Diggit Magazine

Mijn nieuwe blogs, columns en papers zullen in de toekomst niet altijd meer op deze blog worden gepost. Acuut tijdsgebrek laat me niet meer toe om alles bij te houden. Het gros van de nieuwe publicaties zal verschijnen op Diggit Magazine (www.diggitmagazine.com).

 

Je kan mijn profiel bekijken om alle nieuwe publicaties van mijn hand te zien: https://www.diggitmagazine.com/user

 

Uiteraard kan je je ook inschrijven op de Diggit Magazine nieuwsbrief en dan ontvang je wekelijks interessant papers, colums, artikels en academisch werk. Top stuff, als je het mij vraagt, maar ik ben dan ook biased als hoofdredacteur. Hier kan je je inschrijven: https://www.diggitmagazine.com/newsletter

Advertisements

Vlaanderen en racisme

Het is een open deur intrappen:Vlaanderen kan niet om met het structureel racisme. Dat maakt de berichtgeving en duiding over de racistische reacties op de dood van Ramzi, een jonge landgenoot nogmaals heel duidelijk. Racisme wordt in onze samenleving gezien als iets uitzonderlijk. Iets eigen aan een kleine groep van individuen. Dat racisme echter een structureel probleem is,  wordt doorgaans in alle toonaarden ontkend. Racisme heet dan ‘relatief’ te zijn. Dalende cijfers in de aangifte van racisme worden dan nogal snel gelezen als ‘we zijn toleranter geworden’ in de laatste decennia. Niets lijkt die lezing echter te bevestigen.

dsc_5014

Er is een traditie in ons land om racisme te begrijpen als iets eigen aan het individu. Men is dan racist of men is het niet. Dat racisme wordt dan herkend als expliciet racisme, zoals we nu zagen op de Facebookpagina van de Vlaamse Verdedigingsliga. Racisme wordt maar herkend als racisme als het zich in deze vorm voordoet. En dan zijn politici er als de kippen bij om hun morele verantwoording te uiten. Om op te roepen dat er nog werk is aan ‘onze inclusieve samenleving’, om de Vlaamse vlag te redden en te stellen, zoals Francken doet, dat ‘zijn partij’ daar niets mee van doen heeft.  Francken beschrijft die commentaarschrijvers, net zoals Gatz als ‘ziek’. Racisme, wordt zo een soort psychische gestoordheid, die dan individueel moet beholpen worden.

De nieuwsuitzending van de VRT (2/08/2016) kan hier gelden als voorbeeld. De totale uitzending verbeeldt Vlaanderen als een samenleving die racisme collectief moreel veroordeelt. Het probleem situeert zich dus niet in ‘onze samenleving’, maar in die ‘ziekelijke’ individuen. We zien het nu wel opduiken, niet omdat dit ‘normaal’ is, maar omdat zij – die ziekelijke individuen toegang hebben tot hun eigen media. De interventie van Loobuyck in hetzelfde journaal vat die denkpiste mooi samen. Dergelijk racisme is ‘een zaak van angst, simplismen en wordt aangevuurd door sociale media’. We krijgen een eenstemmig discours te horen dat racisme neerzet als een individuele psychische aandoening.

De politieke verantwoordelijkheid blijft uit beeld, net zoals de collectieve, structurele en historische dimensies van racisme in Vlaanderen. We hoeven nochtans niet veel moeite te doen om uitspraken van onze politici, journalisten en academici te vinden over  ‘de moslims’, over ‘vreemdelingen’ en ‘de migranten’ (en de daarbij horende subthema’s) als bedreigingen voor onze samenleving. We hoeven niet veel moeite te doen om uitspraken te lezen als ‘racisme is relatief’, over ‘de bedreigende natuur van de islam’ en het feit dat we zoveel mogelijk migranten moeten stoppen aan onze grenzen. Dat we ‘onze waarden moeten verdedigen’ tegen hen. Dat we hen moeten beschaven en integreren. En nu doen, alsof al die vormen van elite racisme, geen impact hebben. Om nu de handen in onschuld te wassen en een morele veroordeling uit te spreken is net iets te makkelijk.

Het zou onze elite sieren om eens de hand in eigen boezem te steken. Racisme is een structureel probleem in Vlaanderen, en het is heus geen fenomeen van de marge alleen, het wordt al bijna 3 decennia aangewakkerd in de elite vertogen van dit land. Het is dan ook fout te denken dat racisme zich beperkt tot de lage klassen. Het is door en door verweven met structuren in onze samenleving. Het is een oude boodschap, maar ze is belangrijk. Racisme is een ideologie, het is dus veeleer een collectief dan een individueel gegeven. Mochten we dat inzicht nu eens aan boord hijsen,  dan kunnen we eindelijk een stap in de goede richting zetten, naar een democratie waar gelijkheid geen loos concept is.

Dat vereist dat we bereid zijn om werkelijk inzicht te verwerven in hoe racisme werkt als ideologie. Om ons even in te leven in het leven van de slachtoffers van racisme. Om het individuele te overstijgen en te kijken naar de structurele en collectieve dimensie van racisme. Om in te zien hoe racisme de structuur van onze samenleving bepaalt en dus om in te zien hoe racisme de democratie ondergraaft. Racisme is dagelijkse kost, het beperkt zich niet tot sociale media en uitzonderlijke situaties. Dat niet willen zien, is een zaak van onwil. We hebben in ons landje geen gebrek aan gedegen onderzoek en onderzoekers inzake racisme, waarom dit niet eens ten gelden maken.

Het is hoog tijd dat we het humanisme terug laten spreken in de debatten over diversiteit en migratie, in plaats van het homogeen nationalisme. Want die debatten zijn de grote productieve krachten van racisme in onze samenleving. En het zou ons sieren, dat we eens een krachtdadig antiracismebeleid opzetten in plaats van goedkope morele veroordelingen uit te spreken. Dat zou van moed getuigen. De rest is goedkope symboolpolitiek waar best niet te veel geloof aan kan gehecht worden.

Ico Maly is docent Nieuwe media en politieke (Tilburg University) en hoofdredacteur van Diggit Magazine (www.diggitmagazine.com).  

 

 

Een wandeling met Ico Maly door de Gentse Rabotwijk

Deze reportage was een pilootaflevering voor een mogelijke reeks in De Standaard. Deze reeks, uitgedacht door journalist Tim Vernimmen, was gepland voor de zomer van 2015. Als reisgids is het eerder een uniek tijdsdocument, dan een actuele gids. De wijk is en blijft in volle ontwikkeling en verandering. De wandeling zelf is nog steeds de moeite en het schept plezier om de verschillen te zoeken tussen Rabot 2015 en Rabot 2016. Veel wandel –en zoekplezier.

Tim Vernimmen

Vandaag wandelen met cultuurwetenschapper Ico Maly, jarenlang coördinator van Kif Kif, nu tot zijn eigen tevredenheid weer gewoon wetenschapper, aan de Universiteit van Tilburg. Wandelen deden we echter in zijn eigen Gent, zij het op een plek die op de kaartjes van de toeristische dienst niet eens voorkomt: de Rabotwijk, volgens hem de interessantste van heel Gent.

 

wetenschapswandeling032.jpg

Tim Vernimmen en Ico Maly in de Wondelgemstraat in Gent. Copyright Fred de Brock

  

1) “De versterkte Rabottorentjes verrezen aan het einde van de vijftiende eeuw op de plek waar de Lieve, een kanaal dat destijds tot aan het Zwin reikte, de stadsmuur kruiste – er was daar een zogenaamde keersluis, in het Frans ‘rabot’ genaamd. Tot en met de achttiende eeuw keek je aan de andere kant van de muur naar de Wondelgemse Meersen, moerasgebied. Maar toen de industriële revolutie onze contreien bereikte kregen ondernemers, vooral uit de textielindustrie, de toestemming om hier te bouwen. Waar nu het Gerechtsgebouw staat stond vroeger een groot station, en aan de andere kant van de wijk zie je het Verbindingskanaal dat de wijk verbindt met de Brugse vaart en het kanaal Gent-Terneuzen – een ideale ligging om goederen te vervoeren.

Vlakbij de stadswallen bouwden de directeurs chique huizen voor zichzelf, verderop bouwden ze zoveel mogelijk arbeiderswoningen, die geld opbrachten dat ze in hun bedrijven konden investeren, en fabrieken, in het gebied dat nog steeds Rabotwijk heet.

