet zelden ‘working poor’ zonder toekomstperspectieven. De Griekse rijken hebben hun kapitaal buiten Griekenland geparkeerd en dus moeten de midden– en lage klassen de rekening betalen.

In de VS waren in 2011 13 miljoen Amerikanen werkloos. Vergelijk dat met de 6,8 miljoen die werkloos waren in 2007 en we beginnen een idee te krijgen van de sociale gevolgen van deze crisis. Bovenstaande cijfers die Krugman ons geeft zijn gebaseerd op de mensen in de VS die niet aan het werk zijn en actief werk zoeken. Nemen we de brede definitie van werkloosheid, namelijk geen werk hebben, en we komen op 24 miljoen mensen zonder job. Bovendien is een opvallend kenmerk van de werkloosheid in dat land na de crisis, dat het langdurige werkloosheid betreft. 4 miljoen Amerikanen zijn meer dan een jaar werkloos, terwijl dat er voor de crisis slechts 700 000 waren. Kortom, de crisis maakt de werkloosheid structureel.

Wereldwijd zien we, zelfs al voor het uitbreken van de crisis, de groei van wat Guy Standing “the new dangerous class” noemt: het precariaat. Van de neoliberale dogma’s moeten werkgevers ongehinderd hun zin kunnen doen in hun honger naar winst. Dat betekent in de feiten dat we al meer dan twee decennia toegenomen flexiblisering en druk op de lonen te slikken krijgen. Werkgevers eisen loonmatiging, afschaffing van het minimumloon, afschaffing van de indexering, initieel interimarbeid en vandaag ook minijobs. De macht van de vakbonden is hen een doorn in het oog. Deze eisen worden dan ook nog eens politiek vertolkt en helaas niet alleen door de rechterzijde. Ook aan de linkerzijde zien we vertolkers van deze neoliberale eisen. Ze doen dat echter wel in naam van de werkende mens: de welvaart zou enkel op deze manier gered kunnen worden, zo heet het dan.

Het gevolg van deze hegemonie van het neoliberalisme is de groei van een wereldwijde nieuwe klasse. Deze klasse-in-wording is een kind van de politiek van deregulering en re-regulering die er op gericht is om de sociale en collectieve belangen te omzeilen “omdat ze in de weg staan van de concurrentie”. De tijdelijke arbeidscontracten en het gebrek aan sociale bescherming die hieruit voortvloeien zijn een belangrijke oorzaak van precarisatie. Een centraal kenmerk van het precariaat is de sociaaleconomische onzekerheid waarin ze leven. Concreet hebben ze geen/weinig arbeidszekerheid (interim -of seizoensarbeid, flexibele arbeidscontracten zonder voorwaarden… ), geen zeker sociaal inkomen (noch vanuit de werkgevers, noch van de staat) en ze hebben geen werkidentiteit.

Krugman – niet bepaald een extreemlinkse rakker – stelt zeer expliciet dat deze crisis het gevolg is van een verwrongen ideologie. Niet de reële economie en de welvaartsproductie ligt ten grondslag van deze ideologie, maar de productie van winst en onvoorstelbare kapitaalvergaring van een minuscule elite ten koste van het overgrote deel van de wereldbevolking. De gevolgen van deze onstilbare winsthonger worden vandaag overvloedig geïllustreerd: een economische depressie die enkel haar voorgaande kent in de Grote Depressie van de jaren dertig. Een sociale crisis, want de mensen die vandaag in de werkloosheid sukkelen dragen – zoals Krugman terecht onderstreept – vaak de rest van hun leven de gevolgen van. Die sociale crisis blijft niet beperkt tot het leven van individuen, het raakt hele samenlevingen. Zo zien we bijvoorbeeld in Griekenland een enorme opmars van het fascisme en een totale privatisering van de Griekse overheid.

Daar stopt het echter niet. De winsthonger heeft ook zeer grote ecologische gevolgen. Bedrijven die gedreven worden door deze blinde neoliberale logica verspelen ook de zo kostbare natuur. Denken we maar aan de vele olierampen die we de laatste decennia meegemaakt hebben. De eindeloze productie van wegwerpproducten en het gebrek aan investeringen in een duurzame economie zorgen al decennia voor steeds verder opwarmen van de aarde. En ook hier zien we vandaag de desastreuze gevolgen van het kapitalistisch systeem.

