De Parasiet van de Taal. Over beeldvorming en hulpverlening

2004 | Ico Maly

 

Inhoudstafel:

1. Inleiding

2. Communicatie als Interactie 

3. Beeldvorming, Taal en Normaliteit 

4. De Organisatie als Context 

5. Beeldvorming en de Hulpverlener

5.1. Ik versta de “ander” niet 
5.2. Becoming native  
5.3. Ik begrijp de “ander”

6. Beeldvorming en de Hulpvrager

6.1. Onbekendheid van de hulpverlening 
6.2. Beeldvorming en de constructie van de “ander” 
6.3. Macht in beeld 
6.4. De rol van beeldvorming in de hulpverleningspraktijk

7. Enkele Aanbevelingen als Besluit:

7.1. Kennis 
7.2. Methodisch 
7.3. Houding en Vaardigheden 
7.4. Organisatorisch

Noten.

1. Inleiding.

Hulpverlening is communicatie. Elke begeleiding gaat gepaard met het opstarten van een ontzettende hoeveelheid taalproductie. Dit start met het eerste onthaalgesprek, waar de cliënt de ruimte krijgt om zijn/haar verhaal te vertellen en emoties te ventileren. De hulpverlener hertaalt en structureert dit verhaal volgens de professionele etiquette in een hanteerbaar dossier (vb. drugverslaving, mishandeling,…). De uitkomst van dit gesprek is van cruciaal belang voor het verdere verloop van de begeleiding. Het bepaalt niet alleen of de cliënt in aanmerking komt voor een begeleiding, het zal tevens de basis worden van het dossier van de cliënt.

Dat dossier leeft vaak een eigen leven. Het dikt gaandeweg aan door verdere gesprekken met de cliënt en eventueel met evaluaties van zijn handelen in het centrum. Daarnaast wordt de cliënt het onderwerp van interacties tussen hulpverleners tijdens informele besprekingen, op teamvergaderingen of op intervisiemomenten in hun zoektocht naar de oplossing(en). Deze tocht leidt tot het aanvullen van het dossier met nieuwe interpretaties en betekenisdimensies. Hoewel de cliënt wettelijk het recht heeft op inzage in zijn dossier, is dit veelal geen gangbare praktijk. Het dossier ontwikkelt zich zo vaak buiten de cliënt om. Gedurende dit ganse begeleidingsproces kunnen er elementen van beeldvorming in het dossier sluipen die mee de effectiviteit, de vorm, de structuur, en de inhoud zullen bepalen van het begeleidingsproces.

Dit artikel probeert de invloed van de (maatschappelijke) beeldvorming in de hulpverleningsinstanties te duiden en tracht enkele mogelijke oplossingspistes te suggereren. Hiervoor dienen we vooreerst de werking en enkele algemene vormen van de gangbare beeldvorming te behandelen. Om de invloed van deze beeldvorming te duiden in de hulpverlening spitsen we ons vervolgens toe op drie verschillende invalshoeken, in het bijzonder de organisatie, de hulpverlener en de cliënt. Voordat we ons echter kunnen buigen over de rol van beeldvorming in het proces is het belangrijk om de algemene principes van communicatie nog eens op te diepen. 

 


 

2. Communicatie als interactie*

 

Communicatie is interactie. Velen denken nu spontaan aan het schemaatje van zender, ontvanger, boodschap en mogelijks aanwezige ruis. Helaas zit er in deze voorstelling zelf behoorlijk wat ruis ingebouwd. Dit schema vertrekt immers van een lineair proces tussen zender en ontvanger en suggereert daarbij dat de boodschap slechts één (relatief statische) betekenis in zich draagt. Dit gaat voorbij aan het feit dat betekenistoekenning een bij uitstek sociaal en dynamisch proces van interactie is. “Niet –communiceren” is hierbij een onmogelijkheid. Communicatie is een circulair proces, waar alle partijen constant zender en ontvanger zijn. Dit circulaire karakter voltrekt zich tussen de communicerende personen en hun ruimere omgeving, met name hun sociale netwerken.

Betekenis wordt dus doorheen het ganse gesprek opgebouwd en is het resultaat van verschillende factoren voor, tijdens en na het gesprek. Bijgevolg valt de betekenis niet (altijd) samen met de letterlijke woordenboekdefinitie van de gebruikte woorden. Communiceren behelst immers meer dan woorden alleen. Elke taaluiting gaat gepaard met lichaamsuitingen (blik, houding, …), stemkenmerken (de toon, intonatie, …) en taalelementen (woordkeuze, genrekeuze). Net deze elementen zullen een cruciale rol spelen in het toekennen van een betekenis aan het gezegde. Immers, indien iemand zegt “ik ben zeer gelukkig” in combinatie met het wegdraaien van de ogen, dan verandert de letterlijke betekenis van deze zin volledig: de spreker is helemaal niet “zeer gelukkig”.

Daarenboven dient men ook rekening te houden met de context waarin men communiceert, elke betekenis is immers steeds contextueel bepaald. Deze contextuele invloed kunnen we theoretisch opsplitsen in een micro -en een macroniveau. Het microniveau wordt bepaald door de deelnemers, de plaats, het tijdstip, de tijdsdruk, de bedoeling en de aanleiding van het gesprek. Daarnaast is er steeds een mogelijke macro-invloed van vooraf bestaande denkbeelden, stereotypen, opvattingen, precedenten enzovoort.

We kunnen het belang van deze context illustreren aan de hand van de volgende triviale zin: “Zou u mij willen helpen alstublieft?”. Dit is in de Nederlandse taal de “normale” manier om hulp te vragen. Indien een hulpvrager echter de vraag verwoordt als “jij moet mij helpen”, dan kan de hulpverlener dat als arrogant bestempelen. Deze variant staat in Vlaanderen immers geboekstaafd als een eerder onbeleefde, want een bevelende vraag die in tegenstrijd is met de gangbare etiquette (in deze context). De hulpvrager kan deze bewoordingen gebruiken op basis van zijn/haar thuistaal (met bepaalde taalstrategieën) of op basis van een mindere kennis van het Nederlands of doordat hij/zij onbekend is met de norm of door voorgaande ervaringen met deze of gelijkaardige instelling(en) (vb. in het thuisland). Indien deze mogelijkheden door de hulpverlener niet in rekening worden gebracht, dan zal dit zich vertalen in de verdere begeleiding.

Stelt nu de directeur van een organisatie ten aanzien van een personeelslid: “jij moet mij helpen”, dan zal dit als relatief “normaal” (naar gelang van de organisatiecultuur) bestempeld worden. Ook onder vrienden zal er waarschijnlijk geen aanstoot genomen worden aan deze vraagstelling. De relatie tussen taal, normaliteit en context speelt hier een cruciale rol. In één context is de betekenis duidelijk en heerst er een soort “common sense” gevoel, het is “normaal” dat een hulpvrager in België vraagt: “Zou u mij willen helpen, alstublieft?”. De niet-ingewijden zijn hiervan de dupe doordat ze ongewild en onbewust de norm(aliteit) doorbreken. In die zin kunnen we stellen dat taal als het ware zwanger is van macht: men duidt er immers (vaak impliciet) regels, normen en machtsverhoudingen mee aan, wat normaal is en wat niet normaal is, wat kan en wat niet kan in een welbepaalde context.