De textielindustrie kende zijn laatste bloeiperiode vlak na de Tweede Wereldoorlog, maar nadien kon ze niet meer concurreren met goedkopere massaproductie elders, en begon de wijk te verarmen. De bedrijfsleiders beslisten om te ‘rationaliseren’, zoals dat heet, en zochten goedkope arbeidskrachten in het buitenland.  De zogenaamde verloedering van de wijk wordt daar soms aan toegeschreven, maar volgens mij is het net andersom: omdat de verwaarloosde woningen hier goedkoop werden, trokken ze vaak arme migranten aan. Die maakten er hier het beste van, meer nog, ze zorgden ervoor dat de wijk bleef draaien, en legden zo de basis voor de huidige heropleving. Hoe? Wel, dat zal ik je laten zien.”

 

IMG_0995.JPG

De Rabottorens – Copyright Ico Maly

2) “Op en rond het Griendeplein zie je gebouwen uit verschillende hoofdstukken van de geschiedenis van de wijk. Naast enkele echte Gentse volkscafés, zoals Café Bentos, het supporterscafé van AA Gent, zijn er de sociale woontorens uit de jaren zeventig, die binnenkort worden afgebroken, de gebouwen van de Turkse jeugdvereniging Ergenekon, waar momenteel een tentoonstelling loopt over ’50 Jaar Jongeren en Migratie’, en een nieuwe Afrikaanse winkel.

Op de voormalige site van de katoenfabriek La Louisiana verrees ook Odisee, een technologiecampus van de associatie KULeuven, zowaar. Verderop in de Wondelgemstraat kan je zien dat winkeliers met een migratie-achtergrond zich expliciet op studenten gaan richten, bijvoorbeeld door kortingen.

Het is verbazend hoeveel je kan leren over de ontwikkelingen in een buurt als deze door gewoon eens goed naar de vitrines van handelszaken te kijken. Dat doe ik voor mijn onderzoek in deze buurt dan ook regelmatig. En ik zou ook de lezer een opdracht willen geven – als je deze wandeling in groep doet, kan je er ook een spelletje van maken: tel het aantal talen dat je onderweg geschreven ziet staan. Ik heb er zelf al minstens zeventien geteld, al evolueert het straatbeeld voortdurend: de meeste van de zaken die ik beschreef in het boek ‘Superdiversiteit en democratie’ zijn alweer verdwenen. U stelt deze wandeling dus best niet te lang uit, want de buurt is altijd in beweging.”

 

Praktisch: u kan gratis parkeren onder het gerechtsgebouw, Opgeëistenlaan 401. Wanneer u weer boven de grond bent, ziet u een eindje verderop de Rabottorentjes, waar deze wandeling begint. 

 

3) “Aan het begin van de Wondelgemstraat zie je op de linkerkant een banner waarop ‘Latin Corner‘ prijkt. Die winkel is hier nog maar enkele maanden, en het is duidelijk op welk publiek hij mikt – sinds de economische crisis in Spanje en Portugal strijken er hier steeds meer mensen van Latijns-Amerikaanse origine neer. Dat zie je voorlopig niet in de bevolkingsstatistieken, maar op straat zie je het vrijwel onmiddellijk, omdat er handelszaken verschijnen die op die nieuwe inwoners mikken en ook andere zaken hun aanbod aanpassen.

Het beste voorbeeld daarvan zie je momenteel in ‘Asian & African Food‘-zaak op nummer 48A, uitgebaat door Pakistanen. Op één ruit vind je daar reclame voor Afrikaanse huidverzorgingsproducten, Russische kaviaar, Chinese voeding en een Turks restaurant dat tijdens de Ramadan een tandje bijsteekt. Dat het hier een ‘Turkse’ buurt is, zoals al eens beweerd wordt, klopt dus steeds minder. Het is bij uitstek een internationale buurt.”

 

3) “Dat betekent uiteraard dat heel wat zaken zich op immigranten richten – een handelaar verkoopt nu eenmaal liefst dingen waar ook vraag naar is – maar steeds minder op één etnische groep. Etnische zaken zijn zelden leefbaar in superdiverse wijken als deze omdat alle groepen minderheden zijn in de wijk. Dus zien we dat nu ook de recent overgenomen slagerij Rabot (nummer 57) – tot voor kort de laatste autochtone slager in de straat – nu expliciet vermeldt dat zijn vlees ‘halal’ is. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat autochtone klanten er niet meer terecht kunnen.

Hetzelfde geldt voor het café (nummer 49A) dat nu ‘Café Galya‘ heet: dat is hier inmiddels al vele decennia, en het verandert continu van eigenaar en van naam, en er staat nu een kop koffie op het raam. Maar er staat nog steeds een biermerk boven de deur, en ook de klanten, vooral oudere autochtone mannen die bier drinken, zijn klaarblijkelijk nog steeds dezelfden.

Daarnaast kan je zien hoe sommige zaken, naarmate ondertussen bemiddelde Turken de wijken verlaten, zich ook expliciet  gaan richten op de autochtonen die zich hier steeds vaker vestigen – de ‘Rabot Market‘ (nummer 58) heeft, behalve een letterlijke vertaling van de Turkse tekst op de ramen, nu ook de Nederlandstalige boodschap ‘open op zon- en feestdagen’ op de ruit. Kapsalon ‘She’s Bio‘ (nummer 59), gerund door een vrouw van Marokkaanse origine, mikt zonder blikken of blozen op een rijker, autochtoon cliënteel. Anderzijds zorgen de migranten ervoor dat sommige zaken die elders al lang verdwenen zijn hier langer kunnen overleven.

Tot voor kort was er hier ook een oude schoenmaker die dankzij de talloze allochtonen klanten het hoofd boven water hield – nu zit daar een reisbureau dat vooral vluchten naar Turkije verkoopt (nummer 90), en verderop verklapt het oude uithangbord dat wassalon ‘Quickwash‘ ‘Was-o-rama’ heette toen dat nog modern klonk. Je kan meewarig doen over die wassalons, belwinkels en supermarktjes met goedkope voedingsproducten, maar dat is precies wat de mensen hier nodig hebben – dingen die je in pakweg Sint-Martens-Latem niet kan vinden. Ik ben dus een beetje sceptisch over het idee van de ‘sociale mix’ waar men hier in de buurt nu naar streeft – ik heb niet het idee dat zo’n superdiverse wijk op zich een probleem is.”

biokapper

4) “Ook interessant, nu we toch talen aan het tellen zijn: in de Maria-Theresiastraat, die we links voorbijlopen, heeft iemand een papiertje opgehangen met ‘I don’t like‘ en dan een aantal tekeningetjes van dingen die op straat voor overlast zorgen. Heel pragmatisch is dat, want doorgaans worden dergelijke normatieve boodschappen, zeker als ze van de overheid komen, enkel in het Nederlands verspreid, wat in een wijk als deze niet altijd veel uithaalt.

Ik zeg erbij dat ik de nogal negatieve perceptie van de Wondelgemstraat redelijk eenzijdig vind – voor veel mensen uit de twintigste-eeuwse wijken verderop is het vooral die vervelende straat waarin ze moeten aanschuiven wanneer ze naar het centrum rijden, omdat er vaak leveranciers dubbel geparkeerd staan – al is dat niet echt abnormaal in een winkelstraat met een 19de-eeuwse infrastructuur. Tegelijkertijd zijn er natuurlijk wel degelijk problemen in een wijk die onder ongelijkheid gebukt gaat. Het zichtbare zwerfvuil is daar slechts één symptoom van. Je mag ook niet onderschatten hoe nieuwe migranten nu uitgebuit worden, niet meer door de fabrieksbazen van weleer, maar door nieuwe autochtone én allochtone ondernemers – huisjesmelkerij en koppelbazerij zijn lucratieve bijverdiensten. Niettemin wérkt de wijk volgens mij dus wel: voor haar bewoners is ze functioneel.”

 

5) “Slaan we net voor het einde van de Wondelgemstraat rechts de Rietstraat in, dan ziet u op uw linkerkant, als u goed oplet, de Turkse moskee ‘Fatih Camii‘. Je zou het niet zeggen, maar er is binnen plaats voor enkele honderden mensen – en ook een ruimte voor ontspanning, mocht u door de open deur de pooltafel zien staan. Het is in zekere zin een typisch Vlaamse moskee, netjes verborgen achter een quasi anonieme gevel. In de Ferrerlaan is er ook een Turkse moskee met minaretten, maar dat levert altijd veel gedoe op, dus zijn moskeeën vaak in vrij anonieme gebouwen gevestigd.  Al is het hier volgens de imam eigenlijk echt te krap, en droomt hij wel van minaretten.”

