Verdeel en heers -beeldvorming

Over neoliberalisme, democratie en de nood aan politisering

 In de laatste twee decennia zijn we getuige geweest van een grondige herstructurering van onze samenleving en bij uitbreiding van de wereld. De jaren ‘90 waren de jaren van wat Bush senior ‘De nieuwe wereldorde’ noemde. Het communistisch blok stortte in en het neoliberalisme werd omarmd als winnaar. Overal weergalmde de oneliner ‘there is no alternative’. De vrije markt werd gebombardeerd tot de enige mogelijke weg en het failliet van het socialisme werd van de daken geschreeuwd. Vandaag worden we wakker in een koude en kille samenleving.

Een gepolariseerde samenleving waar de kloof tussen arm en rijk, en tussen armen onderling steeds groter wordt. Migranten, en moslims in het bijzonder, werden kop van jut. Dit nieuwe discours was een glijmiddel om allerhande rechten in te perken en leidde de aandacht af van de sociaaleconomische agenda. De welvaartstaat en onze democratie staan onder druk, dat is het minste dat we kunnen stellen. In dit stuk schetsen we deze evoluties, hun gevolgen en kijken we naar de rol die het middenveld kan opnemen in de strijd voor democratie, vrijheid en gelijkheid.

De context van een democratisch probleem

1989 is een kantelpunt in de geschiedenis (Maly, 2007). Het luidt de wereldwijde doorbraak in van het neoliberalisme enerzijds en betekende een heropleving/herlegitimatie van nationalisme anderzijds. Niet enkel in de voormalige Sovjetrepublieken zien we de groei van een tot dan toe marginaal politiek nationalisme (Hobsbawm, 1994), ook in eigen land is het nationalisme een dominante ideologie. Niet alleen het Vlaams Blok en de Volksunie waren de dragers van dat nationalisme, ook de CVP en de PVV trokken toen voluit de nationalistische kaart op. De Batselier en Abicht zochten toenadering tot de Volksunie door met Coppieters het Sienjaal uit te geven (Blommaert, 2012). Het nationalisme was terug mainstream. De verankeringspolitiek van de prille Vlaamse regering en de campagne Vlaanderen-Europa 2002 waren onomfloerst gericht op Vlaamse nation-building (Blommaert, 2001).

In de jaren tachtig deed ook het neoliberalisme zijn intrede in België. De grootste voorvechter was Verhofstadt, toen beter gekend als ‘da joenk’, en zijn PVV: hij zag een grote kloof tussen de burger en de politiek en die kloof viel samen met het middenveld (Blommaert, 2001; Maly, 2007 & 2009). De vakbonden, straathoekwerkers en belangenverenigingen die de stem vertolken van mensen die vaak in een precaire positie leven, werden gezien als drempels voor een ‘ware democratie’. Democratie werd in ware Vlaams Blok-logica hertaald tot vox populisme. De burger moest rechtstreeks spreken met de politici. En die burger leek vooral wakker te liggen van de vreemdelingen (Blommaert, 2001). Dit Tatcheriaanse discours van Verhofstadt was een frontale aanval op het middenveld met de vakbonden op kop. Het betekende in de praktijk dat het middenveld en bij uitbreiding de linkerzijde het heel moeilijk begon te krijgen.

De val van de muur luidde immers ook het einde in van de angst voor het socialisme bij de werkgevers en de rechtse politieke partijen. Die angst voor het rode gevaar, samen met de goede conjunctuur en de strijd van de arbeidersbewegingen leidden na de Tweede Wereldoorlog tot de uitbouw van de welvaartstaat. Bedrijven, overheid en werknemers sloegen de handen in elkaar voor de uitbouw van een sociale zekerheid. Het onderliggend denkkader bij de uitbouw van die welvaartstaat was dat de belangen van al die partijen werden gezien als complementair (Maes, 2010). Groei stond niet louter in het teken van winst, maar in het teken van welzijn en dus van herverdeling. De welvaartstaat bracht de idealen van de radicale verlichting dichterbij: gelijkheid en vrijheid stonden op de agenda. De politiek zag de staat als een instrument om een goede samenleving uit te bouwen met als doel: het geluk van de bevolking. Rechten hadden we nodig om onze plichten als burger te kunnen vervullen; dat was toen een democratische evidentie. En we waren burger in deze samenleving ten aanzien van de staat: de staat moest onze rechten garanderen.