Communicatie speelt zich niet af in een vacuüm en is dus gekenmerkt door maatschappelijke evoluties, machtsposities en denkbeelden. Baukje Prins argumenteert dan ook dat

“Met elk woord dat we uitspreken we een laag aan betekenissen aanboren. Of we willen of niet, of we er nu wel of geen weet van hebben, die betekenislagen spelen een rol in het effect dat onze woorden hebben op anderen. Taal is dus niet slechts een medium met behulp waarvan we spreken over de wereld buiten ons, taal is tegelijk een vorm van handelen die de wereld (mede) vorm geeft, construeert.”[1]

Het is hier dat we op zoek dienen te gaan naar de impact van beeldvorming. Het is immers door middel van taal dat mensen denken, ideeën verspreiden en vorm geven aan de realiteit. Door realiteiten te benoemen, ontstaan ze en merken we ze op. Tegelijk transformeren we deze dynamische realiteiten echter in statische beelden. Dit is eigen aan taalgebruik, maar kan desalniettemin bepalende gevolgen hebben in het omgaan met andere individuen. Immers “sociale verhoudingen worden mede bepaald door de manier waarop wij over die verhoudingen spreken, waarop wij ze interpreteren en betekenis geven.”[2] Enkele voorbeelden: “Jan is een kraker/ Fatima is een typisch slachtoffer van de cultuurkloof”, maar Jan en Fatima zijn natuurlijk nog veel meer dan kraker en allochtoon, (beiden zijn misschien hoogopgeleide juristen). Iedereen heeft immers verschillende (groeps)identiteiten (met bepaalde waarden en normen) die soms  in tegenspraak met elkaar zijn. Het gevaar met labels is dan ook dat we enkel nog de etiketten gaan zien die we op voorhand gekozen hebben.

 


3. Beeldvorming, taal en normaliteit

Beeldvorming is een taalfenomeen maar is tevens maatschappelijk en ideologisch bepaald. Het gaat over beelden die gemeengoed, normaal zijn in onze maatschappij en verspreid worden via media, onderwijs, opvoeding of politiek. Als we het over beeldvorming hebben verwijzen we dus naar “common sense” ideeën die verweven zijn met structuren, instellingen en macht. Beeldvorming is dus gelinkt aan wat we normaal vinden. Net deze ‘normaliteit’ creëert een welbepaalde blik op de realiteit door fenomenen, mensen en groepen in onze maatschappij te benoemen en te definiëren. Denk maar aan de oubollige stereotypezinnen als: “Die vrouwen! … Zij kunnen toch niet autorijden, hé!” Of: “Die allochtonen, ze zijn toch altijd te laat, hé”. Deze etikettering (vrouwen, allochtonen, …) gaat gepaard met het bewust of onbewust toekennen van allerlei (stereotype) eigenschappen en kwaliteiten op grond van deze sociale categorisering. In die zin kunnen we beeldvorming zien als een parasiet van de taal. Beeldvorming bepaalt niet alleen wat we ‘normaal’ vinden, maar ook de verwachtingen die we van elkaar hebben en de manier waarop we met elkaar omgaan. Als voorgaande stereotypen geïnternaliseerd zijn, zullen vrouwen die goed rijden en allochtonen die op tijd komen, gezien worden als positieve uitzonderingen op de regel. Zij kunnen dan goed bedoelde complimentjes ontvangen (in de zin van “jij rijdt wel goed hé!” of “Amaai, dat is tof: je bent op tijd!”) die het stereotype denken bevestigen en de ‘ander’ terugwerpen op zijn (toegewezen) identiteit.

Neem nu het simpele feit van het gehanteerde onderscheid tussen Belgen en migranten. Dit lijkt in eerste instantie een reëel oordeel, een feitelijke beschrijving te zijn, waar op het eerste zicht weinig tegenin te brengen is. Zelden wordt echter de vraag gesteld wat er achter deze tweedeling schuilt en wat de gevolgen hiervan zijn. Inmiddels neemt men wel het beeld over van een samenleving met daarin twee gescheiden werelden: die van Belgen en die van migranten of allochtonen. Dit spreken neemt vaak de vorm aan van “Wij en Zij”. Dit discours is voornamelijk toegespitst op de schijnbaar onverenigbare verschillen tussen deze groepen, zodat er uiteindelijk enkel nog verschillen lijken te zijn. Hun identiteit wordt dan geconstrueerd als het tegengestelde van onze identiteit. Wij zijn geëmancipeerd, seculier, modern en bijgevolg superieur. Wij kennen immers de verlichting en de mensenrechten, de scheiding van kerk en staat, … Zij zijn dan onze tegenpool: ze zijn niet geëmancipeerd, niet modern, en dus “achterlijk”.

In de dagelijkse berichtgeving over “de ander” zien we een ganse batterij aan thema’s de revue passeren die een negatieve invulling geven aan de migrantenidentiteit. We denken aan de discussie omtrent de hoofddoek en onderdrukking; de vermeende relatie tussen de islam en terrorisme; de uitlatingen over het “achterlijk” karakter van de islam; de islamitische bedreiging voor onze waarden, de relatie tussen etnische afkomst en criminaliteit, enz. Deze categoriseringen zijn niet toevallig of eenmalig maar passen “in een lange (Europese) traditie om de Arabische wereld als een concurrent en zelfs als vijand te zien.”[3]  De migrant verwordt zo “de ander” bij uitstek. Deze definiëring staat steeds in nauwe relatie met de zelfdefiniëring, de ander wordt omschreven in wat wij niet (meer) hebben of niet zijn. Onze geïdealiseerde identiteit, onze normaliteit wordt gebruikt als norm om de ander te beoordelen. In die zin vertelt de beeldvorming omtrent de ander waarschijnlijk meer over de eigen identiteit dan over de ander.

Dit mechanisme resulteert in een statische (culturele, niet –Europese) definiëring van de ander in onze samenleving. Pinxten en Verstraete formuleren het als volgt:

“Allochtonen krijgen dan een gemeenschappelijke naam die tot een etiket verwordt, een gemeenschappelijk verleden dat geen persoonlijke geschiedenissen toelaat, een ongenuanceerde band met een thuisland, een clichématige invulling van solidariteit, een gemeenschappelijke cultuur en identiteit die als vergelijkingsstandaard gaat dienen.”[4]

Deze beeldvorming omtrent de islam en allochtonen circuleert vlot in onze maatschappij en zal mede de interactie tussen migranten en Belgen definiëren (bemoeilijken). Daarenboven zal deze beeldvorming zich weerspiegelen in onze organisaties.
 


4. De organisatie als context

Organisaties ontstaan en functioneren immers niet los van de maatschappij, maar zijn een product van die samenleving waarin zij opereren. Denk maar aan de vluchthuizen die ontstaan zijn als kind van de feministische beweging of de drughulpverleningcentra die in de zeventiger jaren opgericht zijn als antwoord op een relatief nieuw fenomeen in onze maatschappij. Gedurende de laatste 5 decennia zijn hulpverleningsinstanties geprofessionaliseerd en ingeschoven in een subsidiesysteem met bijhorende opdrachten, regelgeving en fusies. De geëngageerde vrijwilligers hebben plaatsgemaakt voor geëngageerde hoogopgeleide hulpverleners, voornamelijk afkomstig uit de middenklasse. Dit proces van professionalisering creëert de context waarbinnen hulpverleners functioneren en heeft een verregaande invloed op de huidige hulpverleningsinstanties en de praktijk van hulpverlening. De Mot stelt dan ook dat:

“De hulpverlening bijna steeds vertrekt van een maatschappijmodel waarin weliswaar de meerderheid van de bevolking zich herkent, maar waarin bepaalde doelgroepen zich niet zo goed voelen.”[5]

De huidige hulpverleningsmodellen zijn producten van de professionalisering van de sector. Deze professionalisering is natuurlijk ook een kind van de maatschappelijke ontwikkelingen in onze samenleving. Dit vindt o.a. zijn weerslag in de opleidingen voor hulpverleners, maar ook in de structuur van de hulpverleningsinstanties en uiteindelijk in de praktijk. Gailly verwoordt het als volgt:

“(…) veel westerse geschoolde hulpverleners zijn er zich onvoldoende van bewust dat de meeste hulpverleningstechnieken en –methodieken doortrokken zijn van normen en waarden uit de sociale midden –en bovenlaag van de westerse samenleving.“

Enkele voorbeelden van dergelijke vooronderstellingen: het winkelmodel van de hulpverlening, de open en vaak directe communicatie, het (impliciet) centraal stellen van de mondige cliënt die geen moeite heeft met praten en administratie, praten als oplossing voor lichamelijke klachten, het individu als maatstaf, de scheiding tussen werk en privé of het efficiëntie -denken dat de hulpverlening stilaan penetreert.