 

IMG_0978.JPG

copyright Ico Maly

6) “Als u aan het einde van de Rietstraat rechtdoor loopt komt u op de site waar vroeger het telecombedrijf Alcatel gevestigd was. Zeker als het mooi weer is waan je je daar soms even op het Turkse platteland: in grote bakken – de grond zelf is deels vervuild – verbouwen tientallen mensen daar zelf kruiden en groenten. Er hangt hier echt een heel aangename sfeer, en er is altijd wel iemand die een praatje komt slaan – al zal dat niet altijd in het Nederlands gebeuren, gemoedelijk is het wel. Er is hier ook plaats voorzien om te voetballen en te spelen – echt een kleine oase in deze drukbevolkte wijk. Vroeger waren er ook een skateramp en een BXM-parcours, maar die zijn inmiddels weer verdwenen. Erger is dat ook de rest weldra moet wijken, want de Site bestaat enkel bij gratie van een projectontwikkelaar die hier een groene woonwijk plant. Helaas zullen de mensen die u hier ziet zich daar hoogstwaarschijnlijk geen woonst kunnen veroorloven. Echt jammer is dat, als je ziet hoe dit terrein nu leeft.”

 IMG_1040

7) “Aan de overkant van de site komen we aan het gebouw waar vroeger de Golden Gloves-boksclub gevestigd was – nu zijn er repetitiekoten en de ruimtes van Likebird waarin creatievelingen kunnen komen samenwerken. Gaat u links langs het gebouw met de graffititijger heen, dan komt u op de Gasmeterlaan uit, langs het Verbindingskanaal. Slaat u rechtsaf, dan loopt u voorbij de site van de oude gasfabriek waarnaar die laan vernoemt werd. Daar zie je de als historisch erfgoed beschermde skeletten van twee grote gashouders waarin ooit het gas werd opgeslagen dat de straatlantaarns deed branden. Deze zullen geïntegreerd worden in een park nabij de lofts die gebouwd worden in de bakstenen gebouwen van de lofts die gebouwd worden in de bakstenen gebouwen van de voormalige meelfabriek ‘De Nieuwe Molens’, zoals overal in Europa gebeurt met oude industriële complexen. Dat is doorgaans niet de eerste, maar de laatste stap in de herwaardering van een buurt – de prijzen zijn er nog laag, waardoor een dergelijke investering haalbaar is, maar het is er al een hele tijd prettig wonen. En daar spelen immigranten een omiskenbare rol in.

Ons historisch perspectief is vaak te beperkt: we denken alleen aan wat er na de Tweede Wereldoorlog gebeurde, aan hoe voorheen bloeiende wijken het moeilijk kregen en vervolgens de plek werden waar migranten zich gingen vestigen – vooral omdat er niemand anders meer wilde wonen. Maar eigenlijk is dat een volstrekt normaal fenomeen in alle grote steden. Wijken raken in verval omdat ze niet meer voldoen aan de behoeften van hun bewoners, worden door migranten weer leven in geblazen, trekken steeds meer hipsters aan, en worden uiteindelijk dure buurten, waarop de migranten – en vooral de armen – weer mogen verhuizen.”

 IMG_1049.JPG

8) “Een wandeling over de brug voor fiets en tram over het kanaal een eindje verderop maakt de laatste fase van dat proces mooi zichtbaar. Het kanaal, die de wijk vroeger met de rest van de wereld verbond, wordt nu gezien als een barrière voor de ontwikkeling van de buurt, die ‘ontsloten’ moet worden. Vandaar de brug, en de nieuwe fietspaden – net op tijd voor de groeiende middenklasse. Loopt u via de brug over het kanaal heen en komt u vervolgens weer terug naar de Rabotkant, dan kan u op de voormalige graanmolen ook een pop-uprestaurant spotten dat fungeerde als een aperitiefje voor de nieuwe, bemiddelde middenklasse die men de lofts wil inlokken – qua teken aan de wand van waar het met deze wijk heen gaat kan dat tellen. Ik wil niet cynisch klinken: het is in zekere zin erg gezond dat de stad zo in beweging blijft, en dit is een razend interessante wijk. Maar ik hoop dat u na deze wandeling met andere ogen kijkt naar wijken in verandering. En komt u over een jaar zeker nog eens terug, want dan ziet het er hier vast weer helemaal anders uit.”

 

 

 

De boekbespreking als politiek wapen

Een analyse van Absillis ‘vernietigende’ recensie van N-VA – Analyse van een politiek ideologie

 

Interessant. Een dikke 3 jaar na de publicatie van mijn doctoraat verschijnt een bespreking ervan in Wetenschappelijke Tijdingen van de hand van Absillis. Het wordt heel snel opgepikt door Het Pallieterke, De Bron en enkele andere obscure (extreem)-rechtse en Vlaamse nationalistische media. Eindelijk, na drie lange jaren wachten, de zo noodzakelijke vernietigende bespreking. Het was wachten totdat het zou opduiken in de mainstream media. Vrijdag was het zover. De Morgen interviewde Bruno De Wever en bracht de ‘vernietigende recensie’ ter sprake. Van de marge naar de mainstream.

 

3dedrukNVA-AnalyseVanEenPolitiekeIdeologie

De bespreking

Volgens Bruno De Wever bewijst de recensie dat ik  (1) methodologische fouten heb gemaakt en  (2) dat het boek een foute cover heeft.  De eigenlijke bespreking verwijt me  voornamelijk een discours analist te zijn en in het bijzonder een leerling te zijn van Jan Blommaert en Jef Verschueren. Meer dan de helft van die recensie gaat dan ook over de invloed van een studie van Blommaert en Verschueren gepubliceerd in de jaren 90.

De bespreking tracht een soort discours-analyse toe te passen op mijn doctoraat. Het is interessant te zien hoeveel gewicht toegekend wordt aan de cover-foto. Zowel Bruno De Wever als Kevin Absillis suggereren dat EPO de afbeelding bewust voorzien heeft van een (schaduwsnorretje) zodat  De Wever op Hitler zou gelijken. Wat men lijkt te missen, is dat dit een originele Belga persfoto is van N-VA op hun propaganda tournee. De schaduw onder de neus is een normale schaduw van de neus, en is dus niet het gevolg van de A in de titel. Het is er al helemaal niet opgezet door de grafisch ontwerper, maar is deel van het origineel.

cover en orgineel

Heel interessant is ook hoe Bruno De Wever dit reproduceert in het interview met De Morgen:

“Neem alleen nog maar de cover van dat boek van Maly: N-VA. Analyse van een politieke ideologie. Absillis toont duidelijk aan hoe men door de plaatsing van de titel waarschijnlijk heel bewust een hitlersnorretje op de foto van mijn broer wil suggereren.” (De Morgen, 2016)

De hedge ‘waarschijnlijk’ raakt ondergesneeuwd onder de hyperbolen: ‘toont duidelijk’, ‘heel bewust’.  Bruno De Wever steunt volledig op de bespreking van Absillis en toont daarbij vooral aan dat hij geen discoursanalist is. De claim van De Wever in het interview, zich baserend op de recensie van Absillis is een methodologische fout. Een fundament van een discoursanalyse is dat je meerdere data moet hebben ter ondersteuning van je claims. Meer nog, je analyse van het hele corpus, moet ook terug te vinden zijn in één tekst (staat netjes vermeld in het methodologisch hoofdstuk van mijn doctoraat). In dit geval zou Absillis op zijn minst een interview of zo moeten kunnen opdiepen waarin ik zou stellen dat de N-VA fascistisch zou zijn. Ik daag hem uit om dat te doen. Dergelijke data bestaat niet. Mocht Absillis zijn huiswerk goed gedaan hebben, dan zou hij zien dat ik in het boek, in alle interviews , debatten en artikelen altijd expliciet heb gezegd dat N-VA en De Wever volgens mij niet fascistisch zijn. Wat me trouwens niet altijd in dank is afgenomen. Hun analyse van de cover wordt tegengesproken door alle andere data die ik heb geproduceerd.

De ‘analyse’ van de recensent vertelt ons veel  meer over de methodologie van de recensent en zijn doeleinden, dan over mijn of EPO’s intenties. Deze opener van de bespreking zet de toon. De introductie is de eerste indicatie dat Absillis zelf een intentieproces opzet; nota bene iets dat hij mij verwijt. In de 39-pagina’s lange recensie produceert Absillis één argument: Het onderzoek van Maly had van meteen af aan de intentie om De Wever en zijn N-VA te beschadigen.