Die gestage uitbouw van de welvaartstaat komt na de oliecrisis in de jaren 70 in het gedrang (Maes, 2010). De regering Martens voerde in de jaren 80 een neoliberaal beleid gericht op besparen. Het zijn ook de jaren waarin een heel pak van de arbeidsmigranten en hun kinderen structureel in de werkloosheid terechtkomen. Straathoekwerkers en vakbonden trekken aan de alarmbel: zij roepen de politiek op om een beleid van integratie te voeren. Sociaaleconomische integratie wel te verstaan. Zij vreesden immers de groei van een etnische onderklasse. Hun oproepen bleven echter onbeantwoord (Blommaert, 2011). Pas op het einde van de jaren 90 wordt er door de regering geleidelijk aan werk gemaakt van integratie. Dit nieuwe integratiebeleid was echter geen antwoord op de verzuchtingen van die straathoekwerkers, maar op die van een nieuwe politieke partij: het Vlaams Blok.

De uitbouw van het integratiebeleid kan gezien worden als een uiting van die globale veranderingen zoals we ze hierboven geschetst hebben. Nationalisme was de fundamentele premisse van dit integratiebeleid. Samenlevingsproblemen werden culturele problemen en dus moesten nieuwkomers zich integreren in onze cultuur en de taal leren (Maly, 2009). De homogeniteit van de samenleving moest gevrijwaard blijven. Door de probleemdefiniëring over te nemen van het Vlaams Blok en niet van de basiswerkers, legitimeerde men de premissen van het Vlaams Blok.

Migratie moest gestopt worden, want de natie stond onder druk. Migratie was een probleem. Een tijdbom die zo snel mogelijk moest ontmanteld worden. Dit kon enkel door enerzijds migratie zoveel mogelijk te stoppen, anderzijds ‘onze waarden en normen’ op te leggen aan ‘die ander’ en ze Nederlands te leren (Maly & Blommaert, 2012). Zij ‘onderdrukken immers hun vrouwen’, zijn ‘niet democratisch’, ‘hun religie is fundamentalistisch’, ze haten het westen,… De idee van de botsende culturen werd, zeker na 9/11 gemeengoed. Het werd zelfs legitiem om terug te spreken in termen van onze superioriteit. Daarom moesten ‘zij’ cultureel geïntegreerd worden, ze moesten zichzelf inburgeren. En om die inburgering af te dwingen werden allerhande rechten voorwaardelijk gemaakt: het recht op een woning werd afhankelijk gemaakt van de wil om het Nederlands te leren. Er werden GAS-boetes ingevoerd die voor het eerst sinds eeuwen ervoor zorgen dat de scheiding der machten geschonden werd. Privacy sneuvelde in naam van onze veiligheid en de strijd tegen terrorisme ten voordele van camera’s.

Dit discours beperkte zich niet tot stoffige beleidsteksten en de pure politiek, maar is tot op vandaag een discours dat in het lang en in het breed gevoerd wordt in onze media. De werking en de structuur van de media veranderden in diezelfde twee decennia zeer grondig. De openbare omroep kreeg concurrentie van verschillende commerciële omroepen. De zuilgebonden kranten werden geïntegreerd in grote commerciële mediaconcerns en werden commerciële producten die zoveel mogelijk lezers moesten verleidden de krant te kopen. Hiervoor werd ingezet op sensationele koppen, licht verteerbaar nieuws met veel foto’s en vaak met een ontstellend gebrek aan nuance. In een dergelijke media gedijt populisme zeer goed en dat wordt nergens treffender geïllustreerd dan in het zogenaamde integratiedebat. (Maly, 2009 & 2012).

Door dat gemediatiseerd debat werd een draagvlak opgebouwd bij de bevolking voor het nieuwe integratiebeleid. Politici, deskundigen en journalisten hebben in de laatste decennia de bevolking leren spreken over migratie, over vreemdelingen, asielzoekers, allochtonen en moslims in het bijzonder. De autochtonen uit de lagere klassen werden opgezet tegen hun allochtone collega’s. Allochtonen werden zowel verweten ‘ons werk af te pakken’ als van de sociale zekerheid te profiteren. De solidariteit tussen de werkende mensen werd gebroken: de blik stond niet meer naar boven gericht, maar naar de collega’s naast zich. Armen verweten andere armen de schuld te zijn van hun eigen armoede. Armoede werd in die periode ook geherdefinieerd: armoede was geen gevolg meer van het economisch systeem, maar werd een individuele verantwoordelijkheid (Maly & Blommaert, 2012).