De professionalisering van de sector schept een kader waarbinnen organisatieculturen tot stand komen die bepalend zullen zijn in de communicatie. Deze professionele traditie behelst een opeenvolgende reeks van verschillende types van communicatie (intakegesprek, teamvergaderingen, begeleidingen, overleg met andere diensten,outtake gesprek …) en stoelt niet enkel op een bepaald jargon maar ook bepaalde vormen van categoriseren (X is multiproblematisch, Y is hysterisch, Z is zwakbegaafd). Deze categorieën hebben een verregaande invloed op de structurering van de informatie, op wat ‘belangrijke informatie’ is en wat ‘minder belangrijke’.[6]

Deze professionele traditie is voor vele hulpverleners hun werkinstrument en dus een realiteit, een normaliteit die zelden in vraag gesteld wordt. Daarenboven is het deze traditie die de hulpverleners in staat stelt om het verhaal van de cliënt te kunnen vertalen en structuren in een handelbaar dossier. Zoals gesteld zijn deze tradities niet neutraal maar geworteld in onze maatschappij. Bulcaen & Blommaert argumenteren dan ook dat

“Deze professionele tradities dus niet bestaan in een isolement, en dikwijls sluipen er ook ingrediënten in van bredere maatschappelijke ideologieën. Dit zal zich met name voordoen op abstracte niveaus van beelden over conformiteit en marginaliteit, over de waarde van het individu, maar ook over geslachts- en cultuurverschillen, godsdienst, de plaats van ‘minderheden’ zoals vrouwen en migranten ” [7]

Deze ingrediënten kunnen een bepalende invloed uitoefenen op de hulpverleninggesprekken, de organisatiecultuur en –structuur. De voorbeelden zijn legio: “Thema’s als migratiegeschiedenis, maatschappelijke positie, beeldvorming van de hulpvrager, discriminatie en racisme worden zelden besproken in de hulpverlening.”, “Instanties starten een groepswerking op voor vluchtelingen omdat zij uit een “groepscultuur” komen”, “Wij bereiken nagenoeg geen allochtonen omdat zij een eigen sociaal vangnet hebben” of  “Men moet Nederlands spreken wil men geholpen worden”. We zien dus dat bepaalde (dominante) maatschappelijke ontwikkelingen en denkbeelden binnensluipen in de organisatiestructuur en -cultuur, maar ook in de praktijk van hulpverlening. Deze denkbeelden bepalen wat relevant is en wat niet, wat bespreekbaar is en wat niet in de hulpverlening. 
 


5. Beeldvorming en de hulpverlener

Hulpverleners zijn in eerste instantie professionelen die werken in de context van hun organisatie. Zij bevinden zich in het spanningsveld tussen de organisatie, de cliënt en hun eigen waarden en normen. Er rust dan ook een enorm zware taak op de schouders van de hulpverleners. Daarenboven moeten zij deze taken vaak uitvoeren met een tekort aan personeel (met de gekende wachtlijsten als gevolg) en onder zware tijdsdruk. Hier dient men te investeren! Uit vele onderzoeken is immers gebleken dat het door de cliënt beleefde resultaat van de hulpverlening in grote mate afhangt van de wijze waarop de cliënt de hulpverlener ervaren heeft. Dit slaat niet alleen op zijn/haar deskundigheid maar ook op zijn/haar persoon. Dit betekent echter niet dat de hulpverleners voor alles verantwoordelijk zijn (of gesteld kunnen worden); de organisatie en overheden hebben hier een zeer belangrijke rol te vervullen. De werkcontext zal immers bepalend zijn voor het functioneren van de hulpverlener. Tijdsdruk of een strakke scheiding tussen werk en privé kan er bijvoorbeeld toe leiden dat bepaalde mensen afhaken of zelfs niet bereikt worden. Er dient ruimte geschapen te worden voor vorming, sensibilisering, een aangenaam werkklimaat, … . Dit doet echter niet teniet dat in eerste instantie de hulpverlening staat of valt met de hulpverleners. Laten we daarom eens kijken naar enkele mogelijke reacties op interculturele situaties.

Antoine Gailly[8] onderscheidt grosso modo drie types van reacties van hulpverleners ten aanzien van allochtone cliënten: “ik versta de ander niet”“becoming native”en “ik begrijp de andere”. Elk van deze reacties toont duidelijke relaties met de bestaande beeldvorming omtrent allochtonen in onze samenleving. Laten we ze kort overlopen. 
 

5.1. Ik versta de “ander” niet

In het eerste type erkent en herkent de hulpverlener de cliënt als “anders”. Dit “anders-zijn” wordt volgens Gailly door bepaalde hulpverleners gedefinieerd in tegenstellingen zoals: modern/traditioneel, westerse geneeskunde/ religieuze, traditionele geneeskunde, … De herkenning van dit “anders-zijn” leidt dan tot de perceptie dat het onmogelijk is om deze persoon te helpen. De cliënt wordt vervolgens vaak doorverwezen naar een deskundige op het vlak van cultuur en taal. Niet de beleving van het probleem door de cliënt staat hierbij centraal, maar de perceptie van een cultureel model en de ‘onmogelijke zoektocht’ naar een culturele oplossingsstrategie. Ook Verstraete komt tot deze bevinding:

“Het lijkt eerder alsof de zaak overgelaten wordt aan specialisten omdat de angst leeft om verkeerde of ontoereikende tussenkomsten te doen. Men is bang voor ‘cultuurverschillen’ en taalproblemen, men vreest dat deze doelgroep een enorme tijdsinvestering noodzaakt, van allochtonen wordt al te vaak gedacht dat ze compleet anders zijn en dus ook een totaal andere benadering vergen.”[9]

De doorverwijzing naar de specialist (vaak een allochtone hulpverlener) heeft natuurlijk vele mogelijke consequenties. De hulpvrager kan deze doorverwijzing zien als een teken van incompetentie van de hulpverlener en eventueel bij uitbreiding van de dienst. De nieuwe hulpverlener staat dan niet alleen geboekstaafd als de cultuurspecialist, maar dient daarenboven terug een vertrouwensrelatie op te bouwen. Deze ‘specialist’ kan/zal dan voor torenhoge verwachtingen komen te staan vanwege de aard van de doorverwijzing en de gedeelde groepsidentiteit met de cliënt. Indien deze verwachtingen niet ingelost worden, zullen beide partijen de problemen nodeloos culturaliseren met alle gevolgen van dien: uitingen van racisme, de hulpvrager ervaart verwerping van zijn engagement aan de hulpverlener, …

Deze reactie is sterk gekleurd door de heersende beeldvorming: “ze zijn zo anders, meneer”, en bijgevolg kan ik ze niet begrijpen. Het verschil wordt gezien als een onoverbrugbare kloof omdat de “ander” wordt gereduceerd tot een statische, essentialistische en culturele identiteit. Dit is niet alleen een ontkenning van de individuele diversiteit die in elke groep voorkomt, de hulpverlener is tevens blind voor de vele gemeenschappelijkheden die hen bindt. Deze houding staat elke kwalitatieve begeleiding in de weg, daarenboven leidt deze perceptie vaak tot een weigering tot het helpen van de cliënt, omdat hij te “anders” is. 
 

