De demonisatie van Yasser Arafat

De demonisatie van Yasser Arafat

Van retoriek naar realiteit

door ICO MALY* (2002)

Momenteel wordt PA Chairman Yasser Arafat in zijn hoofdbureau in Ramallah ‘volledig’ afgesloten van de buitenwereld, gegijzeld door Israëlische soldaten. Palestijnse steden als Ramallah, Kalkilya, Jenin, en Bethlehem zijn militair herbezet en onder volledige Israëlische controle. 8 steden zijn volledig afgesloten door Israëlische troepen: Israël bereidt een langdurige militaire bezetting/belegering voor, 11 000 reservisten zijn reeds opgeroepen. De V.S. en de V.N. kijken met lede ogen toe: de zoveelste absurde escalatie van het conflict. Het discours van Sharon lijkt naar de realiteit vertaald: Arafat is de ‘grootste vijand van Israël’ en is ‘verantwoordelijk’ voor ‘alle terreuraanslagen’ in Israël.

Sinds de aanslagen van 11 september is er een gevaarlijke en dus belangrijke nieuwe dimensie waar te nemen in het discours die gebruikt wordt ter verantwoording van de militaire acties in de realiteit. De internationaal gesteunde retoriek die gepaard gaat met de ‘war against terrorisme’ verleent Israël de ruimte om haar acties te ‘rechtvaardigen’. Het proces van de demonisatie van Arafat is niet nieuw, de hedendaagse retoriek steunt immers steeds op het historisch retorisch draagvlak (concepten zoals: terrorisme, islam, jihad, controle, …)[1]. Ook het proces van de demonisatie is wijdverbreid en meermaals succesvol toegepast om militaire actie te verkopen aan het publiek[2] (Saddam Hoessein en Irak, Bin Laden en Afghanistan, ..) 

Dividing and rejecting

Het principe van demonisatie werkt volgens processen van een inclusief ‘ons’ en een exclusief ‘hen’, vaak ‘hem’. Het proces van uitsluiting is gebaseerd op twee assen: ‘DIVIDING”, ‘verdeling’ (‘ons’ en ‘hen’/’hem’) en “REJECTING”, ‘afwijzing’ (het creëren van een negatief beeld). Dit artikel spitst zich toe op het proces van afwijzing, de creatie van de vijand. Die creatuur (hen of hem) staat pal tegenover het inclusief ‘ons’ . Die constructie koppelt aan de vijand een hele reeks van waarden, negatieve eigenschappen als irrationaliteit, gekheid, … Men kan steeds een verscherping van “the rejection –process” waarnemen als voorbereiding van een mogelijke escalatie van het conflict. De acties van het IDF (Israëlisch leger) zijn dan ook niet als een verrassing gekomen: internationale veroordeling en acties zijn nu al hopeloos te laat, maar niettemin hoogstnoodzakelijk!

Die processen worden gerealiseerd door een discours dat gebruikt maakt van verschillende linguïstische en argumentatie strategieën. Het belangrijkste, maar niet het enige, machtsinstrument om dit discours te voeden zijn de massamedia[3]. Dit artikel zal kort (1) het historische, retorische draagvlak toelichten; (2) de nieuwe dimensie sinds 11 september nader bekijken; (3) om uiteindelijk tot de huidige toestand te komen.  

 


1. Het retorische draagvlak

Het retorische draagvlak is gebaseerd op de categorisering van een Israëlisch ‘ons’ en de Palestijnse ‘ander’. Waarbij de ‘ander’ gedefinieerd wordt als ‘de ergste vijand’, dit heeft natuurlijk zijn weerslag op de ‘politiek’ die gevoerd wordt sinds 1967. Zoals Peres het zei in zijn biografie: “De Palestijnen (samen met de  Syriërs) (zijn) de ergste vijanden die Israël ooit heeft gekend. Vijanden die door Israëlische leiders de verpersoonlijking van de duivel werden genoemd omdat ze ernaar zouden streven ons (Israëliërs) in de zee te drijven.”[4]

De categorisering van de ander

De ‘ander’ wordt geconstrueerd als een Islamitische, fundamentalistische, irrationele, terrorist en hun daden zouden onmenselijk gruwelijk zijn en worden gevoed door haat, woede, irrationaliteit. De ander lijkt bezeten te zijn door geweld om het geweld… ze lijken geen vrede te willen.

De typering van de ander als terrorist is sinds de jaren ’70 het officiële politieke Israëlische beleid[5]. Met de woorden van de internationaal bejubelde journalist R. Fisk: “But in Israel, ‘terrorist’ means all Palestinian Arabs – and very often, all Arabs- who oppose Israel in word or deed.”[6] Dit is een zeer machtige en bewuste strategie om de ander te stigmatiseren en om militaire actie tegen de ander te verantwoorden[7].

