Het hek is van de Dam

2002| Ico Maly

14/02/2002 – Ico Maly   Met het ondertussen beruchte artikel “Elke dwang tot sluieren is onaanvaardbaar”(1) lanceerde vice–eerste minister Patrick Dewael zijn ‘emancipatorisch’ discours ‘ten behoeve van de moslimvrouwen’. Het hoofddoekje is volgens Dewael het hedendaagse voorbeeld bij uitstek van de onderdrukking van de vrouw en dient dus een politieke prioriteit te zijn. Het hoofddoekje druist immers in tegen onze waarden van “gelijkwaardigheid van alle mensen en van man en vrouw in het bijzonder.” De vraag is volgens Dewael dan ook of het dragen van de hoofddoek “altijd ‘ongedwongen’ gebeurt en of de sluiering aanvaardbaar is in het publieke domein. Juist hier zit ‘m het probleem.” aldus Patrick Dewael.

De hijab als instrument van onderdrukking of van emancipatie?

Onze vice premier stelt dat het dragen van de sluier voortvloeit uit een specifieke interpretatie van de koran om de maagdelijkheid van de vrouw en zo de eer van de familie te bewaren. Dat de koran 7 maal expliciet verwijst naar de hijab schijnt hij niet te weten.

Dewael kan echter wel respect opbrengen voor deze gedachtegang ‘voor zover ze ‘ongedwongen’ en in de privé –sfeer wordt beleefd.’ Het lijkt wel een verdoken ‘(Islamitische) vrouwen aan de haard’-discours. ‘Vrije hijabloze’ vrouwen zijn welkom in de openbare sfeer en dienen gerespecteerd te worden, ‘anderen’ niet? Dit lijkt de impliciete boodschap te zijn van het verhaal.

Volgens onze vice-eerste minister leidt het hoofddoekje in de publieke sfeer immers tot het reduceren van de vrouw als seksobject en tot haar onderdrukking. ‘De’ Islam wordt terug onterecht in verband gebracht met gedwongen huwelijken, vormen van seksuele verminking, polygamie en fundamentalisme. In het licht van het internationale discours omtrent Islam, hoeft dit geenszins te verbazen.

De hijab wordt zelfs schaamteloos in verband gebracht met verkrachting. “Daar (in de Franse steden) verdedigen mannen die een vrouw verkracht hebben zich met het argument dat het meisje het zelf gezocht had: “want als ze niet verkracht wou worden dan had ze zich moeten sluieren”” Sinds wanneer worden zulke uitlatingen van criminelen serieus genomen, moeten we dan naar analogie concluderen dat vrouwen hun verkrachting zelf gezocht hebben als ze minirokjes, hotpants of een bikini aan hadden? Toch pretendeert het artikel op te komen voor de rechten van de vrouw, tegen seksistische discriminatie en culturele onderdrukking van de moslimvrouw.

“In een vrije samenleving heeft immers elk individu het recht op bescherming tegen zijn onderdrukkers. We moeten dus niet de meisjes afschermen tegen mannelijke agressoren, maar de mannelijke agressoren zelf aanpakken.” De hoofddoek wordt gezien als een anachronisme die de vrouw geen bescherming biedt tegen mannelijke agressoren en bijgevolg geen plaats heeft in de openbare ruimte. Hoe men dit verbod rijmt met de individuele vrijheid blijft een raadsel.

Toch stelt Dewael dat “Elke vrouw het recht heeft zelf invulling te geven aan haar leven. Ze kan en mag niet gedwongen worden te leven, te huwen en te werken zoals anderen haar voorschrijven.” en welk onmens kan deze man nu ongelijk geven…

Er rammelt duidelijk iets in zijn betoog, niemand kan en mag gedwongen worden te leven zoals anderen haar voorschrijven, maar de staat kan moslimvrouwen wel verbieden om zich te beroepen op haar recht van godsdienstvrijheid.

De vrije keuze van moslima ’s voor de hoofddoek wordt afgedaan als een paradox. De stem van de geïntegreerde moslima die opkomt voor haar recht op het beleven van haar godsdienst wordt steevast in twijfel getrokken, en zo als irrelevant beschouwd. In het publieke debat wordt zelden aandacht geschonken aan het emancipatorisch karakter van deze daad, wat wijst op een gewortelde integratie in onze maatschappij. Hun rechtenstrijd wordt afgedaan als een dwaling die de individuele rechten op het spel zet. Dit getuigt niet alleen van een paternalistische houding, maar tevens van een anti-rechtendiscours.

Individuele rechten of rechten voor de meerderheid?