De crisis van de democratie

Deze financiële, economische, sociale en ecologische crisissen zijn niet los te koppelen, noch te begrijpen, zonder de crisis van de democratie in rekening te brengen. Immers, in een democratie staat de economie niet los van de politiek. Deze economische politiek is geen nieuw gegeven en ze is maar gevoerd kunnen worden omdat het verzet er tegen te zwak is. De politieke linkerzijde, het middenveld en de democratisch burger hebben gefaald. Ze hebben toegelaten dat de economie los gekoppeld werd van de politiek. Ze hebben zich in de luren laten leggen.

En helaas is dat stadium nog niet voorbij. De neoliberale dogma’s kennen niet alleen hun spreekbuizen over het hele politieke spectrum, die dogma’s zijn al jaren vertaald in de materiële wereld en bepalen ondertussen de horizonten van velen. ‘Dat is nu eenmaal zo’, zo klinkt het uit de monden van velen. ‘De oudere generatie heeft boven hun stand geleefd’, zoals de jongerenvoorzitter van CD&V het stelt en dus moet de staat ontvet worden, de loonlasten moeten dalen en topmanagers moeten veel verdienen want anders hebben we niet ‘de beste managers’. Nochtans zijn deze platitudes helemaal niet zo evident als sommigen bepleiten. Het zijn geen natuurwetten. Het zijn ideologische posities met desastreuze gevolgen voor het gros van de bevolking. Alleen herkennen we ze vaak niet meer als ideologisch rampscenario’s. De ‘gewone man’ ligt er vaak niet wakker van, dergelijk nieuws haalt geen hoge kijkcijfers. Totdat het zijn fabriek is die sluit, totdat het zijn loon is dat als last wordt gezien. Dan komt verzet, maar dat verzet staat vaak alleen, want iedereen is bang zijn job te verliezen.

Ziehier, het failliet van de democratie en de linkerzijde in het bijzonder: gedepolitiseerde burgers die instemmen met platitudes die hun eigen belangen en de belangen van hun dierbaren schaden. De wereld is complexer dan ooit. Er is ook meer informatie dan ooit beschikbaar. Dat betekent echter niet dat we beter geïnformeerd zijn dan vroeger. Het betekent ook niet dat onze democratie steviger staat dan ooit en het betekent nog minder dat links sterker staat dan ooit. De opmars van het neoliberalisme loopt parallel met de teloorgang van de democratische mens en de linkerzijde. En een democratie zonder wakkere democratische burgers is in de feiten geen democratie meer. Daar knelt vandaag ook het schoentje.

De neoliberale logica heeft niet alleen de politiek geïnfecteerd, het heeft ook het onderwijs en de media in haar macht. Het onderwijs heeft dan niet meer tot taak om democratische burgers op te leiden, maar moet gespecialiseerde arbeidskrachten afleveren. Onze media zijn niet in eerste instantie gericht op het informeren van haar burgers, wat hun democratische taak is, maar wil die kijker kluisteren aan het scherm. Entertainment is dan ook meer en meer de regel, ook in informatieve programma’s. Als die democratische burger niet meer opgeleid wordt, en ook niet meer gedegen geïnformeerd, dat wordt die burger niet alleen een werkkracht, maar ook een speelbal. Meer nog, het raakt de democratie zelf in het hart.

Een democratie heeft opgeleide burgers nodig, die hun eigen positie zelfstandig kunnen analyseren. Die politici dagelijks onderwerpen aan kritiek en zo nodig in verzet gaan. De basis van een democratie is immers het idee dat we allen gelijk en vrij geboren zijn en dat politici nooit mogen ingaan tegen deze onvervreemdbare rechten. Democratie is dus niet los te koppelen van het idee van de universele mensenrechten: het recht op werk en op een eerbiedwaardig leven zijn daar dan ook onvermijdelijk deel van. Om te weten of we in een democratie leven dan wel een despotisch regime, of we vrij zijn dan wel onderdrukt, daarvoor is niet alleen gedegen en kwaliteitsvolle informatie noodzakelijk. We hebben dus ook democratische burgers nodig die op een constante basis die analyse voor zichzelf maken en zich zo nodig verenigen om politici tot de orde te roepen.