5.2. Becoming native

Een tweede type van reactie die Gailly (zie ook Shadid, 2000) ontwaart, is het gefascineerd zijn door of angstig zijn voor de andere waarop de hulpverlener reageert met“becoming native”. Dit kan bereikt worden via verschillende strategieën. De hulpverlener bevraagt de cliënt of tracht zich via etnografische kennis in te leven. De eerste strategie, het bevragen van de cliënt, houdt het gevaar in dat de hulpvrager gebombardeerd wordt tot een culturele informant. De therapeutische relatie wijzigt hier volledig: de hulpverlener wordt een hulpvrager (om een referentiekader te kunnen opbouwen), wat bij de cliënt vaak aanleiding geeft om de deskundigheid van de hulpverlener in twijfel te trekken.

Een andere strategie die hulpverleners toepassen in deze situatie is zich beroepen op etnografische kennis. Op zich is dit een goede reflex, het zorgt ervoor dat het referentiekader van de hulpverlener verbreed wordt, zodat gerichte vragen een stuk gemakkelijker gesteld kunnen worden. De kwaliteit van de bestaande vormingen en vakliteratuur omtrent deze thematiek laat echter vaak te wensen over (zie Gailly, Bulcaen, Verstraete, Blommaert,…):

“In veel van die boeken staan mooie schemaatjes met aan de ene kant ‘onze gewoontes’ en aan de andere de ‘andere gewoontes’. Als je daarvan uitgaat, creëer je gegarandeerd misverstanden.”[10]  

Deze schema’s neutraliseren misschien wel de angst van de hulpverlener, maar om de hulpverlening op te bouwen zijn dergelijke reducties ontoereikend. Hulpverlening is immers een zeer precieze vorm van communicatie waarbij algemene groepsetiketten onbruikbaar zijn om het gesprek op te stoelen. Daarenboven is de etnografische kennis vaak eerder gebaseerd op een verouderd, verstard en een gehomogeniseerd ideaalbeeld van een niet–westerse samenleving, dan op de dagdagelijkse realiteit. De migratie(processen) en de maatschappelijke positie en sociale realiteit van allochtonen in onze maatschappij zijn vaak niet verwerkt in het gros van de vormingen.

Deze reacties zijn terug duidelijk gelieerd met de maatschappelijke beeldvorming omtrent allochtonen. De ‘ander’ wordt ook bij deze reacties gezien als iemand die volledig verschillend is. Dit gegeven resulteert dan in angst (voor de “ander”, of angst om zichzelf in vraag te stellen …) of onzekerheid om de begeleiding zomaar aan te gaan. Shadid stelt dat net deze

vrees een van de factoren is die zowel de motivatie van mensen om met anderen om te gaan als de effectiviteit van hun communicatie in belangrijke mate negatief kan beïnvloeden. Dit komt doordat men dan onder andere te veel uitgaat van bestaande stereotypen en vooroordelen over de groepen waartoe ze elkaar rekenen.”[11]

De ”ander” is fundamenteel “anders”, dus moeten we volledig anders gaan denken, is hier het motto. De “ander” is echter niet fundamenteel “anders”, belangrijk te onthouden is dat “zij” hier vaak opgegroeid zijn, hier al decennia leven of geboren zijn, hier werken, hier naar school gegaan zijn. Dit geldt ook voor mensen die pas in België aangekomen zijn. Natuurlijk zijn er verschillen, maar we hebben meer gemeen dan we verschillen. Culturen maken geen volledig nieuwe fundamenteel verschillende “volkeren”. De geschiedenis van de mensheid is en zal altijd een geschiedenis van interculturele uitwisseling zijn en zorgt voor een veel grotere gemeenschappelijkheid dan vaak erkend wordt. Trouwens, de verschillen waar hulpverleners in eerste instantie mee geconfronteerd worden situeren zich op het individuele en familiale niveau en dat is nu eenmaal de kern van hun job.


5.3. Ik begrijp de “andere”

De laatste reactie die Gailly ontwaart is het ontkennen van de cultuurverschillen tussen hulpvrager en hulpverlener. “Ik begrijp de ‘andere’ omdat hij dezelfde is als ik.”Deze ontkenning zorgt ervoor dat de hulpvrager ook nooit “anders” kan zijn. De begeleiding is dan ziende blind waardoor de slaagkans daalt. Bepaalde thema’s komen niet meer aan bod: racisme en de positie van migranten in onze samenleving, de migratie, religie, seksuele mishandeling…  

Gailly noemt dit een gevolg van de bescherming tegen het spiegeleffect van “het anders–zijn”. De hulpverlener weigert zijn waarden en normen te bevragen en ontwijkt zorgvuldig elke confrontatie. Een perfect Nederlandstalige allochtoon zal dan al snel gezien worden als toonbeeld van integratie en emancipatie in lijn met het integratieparadigma. Dit gaat gepaard met de projectie van een bepaald verwachtingspatroon op de cliënt dat zijn weerslag vindt in de hulpverlening. De hulpvrager wordt dan een (identieke) “gelijke”. Er lijkt bijgevolg van een “taalprobleem” geen sprake meer te zijn, immers de communicatie is door de Nederlandse taal verzekerd. De diversiteit in leefstijlen, wereldbeelden en (culturele) identiteiten, waarden en normen wordt dan weggeredeneerd. Daarenboven gaat deze houding voorbij aan het feit dat communicatie bepaald wordt door een hele resem aan factoren (zoals taalbeheersing, non-verbale communicatie, sociale denkbeelden, cultuur, …) die steeds misverstanden kunnen bewerkstelligen ongeacht de voertaal.

Deze reactie van hulpverleners is vaak een methode om racisme niet ter sprake te brengen zodat de begeleiding rustig verloopt. Het is tevens een beschermende reactie ten aanzien van de eigen identiteit van de hulpverlener. Deze reacties ontkennen immers de diversiteit onder de bevolking en kunnen dus ook niet als basis dienen voor een kwaliteitsvolle hulpverlening, die steeds dient te differentiëren.


6. Beeldvorming en de hulpvrager

De hulpvrager heeft natuurlijk ook bepaalde attitudes en vooronderstellingen die zich zullen vertalen in het gesprek. De groep hulpvragers is echter zo heterogeen dat het bijzonder moeilijk is om hier een zinnig algemeen beeld te duiden. De cliënten van de hulpverlening zijn immers afkomstig uit velerlei sociale groepen in onze samenleving. Daarom spitsen we ons hier toe op enkele mogelijke vormen van beeldvorming bij hulpvragers omtrent de hulpverlening. Het eerste wat hierbij in het oog springt, is de relatieve onbekendheid van het hulpverleningsaanbod bij bepaalde groepen in onze samenleving. Volgens Sannen [12] is dit het geval bij autochtone kansarmen, woonwagenbewoners, allochtonen, mensen zonder papieren en vluchtelingen. Deze onbekendheid kan een doorslaggevende rol spelen bij een eerste contact (vaak op doorverwijzing) met het hulpverleningsaanbod, aangezien de ‘fantasie’ over wat hulpverlening is en hoe het werkt de vrije loop heeft.