Door de ander als terroristen voor te stellen, worden ze de slechten; ze worden de barbaren, de nazi’s,… . Elk verzet in woord of daad tegen Israëls politiek wordt hierdoor in de kiem gesmoord, geen enkele individu kan immers tegen de strijd van ‘het’ goede zijn: de mythe van de ‘goede’, gerechtvaardigde oorlog. In deze logica kunnen de politieke eisen van de Palestijnen niet als gerechtvaardigd beschouwd worden. Voor een meer diepgaande uitwerking van de categorisering verwijs ik naar mijn scriptie.

De personificatie van het conflict

PNA chairman Yasser Arafat wordt in dit discours – zeker in tijden van crisis – de prototypische Palestijn, meer zelfs: hij staat symbool voor elke Palestijn. Men gebruikt de metonym: Arafat is de Palestijnen. Hij kan en moet hen controleren (bv. “Yasser Arafat beseft dat het menens is. De Palestijnse leider moet na het moordende weekend in Israël aantonen dat hij wel degelijk de situatie onder controle heeft,…[8]). Hij is de oorzaak van alle kwaad; hij schiet tekort; hij wil het geweld niet controleren; hij is een leugenaar (“De basisinstelling van Sharon is dat er met de “aartsleugenaar” Arafat geen zaken te doen zijn”[9]);  hij is onbetrouwbaar, bv. “ze ( de Israëlische regering) verwijt Arafat dat hij alleen maar voor de schijn arrestaties uitvoert en dat terroristen de gevangenissen vrij in –en  uitgaan.”[10]); hij wil geen vrede; kortom hij is de terrorist “pur sang”…

Het bestempelen van Arafat (en de PLO) als de ergste ‘vijand’ van Israël is zeker niet nieuw, maar is een steeds wederkerende strategie in het Israëlisch discours. Begin, premier ten tijde van de invasie in Libanon, verklaarde dat Arafat de vijand van de Joodse staat was ter verantwoording van voornoemde militaire actie. Hij zag in Arafat de nieuwe Hitler: “He (Begin) did believe that Arafat was the second Hitler.”[11] In 1989 verkondigde Sharon dezelfde gevaarlijke en verdraaide analogie: “… Arafat is the same kind of enemy (as Hitler), that with whom you don’t talk.”[12]

Het Israëlisch -Palestijnse conflict wordt zo herleid tot een probleem tussen Israël en Arafat (en zijn PLO). Met Arafat kan niet onderhandeld worden want hij is een terrorist (de ergste) en staat aan het hoofd van een “terroristische” –organisatie: Arafat is ‘Palestina’, de Palestijnen:

“Yasser Arafat chose the path of violence that endangers regional stability and the interests of the international community.” (Barak, in Jerusalem Post:17 Nov. 2000: Herb Keinon)

“Peres waarschuwde Arafat snel tegen de terreur in de Palestijnse gebieden op te treden. Zo niet zal “het land branden en het vuur niet meer worden gedoofd.” (In Standaard: 18 oktober 2001)

Adviseur van premier Sharon Meir Rosenne: “Maar sinds veertien maanden heeft Arafat zich roekeloos  in deze Intifada gestort.(…) “door uit te leggen aan de Palestijnse president Yasser Arafat dat geweld hem niet vooruit helpt. (…) Arafat zet zijn intifada voort en dat is “een misdaad tegen de Palestijnen”.”[13]

Dat Arafat aan de oorsprong zou liggen van de tweede intifada is een misvormd historisch beeld; de tweede Intifada is, zeker in het begin, zelfs deels tegen Arafat en zijn corrupte PA gericht, die de Palestijnen onderdrukte in ‘opdracht’ van Israël[14]. Het waren de gevolgen van de zo bejubelde Oslo-akkoorden die aanleiding gaven om op te komen tegen de bezetter. De Israëlische bezetting van een gans volk gedurende tientallen jaren en de militaire herbezetting wordt in dit verhaal niet als een oorzaak van het ‘terrorisme’ gezien, terwijl dit natuurlijk “the rootcause” is. Doordat de media nu dit discours bestendigen, trekken zij partij in het conflict, met name voor Israël.