Superdiversiteit, neoliberalisme en precariteit

De globalisering en de doorbraak van het neoliberalisme na de val van de Berlijnse muur zorgen voor een nieuwe wereldorde en ook een heel nieuwe migratie. We spreken vanaf dat moment van superdiversiteit. Superdiversiteit houdt een multidimensioneel perspectief in op diversiteit. Het concept stelt de diverse reeks invloeden centraal die samen komen in het leven van mensen en hun leven conditioneren (Vertovec, 2007). Naast de klassieke elementen als geslacht, politieke voorkeur, leeftijd en religie, slaat die superdiversiteit ook op een hele resem andere variabelen zoals de verschillende immigratiestatussen en de bijhorende (ingeperkte) rechten van nieuwkomers, hun onderwijs- en arbeidservaring en hun ervaringen met administraties. Maar ook de plaats waar migranten wonen in ons land en hun relatie met onze overheidsinstellingen zijn factoren die bepalend zijn in de aard van diversiteit en dus in de aard van onze samenleving.

Superdiversiteit beschrijft als concept die nieuwe migratie die zich vanaf de jaren 90 in ongeveer alle Europese steden voltrokken heeft en de samenstelling van alle landen grondig veranderd heeft. Die superdiversiteit kleurt niet alleen de grootsteden, ze kleurt België. Op het Belgisch grondgebied leven in totaal mensen uit 194 verschillende landen. België is dus niet te verwarren met een homogene natie, waar ook enkele migranten aanwezig zijn. Terwijl in de media gefocust werd op die ‘oude migratie’ en de nood tot (her)homogenisering om de natie te redden, onderging onze samenleving diepgaande en structurele veranderingen. Superdiversiteit is in België de norm. Van homogeniteit is al lang geen sprake meer.

Toch blijft onze regering steeds meer inzetten op culturele integratie, inburgering en het stellen van extra voorwaarden vooraleer migranten alle rechten hebben. Ongewilde migratie, lees migratie van armen, moet zoveel mogelijk gestopt worden. Al deze beleidsopties vertrekken vanuit een rechts nationalistisch en niet vanuit een democratisch perspectief. Ondanks alle mooie woorden die gehanteerd worden in het migratiedebat zoals democratie, verlichting en mensenrechten zien we dat deze woorden gebruikt worden om anderen uit te sluiten, om ze minder rechten te geven. Rechten worden voorwaardelijk gemaakt. Bovendien zorgt het dominante discours over ‘de onaangepastheid’ van migranten en de nood aan culturele integratie voor een opstoot van racisme. Migranten worden dag in en dag uit afgerekend op ‘hun graad van integratie’: als ze werk zoeken, als ze een appartement willen huren of als ze willen uitgaan worden ze door autochtonen beoordeeld.

Bovendien gebeurt dit alles binnen een neoliberale economische context. In die context functioneert iedereen als een kleine mini-onderneming die moet zorgen dat hij of zij geïntegreerd blijft. Immers, in de laatste decennia is de verhouding tussen burger en politiek geherdefinieerd. Het is niet langer de staat die ons onze rechten garandeert, vandaag zijn we daar voor een groot stuk zelf verantwoordelijk voor. Vandaag staan plichten en verantwoordelijkheid, zoals dat dan zo mooi heet, voorop. We moeten zelf zorgen dat we een job blijven hebben, we moeten flexibel zijn en ons ten allen tijde herscholen. We moeten tevreden zijn met interimcontracten en werken onder enorme druk. We moeten onze (aanvullend) pensioen zelf bijeen sparen en we kunnen maar beter maken dat we een hospitalisatieverzekering hebben. Sociaaleconomisch geïntegreerd blijven is vandaag moeilijker dan ooit, en het is een individuele verantwoordelijkheid geworden. Steeds meer mensen vallen uit de boot, de kloof tussen rijk en arm wordt steeds groter. Sociaaleconomische integratie is vandaag de opdracht van eenieder, niet alleen van allochtonen. Hoewel die laatste groep, als een gevolg van de dominante beeldvorming en bijgaand beleid, meer kans maakt om tot die lagere klassen te behoren.