6.1. Onbekendheid van de hulpverlening

Het beeld dat men vormt van de hulpverlening voor en tijdens dit eerste contact zal medebepaald worden door de aanwezige denkbeelden bij de hulpvrager en de wijze waarop de hulpverlener hiermee omgaat. “Migranten” zijn bijvoorbeeld wel vertrouwd met de huisdokter, weten van het bestaan van dienstverlening, maar zijn vaak onbekend met de hulpverleningssectorGailly stelt dat

“In deze optiek (onbekendheid met de hulpverlening en het wereldbeeld van de cliënt) de hulpverlener een bron wordt voor allerlei fantasmen waarin hij met bepaalde universa wordt geassocieerd. De westerse hulpverlener wordt dan een getransformeerde identiteit van de alwetende dokter die onmiddellijk genezing kan brengen (…).”[13]

Deze reactie toont een mengeling van twee beelden: enerzijds de projectie van het beeld van de dokter die als een techneut de oplossing kent voor alle problemen en anderzijds het beeld dat ook psychische problemen opgelost kunnen worden door snelle ingrepen (zoals een medicijn of zoals in de traditie van de religieuze genezers).Indien dit beeld niet wordt bijgesteld in de loop van dit eerste contact, zal de deskundigheid van de hulpverlener afgemeten worden aan de hand van dit beeld. Een vragende hulpverlener zonder directe remedie zal dan ook gezien kunnen worden als weinig deskundig, met als gevolg dat de cliënt afhaakt. Dit kunnen we omschrijven als een botsing van verschillende verwachtingspatronen ten aanzien van de hulpverlening.  


6.2  Beeldvorming en de constructie van de “ander”

Het hoeft echter niet te verwonderen dat de algemene beeldvorming omtrent de verhoudingen tussen verschillende groepen in onze samenleving ook bij de hulpvragers zal leven. De hulpvragers leven immers ook in onze samenleving; toch kunnen er verschillen in (positionering binnen de gangbare) beeldvorming optreden naargelang de sociale netwerken van de cliënt. De “ander” denkt dus vaak, in lijn met de dominante beeldvorming, ook in termen van “wij en zij” en kan zichzelf definiëren als (fundamenteel) “anders”. Dit kan aanleiding geven tot standpunten als “Belgen kunnen ons niet helpen aangezien zij onze cultuur niet begrijpen”. Allochtonen zouden dan enkel door allochtonen bediend kunnen worden. Dit is helemaal niet eigen aan “het allochtoon-zijn”, maar is een courant verspreid beeld: enkel vrouwen kunnen vrouwen begrijpen (‘mannen hebben immers geen voeling met hun emoties’), kansarmen hekelen de beperktheid van hulpverleners om zich in hun situatie in te leven, …

De herkenning van verschillen kan dus ook bij de cliënt aanleiding geven tot weerstanden, wantrouwen of de perceptie van een gebrek aan deskundigheid. Een 50-jarige man met een drankproblematiek kan bijvoorbeeld weinig vertrouwen hebben in de deskundigheid van een 25-jarige hulpverlener. Autochtone hulpvragers weigeren soms om zich te laten begeleiden door een allochtone hulpverlener. Hulpvragers zijn dus helemaal niet immuun tegen de gangbare beeldvorming.

In lijn hiermee stelt Gailly dat de allochtone hulpvrager de westers opgeleide hulpverlener zal associëren met modern en rationeel. De allochtone hulpvrager heeft volgens Gailly vaak een paradoxale verbondenheid met het modernisme enerzijds en de traditie van het land van origine anderzijds. Op basis van de beeldvorming omtrent allochtonen en autochtonen, kunnen eerstgenoemde ervan uitgaan dat de hulpverleningsinstanties geen rekening zullen houden met en respect zullen opbrengen voor hun “anders-zijn”, voor hun culturele identiteit, gewoontes en tradities. De hulpverlening wordt hierbij dan gereduceerd tot een symbool van de dominante Vlaamse cultuur die vijandig staat ten aanzien van hun cultuur.

Ook woonwagenbewoners leven met de angst om geassimileerd of geïntegreerd te worden in het burgerlijk leven. Dit vindt volgens Thienpont & Vanobbergen zijn oorzaak in

“(…) hun geschiedenis die in grote mate gekenmerkt wordt door een spiraal van afwijzing, waardoor een vijandigheid tussen de nomadische en de sedentaire cultuur ontstond.”[14]

Bij (kansarme) autochtonen leeft vaak het idee (in lijn met de gangbare beeldvorming) dat hulpverlening enkel voor ‘sukkelaars’ is of voor profiteurs. Beroep doen op dergelijke organisaties betekent dan vaak “zichzelf verlagen” tot een andere “categorie” van mensen.

Deze vormen van beeldvorming omtrent groepen in de samenleving en de hulpverlening vormen niet alleen drempels om beroep te doen op de hulpverlening, ze zullen een bepalende invloed uitoefenen tijdens begeleidingen. Om dit verder te duiden, dienen we het concept “macht” te introduceren.


6.3. Macht in beeld

Het beeld omtrent de macht van hulpverleners en hun organisaties is een ander element dat bepalend kan/zal zijn in de opbouw van een vertrouwensrelatie met de cliënt. De macht van hulpverleners en organisaties verschilt in realiteit naargelang het soort organisatie en de mandaten die daaraan gekoppeld zijn. Organisaties als OCMW’s, sociale diensten van rechtbanken of een Comité Bijzondere Jeugdzorg hebben bijvoorbeeld van staatswege een grote structurele macht, die natuurlijk niet onbeperkt is. Zij dienen zich te houden aan regelgeving, zij kunnen dus niet alles doen. Het beeld over de macht van deze organisaties kan echter verschillen van de realiteit en als +/- ongelimiteerd gezien worden. Dit beeld kan verschillende consequenties hebben: ofwel vormt dit een zeer grote drempel aangezien men deze (westerse middenklasse) organisaties wantrouwt. Mensen zonder papieren zullen bijvoorbeeld vaak de stap naar deze instanties niet zetten uit angst om aangegeven te worden. Anderzijds kan de hulpvrager verwachten van deze organisaties dat zij de macht hebben om alles op te lossen (ook wat buiten hun bevoegdheid of mogelijkheden valt). In dit geval wordt de hulpverlener geconfronteerd met torenhoge (en vaak onoplosbare) verwachtingen en elke weigering vanwege de hulpverlener kan dan geïnterpreteerd als het niet willen helpen van de cliënt.

Daarnaast zijn er werkingen die budgetbegeleiding of vormen van residentiële opvang aanbieden en hierdoor een grote impact hebben op het leven van de cliënt en dus ook een grote macht hebben over de cliënt. Deze moet vaak zijn/haar inkomen afstaan aan de organisatie waardoor de cliënt zich vaak afhankelijk voelt ten aanzien van de hulpverleners die zijn inkomen controleren. Daarenboven heeft de hulpverlening in een residentiële setting in grote mate controle over de invulling van het dagdagelijkse leven van de cliënt. Indien dit beeld gekoppeld is aan het beeld van de hulpverlening als een westerse middenklassenpraktijk dan kan de angst voor gedwongen assimilatie komen bovendrijven.

