Over helden en duivels. Een reactie op Paul Cliteur

Over Helden en Duivels.

05-09-2008 |
Share

 

Een reactie op het Knack–interview met filosoof Paul Cliteur Bron: Kif Kif Het huidige kader lijkt wel afkomstig van een tweederangs Hollywoodfilm, waarbij de held opkomt voor het goede: het slachtoffer en optreedt tegen het kwade: de vijand. 14/02/2006 – Ico Maly  

Paul Cliteur, de bekende Nederlandse rechtsfilosoof, VVD-lid en onder andere auteur van ”Tegen de Decadentie”, is bang. “(…) Je hebt helemaal geen AIVD-informatie nodig om te beseffen dat kritiek op de islam en heilige figuren als Mohammed en Allah een enorm veiligheidsrisico inhoudt.” Uit vrees voor zijn leven stelt hij zich afzijdig op ten aanzien van het publieke debat. Ook zijn schrijfstijl wordt voorzichtiger. De analyse van Cliteur is doordrongen van angst en bedreiging. “De Nederlandse bestuurlijke en politieke elite moet beseffen dat we te maken hebben met een nieuw soort terrorisme.”, proclameert hij.

De puinhopen van Nederland“Na de moord op Van Gogh zitten we met een volstrekt nieuwe situatie, die nog veel meer impact heeft en zal hebben dan de moord op Pim Fortuyn (…) Nu is iedereen met een mening vogelvrij”, zegt Cliteur tegen Knack. De aanslag heeft volgens hem een verpletterende invloed in Nederland. Cliteur hangt een beeld op van een ernstig verwonde Nederlandse democratie en staat. De illusie wordt gewekt dat de staat niet uitgerust is om dergelijke fenomenen aan te pakken. Het wettenarsenaal van de staat laat nochtans perfect toe de aanstichters van dergelijke schandelijke daden op te sporen, op te pakken, te berechten en te bestraffen . Toch lijkt het alsof Nederland helemaal rot is, of op zijn minst in een toestand van verregaande ontbinding verkeert: “Momenteel is het Nederlandse bestuursapparaat één grote chaos.(…)Het is een puinhoop”, is de conclusie van Cliteur.

De moord op Theo van Gogh wijst volgens hem op het falen van de staat, “Die zou het geweldsmonopolie moeten handhaven en als enige moeten kunnen aanwijzen welke feiten strafbaar zijn en die op een adequate manier bestraffen. Maar blijkbaar heeft de staat daar erg veel moeite mee en nemen sommige private personen en organisaties het recht in eigen handen”. Dit is toch wel eventjes kort door de bocht, erg kort voor een rechtsfilosoof. Betekent dit dan dat iedere persoon die het recht in eigen handen neemt, een bewijs is van het falen van de (rechts)staat? Zijn passionele moorden, roofmoorden of afrekeningen dan ook telkens symbolen voor een staat in crisis? Was de moord op Fortuyn dan ook een bewijs van het falen van de staat? Nee, antwoordt Cliteur op die laatste vraag: “Met Fortuyn kon je nog de indruk hebben dat het misschien een incident was, gepleegd door iemand zonder een gestructureerde organisatie achter zich, Fortuyn was een politieke nieuwkomer wiens lijst pijlsnel uitgroeide tot allicht de meest populaire in Nederland, misschien was hij wel premier geworden. Het was een samenloop van unieke omstandigheden waardoor je kon denken dat zoiets nooit meer zo voorvallen.”

Niet elke moord is dus een teken van het falen van de staat. Het is de moord op Van Gogh die volgens Cliteur een heel nieuwe situatie creëert in Nederland: “De nieuwe situatie waar we nu mee te maken hebben, is dat de staat het geweldsmonopolie niet kan handhaven en dat er private personen bestaan, onder wie Mohammed B. – verdachte van de moord op Theo van Gogh – maar waarschijnlijk nog veel meer mensen, die bereid zijn om geweld te gebruiken bij een godslasterdelict.” Het verschil tussen de moord op Fortuyn en die op Van Gogh is blijkbaar a. dat het om een godslasterdelict gaat en b. dat er waarschijnlijk nog veel meer mensen hiertoe bereid zouden zijn. Er is dus sprake van een grote georganiseerde en groeiende dreiging, een dreiging die er niet was bij de moord op Fortuyn.