Nu zijn intenties  in wezen irrelevant in de beoordeling van wetenschappelijk onderzoek. Men kan perfect de intentie hebben om arbeiders aan de band efficiënter in te zetten (of in links jargon: te onderdrukken en uit te persen) en daarover een stevig wetenschappelijk doctoraat schrijven. De intentie en de ideologie van de onderzoeker zijn niet relevant in de beoordeling van een wetenschappelijk werk. Einsteins relativiteitstheorie is niets minder waard omdat hij een communist is. Maar, als men dan toch mijn intentie wil weten dan kan men die krijgen: het doctoraat is er gekomen om ‘inzicht’ te verwerven in het discours en het succes van N-VA. Hoe kan De Wever het constructivisme rijmen met nationalisme? Nationalisme met verlichting. Hoe kan het dat De Wever ook bij linksen als een toffe pee wordt beschouwd. In mijn eerste publicaties over het thema, dus lang voor de publicatie van mijn doctoraat was mijn analyse ook gematigder. In Het rijpen van de Geesten bijvoorbeeld, werd enkel het uitsluitend karakter van het N-VA nationalisme aangehaald en haar neoliberale economische politiek. Niet dat dit alles ter zake doet, een wetenschappelijk onderzoek beoordeelt men op zijn wetenschappelijke merites niet op de intentie of politieke voorkeur van de onderzoeker.

 

De recensent en zijn politieke strijd

Laat we de bewijzen à charge ten gronde bekijken. Volgens Bruno De Wever zouden er grote problemen zijn met de methodologie van het onderzoek. Misschien interessant om aan te stippen in deze context dat het onderzoek een discoursanalyse is. Ik ben een cultuurwetenschapper en discoursanalist en werk vanuit een etnografisch paradigma. Noch Bruno De Wever (historicus), noch Kevin Absillis (docent Nederlandse letterkunde) zijn etnografen of discours analisten. Benieuwd welke methodologische problemen zij ontdekken in mijn benadering van het etnografisch paradigma.

De claim van De Wever wordt nog vreemder als we de recensie erbij nemen. Absillis schrijft welgeteld 5 lijnen over de methodologie en die zijn louter beschrijvend. Die vijf lijnen worden afgesloten met de volgende zin: ‘Essentiëler voor deze studie is echter het begrippenpaar verlichting en antiverlichting’. Volgens Absillis is er dus niet zozeer een probleem met de methode maar met het begrippenpaar verlichting en antiverlichting. Concreter, het grote probleem is volgens Absillis het gebruik van welbepaalde wetenschappers over de verlichting en antiverlichting. Dit zal een terugkerend motief worden in de bespreking, ik kom daar straks op terug.

Vooral het gebruik van Sternhell’s werk over de antiverlichting moet het ontgelden. Dat ik evengoed gebruik maak van Israel, Blom, Foucault en Hobsbawm in mijn benadering moet even wijken voor de duidelijkheid van zijn argument. Dat ik de originele geschriften van radicale verlichtingdenkers als  Paine en Condorcet gebruik naast de literatuur die gematigde verlichtingsdenkers als Jefferson, Locke, Rousseau en Kant achtergelaten hebben, wordt niet opgemerkt. Dat ik mij baseer op literatuur van conservatieve en antiverlichtingsdenkers als Herder, Renan, De Maistre, Taine en Burke en vele anderen ontgaat hem blijkbaar ook. Het punt is, ik gebruik ‘de foute literatuur’ – lees ik citeer Sternhell – aldus Absillis. Israel, Hobsbawm en Sternhell, het zijn niet meteen lichtgewichten in de academische wereld.

Het ontgaat hem ook dat ik geen enkele van die auteurs klakkeloos volg in hun categoriseringen. Volgens Israel is Herder een radicale verlichtingsfilosoof. Ik volg hem daar niet, je moet er nog maar ‘Another Philosophy’ bijnemen van Herder om te weten dat hij heel duidelijk probeert een filosofie te ontwikkelen die lijnrecht ingaat tegen het denken van de radicale Franse filosofen. Dat ik die categoriseringen niet volledig volg, betekent echter niet dat je de impact van die radicale verlichting kan afwijzen of het ontstaan van de antiverlichting ontkennen. Dat er wel degelijk een ideologische strijd was binnen en tegen de (radicale) verlichting en dat die ideeënstrijd niet alleen relevant is om de dialectiek van het verleden te begrijpen, maar ook van het heden, lijkt mij onomstreden. Dat ik de verlichting niet zozeer bekijk in haar historische realiteitspolitiek, maar vanuit het perspectief van de ideeën van grote denkers ontgaat hem ook. Dat ik een onderscheid maak tussen de gematigde (en onverdedigbare) verlichting en de radicale verlichtingsdenkers ontgaat hem. Dat ik een onderscheid maak tussen counter-enlightenment (dat vaak samenvalt met denkers die Israel als gematigde verlichting omschrijft) en antiverlichting ook. Antiverlichting en counter-enlightenment zijn trouwens niet inwisselbaar. De Counter-enlightenment wil terug naar het ancien régime, de antiverlichting wil een andere moderniteit dan de (radicale) verlichtingsdenkers.

Zijn suggestie op het einde van zijn bespreking, dat ik ‘de Verlichting’ in zijn geheel verdedigen is nogal onzinnig (lees mijn inleiding voor de Gentse Feesten debatten hierover), want dan zou ik met Kant ook verlichte despoten moeten verdedigen. Er zijn nogal wat schrijfsels van mij te vinden waarin ik dat expliciet ontken. Ik voel me dan ook niet aangesproken, als hij mij als een verdediger van het kolonialisme en imperialisme wil neerzetten. Ik zie niet in waarom ik niet kan stellen dat de radicale verlichtingsdenkers ons de ideeën van democratie, mensenrechten en sociale zekerheid geschonken hebben, en tegelijkertijd de historische periode die gekend staat als de verlichting sterk kan bekritiseren. Dat is iets wat Paine al deed in de 18de eeuw.

Belangrijker in het licht van de bespreking, is dat ik in mijn doctoraat niet de verdediging van de verlichting op mij neem, maar net de claims van De Wever en zijn N-VA op de verlichting analyseer. Absillis kan moeilijk het onderscheid maken tussen analyse en verdediging.  Het zijn De Wever‘s uitspraken – het zijn de data- die het noodzakelijk maken om die geschiedenis in mijn analyse te betrekken. Het zou van mij een slechte discoursanalist en cultuurwetenschapper maken als ik die niet  betrek in die analyse. Intertekstualiteit (impliciete en expliciete) is van cruciaal belang binnen elk politiek discours: alle woorden en discoursen hebben een geschiedenis van gebruik. Zeker als men die geschiedenis expliciet oproept, zoals De Wever die zich positioneert als in lijn met de verlichting en een volgeling van Burke, dan is het de job van de discoursanalist om dit te onderzoeken. In die zin heb ik veel te danken aan De Wever, het is dankzij hem dat ik al die primaire bronnen heb mogen lezen. En dat was een heel leerrijke en plezierige trip.

 

De foute vragen

Absillis geeft eigenlijk nergens kritiek ten gronde op de analyse en de methodologie. Wat Absillis stoort – naast de conclusie dat N-VA een anti-verlichtingsideologie uitdraagt –  is dat ik (1) allerhande vragen die hij interessant vindt, niet heb beantwoord en (2) niet de literatuur gebruik die hij vindt dat ik moet gebruiken. Zo wordt me verweten dat ik geen studie gemaakt heb van de impact van Herder en Burke op het Vlaams nationalisme. Blijkbaar had ik dus eerst hierover een doctoraat moeten schrijven, vooraleer ik iets mag zeggen over Herderiaans nationalisme binnen het Vlaams nationalisme. Bovendien haast Absillis zich, na zich verschillende alinea’s te hebben uitgesloofd om de impact van Herder op het Vlaams nationalisme in vraag te stellen, met de stelling dat Herder wellicht wel een grote impact heeft gehad op het Vlaams nationalisme. Geen enkele inhoudelijke tegenwerping op mijn vaststellingen dus, integendeel.