De ambulante sector heeft in vergelijking met voorgaande organisaties relatief weinig structurele macht, maar door z’n deskundigheid bevindt ze zich ook in een machtspositie ten aanzien van de cliënt. Deze deskundigheid, gekoppeld aan de gangbare beeldvorming, kan ertoe leiden dat de cliënt bepaalde thema’s of mogelijke oplossingsstrategieën niet zal aanhalen uit vrees geconfronteerd te worden met de afkeuring van de hulpverlener. Omgekeerd kan men ook sensationele thema’s aanhalen waarvan men weet dat de gemiddelde hulpverlener er zal in meegaan. De problematiek gedwongen uithuwelijking is hier een relatief courant voorbeeld van. Het aanhalen van dit thema leidt bij hulpverleners vaak tot het idee dat men die hulpvrager dient te helpen, het is dus een tamelijk zekere ingangspoort tot de hulpverlening. Het kan echter zijn dat er andere elementen verborgen zijn die de eigenlijke reden vormen om beroep te doen op de hulpverlening.


6.4. De rol van beeldvorming in de hulpverleningspraktijk

Beeldvorming sluipt vaak ongemerkt binnen in de hulpverlening. Dit gebeurt via verschillende wegen, enerzijds hebben we de professionalisering van de hulpverleningsinstanties die gestoeld zijn op bepaalde denkbeelden uit de midden en hogere klassen, anderzijds brengen hulpverleners zelf hun denkbeelden in uit hun sociale netwerken en opleidingen. Ook de hulpvragers brengen hun bagage mee in de begeleiding. Naargelang de aard van deze beelden kan een verschillend verloop onderscheiden worden van de begeleiding: Het is dan belangrijk om in te zien dat

“interculturele communicatie in de eerste plaats communicatie is en blijft, dat wil zeggen: variabiliteit, aanpasbaarheid en onregelmatigheid, en dit alles sterk bepaald door de concrete context waarin een communicatieproces verloopt.”[15]

Men dient de invloed van beeldvorming te erkennen als een mogelijke factor bij een (intercultureel) hulpverleningsgesprek doordat deze de uitkomst van de begeleiding mee kan bepalen. Beeldvorming kan dus in elke communicatie een rol spelen en beperkt zich dus niet tot interculturele situaties. De waarneming van het “anders-zijn” en het toeschrijven van een bepaalde “andere” identiteit gebeurt immers op grond van zichtbare kenmerken als de huidskleur, etnische afkomst, geslacht, kledij, de naam, haarkleur, …. Deze etiketten gaan hand in hand met bepaalde verwachtingspatronen ten aanzien van de cliënt, die in de loop van het gesprek versterkt of verzwakt kunnen worden.

Als hulpverlener is het dan ook van cruciaal belang om zich bewust te zijn van deze verborgen dimensie die zal meespelen in de begeleidingen. Hieronder geven we enkele mogelijke aanbevelingen, suggesties en tips om de invloed van beeldvorming te neutraliseren.


7. Enkele aanbevelingen als besluit

Kwaliteitsvolle hulpverlening vertrekt vanuit de leefwereld, de identiteit en de problematiek van de hulpvragers. Hiervoor dienen hulpverleners zich te realiseren dat classificaties (allochtonen, vrouwen, mannen, kansarmen) niet meer zijn dan karikaturale schetsen van groep(sidentiteit)en en waardepatronen. Deze classificaties worden vaak verkeerdelijk verheven tot centrale en enige ordenende principes van een groep en zijn individuen. In het kader van begeleidingen kan de toepassing van dergelijke classificaties gemakkelijk leiden tot verwaarlozing van andere, niet-culturele factoren die de communicatie beïnvloeden. Het betreft hier factoren als de context waarin de communicatie plaatsvindt, de machtsverhoudingen tussen de communicatiepartners en hun wederzijdse doeleinden en verwachtingen. Groepsetiketten kunnen dus geen basis zijn om een kwaliteitsvolle hulpverlening op te stoelen.

7.1. Kennis

In die zin dient etnografische kennis steeds met een kritische ingesteldheid benaderd te worden. Enerzijds kunnen deze boeken zeer nuttig zijn om het referentiekader van de hulpverlener uit te breiden, zodat het stellen van gerichte vragen een pak gemakkelijker gaat. In deze context is er ook nood aan inzichten omtrent de communicatiestijlen, gedragspatronen, de maatschappelijke positie en familiale verhoudingen zoals zij voorkomen in de migrantengemeenschappen in België. Hierbij dient men zich, voor de hulpverlening, te richten op de verschuivingen door de migratieprocessen en op intrapsychische reacties op cultuurmodellen en wereldbeelden[16]. Net zoals thema’s die nauw verbonden zijn aan de werking van de organisatie. Anderzijds zijn de populaire etnografische werken en vormingen over culturen vaak te simplistisch om werkbaar te zijn in de hulpverlening. Deze werken vertrekken veelal van een wij-zij-opdeling, helaas is de realiteit niet zo simpel. Kritisch kiezen en lezen is dus de boodschap.

Als achtergrondinformatie kan het interessant zijn om zich te verdiepen in de literatuur. Ook romans van onze allochtone schrijvers kunnen hiervoor nuttig zijn. We denken hierbij aan werken van Anil Ramdas, Salman Rushdie, Abdelkader Benal, Kader Abdollah, … Het is echter cruciaal om deze kennis steeds te gebruiken als een te checken mogelijkheid en niet als een feit. Het “alles-oplossend” karakter dat men toeschrijft aan etnografische kennis is dus sterk overdreven en zal niet de wenselijke resultaten met zich meebrengen. Het gemis aan deze kennis kan dus ook nooit als alibi of excuus ingeroepen worden om niet te helpen. Ervaring is net een bepalende factor in het leren omgaan met diversiteit, ervaring “neutraliseert” als het ware de cultuurverschillen.

Het is noodzakelijk dat men de etnografische kennis die men bezit expliciet maakt in het kader van een begeleiding. Bulcaen suggereert hiervoor verschillende redenen: het toont erkenning voor de cliënt, het is een vorm van samenvatting en herhaling van het verhaal van de cliënt, het biedt de kans aan de cliënt om in te gaan tegen het verhaal waardoor beeldvorming minder vat heeft op de begeleiding, het kan een opening bieden tot een diepgaander gesprek over familie en gezinssituatie, over de angsten en zorgen van de cliënt. Dit levert tevens diepgaandere en betrouwbaarder inzichten op dan de meeste populaire etnografische werkjes à la Pinto en konsoorten.

In lijn met het voorgaande dienen hulpverleners competent te zijn/worden in het herkennen van verschillende communicatiestijlen en communicatiekanalen die mensen gebruiken en dienen ze hierop te kunnen inspelen met het aanpassen van de eigen communicatie(stijlen). Taalproblemen beperken zich niet tot het spreken van de taal of niet. De variant van het Nederlands, de rijkdom van woordenschat, de spreekstijl, de taalstrategieën zijn allen elementen die tot interpretatiefouten kunnen leiden. Het herkennen van de communicatiestijl en -kanalen is dus cruciaal wil de hulpverlener de werkelijke betekenis van het gezegde achterhalen. Diversifiëren in de eigen communicatie is hierbij een noodzakelijk instrument. Dit kan aan de hand van het ophalen van specifieke thema’s op strategische momenten (zoals maatschappelijk positie, overlevingstrategieën, migratiegeschiedenis en culturele identiteit). Technieken zoals vertellen van “gelijkaardige situaties” waar het zo en zo gegaan is, kunnen ook zeer werkbare instrumenten zijn in een begeleiding. In deze context kan je ook aan “other-referencing” doen, waarbij men de cliënt aanspoort om te zoeken naar de oplossingsstrategieën die lotgenoten hanteren in dergelijke situaties.