Die analyse maken is vandaag complexer dan ooit. De vraag die een verlichtingsdenker als Condorcet zich stelde in de 18de eeuw – namelijk of we onder een democratisch dan wel een despotisch regime leven – is niet meer te beantwoorden op nationaal niveau en ook niet louter op politiek niveau: het vereist een gelaagde en multidimensionale analyse. Het uitgangspunt van een dergelijke democratische analyse is het idee dat democratie een ideologie is. Een ideologie gegrondvest op het idee van onvervreemdbare rechten van elk individu. Dat betekent dat in een democratie iedereen gelijke rechten moet genieten en dat dit niet een gunst is die de staat geeft aan haar onderdanen, maar een recht dat eigen is aan het feit dat iemand mens is. Vertrekkende vanuit die premisse, dan zien we dat de idee van onvervreemdbare rechten eigen aan het individu geen feit is. In de praktijk stellen we vast dat die rechten weldegelijk vervreemdbaar zijn: ze hangen immers samen met je nationaliteit. En enkel als je nationaliteit samenvalt met je verblijf in die natie heb je je volle rechten, in alle andere gevallen ben je overgeleverd aan de willekeur van de natie op wiens grondgebied je woont.

Bovenstaande vaststelling heeft vergaande consequenties: we stellen vast dat de basis van een democratie, namelijk het gelijkheidsbeginsel, geen realiteit is. Immers enkel erkende nationale onderdanen genieten volledige rechten, migranten zijn daar in meer of mindere mate van uitgesloten. In tijden van superdiversiteit betekent dit dat er in feite maar weinig democratieën meer zijn. We leven in een land waar mensen naar gelang hun afkomst andere rechten hebben. Sommige hebben al hun rechten, anderen ontberen sommige religieuze, economische of culturele rechten. We leven dus in samenlevingen die gekenmerkt worden door ongelijkheid.

Die ongelijkheid beperkt zich niet tot een ongelijkheid in rechten, maar heel duidelijk zien we ook een steeds grotere sociaaleconomische ongelijkheid. En dan komen we onvermijdelijk tot de vaststelling die ook Luc Huyse maakt, namelijk dat we geen democratische controle hebben over onze economie. Na drie decennia wordt duidelijk dat onze democratie dus heel duidelijk gehandicapt is. Die democratie zit vast op een nationaal niveau, wat meteen ook duidelijk maakt dat wat we ‘de’ economie noemen dan ook aan democratische controle ontsnapt. De democratische keuze van de burger heeft geen invloed op de economische politiek, want de hefbomen van die politiek zitten niet meer op nationaal niveau. De macht van multinationals is globaal van aard en de politiek–economische beslissingen worden genomen op Europees niveau of in ondemocratische clubjes als het IMF en de Wereldbank. Wanneer we een democratische analyse maken van onze eigen positie dan blijkt dat we politiek gezien wel mogen stemmen, maar dat dit op economisch vlak weinig veranderd. In die zin zijn we met zijn allen overgeleverd aan de grillen van ‘de economie’.

Deze analyse toont vooral dat we puur politiek gezien wel in een democratie leven, maar dat die democratie niet mee geëvolueerd is. Meteen wordt ook duidelijk dat de economische crisis per definitie ook een ecologische en politieke crisis is. Meer nog: het is volgens mij fundamenteel een politieke crisis, in die zin dat we afgeleerd hebben om te denken over politieke economie. Dit leert ons drie zaken: 1. De democratische burger is niet meer, 2. Democratie is universeel of is het niet en 3. Niet alleen politiek kan onderdrukken, ook de economie kan onderdrukken. Als we dus willen werken aan een toekomstproject, aan een democratie waar het goede leven voor eenieder centraal stelt, dan moeten we in eerste instantie bouwen aan democratische mensen. Dat houdt in dat we mensen opleiden tot democratische mensen en niet tot werknemers. Politiek is dan ook meer dan ooit van cruciaal belang. Want als de ruimte van de politiek versmalt, dan vergroot voor anderen de ruimte om macht uit te oefen. Dat is – in enkele simpele pentrekken –  een schets van wat in de laatste decennia gebeurd is.

Van valse oplossingen naar een Politicus of Paradise

Vanuit bovenstaande analyse wordt meteen duidelijk dat nationalisme en meer neoliberalisme geen antwoorden zijn op deze crisissen, wel integendeel. Als we in deze tijden onze democratie naar een kleinere schaal verhuizen (Vlaanderen) dan gaan we de tegenovergestelde richting uit. Dan zullen onze politici niet meer, maar net minder in de pap te brokken hebben ten aanzien van de economische politiek. En ook vanuit een rechtenperspectief biedt deze kleine schaal geen meerwaarde in tijden van superdiversiteit. Het mag duidelijk zijn: onze democratie moet een schaalvergroting kennen. Ze moet uitgebreid worden naar Europa en uiteindelijk zelfs de wereld. Onze democratie moet immers macht kunnen uitoefenen op dezelfde schaal waarop multinationals opereren. De schaal van onze democratie verkleinen kan enkel maar zorgen voor neoliberaal beleid of een verscherping van dat neoliberaal beleid, ze biedt echter geen enkel alternatief voor de huidige crisissen, maar biedt meer van hetzelfde.