Hetzelfde met Burke. Absillis vindt mijn vaststelling van de invloed van Burke op De Wever evident en makkelijk. Dus terug geen enkele inhoudelijke kritiek op wat ik zeg. Ik krijg enkel het verwijt  volgende vragen niet te beantwoorden: “Hoe leest De Wever Burke? Hoe verhoudt die lezing zich tot Maly’s eigen, grondige en systematische lectuur van Burke? Welke rol heeft Burke gespeeld in de geschiedenis van de Vlaamse beweging? Als die rol minimaal zou zijn, waarom is De Wever dan zo door Burke aangetrokken? En waarom heeft het tot De Wever geduurd voordat Burke en zijn ‘identiteitsconcept’ in het Vlaams-nationalistische denken werden geïntroduceerd?”  Enkel de onderzoeksvragen die Absillis als relevant beschouwd, mogen worden beantwoord. Absillis voelt zich de hoeder van de juiste vraag, de pater die het juiste denken oplegt.

Idem met de claim dat De Wever een neoliberale nationalist is. Terug geen enkele kritiek op de analyse an sich, die analyse wordt niet vermeld (terwijl Absillis 39 pagina’s ter beschikking heeft!). Wel worden terug andere vragen gesuggereerd. Hij noemt “N-VA-voorzitter namelijk een “neoliberale nationalist”, maar gaat licht over de vaststelling dat pleiten voor zo veel mogelijk vrije marktwerking en een principiële achterdocht tegenover de overheid zich moeilijk laten verzoenen met waarden als gemeenschapszin, sociale cohesie en nationale solidariteit. Is De Wevers nationalistische discours dan onderschikt aan een neoliberale agenda of is het eerder omgekeerd? En hoe verhoudt De Wevers neoliberalisme zich tot de verlichting en de erfenis van de Vlaamse beweging?’” Nog los van het feit dat verschillende vragen wel worden beantwoord in het boek, wijs ik er graag op dat de these dat nationalisme en neoliberalisme de laatste decennia hand in hand gaan, geen nieuwe vaststelling is.  David Harvey (die stond niet op Absillis’ lijst van verboden boeken) gaat in zijn werk over neoliberalisme uitvoerig in op die verhouding.  We hoeven trouwens maar aan Thatcher te denken, of later aan het discours van New Labour (Fairclough schreef hier een interessant boekje over, maar die staat hoogst waarschijnlijk op de verboden lijst van Absillis).

 

De foute literatuur

Het belangrijkste argument van Absillis tegen mijn doctoraat is niet zozeer mijn analyse an sich, maar de literatuur waarop ik me baseer. Als ik over het Vlaams nationalisme spreek,  mag ik me niet baseren op Louis Vos, Lode Wils, Jan Blommaert, Marc Reynebeau, Morelli en Hobsbawm. Als ik over nationalisme schrijf, mag ik me niet op Anderson, Billig, Hobsbawm, Gellner, Blommaert en Hroch baseren. En ik mag me niet baseren op Israel, Condorcet, Paine, De Tocqueville, Rousseau en Kant als ik over de verlichting schrijf. En ik mag me al helemaal niet baseren op Sternhell als ik over de anti-verlichting schrijf. Ik moet me dan weer wel baseren op Lakoff  en dus linguïstische (en geen sociolinguïstische) analyses maken. Uiteraard mag ik me niet baseren op discoursanalisten zoals Hymes, Foucault, Fairclough, Billig en al zeker niet op Blommaert en Verschueren.

En zo komen we geleidelijk aan bij hetgeen Absillis echt viseert: De contestatie van het Vlaamse nationalisme door linkse intellectuelen en culturo’s zoals dat in het lingo heet.  Absillis’ stelling is bekend, links moet het nationalisme niet bekampen, maar omarmen en inzetten voor de linkse strijd. Jan Blommaert en Jef Verschueren, die doorheen de hele bespreking geregeld opduiken, zijn vanuit dit perspectief uitermate problematisch in zijn ogen. Zij hebben, aldus Absillis, een enorme impact gehad met hun boek Het Belgische migrantendebat op het verzet van linkse culturo’s en intellectuelen tegen het concrete Vlaams nationalisme.

Het is dan ook opvallend dat er slechts 12 van de 39 pagina’s gewijd worden aan mijn doctoraat.  Op de andere pagina’s wordt de invloed van ‘Het migrantendebat’ van Blommaert en Verschueren besproken. Zij zouden de houding van links ten opzichte van het Vlaams nationalismhebben bepaald en ‘de foute’ boeken binnengebracht hebben in het debat (lees: de werken van Hobsbawm, Anderson en Gellner) over nationalisme. Mijn doctoraat wordt als emblematisch neergezet wordt voor alles wat fout is aan de linkse houding ten aanzien van nationalisme in de laatste twee decennia:

Maly’s conclusie negeert dat sinds de doorbraak van het Vlaams Blok in de jaren 1990 wellicht geen enkele ideologie fel­ler en openlijker werd gecontesteerd dan nationalisme in het algemeen en Vlaams-nationalisme in het bijzonder. De doorbraak van de N-VA naar het centrum van de po­litieke macht heeft daar al met al niet zo veel aan veranderd.”

Absillis maakt hier typische fout: hij verwart tegenspraak met macht. Dat N-VA de grootste partij is van Vlaanderen, dat er op de PVDA na geen Belgische partijen zijn of dat de BRT VRT is geworden, dat is allemaal niet relevant. Een wetenschapper als Billig, zou daar iets anders over denken, maar die staat niet op de goede literatuurlijst. Wat Absillis niet lijkt te zien, is de machtsongelijkheid. De reële impact van die intellectuelen en culturo’s wordt niet in ogenschouw genomen. Een hegemonie is nooit totaal, er is altijd verzet. Het verzet wordt echter niet gehoord, belachelijk gemaakt, geïnstrumentaliseerd, geneutraliseerd of in de marge geduwd. Dat wil niet zeggen dat ze er niet is, ze heeft gewoon weinig impact, weinig macht.

Het is dan ook opvallend dat een bespreking die niet ingaat op de methode van het onderzoek, die geen enkele feitelijke fout aanhaalt, maar enkel wijst op ‘de foute literatuur’ en extra (interessante) onderzoeksvragen suggereert, heel snel opgepikt wordt om een onderzoek af te maken. Terwijl datzelfde medium nog nooit een letter heeft vuilgemaakt aan dat onderzoek. Laat staan dat De Morgen zou rapporteren dat het onderzoek nu ook in een internationale top journal als Nations and Nationalism is gepubliceerd. Het zegt iets over wat gezien wordt als normaal en wat gezien wordt als niet normaal in onze Vlaamse samenleving. Het kaartenhuis van Absillis stort onherroepelijk ineen.

 

De verborgen politiek van de recensent

‘Mijn doctoraat’ is maar een opstapje om het echte stokpaardje van Absillis boven te halen: De verdediging van (links) nationalisme. De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet. Freud zou het woordje projectie bovenhalen, maar die staat zeker ook op de foute literatuurlijst. Onder het mom van een objectieve recensie, smokkelt Absillis niet al te subtiel trouwens, zijn eigen politieke strijd binnen: de opleving van het Linkse nationalisme. Ik wens hem daarbij alle succes.

 

  1. Graag maak ik van de gelegenheid gebruik even te wijzen op een reeks feitelijke fouten in de bespreking. De cover is niet door Epo gemaakt (de Colofon checken is altijd handig). Ik ben nooit voorzitter geweest van Kif Kif, maar coördinator. Kif Kif was geen minderhedenplatform, maar een intercultureel platform. Ik ben geen politiek wetenschapper, maar een cultuurwetenschapper. Kif Kif is niet aan elkaar geschreven. Facebook en Instagram worden met hoofdletters geschreven. Sternhell is met ll –geschreven.

 

Een democratische werf

Nuit Debout 4 Paris crowds

Het is een teken des tijd. Op regelmatige tijdstippen roepen managers en hun lobbygroepen op om techneuten of experts een grotere rol te laten spelen in de politiek. De ceo van schoenen Torfs, Roland Duchâtelet, Marc De Vos van Itinera, Graaf Leopold Lippens, Johnny Thijs, Bernard Delvaux en Baudouin Meunier, de analyse van al deze heerschappen klinkt unisono. De politiek faalt, de democratie is niet efficiënt genoeg. De oplossing is dan meer technocratie, minder democratie. Dergelijke oproepen zouden ons ongerust moeten maken, want onder sommige terechte bekommernissen en de aantrekkelijke praatjes, zijn zulke oproepen regelrechte aanvallen op de democratie.