7.2. Methodisch

Het introductiemoment is vaak een belangrijk moment voor de hulpverlening. Hierbij wordt aangeraden om de werking van de instelling uitvoerig te duiden. Dit om de mogelijke foutieve beeldvorming over de instelling onmiddellijk tegen te werken. Hierbij is het belangrijk te vermelden wat het aanbod is van de organisatie, hoe de hulpverlening in zijn werk gaat en wat de voorwaarden zijn om er beroep op te doen. Tevens is het belangrijk te melden aan de cliënt wie jij bent, wat je doet in de organisatie, wat het betekent om een beroep te doen op hulpverlening en hoe men tracht via en met de cliënt op zoek te gaan naar een oplossing. Indien er een tolk aanwezig is dient men te vermelden dat ook hij/zij aan discretieplicht verbonden en neutraal is. Voert men een diversiteitsbeleid en/of antidiscriminatiebeleid, dan kan het vermelden hiervan op een gepast tijdstip aan de cliënt zeker geen kwaad; integendeel. Daarenboven is het belangrijk te signaleren dat hulpverleners gebonden zijn aan beroepsgeheim en dat de cliënt het recht op inzage heeft in zijn dossier.

De methodieken en de visie van de hulpverlener op zichzelf en de cliënten dienen gekenmerkt te zijn door voldoende openheid zodat men de (individuele) diversiteit weet te (h)erkennen en mee op te nemen in de begeleiding. In die zin dienen hulpverleners zich bewust te zijn van de gekleurdheid van hun professionele traditie. Deze gekleurdheid kan er immers toe leiden dat bepaalde (groepen) cliënten zich niet thuis voelen in de begeleiding.

De hulpverlening kan dus niet per definitie vertrekken vanuit een bestaand aanbod, een soort oplossingenboek (aan methodieken en thema’s). “Er dient in de hulpverlening steeds de nodige ruimte en aandacht te zijn om met de cliënt over de meest gepaste methodieken en strategieën te negotiëren”[17]. Hiervoor dient er een blijvende en grondige aandacht te gaan naar empathie en de verscheidenheid aan perspectieven waarmee mensen zichzelf en hun omgeving benaderen. Zo kan men de invloed van het westerse normen- en waardenpatroon waarop de hulpverlening gestoeld is enigszins trachten te neutraliseren.

Gailly spreekt hierbij over het belang dat het meta-culturele in de hulpverlening kan hebben. Dit dient natuurlijk aangebracht te worden in situaties die zich hiertoe lenen. Meta–culturele therapie houdt in dat er therapie gegeven wordt over het fenomeen “cultuur”, over de functies die cultuur universeel vervult, en over de relatie van personen met hun referentiegroep. Hierbij dient men voldoende aandacht te besteden aan het aspect van migratie en de gevolgen daarvan voor de beleving van zichzelf en de (Belgische) samenleving. Ook wederzijdse beeldvorming kan hierbij een gespreksitem zijn dat zeer ontmantelend kan werken in bv. verhitte situaties. Het aanhalen van beeldvorming geeft de hulpverlener de kans om zich bewust te worden van aanwezige overtuigingen bij de cliënt en de hulpverlener kan zijn/haar opvattingen toetsen bij de hulpvrager. Dit is bijvoorbeeld aangewezen wanneer men een cliënt doorverwijst naar een andere soort dienst. Om te anticiperen op de beeldvorming van de hulpvrager is het aangewezen om een zeer duidelijk beeld te schetsen over het hoe en waarom van deze doorverwijzing. Daarnaast is het ook aangeraden om deze nieuwe dienst uitvoerig te behandelen zodat elke wie, hoe, wat, hoeveel kost, … van een antwoord voorzien is. Afsluitend kan men dan vragen opwerpen als “hoe voel je je daar bij?”“zie je dit zitten?”, “denk je dat dit kan helpen?” of “wat roept dit op bij je?”.

7.3. Houding en vaardigheden

De houding van de hulpverlener is van cruciaal belang voor het slagen van de begeleidingen. Dit is helemaal geen gemakkelijke opdracht! Hulpverleners dienen zowat van alle markten thuis te zijn om de diverse vragen en problematieken van een zeer divers publiek van een ‘antwoord’ te voorzien. De kijk en houding van de hulpverlener zal hierbij van primordiaal belang zijn. Shadid stelt dat dit het best gebeurt vanuit het “derde perspectief” waarbij men redeneert vanuit een inclusief “wij” dat ruimte laat voor verschil en gemeenschappelijkheden. Dit perspectief is per definitie niet etnocentrisch, op zichzelf gericht of “becoming native” waarbij men volledig probeert op te gaan in de “ander”. Het is een overkoepeld perspectief dat ruimte laat voor het zien en laten uiten van diversiteit, dat begrip opbrengt zonder dat dit gepaard gaat met het per definitie goed- of afkeuren en dat zowel gemeenschappelijkheden als verschillen in het vizier houdt.

Hierbij heeft men nood aan de motivatie, vaardigheden en kennis om deze job tot een goed einde te brengen. Met de woorden van Shadid klinkt het als volgt:

“Het hebben van kennis over anderen en hun cultuur zonder over vaardigheden te beschikken om deze kennis in de praktijk te brengen is namelijk sociaal nutteloos. Daarnaast kunnen dergelijke vaardigheden niet worden verworven zonder kennis te hebben van de eisen en beperkingen die de cultuur of situatie stelt.”[18]

7.4. Organisatorisch

Het hoeft geen betoog dat dit niet alleen een taak kan zijn van de individuele hulpverlener; de organisatie dient de noodzakelijke context te scheppen om deze taak te volbrengen. De keuze voor het voeren van een gedegen diversiteitsbeleid kan hierbij van cruciaal belang zijn. Dit beleid is een integraal organisatiebeleid en behelst dus zowel het management, het personeelsbeleid, de interne en externe communicatie en het “product”. Enkele doelstellingen van dit beleid luiden als volgt: de organisatie houdt actief rekening met diversiteit als cruciaal element van de kwaliteitszorg en het personeelsbeleid. Hierbij streeft men naar een diverse personeelssamenstelling van de organisatie op elk niveau, zodat de organisatie een afspiegeling wordt van de diversiteit van de samenleving (gerelateerd aan de arbeidsmarkt of de afzetmarkt). Dit brengt onder andere een veel grotere herkenbaarheid met zich mee voor de verschillende doelgroepen. Een divers personeelsbestand zorgt er niet alleen voor dat er nieuwe competenties binnengebracht worden, er zullen ook nieuwe competenties ontstaan in de organisatie. Dit dient te gebeuren binnen een organisatiecultuur waar de aandacht en het respect voor diversiteit een inherent onderdeel zijn. “Het is normaal dat we rekening houden met diversiteit” is dan het motto! Een aangenaam werkklimaat bevordert immers de kwaliteit van het werken, zowel naar werkresultaten als voor de betrokken personeelsleden. Zo kunnen de sterktes van iedereen benut worden. Het ultieme doel van een hulpverleningsorganisatie is dat alle cliënten kwalitatief evengoed geholpen worden ongeacht hun religie, cultuur, geslacht, fysieke kenmerken, etc.