In bovenstaand citaat wijst hij die dreiging niet expliciet toe aan “de moslims”. Impliciet doet hij dit echter wel: de combinatie van een moslimnaam met de concepten “mensen” en “godslasterdelict” suggereren wel degelijk een verband. Cliteur maakt het verband daarna ook expliciet: “In allerlei heilige teksten is godslastering doorgaans verboden en wordt het met de dood bestraft. In het christendom wordt dat maatschappelijk niet meer geaccepteerd, maar in de islam is dat blijkbaar anders.”   De duivels In de onderliggende analyse van Cliteur verliest de staat zijn geweldsmonopolie aan ‘de islam’, die in tegenstelling tot het christendom geen ‘verlichting’ meegemaakt heeft. Net hierdoor vormt deze een bedreiging niet alleen voor de staat maar ook voor de algemene veiligheid. Cliteur gaat er blijkbaar vanuit dat ‘de islam’ per definitie anti-westers en anti-democratisch is. Dit schept volgens hem een klimaat voor terrorisme, moord en haat. Hij weigert de enorme diversiteit aan stromingen binnen ‘de islam’ en de enorme waaier aan verschillende belevingswijzen en wereldbeelden die ‘moslims’ hebben, te onderkennen. Hij weigert in te zien dat de dader een uitzondering is in de marge van de samenleving en dat de grote meerderheid van de ‘moslims’, en ‘autochtonen’, dergelijke daden fel afkeuren. Dit kwam dan ook in Nederland en in België duidelijk tot uiting via de (weinige) ‘allochtone’ en interculturele middenveldorganisaties.

Hoewel hij het formeel ontkent, spreekt Cliteur over ‘de islam’ alsof het één monolithisch blok betreft, met allemaal identieke mensen en gedachten. Net deze generalisering zorgt ervoor dat Cliteur een enorme vijand, een enorme dreiging ontdekt. Het islamitische terrorisme zou in Nederland zulke proporties hebben aangenomen dat het de Nederlandse staat verlamt. Iedereen met een mening is een potentieel slachtoffer van de islam: “Want als je de ‘dorpsgek’ kunt liquideren omdat die iets kritisch over God en de islam schrijft, kun je toch iedereen nemen?”

Cliteur neemt het interpretatiekader dat de media ons nu al vier weken voorschotelen kritiekloos over. Hierin worden allerlei rollen ingeschreven – zoals dader, slachtoffer, held, slechterik – waarrond allerlei populaire associaties worden geweven. In dit ruwe en beperkende kader is de daad van Mohammed B. een aanslag op het vrije woord, de democratie en ’het Westen’ . Deze verwerpelijke daad wordt vervolgens gezien als het ultieme bewijs van de immense dreiging die zou uitgaan van ‘de islam’ in zijn geheel, en de moslimextremisten in het bijzonder. De vijand is geconstrueerd.

De held: Theo, het Westen en de democratie Niet alleen Theo van Gogh, maar heel Nederland is het slachtoffer. Theo van Gogh was volgens Cliteur immers, “iemand die geen politieke bedreiging vormde, die geen beweging achter zich had, maar die alleen de grenzen opzocht van de vrije meningsuiting die binnen de Nederlandse rechtsorde zijn toegestaan.” De boodschap is duidelijk: Theo van Gogh was blijkbaar een gewone mens, Jan modaal, het prototype van de gemiddelde Nederlander. Iemand die respect had voor de democratie, de rechtsorde en de vrije meningsuiting. Bijgevolg kan wat hem overkwam, iedereen overkomen: “Nu is iedereen met een mening vogelvrij.”