De democratische burger en de democratische malaise

Het is tijd om met zijn allen na te denken over welke  democratie we willen in tijden van neoliberale globalisering. Want als wij – democratische burgers – het niet doen, zullen de managers het doen in onze plaats. Politici en vooral de burgers zouden dergelijke oproepen moeten aangrijpen om het debat over democratie as such aan te wakkeren. Het is immers een feit dat de Westerse democratieën niet in goede doen zijn. Dergelijke oproepen vanwege de elite zijn net zoals tegenbewegingen als Nuit Debout, Indignado’s, Occupy en Hart Boven Hard allen symptomen van een onderliggende malaise: de crisis van de democratie als ideologie  en de crisis van de nationale democratie. Waar de elite ze wil omvormen tot een technocratie, willen de bewegingen van onderuit meer echte democratie.

Het is tijd om met zijn allen na te denken over welke  democratie we willen in tijden van neoliberale globalisering. Want als wij – democratische burgers – het niet doen, zullen de managers het doen in onze plaats.

In het algemeen kunnen we stellen dat de koppeling tussen democratie en nationale staat een anachronisme is in tijden van globalisering. Onze economie opereert op een globale schaal. Migratie is een globaal fenomeen, de ecologische problematiek is een globaal gegeven en de oorlogen die we uitvechten zijn dat ook. Onze democratie en onze rechten zitten echter gevangen op een lagere schaal. We hebben maar rechten als nationale burgers, niet omdat we mens zijn. We hebben als bevolking geen democratische macht over de economie.

 

De politieke positie van de ‘experts’

De managers nemen helemaal geen neutrale positie in: hun positie is door en door politiek of beter ideologisch. Een aantal punten die zij aanhalen zijn terecht natuurlijk. We moeten inderdaad van die kerncentrales af. We leven in een land die onder druk van nationalisten een gigantische versnippering van bevoegdheden kent. Een versnippering die resulteert in een gigantische over-populatie van politici en kabinetten. Dit zijn echter allen politieke problemen, die politieke oplossingen vragen. De politieke oplossing van de werkgevers is radicaal: ze willen de democratie (deels) buiten spel te zetten.

De burgers moeten zich – in naam van de efficiëntie – laten besturen door een groep (niet verkozen) ‘techneuten’ en specialisten. De staat en de democratie moeten we omvormen tot een bedrijf. Dat is echter geen oplossing, het is deel van de crisis van de democratie als ideologie. Het creëert de illusie dat er niet-politieke antwoorden bestaan. Dat het allemaal een kwestie is van goed bestuur en niet van politieke keuzes. Dat een deel van de huidige malaise bij de NMBS politieke en economische oorzaken kent, zien onze managers niet. Dat de NMBS lijdt onder te weinig investeringen en teveel besparingen mag niet gezegd worden. Dat dit net het gevolg is van hun neoliberale dogma’s (alles moet privaat georganiseerd worden) mag al helemaal niet benoemd worden. Dat het geld voor de bedrijfswagens best geheroriënteerd wordt naar het openbaar vervoer willen onze ‘neutrale’ werkgevers niet geweten hebben. Hun positie verhult dat dit geen ‘technische kwesties’ zijn, maar politieke kwesties.

Idem met onze ‘veiligheid’. Uiteraard wordt veiligheid hier weer verengd tot de dreiging van terroristen van DAESH. De groei van extreemrechts komt niet in het vizier. De onveiligheid door armoede komt niet aan bod. Ook de voedingsbodem van de islamistische, extreemrechtse en linkse radicalisering wordt niet besproken. De managers willen dat we veiligheid enkel denken in termen van veiligheidsdiensten en hun efficiëntie in de strijd om het verhinderen van aanslagen op Belgische bodem. Dat veiligheid per definitie een politiek gegeven is, wordt niet gezien. Dat de aanslagen in grote mate een gevolg zijn van onze politieke positie in internationale conflicten van de laatste decennia mag niet benoemd worden. Onze steun aan de vijanden van onze vijanden in het Midden-Oosten, onze politieke en economische banden met landen als Saoedi-Arabië, onze politiek van ongelijkheid in eigen land, en het politieke islamofobe discours zullen we maar wegdenken. Privacy en rechten mogen niet vernoemd worden in deze debatten, veiligheid voor alles. Nochtans hebben klokkenluiders als Snowden ons in detail getoond hoe de verhoging van de efficiëntie van de veiligheidsdiensten de democratie op een globale schaal uitholt.

En zoals altijd zit het venijn in de staart. Onze arbeidskosten zijn te groot. We moeten volgens de managers als natie concurrentieel blijven in een neoliberale globale economie en dus moeten de arbeidskosten omlaag. Lees het loon en het uitgesteld loon van de arbeider en bediende moet naar omlaag. De managers mogen de astronomische bonussen blijven binnenrijven. Dus ook hier geen politiek antwoord op een neoliberale economie, geen pleidooi om democratische macht te verwerven over die economie, maar net omgekeerd een pleidooi voor de almacht van de economie over de politiek en de mens.

Ziedaar het ‘neutrale’ experten-standpunt: Om de democratie te redden, moeten we ze opheffen.

Aanslagen in Brussel

Enkele emotionele en kritische bedenkingen.

 

Toen ik deze morgen in mijn auto stapte op weg naar Tilburg University leek het een mooie dag te worden. Zonneschijn. Twee leuke colleges voor de boeg. Tot ik het breaking news hoorde. De aanslagen in Zaventem. Ik belde mijn vrouw om na te gaan of mijn schoonzus vandaag of gisteren terug vloog naar Istanbul. Een geluk, het bleek gisteren. Hetzelfde gevoel overviel me bij alle berichten over aanslagen in Istanbul de laatste maanden. Telkens de bezorgdheid voor familie en vrienden in Turkije. Vandaag was Brussel aan de beurt.

De nieuwsstroom kwam volop op gang. Verschillende ooggetuigen, mensen die in de omtrek van Zaventem werken en journalisten in de file op weg naar de luchthaven herhaalden keer op keer de ‘bekende feiten’. Er waren twee ontploffingen, het was mogelijks een terroristische aanslag. Er was chaos. De hulpverlening en politie deden hun werk uitstekend. Treinverkeer naar de luchthaven was verstoord.De klassieke non-stop berichtgeving die gaandeweg aandikt gedurende de dag.

Ik belde (voor de bezorgde mensen, ja ik heb een carkit) nogmaals met mijn vrouw. Praktische beslommeringen van pendelende jonge ouders. Zou zij wel terug geraken? Ik moet vandaag les geven tot 18u en geraak nooit op tijd aan de crèche. Het treinverkeer bleek nog in orde, ze was net aangekomen in Brussel. Ze moest me laten, want ze moest haar Metro halen.

Niet veel later kwam het bericht van de aanslag op de metro. Terug bellen met mijn vrouw. Eenmaal. Geen antwoord. Tweede maal. Geen antwoord. De verbeelding slaat op hol, de angst neemt toe. Pas na meerdere keren bellen heb ik mijn vrouw aan de lijn. Wat is er. Zei ze. Ze wist niet van een aanslag, wel had ze een hele hoop para’s in Kunst-Wet de trappen zien afstormen en wist te vertellen dat haar Metro bruusk had geremd toen ze Kunst-Wet naderde. De aanslag was net gebeurd, op een andere lijn en luttele minuten vooraleer zij er voorbij reed.

Tijd om les te geven. Ondertussen stromen de berichten binnen van een lock down in Brussel. Treinen rijden niet, iedereen moet binnenblijven. Tunnels gesloten. Het praktische terug. Mijn laatste les las ik af. Uit praktische redenen. Pendelende jonge ouders weet je wel. Mijn vrouw zit vast in Brussel, kinderen moeten opgehaald worden van school en van de creche.

Na de emotionele en praktische rollercoaster komt tijd om na te denken. Ik heb een goeie vijf uur naar de radio kunnen luisteren tijdens de autorit Gent, Tilburg, Brussel en Gent. De gevoelens van opluchting ruimen plaats voor medeleven met de slachtoffers enerzijds en anderzijds een gevoel van déja vu die omslaat in woede over de politieke profilering en het absoluut nefaste beleid van Westerse landen in de laatste twee decennia.

Enkele kritische bedenkingen.

(1) we horen vandaag exact hetzelfde discours over deze aanslagen, als ten tijde van de aanslagen op 9/11, Madrid, London, Theo Van Gogh enz. ‘Wij’ democraten worden aangevallen voor ‘onze waarden’, ‘onze vrijheden; ‘Zij’ zijn barbaars, fanatiek, moslim, jihadi, … Dit frame structureert het denken en het handelen van onze politici en burgers. Ze komen terug met dezelfde plat gekookte recepten die de spiraal van geweld enkel maar zal versterken. Het racisme steekt weer de kop op. Ze zouden dit … en dat …. moeten doen met die…. Actie, reactie. Deze les heeft de geschiedenis ons helaas al velen malen aangereikt. We leren niet.