De arbeidsomstandigheden zijn hiervoor van cruciaal belang. Hulpverlening is een zeer moeilijke en complexe opdracht die bijgevolg vaak veel tijd, moeite en reflectie vergt. Te grote tijdsdruk en onderbezetting zijn hiervoor nefast. Ook het subsidiesysteem en/of regelgeving kunnen ervoor zorgen dat bepaalde mensen uitgesloten worden. Vaak is het bv. zo dat mensen zonder papieren geen beroep kunnen doen op de hulpverlening. Nochtans heeft iedereen volgens de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (artikel 25) recht op gezondheidszorg, ook mensen zonder papieren. Organisaties hebben hier dan ook een opdracht te vervullen naar de subsidiërende en regelgevende instanties toe.

De organisatie dient voor het personeel de mogelijkheid en ruimte te scheppen zodat hulpverleners de kans krijgen om zich te ontplooien en bij te scholen. Een aangepast en stimulerend vormingsbeleid is één factor die hiertoe bij kan dragen. Belangrijk is dat deze vormingen vertrekken van de stelregel dat alle kennis een mogelijkheid is en nooit als een vaststaand feit gebruikt kan worden in de hulpverlening. Checken met de cliënt blijft de boodschap. Vormingen dienen te vertrekken van een ‘ derde perspectief’ en kunnen dan aandacht besteden aan thema’s als:

1° Beeldvorming en racisme in de Vlaamse maatschappij.

2° Beeldvorming in de hulpverlening.

3° (Interculturele) communicatie en hulpverlening.

4° Algemene normen en waarden met betrekking tot zaken als familierelaties, gastvrijheid, beleefdheid, vriendschap, de verhouding tussen mannen en vrouwen, ouders en kinderen, de machtsafstand tussen hoger en lager geplaatsten en de religieuze voorschriften in de betreffende groepscultuur. Ook aspecten die te maken hebben met communicatie dienen hier besproken te worden.

5° De invloed van migratieprocessen op het intrapsychische en intrafamiliale relaties.

6° De sociaal-economische en culturele heterogeniteit binnen de groep in relatie met de algemene sociaal-economische en juridische positie van de groep verdient de nodige aandacht. Het gaat hier voornamelijk over de positie van de betreffende groep(en) in verschillende sectoren van de samenleving: de arbeidsmarkt, de huisvesting, het onderwijs, de politiek, de wetgeving, en de maatschappelijke acceptatie in de samenleving. De maatschappelijke positie heeft namelijk vele gevolgen voor de toekomstmogelijkheden en verwachtingen van de leden van deze groepen evenals voor de hulpverlening (zie Shadid, 2000).

Ook interne kruisbestuiving van competenties dient aangemoedigd te worden. Intervisie of supervisiegroepen kunnen hierbij een handig instrument zijn, net zoals uitgebreide netwerken. Samenwerkingsverbanden aangaan met zelforganisaties, stedelijke diensten en moskeeën is een meerwaarde voor elke hulpverleningsinstantie. Als afsluiter kunnen we stellen dat organisaties de taak hebben om een werkcontext te scheppen, die ervoor zorgt dat hulpverleners de ruimte, tijd en ondersteuning krijgen om hun taken tot een goed einde te brengen.

 

___________________________________


Tolk– en Vertaalservice Gent, Vzw stelt niet alleen tolken en vertalers ter beschikking van andere welzijnsorganisaties en –diensten gelegen in Groot -Gent, TgV begeleidt en ondersteunt tevens organisaties op dit grondgebied bij het opstarten en implementeren van een diversiteitbeleid. Voor meer informatie zie:www.gent.be/tgv 


Noten:

* De inleiding, het hoofdstuk ‘communicatie en interactie’ alsook enkele aanbevelingen zijn gebaseerd op  Bulcaen C. & Blommaert J., 1997: Eindrapport. V.F.I.K.-Project 307. “Begeleiding van migrantenvrouwen en –meisjes in centra voor residentieel welzijnswerk”.

[1] Prins, B. (2000), “Realisme als retoriek” (uittreksel uit: Voorbij de onschuld. Het debat over de multiculturele samenleving, Amsterdam, Van Gennep, 14-18):http://www.flwi.ugent.be/cie/CIE/prins1.htm

[2] Prins, B. (2000), ibidem.

[3] De Schryver M.A, 2003: ‘De Islam’ in het Vlaamse intellectuele debat sinds 11 september 2001. Scriptie UGent: http://www.flwi.ugent.be/cie/deschryver/index.htm

[4] Verstraete G. & Pinxten R.: Het oude slot en zijn nieuwe bewakers. Geraadpleegd op http://www.acsim.be/, onder publicaties op 1/06/2004.

[5] De Mot in: Opdebeeck S., Van Audenhove Ch. & Lammertyn F. (red.) 1998: De toegankelijkheid van voorzieningen in de welzijns –en gezondheidszorg. Visies uit de praktijk, het onderzoek en het beleid, Lucas/K.U. Leuven. Geciteerd in Sannen L., 2003: Drempels naar welzijnsvoorzieningen: De cliënt aan het woord. Hiva Leuven.

[6] Zie onder andere Bulcaen C. & Blommaert J., 1997: Eindrapport. V.F.I.K.-Project 307. “Begeleiding van migrantenvrouwen en – meisjes in centra voor residentieel welzijnswerk”, p. 15

[7] Bulcaen C. & Blommaert J., 1997, ibidem.

[8] Gailly A., 1998: Cultuur en communicatie. Uit De Muynck, A. & Timmerman C. & Straetemans H. (red.), 1998: Interculturele communicatie in de gezondheidszorg, Acco, Leuven.

[9] Verstraete G. 1997: Veelkleurendruk in de organisatie van de hulpverlening. Uit Debruyne K & Mampuys J (red.), 1997: Wie slechts één samenleving kent , kent ook die niet: vijf jaar ervaring in de hulpverlening aan allochtonen.

[10] Bulcaen, C. 2000: De tolk heeft het gedaan. in: Weliswaar. Welzijnsmagazine voor Vlaanderen, nr. 25, februari-maart 2000, pp. 10-11.

[11] Shadid, , W.A., 2000: Interculturele communicatieve competentie. Verschenen in: Psychologie en Maatschappij,  jrg. 24, no. 1, 2000, pp. 5-14. of zie ook op de website van Shadid: http://www.interculturelecommunicatie.com/download/competentie.html

[12] Sannen L., 2003: Drempels naar welzijnsvoorzieningen: De cliënt aan het woord. Hiva Leuven

[13] Gailly A., 1998: Cultuur en communicatie. Uit De Muynck, A. & Timmerman C. & Straetemans H. (red.), 1998: Interculturele communicatie in de gezondheidszorg, Acco, Leuven.

[14] Thienpont & Vanobbergen, 2001: Beleidsplan VOW 1997-2002.

[15] Blommaert J, 1995: Interculturele communicatie in de sector, gepubliceerd in Vonk 24/4: p. 32 –38; op deze site.

[16] Bulcaen C. & Blommaert J., 1997: Eindrapport. V.F.I.K.-Project 307. “Begeleiding van migrantenvrouwen en – meisjes in centra voor residentieel welzijnswerk”.

[17] Zie Verstraete G.: Naar een interculturalisering van het welzijnswerk. Zie website: http://www.acsim.be/ geraadpleegd onder publicaties op 1/06/2004.

[18] Shadid, W.A., 2000: Interculturele communicatieve competentie. Verschenen in: Psychologie en Maatschappij,  jrg. 24, no. 1, 2000, pp. 5-14. of zie ook op de website van Shadid: http://www.interculturelecommunicatie.com/download/competentie.html

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s