“De overheid moet aan de allochtone gemeenschap, en andere groepen die zich beroepen op de bescherming en de rechten van minderheden, duidelijk maken dat de kleinste minderheid uiteindelijk de individuele mens is.” Dewael beargumenteert het verbod door te stellen dat de individuele rechten en vrijheden belangrijker zijn dan culturele rechten van minderheden. De verdedigers van het recht op godsdienstvrijheid dwalen dan ook, wanneer zij opkomen voor het “het ‘recht’ van moslimvrouwen om de hoofddoek te dragen”. Dewael plaatst recht tussen aanhalingstekens om te duiden dat hij niet gelooft dat het om een ‘recht’ gaat, het leidt immers rechtstreeks tot de onderdrukking van de vrouw en kan dus nooit ongedwongen voorkomen.

Dewael raakt hier terug verstrikt in zijn betoog, het recht op godsdienstvrijheid is immers geen recht toegekend aan een minderheidsgroep, maar een individueel recht. Het is toch op zijn minst verdacht dat een liberale minister, die zich in andere domeinen maar al te graag beroept op de superioriteit van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, nu plots aan geheugenverlies lijdt. Het is misschien interessant om hem te duiden op artikel 10 van het EVRM -handvest:

“Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Dit recht omvat tevens de vrijheid om van Godsdienst of overtuiging te veranderen alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in de praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.”(2)

Het dragen van de hijab is dus een individueel recht voor de moslimvrouw en kadert in de gelijkwaardigheid tussen alle burgers. Iedere burger heeft het recht op het belijden van zijn godsdienst. Hier komt de paradox van het Dewael’s betoog pertinent naar boven. Onder de noemer van een emancipatiestrijd wenst hij de individuele rechten van de moslimvrouw te fnuiken ten voordele van de meerderheid die zich verliest in een racistische angstpsychose.

De neutraliteit van de staat

Ook al moeten we volgens Dewael respect opbrengen voor diegenen die zich vrijwillig sluieren, dan nog neemt dit volgens hem “niet weg dat het dragen van sluiers, keppeltjes of opvallende kruisbeelden door vertegenwoordigers van de overheid niet kan.” De overheid dient immers neutraal te zijn en deze neutraliteit wordt geschaad door zichtbare religieuze symbolen: “Dus geen opvallende religieuze symbolen of sluiers voor politiemensen, rechters, griffiers of onderwijzers van openbare scholen.”

Dit is toch wel een zeer vreemde gedachtekronkel. Door het afwerpen van zichtbare symbolen zou men neutraal worden. Alsof de neutraliteit afhangt van materiële zaken en niet van de inhoud van rechterlijke beslissingen, politieacties en het onderwijs. Trouwens de 19de eeuwse verdediger van de laïciteit, Ernest Renan verwees met zijn “l’etat neutre entre les religions” expliciet naar de neutrale rol van de staat ten opzichte van de burgers en hun levensbeschouwingen. De staat mag zich met andere woorden niet inmengen met de persoonlijke overtuigingen van zijn burgers. De staat moet dus neutraal zijn in zijn inhoudelijke tussenkomsten, er zou dus in principe geen probleem mogen zijn met een gesluierde rechter zolang deze neutrale uitspraken doet conform de wetten van het Belgische volk.

Dewael verdraait gemakshalve dit “recht op neutraliteit” vanwege de burgers ten opzichte van de staat naar het recht op neutraliteit ten opzichte van de ‘afwijkende’ medeburgers: “(…) het (is dan) ook duidelijk dat leerlingen in een openbare school geen sluier of ander opvallend religieus symbool kunnen dragen.” Volgens hem is het niet meer de school die neutraal moet zijn ten aanzien van de leerlingen, maar de leerlingen moeten neutraal zijn ten opzichte van elkaar.

Is deze invulling van het neutraliteitsbeginsel iets meer dan een recht op intolerantie? Belanden we op deze wijze dan niet in een dictatuur van de meerderheid over de minderheid? Als het verplicht dragen van een hoofddoek te beschouwen is als onderdrukking van de vrouw, hoe kan dan het onder dwang afnemen van dit recht ooit emancipatorisch genoemd worden en niet onderdrukkend zijn?

Na een grondige lezing wordt duidelijk dat de ‘emancipatorische’ vorm van het discours in het teken staat van een doorvoeren van een discriminerende maatregel. De gelijkwaardigheid van iedere burger die Dewael in het begin als een ‘onaantastbare’ waarde lanceert wordt in het verloop van zijn betoog getorpedeerd. Iedereen heeft het recht op vrijheid van overtuiging en godsdienst met uitzondering van de moslimvrouwen is zijn conclusie. Na het gezichtsverlies van de VLD bij het migrantenstemrecht, heeft men een nieuw item gevonden om de rechtse en xenofobe kiezers voor zich te winnen.

(1) Dewael, P: 10 januari 2004: “Elke dwang tot sluieren is onaanvaardbaar” , de Morgen

(2) Handvest van de grondrechten van de Europese Unie: http://ue.eu.int/df/default.asp?lang=nl

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s