(2)Het ahistorisch en apolitiek bewustzijn dat geëtaleerd wordt in de berichtgeving en politiek discoursen is stuitend. Meer nog, we mogen niet verwijzen naar het feit dat dergelijke gruwelijke terreur daden niet uit het niets ontstaan maar dat ze maar ten volle kunnen begrepen worden in een historisch en interactioneel perspectief. Wanneer we een historisch en een globaal perspectief hanteren, dan kan we er niet langs kijken dat het geweld van twee kanten komt. Er is geen pacifistisch ‘Westen’ vs een gewelddadige ‘IS’.

De aanslagen in Brussel worden gezien als een alleenstaand gegeven die ‘zij’ ‘ons’ aandoen. Ze zijn echter deel van een spiraal van geweld. Van het kolonialisme tot de eerste Golf-Oorlog, van onze steun aan Saoedi Arabië en Israël tot en met de bombardementen in Afghanistan en Irak. De huidige golf aan terreur is niet los van dit verhaal te begrijpen. De fundamentalistische Islam is een reactie op eeuwenlange Westerse inmenging en lokale dictaturen. Die spiraal heeft een puinhoop gecreëerd in het Midden-Oosten, falende staten en mensen gevoed met haat. Die puinhoop wordt vandaag geglobaliseerd.

Niet zozeer onze hooggestemde waarden zijn het probleem, maar net het feit dat ‘we’ ze constant met de voeten treden. We zijn helemaal niet geloofwaardig als het om mensenrechten en democratie gaat, net omdat we vaak het omgekeerde doen, dan wat we preken en anderen opleggen te doen.

Metsu.png

(3) Dit frame zorgt ervoor dat we uiterst hypocriet zijn in onze verontwaardiging en solidariteit. Vandaag roept Koen Metsu (N-VA) luid in de krant: ‘Ik hoop dat de stem van de moslimgemeenschap nu echt eens gaat weergalmen. En niet met een slappe boodschap dat ze zich distancieert van wat er is gebeurd, maar met een algemene oproep aan alle moslims om dit met de sterkste woorden te verfoeien.’ (De Standaard, 22/03/2016. Zie hier het dominante frame: impliciet vertrekt men vanuit de idee dat de Moslim op zijn minst steun verleent aan, gedoogd. ‘U beste Moslims bent per definitie deel van die groep’ en dus moet u zich niet alleen distantiëren, u moet oproepen dat alle Moslims dat publiek moeten verfoeien.

Dat er onder de slachtoffers in de Metro en in Zaventem best wel eens wat Moslims kunnen zitten, het is Brussel nietwaar, daar staat men niet bij stil. Dat DAESH in Turkije slachtoffers maakt, dat is blijkbaar niet belangrijk of zorgt niet in een correctie in ‘ons’ discours. Geen speciale bulletins, geen breaking news. Geen ‘je suis Istanbul’. Idem voor landen over de hele wereld waar DAESH aanslagen pleegt Het is die bias die de verbeelding in stand houdt van ‘ons’ vs. ‘hen’.

We weigeren naar de feiten zelf te kijken. De wereld is eindeloos complexer, en dergelijke simplismen verzieken de boel enkel verder. Ze voeden de polarisering, het geweld en de spiraal.

jambon

(4) Over verzieken gesproken. Wie herinnert zich nog de tweet van Jambon van enkele dagen geleden. Jambon, in ware Western-retoriek, tweette een foto waar hijzelf en premier Michel poseren met enkele gebivakkeerde leden van de speciale eenheid van de politie. In ware Bush-stijl schreeuwde hij van de daken: ‘You got him, boys!’. Wat volgde was een electoraal borstgeklop en getoeter. Kijk hoe goed wij zijn. Profileringsdrang. De spektakelwaarde zorgt voor een stijgende kranten verkoop en de nieuwsstroom trekt zich op gang. Commentatoren, politici en advocaten figureren in de pers. Saleh zou veel waardevolle informatie hebben, hij zou goed meewerken, het IS-bolwerk is hard geraakt, …

Zie hier de spektakelpolitiek. Het gaat over profilering, niet over deftige politiek. Ik ben geen expert in politiebevoegdheden, maar ik kan vermoeden dat het niet meteen intelligent is om alles op straat te gooien, om in de media te vertellen dat je informant praat. Dat lijkt me enkel maar een boodschap aan diegenen die vermoeden dat hij iets over hen kan vertellen, om hun actie te vervroegen. Wat uiteindelijk de onderzoekers minder tijd geeft om ze op te sporen en te berechten.

En dit is helaas maar een element, in een aaneenschakeling van decennialang falend politiek en mediatiek beleid. De analyse is pessimistisch. Mijn vrouw en ik, gaan er al lang vanuit dat er aanslagen komen in Brussel. Het blijft schrikken als het echt gebeurt. Maar op het eind van de dag, is het ergste dat er geen lessen getrokken worden. Ik zie vandaag geen enkel teken dat onze politici tot inzicht gekomen zijn en een nieuw beleid gaan ontplooien. Ik zie meer van hetzelfde en dat belooft niet veel goeds. Niet voor onze burgers, niet voor burgers in andere werelddelen en al helemaal niet voor de democratie. Het is waarlijk een donkere dag.

De realiteit volgens De Wever

De realiteit volgens De Wever
Verschenen in De Standaard van 23 september 2015

Ico Maly, Docent nieuwe media en politiek aan de universiteit van Tilburg, auteur van ‘N­-VA. Analyse van een politieke ideologie’ (Epo, 2012).

Naar de standaard die De Wever enkele jaren geleden zelf gezet heeft, is zijn retoriek vandaag niet meer te onderscheiden van die van Vlaams Belang, schrijft Ico Maly. Waarom wees niemand daarop tijdens het openingscollege politicologie aan de UGent?

Realiteitszin heeft in het discours van Bart De Wever altijd al een specifieke functie en betekenis gehad. Het is die zogenaamde realiteitszin die het N-VA-project onderscheidt van de verguisde ‘linkse kerk’. Linksen, in het jargon van De Wever steevast ‘extreem-linksen’ genoemd, doen aan ‘utopistische politiek’. Zij zijn naïef, ze lopen een ideologie achterna en onderkennen ‘de realiteit’ niet. Terwijl de N-VA, zo moeten we geloven, niet ideologisch, maar realistisch is.

Wat is dan die fameuze ‘realiteit’ volgens De Wever? Die realiteit slaat alvast niet op de westerse oorlogspolitiek in het Midden-Oosten. Over Irak meent De Wever zelfs te weten dat ‘dit land niet in oorlog is’. Vreemde realiteitszin is dat. Het land beeft nog altijd onder de westerse invasie. Die westerse inmenging en de absolute chaos als gevolg daarvan in Irak, in Syrië en in Afghanistan blijven compleet buiten beeld. Die realiteit is dus niet wat De Wever bedoelt met ‘de realiteit’. Die realiteit kan niet worden aangeduid als oorzaak van migratie.

‘De realiteit’ is volgens De Wever dat migranten naar hier komen met ‘een economisch kompas’. Een kompas dat hen de weg toont naar het land met de meest gunstige en toegankelijke sociale zekerheid. ‘De realiteit’ van De Wever verbeeldt vluchtelingen als ‘profiteurs’ en als ‘moslims’, wier cultuur botst met ‘de onze’. De Wever zit zo in precies hetzelfde discursieve vaarwater als Vlaams Belang. Die ‘moslims’ zijn dan niet op zoek naar veiligheid, maar naar ‘ons geld’.

De politieke functie en de onderliggende ideologie van dit realiteitsconcept is duidelijk. Het is erop gericht een draagvlak te installeren voor discriminatie en universele mensenrechten voorwaardelijk te maken. De Wever beargumenteert dan ook het gradueel toekennen van kinderbijslag. Dat universeel recht wordt zo een voorwaardelijk recht.

Goed geïnformeerd?

De N-VA-voorzitter gaat nog een stap verder als hij pleit voor een aanpassing van de Conventie van Genève. Toen hij in 2012 met Filip Dewinter debatteerde in De zevende dag, onderstreepte hij nog dat zijn partij nooit iets zou veranderen aan de Conventie van Genève. Dat waren immers mensenrechten, zei hij toen vol overtuiging, in een zoveelste poging om het onderscheid tussen de N-VA en Vlaams Belang te beklemtonen.

