De criminalisering van de tweede intifada

De criminalisering van de tweede intifada

2003 Ico Maly

 

 De  tweede intifada werd door de Israëlische regering steevast getypeerd als het gewapende, gewelddadige, criminele en terroristische Palestijnse antwoord op het ‘vredesproces’. Door deze typering lijkt het Palestijnse verzet zomaar uit het niets te zijn ontsproten. De paradox van een ongemotiveerd verzet is cruciaal in het Israëlische discours: het stuurt de invulling van de motivatie en de betekenis van het verzet in de media. Het Palestijnse volk zou immers gekozen hebben voor terrorisme en geweld in plaats van ‘de’ vrede.  

De verdrijving van de Palestijnen en de jarenlange (directe en indirecte) Israëlische bezetting van het Palestijnse volk, de kolonisering van hun grondstoffen, hun vrijheid en hun land verdwijnt uit beeld. Het Israëlische discours stelt immers de ‘weg naar vrede’ centraal als context waarin de tweede intifada ontstaan is. Allerhande journalisten, wetenschappers en nieuwsankers zetten meteen de religieuze bril op in de zoektocht naar verklaringen en bindteksten. De gevolgen hiervan voor het Palestijnse volk zijn niet gering: hun recht op verzet tegen de inhumane bezetting van het Palestijnse volk wordt in de media gesmoord.  

De Zoektocht naar een Motief: van Slachtoffer naar dader

In tegenstelling tot de eerste intifada, krijgt de huidige intifada meteen een religieuze stempel opgedrukt, met andere woorden de stempel van de islam. Als we ons bewust zijn van het discours over de islam in de internationale media, kan men meteen voorspellen dat het voor de Palestijnen geen goede zaak kan betekenen dat de intifada onmiddellijk aan ‘de’ islam wordt gekoppeld.  

De opstand wordt al snel benoemd als de ‘Al-Aqsa intifada’. Met deze benoeming wordt verwezen naar het provocerende bezoek van Ariel Sharon aan de Al-Aqsa tempel gevolgd door het uitbreken de opstand. Het gevaar van het beschrijven van deze opstand als de ‘al-Aqsa intifada’ zit hem in het ééndimensionale beeld dat men op deze manier aan het verzet toewijst. De opstand lijkt hoofdzakelijk gevoed door religieuze motieven en zou uitgebroken zijn naar aanleiding van de islamitische heiligdommen. Het typeren van de opstand als de ‘al-Aqsa intifada’ past perfect in de nieuwe mediahype, die van de “Huntingtonificatie” van het conflict: het jodendom tegen de islam, “the clash of civilizations”. Het verstoorde machtsevenwicht tussen beide partijen, waar het in wezen om draait, verdwijnt als sneeuw voor de zon door deze associatie.   Palestijnen, moslims of Arabieren worden in onze media steevast afgebeeld als de ‘grote islamitische dreiging’. Het geweld wordt (impliciet) toegeschreven aan het ‘moslim-zijn’. Hierbij wordt vergeten dat de opstand gaat om een strijd tegen de (indirecte) bezetting van een volk, om een strijd voor de terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen, kortom om een strijd voor de rechten van de mens.  

Het discours stelt dat het Palestijnse volk niet langer het onmachtige slachtoffer is van de Israëlische bezetting. Israël wordt met name het slachtoffer van een ‘machtige, terroristische, islamitische dreiging’. Het taalgebruik hieromtrent in de (Israëlische)pers is zeer duidelijk. Als voorbeeld voor dit taalgebruik kunnen we het concept ‘vergelding’ gebruiken. Dit concept wordt ingevuld volgens de handleiding van het discours: “de Palestijnen vallen aan en de Israëli’s vergelden die acties”. De realiteit wordt op zijn kop gezet. Het sprookje van de gerechtvaardigde oorlog wordt nogmaals gerecycleerd, met Israël in de rol van “good guy” en ‘Palestina’ als de “bad guy”.  

Het Profiel van de Vijand: de Creatie van een Dreiging

Israël is de grootste militaire macht van het Midden-Oosten. Palestijnse burgers, jongeren die met stenen gooien, gewapende Palestijnse veiligheidsdiensten en militanten in vluchtelingenkampen en bantoestans zijn machteloos ten opzichte van de superioriteit van de (militaire) alliantie tussen Israël en de Verenigde Staten. De zelfmoordaanslagen zijn volgens sommige Palestijnse groeperingen dan ook het enige wapen dat een diepe impact heeft op de Israëlische samenleving. Deze impact is zeer reëel en niet te onderschatten, zowel voor het Israëlische als voor het Palestijnse volk. Deze aanslagen legitimeren de grondgedachte van het ‘veiligheidsconcept’ in de Israëlische politiek. Tevens verraden de zelfmoordaanslagen de machteloosheid van het Palestijnse volk en voedden standaardgedachte in Israël dat elke Palestijn een mogelijke ‘terrorist’ is. Dit is de verantwoording bij uitstek om het Palestijnse volk verder te dehumaniseren en de bezetting te continueren. De mythe van het ‘islamitische gevaar’ wordt leven ingeblazen, ‘alle’ Palestijnen zijn ‘terroristische moslims’. Het verslag van “The Palestinian Human Rights Monitor” stelt dat in het Israëlische discours elke Palestijnse burger die de bezetting afkeurt, op welke wijze dan ook, “een terrorist” geworden is. Dit heeft tot gevolg dat de reële oorzaken van het conflict in de schaduw komen te staan en dat het Israëlische publiek naar de overtuiging wordt geleid dat het Palestijnse volk een fundamenteel gewelddadig volk is. Tevens minimaliseert het gebruik van het concept “terrorist” het gewicht van de Palestijnse doden: “Palestinians, after all, are not really “civilians.””    