Meer van hetzelfde, dat is wat we sinds 2008 meemaken. Waar politici zich stoer op de borst klopten bij het begin van deze economische depressie dat zoiets nooit meer mocht gebeuren, zien we het tegenovergestelde. Meer neoliberalisme, dat is wat we gekregen hebben in de laatste jaren. Niet alleen mag de werkende bevolking in België maar ook in Griekenland de factuur betalen van de winsthonger van de banken, we krijgen daarenboven nog eens besparing na besparing te verduren. Krugman stelt terecht dat dit de snelste weg is naar een herhaling van 2008. De nationale en Europese overheden zijn ons kapot aan het besparen en degene die breed lachen zijn opnieuw de banken en grote multinationals. De strijd van Meyrem Almaci rond het dossier Dexia is dan ook een uiterst noodzakelijke strijd, die helaas te weinig steun vindt bij de andere partijen. Peter Mertens heeft dan ook gelijk dat er al jaren een grote hold-up bezig is en dat dit gebeurt onder onze ogen. Vandaag besparen de Grieken zich kapot, neemt de Europese Bank de waardeloze schuldpapieren van Griekenland over van de banken. En de banken, die maken terug winst op de kap van het volk.

Dat er iets moet veranderen mag ondertussen duidelijk zijn. Meer nog, er dient behoorlijk wat te veranderen. Het is hoog tijd dat de linkerzijde haar historische opdracht terug opneemt en inzet op eenpolitics of paradise. Concreet: net zoals de radicale verlichtingsdenkers twee eeuwen terug hun ideeën inzetten om een betere wereld te creëren, zo is dat ook vandaag onze opdracht. En die droom van een betere wereld is opmerkelijk gelijkaardig: het gaat over de creatie van een wereld waar de universele mensenrechten niet dienen om ons op de borst te kloppen, anderen uit te sluiten en oorlogen te legitimeren. Integendeel: het gaat erom die mensenrechten te realiseren voor elkeen op deze planeet. De opdracht die voor ons ligt, is dezelfde die de radicale verlichtingsdenkers wilden uitvoeren. Hun strijd is lang niet gestreden.

Centraal in die strijd staat het idee dat we allemaal vrij en gelijk geboren worden met onvervreemdbare rechten. Die strijd is onvermijdelijk een strijd die vertrekt van een universeel perspectief en per definitie antinationalistisch. In tijden van globalisering en superdiversiteit kan het niet zijn dat onze rechten afhangen van onze nationaliteit. Het onderwijs en de werkgevers vragen meer en meer dat we hypermobiel zijn: we moeten werken en studeren over de nationale grenzen heen, maar als we dat doen dan verliezen we telkens een aantal van onze rechten. Als we in een ander land wonen dan verliezen we vaak niet enkel onze politieke rechten, maar bijvoorbeeld ook onze pensioenrechten. Dat vereist natuurlijk een politieke strijd op een supranationaal niveau. Het betekent dan ook dat de linkerzijde zich moet organiseren en verenigen op dat supranationaal niveau rond een strijd voor democratische schaalvergroting: eerst op Europees niveau, later op wereldniveau. Dat is een verderzetting van de strijd van radicale verlichtingsdenkers. Zij zagen democratie immers als een systeem om de universele mensenrechten te realiseren: democratie en een universele strijd was van meet af aan de bedoeling. De radicale verlichtingsdenkers spraken niet zomaar over een generale revolutie, een revolutie die hele wereld in haar ban zou nemen.

Die universele democratische strijd is op de lange termijn niet alleen de enige mogelijkheid om die droom van de universele mensenrechten realiseren, het is ook de enige mogelijkheid om terug democratische controle te verwerven over de losgeslagen economie. Het idee dat we een duurzame economie zullen hebben door alles maar aan de markt over te laten dat is een illusie. De markt stelt winst centraal, niet het algemeen belang. Als we dus een ecologisch duurzame economie willen verkrijgen, dan zal dat niet spontaan door de markt gebeuren: we moeten er dus democratische controle over kunnen uitoefenen. Vandaag spelen multinationals echter met veel gemak landen tegen elkaar uit, van democratische controle is geen sprake. Meer nog, die multinationals spellen de nationale overheden niet zelden de les.