Het gevolg van dit neoliberalisme is de groei van een nieuwe klasse – die Standing het precariaat noemt – als gevolg van een economisch systeem dat de nadruk legt op zo groot mogelijke winsten ten voordele van enkelen en ten koste van de samenleving. Ten koste van onze democratie. Dat precariaat is een klasse in wording die gekenmerkt wordt door enerzijds bestaans-en werkonzekerheid en anderzijds door minder sociale, culturele, politieke, economische rechten. Dat precariaat is een globale klasse geschapen door het neoliberalisme en is gekenmerkt door superdiversiteit. In ons land zien we een oververtegenwoordiging van zogenaamde allochtonen in deze klasse. Dat is enerzijds het gevolg van het gevoerde integratiebeleid, en anderzijds door het structurele racisme. Het beleid organiseert ongelijkheid en het dominante discours versterkt die productie van ongelijkheid. Concreet houdt dit in dat we leven in een samenleving waar mensen ongelijke rechten hebben en dat wordt genormaliseerd door de heersende beeldvorming als een zaak van realisme (Maly & Blommaert, 2012). Dat schept een dijk van een democratisch probleem; immers een democratie is gegrondvest op het idee dat we allemaal gelijke, onvervreemdbare rechten hebben. Dat iedereen in die samenleving recht heeft op een goed leven.

Het middenveld en de toekomst van de democratie

Het was geen toeval dat Verhofstadt zijn pleidooi voor neoliberalisme combineerde met een aanval op het middenveld. De vakbonden en het kritische middenveld vormden immers een dam tegen zijn neoliberale dromen. Het is helaas Verhofstadt die aan het langste eind getrokken heeft. Het middenveld zit al enkele decennia in de hoek waar klappen vallen. Het gevolg is een vergaande depolitisering van dat middenveld. Het middenveld is vandaag vaak geïnstrumentaliseerd als een uitvoerder van het beleid. Het middenveld werkt niet meer bottom-up, maar top-down. Niet de stem van haar achterban wordt naar buiten gebracht, maar de stem van het beleid. Dat betekent in de praktijk vaak een gebrek aan kritiek. Dat is terug een democratisch probleem. De Tocqueville (1835) waarschuwde al in de 18de eeuw dat een democratie zonder middenveld, zonder kritische tegenmachten in de feiten geen democratie is.

Dergelijke kritische tegenmacht kan maar bestaan als er gedegen informatie voorhanden is, als er goed geïnformeerde democratische burgers zijn. Zonder informatie, is er geen tegenmacht. De radicale verlichtingsdenkers lieten dan ook niet na om te wijzen op het belang van een goed onderwijs en gedegen media als voorwaarden voor een gezonde democratie (zie bv. Jefferson en Paine). De commercialisering van de media is dus een democratisch probleem. En het is hier dat het middenveld een eerste daad van verzet kan plegen: namelijk door vanuit haar expertise te bouwen aan ruimtes voor diepgang. Vandaag zorgt het internet voor ongekende mogelijkheden voor informatieverspreiding gaande van eigen website, sociale media als micromedia zoals Kif Kif en De Wereldmorgen. Het ontsluiten en diepgaand informeren van mensen is een cruciale stap in het heropbouwen van onze democratie in tijden van globalisering, superdiversiteit en neoliberalisme. Dat vereist dat er terug denkwerk verricht wordt over schijnbaar zeer abstracte zaken, die in wezen zeer praktisch zijn. Namelijk hoe zorgen we dat het idee van onvervreemdbare rechten eigen aan het individu eindelijk gerealiseerd wordt. Hoe zorgen we dat democratie terug begrepen wordt als een groot verhaal. Als een ideologie met als fundament vrijheid en gelijkheid. Hoe bouwen we aan zo’n democratie in tijden van globalisering en hypermobiliteit. Hoe stoppen we de ‘verdeel -en heers’-beeldvorming? Hoe tonen we aan de armen en uitgestotenen dat ze in hetzelfde schuitje zitten, dat ze dezelfde democratische strijd moeten voeren. En nog belangrijker hoe voeren we die strijd?