Als Israël zichzelf als slachtoffer wil profileren, dan is het van cruciaal belang dat die mythe steeds gevoed wordt. De machteloosheid van het Palestijnse volk wordt zo professioneel weggewerkt. Daarenboven wordt het beeld opgehangen van de Arabische landen als reële dreiging voor het voorbestaan van Israël. De link met Bin Laden en zijn Al-Qaeda kon na de gebeurtenissen van 11 september natuurlijk niet uitblijven. Zo zou Arafat zijn Jihad voeren net zoals Bin Laden en zou hij de ‘demon’ zijn die zijn volk leidt in het ‘terrorisme’. Sinds de verschrikkelijke aanslagen pretendeert Israël dan ook samen met de V.S. betrokken te zijn in een “war against terrorism”.  

De uiterst machtige bedreiging die Israël vormt voor de hele regio, inclusief zichzelf en het Palestijnse volk komt zelden aan bod. Het beeld dat wij voorgeschoteld krijgen lijkt wel een plot van een strip: Israël is het slachtoffer op zoek naar vrede in het midden van ‘Arabische vijandigheid’.  

De Aanklacht: Van opstand naar Oorlog

In navolging van de verantwoording van President Bush om op oliekruisvaart te trekken, gebruikt Israël het ‘terrorisme’ van enkelen om het Palestijnse volk te beschuldigen van de start van een ‘oorlog’.   De aanslagen van 11 september versterken het retorische draagvlak in Israël om te spreken van een oorlog, namelijk ‘a war against terrorism’. Deze conceptualisering is al snel aan de winnende hand en we zien dat het concept intifada steeds vaker vervangen wordt door ‘oorlog’, wat twee gelijkwaardige naties veronderstelt die het opnemen tegen elkaar. De Palestijnse zijde beschikt echter niet over een natie, een leger, bewegingsvrijheid, gevechtshelikopters, tanks, soldaten, F-16’s, kernwapens… Desondanks worden zij beschuldigd van alle kwaad.

  Er is echter een dermate groot structureel differentieel tussen beide partijen dat we nooit kunnen spreken van een conventionele oorlog. Toch is het kader van een “symmetrische oorlog” een dominerend aspect in het denken van de Israëlische bevolking over het conflict .  

De Veroordeling: het monddood maken van de tweede intifada

De constructie van de realiteit in de berichtgeving heeft vaak bitter weinig te maken met de Palestijnse realiteit, maar reflecteert des te meer de machtsverhoudingen in het Israëlisch – Palestijnse conflict. Het concept ‘oorlog’ is momenteel een cruciale factor in het discours ter ‘rechtvaardiging’ van de Israëlische militaire acties. Het concept veronderstelt immers twee enigszins gelijkwaardige naties waarvan één partij de oorlog start en één partij de rol van slachtoffer toebedeeld krijgt. Mochten we het discours geloven, dan zijn de Palestijnen de schuldigen. De Israëlische (indirecte) bezetting verdwijnt op de achtergrond: de landinbeslagname, de vernieling van Palestijnse huizen en dorpen, het lamleggen van de Palestijnse economie, de folteringen, de executies, het racisme en de Israëlische apartheidspolitiek worden met stilte omhuld. In schril contrast met de bewijslast tegen Israël, verwerven zij de slachtofferrol in de binnenlandse en de internationale media.  

Om het publiek te overtuigen dat Israël het slachtoffer is in deze ‘oorlog’, is het van cruciaal belang om het onderdrukte volk te kunnen afbeelden als een werkelijke bedreiging voor de onderdrukker.

Het retorische draagvlak in de Westerse media is echter gemakkelijk gevonden, denk maar aan ‘onze’ extreem – rechtse en andere politici en hun uitlatingen over ‘de’ islam. ‘De’ islam wordt doorgaans door de media gekaderd als ‘de bedreiging’ voor Israël en het Westen, maar is het niet wijzer om de onderdrukking, de marginalisering en de kolonisering van een volk te beschouwen als een extreem terroristische aanslag op het samenleven van alle mensen?   Door de constructie van een inherent gewelddadig Palestijns monster kan men zichzelf de slachtofferrol toedichten. ‘De intifada bestaat niet meer, er is geen opstand tegen de bezetting, immers de Palestijnen zijn de oorlog begonnen met terreur.’ Dit verhaal verleent Israël de nodige vrijheid om de gebieden verder te koloniseren. Het Palestijnse verzet wordt als onterecht bestempelt. De intifada is monddood gemaakt.

 
 
Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s