Naar de standaard die hij toen zelf heeft gezet, is zijn partij vandaag niet meer te onderscheiden van Vlaams Belang. De gematigde verpakking is verdwenen, wat overblijft is extreemrechtse ideologie.

We kunnen alleen maar hopen dat de toekomstige politieke wetenschappers deze speech niet alleen begrijpen als ‘een normale manier om aan politiek te doen’, maar ook aangrijpen om te reflecteren over hun toekomstige maatschappelijke rol. Het is een oud adagium dat een democratie maar gezond kan zijn als haar burgers goed geïnformeerde burgers zijn. Politicologen hebben de democratische verantwoordelijkheid om dergelijke discoursen te duiden voor wat ze zijn: een aanval op de mensenrechten.

Integratie of mensenrechten?

Bart Sturtewagen ontwaart in De Standaard (28-08-2015) een nieuwe breuklijn in het maatschappelijk debat. De breuklijn ‘scheidt diegenen die vinden dat asiel een door bindende verdragen geregeld mensenrecht is en dus geen verdere discussie behoeft, van hen die best solidair willen zijn met vluchtelingen uit oorlogsgebied, maar daarvoor een afbrokkelend draagvlak zien.’ (De Standaard, 28-08-2015). De ene positie wordt gezien als idealistisch en naïef (pro-mensenrechten), de andere als pragmatisch. Iedereen is voor een humaan asielbeleid zegt Sturtewagen, maar de vraag is hoe we dat aanpakken. Volgens de journalist is de enige goede denkpiste daarbij integratie.

Wie krijgt hierbij geen déja vu? Dit is het denkkader waarbinnen de discussie over migratie zich sinds de jaren 90 voltrekt. De mensenrechtenbenadering heeft al lang het pleit verloren. Integratie wordt al decennia gezien als een ‘realistische’ benadering. Dit ‘realistische perspectief’ steunt op twee pijlers: (1) we trachten de instroom te beperken en (2) eenmaal ze hier rechtmatig zijn dan moeten ze ‘integreren’. Wat het betekent om in ons land te ‘integreren’ heeft in diezelfde tijdspanne een heel andere inhoud gekregen. Grofweg zien we dat integratie niet meer slaat op sociaaleconomische of politieke integratie, maar op culturele integratie.

De nieuwkomer moet Vlaming (niet Belg) onder de Vlamingen worden. Dus op een moment dat we allemaal cultuur maken in transnationale niches (hipsters, skaters, grungers, managers, academici,  …), moeten zij integreren in de ‘Vlaamse cultuur’ vooraleer ze rechten krijgen. Integratie staat al decennia gelijk aan het voorwaardelijk maken van rechten. Eerst Vlaming worden, de taal leren, de nationaliteit verwerven en pas daarna volle rechten. Daarbij ziet men over het hoofd dat mensen rechten nodig hebben om te kunnen integreren.

Het is de verdienste van Sturtewagen dat hij integratie schijnbaar, want impliciet, lijkt te hanteren in zijn oude betekenis: hoe zorgen we dat we een samenleving blijven van gelijke democratische burgers. Het is ook zijn verdienste dat hij er mogelijks vanuit gaat dat migratie geen tijdelijk gegeven is. Nemen we die twee elementen samen, dan wordt integratie echter een problematisch concept. Integratie veronderstelt immers altijd: (1) een sedentaire migratie en (2) een afgebakende nationale staat. En net die twee zaken zijn geen evidentie meer in tijden van superdiversiteit en globalisering.

Migratie is een globaal fenomeen en het laat zich niet oplossen op het niveau van de natiestaat, de regio of de stad. Mensen migreren niet zomaar. Ze ontvluchten oorlog, geweld, dictaturen, milieurampen en de effecten van de economische situatie in hun land of regio. De oorlogen in het Midden-Oosten zijn oorlogen waar ook ‘wij’ een rol een inspelen, net zoals natuurrampen of de economische situatie in Afrika. Mochten ‘wij’ in hun situatie zijn, dan migreren we ook. De geschiedenis is daarin zeer duidelijk, wie van ons heeft geen migrant in zijn stamboom? Mijn grootouders zaten in Frankrijk en zijn later in Engeland ondergedoken tijdens de oorlog. En enkele decennia voordien is een deel van mijn familie met de Red Star Line naar de Verenigde Staten getrokken.

Vandaag werken mensen die leven in Polen en Roemenië hier in België, komen Indische topindustriëlen hier werken en zoeken vluchtelingen hier hun toekomst. We leven allen meer en meer op een transnationale schaal en dat heeft effecten op elkeen van ons. Op de Belgische bouwvakker en poetsvrouw en op de Poolse collega’s. Ook ik ben vandaag een arbeidsmigrant, want tewerkgesteld in Nederland. En hier wordt de hypocrisie duidelijk van onze wereld. Ik en veel van mijn collegas’s worden aangemoedigd om globaal te leven, om te migeren. Probeer maar eens een academische carriere uit te bouwen zonder de landsgrenzen over te steken. De mensen die het echt nodig hebben, die worden gecriminaliseerd. Dat toont hoe erg het gesteld is met al die mooie grote waarden als mensenrechten en democratie. Als puntje bij paaltje komt tellen ze niet mee.

Migratie is deel van de condition humaine. In de 21ste eeuw is migratie een transnationaal en een politiek probleem en het vergt transnationale en politieke antwoorden. We kunnen niet meer doen alsof we leven in een natiestaat waarop de rest van de wereld geen effect op heeft. Migratie situeert zich dus op een heel ander schaalniveau: de wereld. Men weigert blijkbaar te aanvaarden of in te zien dat de wereld structureel veranderd is in de laatste decennia. En in die nieuwe geglobaliseerde wereld is de natiestaat een anachronisme: ze is in staat ongelijkheid te realiseren, maar niet om migratie te stoppen. Als ons antwoord op migratie niet vertrekt vanuit het engagement om mensenrechten voor elkeen te garanderen, dan ondermijnt ze die voor elkeen van ons.  Democratie en mensenrechten voor autochtonen alleen is geen democratie, maar een ethnocratie. Een samenleving die onvermijdelijk mensenrechten met de voeten treedt, ongelijkheid en uitbuiting organiseert. Een dergelijk project is bovendien niet handhaafbaar op lange termijn. Het is ook niet wenselijk.

Het pro-mensenrechten standpunt  is dus niet naïef maar realistisch. Migratie zal enkel maar toenemen. Als we met zijn allen willen blijven leven in een democratie en in een verzorgingsstaat, dan is het tijd om wat zaken te herdenken en vooral op te zetten. Migratie dwingt ons om na te denken over welke structuren we opbouwen op welke schaalniveaus zodat we de oude verlichtingsideaalen en het fundament van een democratie – gelijke rechten voor elkeen – kunnen realiseren. Het vereist debat en vooral veel moed en politieke daadkracht. Het vereist dat we onze nationale bril afzetten en kijken hoe we een betere wereld kunnen realiseren. Dat is in ieders belang, ook van degenen die zichzelf niet als migrant zien. Niemand weet immers op voorhand wanneer men migrant wordt.

Ico Maly is doctor in de cultuurwetenschappen en docent aan Tilburg University (Nederland). Hij is co-auteur van Superdiversiteit en democratie (EPO, 2014).

Die arme Theo Francken toch. Over de Staatssecretaris voor Onbeperkbare Instroom

Jan Blommaert (en z'n gedachten)

nvaDSC3053a_0

Jan Blommaert 

In de aanloop naar de verkiezingen van 2010 gaf de N-VA een “dossier” uit, getiteld “Migratie, een uitdaging – de totaalvisie van de N-VA” (zie link onderaan). In die brochure werden drie parlementsleden opgevoerd als migratiedeskundigen: Theo Francken, Sarah Smeyers en Daphné Dumery; en na de verkiezingen van 2014 werd één van hen, Theo Francken, Staatsecretaris voor Asiel en Migratie.

Het centrale probleem dat in dat N-VA dossier werd geïdentificeerd was het volgende:

“Decennia van verwaarlozing en minimalisering hebben ertoe geleid dat België zijn greep op de migratiestromen heeft verloren.”

De opeenvolgende “rode” regeringen hadden de zaken laten escaleren, allerhande paniekmaatregelen genomen, geweigerd effectief greep op migratie te krijgen. Ze hadden er, kortom, een potje van gemaakt, en zelfs de diep-blauwe Maggie De Block had daarin geen verandering weten te brengen. Het Belgische beleid was je reinste chaos, met regulariseringen en de “snel-Belg wet” als uiting van een gebrek aan daadkracht…

View original post 3,266 more words