Met informatie en denkwerk, hoewel uiterst noodzakelijk, alleen zullen we er niet komen. De bestaande negatieve beeldvorming over moslims of de afbraak van de democratie en de welvaartstaat is niet louter een zaak van tekort aan kennis, het is een gevolg van een politiek-ideologische strijd. Dat betekent dan ook dat het louter aanbieden van informatie niet voldoende is. Die informatie moet de basis vormen van acties. Als het middenveld terug een fundament wil zijn van de democratie en de strijd voor democratisering, dan moet ze onvermijdelijk instappen in een politiek-ideologische strijd. Het middenveld moet van onderuit naar boven werken en dus moet ze zich onafhankelijk en kritisch opstellen ten aanzien van het beleid, van politici, van werkgevers en van de media. Het middenveld moet de rol opnemen van waakhond van de democratie. Zij moet politici controleren, ze moet kijken of het beleid ten goede komt van alle mensen op het grondgebied en ze moet zich verzetten tegen het beleid dat vrijheid, gelijkheid, democratie en onvervreemdbare rechten in het gedrang brengt. Het middenveld moet terug politiserend werken. Ze moet haar achterban informeren, opleiden en mobiliseren. En dat is een dringende opdracht, want de diagnose is ernstig. Onze democratie en onze rechten zijn in snel tempo aan het afkalven. Vijf voor twaalf, dat was gisteren.

Dit stuk werd eerder gepubliceerd in Terzake-magazine

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen en coördinator van Kif Kif. Hij schreef o.a. N-VA | Analyse van een politieke ideologie (EPO, 2012).

Bronnen.

Blommaert, J. (2001). Ik stel vast. Politiek taalgebruik, politieke vernieuwing en verrechtsing. Berchem: EPO.
Blommaert, J. (2011a). ‘Superdiversiteit’, KifKif.be: http://kifkif.riffle.be/actua/superdiversiteit.
Blommaert, J. (2011b). De heruitvinding van de samenleving. Berchem: EPO.
Blommaert, J. (2011). Burgerschap, integratie en ander fraais: drie problemen.http://feweb.uvt.nl/pdf/2010/InleidingJanBlommaert.pdfHobsbawm, E. (1992). Nations and nationalism since 1780. Cambridge: Cambridge University Press.
Blommaert, J. (2012). Over links en nationalisme: De Kloof tussen Abicht en de realiteit. http://www.kifkif.be/actua/over-links-en-nationalisme-de-kloof-tussen-ab…
De Tocqueville, A. (1835). Democratie: wezen en oorsprong. Kapellen: Agora Pelckmans.
Maes, J. (2012). Uw sociale zekerheid in gevaar. Berchem: EPO.
Maly, I. (red.) (2007). Cultu(u)rENpolitiek. Over media, globalisering en culturele identiteiten. Berchem: Garant.
Maly, I. (2009). De beschavingsmachine. Wij en de islam. Berchem: EPO.
Maly, I. (2012). De stilte in het debat. Over macht, anti-Verlichting en superdiversiteit. Vlaams Marxistisch Tijdschrift:http://www.imavo.be/vmt/1216-Maly.pdf.
Maly I. (2012). N-VA. Analyse van een politieke ideologie. Berchem: EPO.
Maly I & Blommaert, J. (2012). ‘Realisme’ als ideologie. Over superdiversiteit, precariteit en de nood aan Verlichting” (Kif Kif, 9/1/2013 – oorspr. bijdrage in: Filip Coussée & Lieve Bradt, red.: “Jeugdwerk en sociale uitsluiting. Handvatten voor emanciperend jeugdbeleid”, 2013):
Standing, G. (2011). The Precariat. The New Dangerous Class. London: Bloomsburry Academic.
Paine, T. (1791). Rights of Man, part the first. Being an answer to mr. Burke’s attack on the French revolution. (pp. 61-169). In Paine, T. & Linebaugh P. (2009). Peter Linebaugh presents Thomas Paine: rights of man and common sense. Verso, London, New York.
Vertovec, S. (2007). Super-diversity and its implications. In Ethnic and Racial Studies, 30: 6, 1024-154.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s