Het mag duidelijk zijn dat niet de waan van de dag, maar net de lange termijn centraal moet staan in deze strijd. En die lange strijd begint zoals altijd bij een democratische mens. Het onderwijs mag dus niet herleid worden tot een fabriekje die werknemers produceert, maar moet onze jongeren opleiden tot democratische burgers. Burgers die het belang kunnen inschatten van een democratie, maar die zich vooral bewust zijn van hun rechten en uitgerust worden met de kennis om hun eigen positie in de samenleving en in de wereld te analyseren. Verzet, sociale en politieke strijd zijn dan geen vieze woorden of oubollig, maar nemen terug de kern in van de democratische ideologie. Het strijden naar een betere wereld is een strijd van ons allen.

Dat betekent meteen ook dat onze media moeten onttrokken worden aan de commerciële logica: niet de kijkcijfers moeten het kwaliteitscriterium zijn, maar de wijze van informeren is van belang. Dat media entertainment bieden is op zich geen probleem, maar de media moeten ons ook toelaten ons diepgaand te informeren. De kwaliteit van de democratie hangt af van de wijze waarop democratische burgers geïnformeerd zijn en hoe ze die informatie analyseren. Kwaliteitsvolle media die ons diepgaand informeren over onze democratische belangen zijn dan ook een conditio sine qua non voor een gezonde democratie.

In het kort moet de politiek linkerzijde terug een groot verhaal ontwikkelen: een echt alternatief toekomstproject. Dat toekomstperspectief moet geen utopie zijn, maar moet gebaseerd zijn op kennis van de reële mogelijke alternatieven. Wallerstein noemt dit de nood aan een utopistiek. Utopistiek is volgens de gerenommeerde socioloog niet zomaar een woordspelletje. Terwijl een utopie per definitie verwijst naar iets wat nergens bestaat, wil Wallerstein met zijn pleit voor een utopistiek nadenken over historische alternatieven. In de rijke traditie van de radicale verlichtingsdenkers pleit hij voor wetenschap die ten dienste staat van de creatie van een nieuwe, betere samenleving. Via de utopistiek zouden volgens Wallerstein serieuze analyses moeten gemaakt worden van de historische alternatieven die mogelijk zijn. De utopistiek moet dus niet de perfecte en onvermijdelijke toekomst uittekenen, maar betere, rechtvaardige alternatieven uitdenken die historisch mogelijk zouden kunnen zijn. Geen determinisme bestaand uit een onafwendbaar hemel op aarde, maar politiek, wetenschap, moraal en sociale actie die samenvloeien in een streven naar een betere samenleving.

Politieke partijen aan de linkerzijde moeten dan ook weer meer soortelijk gewicht geven aan hun studiediensten, aan linkse denktanks zoals de Vooruitgroep of Oikos. Het is pas wanneer we onze geschiedenis kennen en niet meer bang zijn om intellectuele arbeid te verrichten om kritische en empirische analyses te maken van de huidige realiteit dat we ruimte zullen vinden om realistische alternatieven uit te denken. En het is pas wanneer we dergelijke alternatieven kunnen denken dat we ervoor kunnen strijden. Er is dus denkwerk én sociale en politieke strijd nodig. Die betere wereld zal er niet vanzelf komen. We zullen er, net zoals in het verleden, verdomd hard voor moeten strijden. We starten dan ook beter vandaag dan morgen.

Ico Maly

Deze tekst is de basis voor de speech van Ico Maly tijdens het zomerweekend van Groen!  

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen (Universiteit Tilburg), licentiaat in de Vergelijkende Cultuurwetenschappen en post-licentiaat in de Ontwikkelingssamenwerking, optie politiek en conflict (Universiteit Gent). Hij publiceert al jaren over beeldvorming, racisme, nationalisme, (super)diversiteit, democratie en de strijd voor vrijheid en gelijkheid. Hij is coördinator van Kif Kif en schreef o.a. N-VA | Analyse van een politieke ideologie (EPO, 2012) en De beschavingsmachine. Wij en de islam (EPO, 2009). Onder zijn redactie verscheen eerder Cultu(u)rENpolitiek, dat in 2008 de publieksprijs van boekhandel De Groene Waterman won. Samen met Jan Zienkowski was hij redacteur van het e-boek: “Het rijpen van de geesten” (Kif Kif).