Van Goghs vele televisieoptredens, enorme populariteit en nauwe banden met de Nederlandse politiek indachtig lijkt dit beeld van hem op zijn minst eenzijdig te zijn. De omschrijving van Van Gogh en de gemiddelde Nederlander gaat duidelijk niet op: Van Gogh was immers een prominente stem in het publieke debat. Die stem was vaak uitermate beledigend, platvloers, racistisch en islamofoob. Dergelijke aspecten van Van Gogh worden met de mantel der liefde bedekt. Erger nog, zijn daden worden voorgesteld als zijnde een voorbeeld van vrije meningsuiting en democratie. Ook hier, over de doden niets dan goeds.

Het beeld van Theo van Gogh is bij Cliteur tweeledig. Enerzijds lijkt hij een weinig invloedrijke, naïeve ‘dorpsgek’, anderzijds wordt hij afgebeeld als een heroïsche voorvechter van het recht op vrije meningsuiting, en zelfs als een visionair: “Theo van Gogh zag een gevaar dat veel anderen niet zagen, iets wat door zijn liquidatie op een dramatische wijze werd bevestigd. Hij is daarin duidelijk visionair geweest.” Het pad is geëffend om van Van Gogh een volksheld te maken, een rolmodel voor alle Nederlanders. Eén slachtoffer? De slachtofferrol wordt dan toegewezen aan de democratie, de vrije meningsuiting, Nederland en het Westen. Items in verband met interculturaliteit fungeren voor vele politici als een Pavlov-stimulus. Telkens weer mogen we ons verwachten aan hetzelfde grijsgedraaide plaatje met als titel: dringende maatregelen noodzakelijk. En telkens weer richt dit zich op de ‘allochtone’ gemeenschap. ‘Zij’ worden en masse verantwoordelijk gesteld. De vele veroordelende reacties uit ‘allochtone’ hoek ten aanzien van de moord en de vele vragen naar deze ‘allochtone’ reacties vanuit ‘autochtone’ hoek getuigen hiervan. Zij suggereren dat ‘zij’ schuldig zijn totdat ‘zij’ hun onschuld bewijzen door zich openlijk te distantiëren. Van democratie en rechtstaat gesproken.

Dat waarschijnlijk ‘de moslims’ in Nederland het grootste slachtoffer zullen zijn van deze hele affaire, daar is nog weinig bij stilgestaan. De strenge afkeuring van deze daad door de meerderheid van de moslimgemeenschap wordt blijkbaar als irrelevant of onbetrouwbaar beschouwd. Het wordt door Cliteur in elk geval niet aangehaald in het hele interview. Het is voor hem een duidelijk zwart-witverhaal, een wij-zijverhaal. En hoewel iedereen gelijkwaardig is, volgens Cliteur is onze westerse maatschappij toch superieur: “Op basis daarvan zeg ik dat de westerse cultuur ‘beter’ is. Het Latijnse woord daarvoor is ‘superieur’. Ik weet wel dat die term associaties oproept met ‘Herrenvolk’ en ander negatieve zaken, maar het is wel zo.” Deze cultuur is echter in verval en dit is te wijten aan de vijand: ‘de islam’. Dergelijk discours zet de deur open voor angst en verdere polarisatie. De staat lijkt het slachtoffer van moord en bevindt zich in een enorme crisissituatie. Nederland lijkt een puinhoop te zijn. Dit beeld werkt ‘terrorisme’ in de hand door ze van een enorme slagkracht te voorzien. Een slagkracht die dergelijke daden in wezen niet hebben. De democratie en dus de hele samenleving is hiervan wel degelijk het slachtoffer. Maar dit is enkel te wijten aan de aard van de maatregelen en de communicatie van politici op basis van het gangbare interpretatiekader betreffende de moord. Het huidige kader lijkt wel afkomstig van een tweederangs Hollywoodfilm, waarbij de held opkomt voor het goede: het slachtoffer en optreedt tegen het kwade: de vijand. De wereld wordt opgedeeld in nette vakjes waarbij elk gevoel voor maat, nuance, context en evenwicht verloren gaat. Paul Cliteurs angstaanvallen zijn dan ook hoogst waarschijnlijk alleen hierdoor te verklaren: hij heeft teveel films bekeken, slechte bovendien.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s