 


2. De nieuwe dimensie

Sinds de gruwelijke aanslagen op de WTC –torens en het totstandkomen van de internationale coalitie is er een nieuwe dynamiek ontstaan die een hernieuwde impuls van schijnbare ‘legitimiteit’ bezorgt aan het Israëlisch discours. Kort na de aanslagen verwijst Sharon naar Arafat als “onze Bin Laden” (Standaard 20 september 2001[15]); Minister Landau: “there is more than mere circumstantial evidence of links between Palestinian Authority Chariman Yasser Arafat and Saudi billionaire-turned-terrorist Osama Bin Laden (…)”[16]. Dit wijst reeds op een poging tot aanknoping met het V.S. discours. Bin Laden vormt hierin de hoofdpersoon, de ‘superterrorist’.  Op dat moment krijgt Sharon nog te maken met kritiek van Peres, die Arafat als de ‘best mogelijke optie’ verdedigt. Peres roept Arafat wel op: “the attacks in the United States require Palestinian Authority Chariman Yasser Arafat to denounce whether he wants to be a terrorist or a statesman. (…) this is a genuine opportunity for him to get out of the world of terrorism.”[17]

De vergelijking en de verbinding van Arafat en de Palestijnen met al-Qaeda smeult al onder het oppervlak: “De Palestijnse zaak vormt de inspiratie en de verenigende factor voor het terreur-netwerk van Osama Bin Laden”[18]“Sharon die al eerder Arafat Israëls Bin Laden noemde..”[19]; Foto-onderschrift: “Palestijnse jongetjes in Gaza-stad presenteren hun speelgoedgeweren terwijl een meisje een poster met Osama Bin Laden toont.”[20]

Na de moord op de rechtse minister Rahavam Ze’evi stuurt Sharon vier ministers naar Washington om hen ervan te overtuigen dat Arafat Israëls Bin Laden is[21]. De analogie begint voeten aan de grond te krijgen, bv.: “Peres meende dat de VS na de aanslagen van 11 september ook op dezelfde lijn zitten: “De VS hebben openlijk gezegd dat ze Bin Laden willen pakken dood of levend”.”[22] Sharon benadrukt tegenover onze premier Verhofstadt nogmaals de gecreëerde ‘analogie’ tussen het discours van de internationale coalitie en de Israëlische situatie: “De bron van de terreur en opruiing ligt bij Arafat, die een coalitie van terrorisme leidt”[23]

Onze Guy stelde vervolgens dat de EU er bij Arafat had op aangedrongen dat “de Palestijnse Autoriteit alles zou doen om de terroristen te arresteren en het geweld in te dijken.”[24] “Even the Israeli left has concluded that Palestinian Authority Chairman Yasser Arafat is no partner for negotiations.”[25] 

Op 4 december 2001 verklaart Sharon de oorlog  “aan de terreur en de Palestijnse leider Yasser Arafat.”[26]“Sharon laid full blame for the wave of terror at Arafat’s feet. “He is directly responsible for everything that is happening … and he is the greatest obstacle to peace and stability in the Middle East.”[27]; “(…) Sharon zei dat Israël in de strijd tegen het terrorisme zal handelen met alle middelen die de staat tot zijn beschikking heeft.”[28] De concepten in cursief klinken ons zeer bekend in de oren: het discours van de internationale coalitie… Sharon benadrukt dit zelf in hetzelfde artikel:  

”Sharon vergeleek de huidige campagne van zijn regering met de campagne die de Verenigde Staten voeren tegen Osama Bin Laden en zei dat Israël op dezelfde wijze het hoofd zal bieden aan terreur en terrorisme als de Verenigde Staten dat doen onder president Bush.”; “De coalitie van Sharon…”[29];

“Sharon verklaarde dat “de Palestijnse Autoriteit terrorisme steunt” en dat “ons een oorlog wordt opgedrongen. Een oorlog tegen de terreur.(…) “Net zoals de Verenigde Staten hun oorlog voeren tegen het internationale terrorisme met al hun macht, zo zullen ook wij dat doen met alle middelen die tot onze beschikking staan”[30]. “Maar Israël stelt Arafat verantwoordelijk en zegt dat hij terroristen ongestraft hun gang laat gaan.”[31]

De gevolgen van dit discours worden voor het eerst zeer duidelijk met het bestoken van Arafats hoofdkwartier en de luchthaven in Gaza. Op 14 december 2001 komt er een nieuwe typering voor Arafat naar boven: hij is ‘irrelevant’:

“Arafat is voor zijn (Sharons) regering “irrelevant”. Met de Palestijnse leider mag niet meer worden gecommuniceerd door Israëlische gezagsdragers.”[32] “The security cabinet decided overnight that Palestinian Authority Chairman Yasser Arafat is “irrelevant” and ordered the IDF to target PA facilities and recapture trerritoy in the West Bank and Gaza Strip.”[33]


3. Van retoriek naar realiteit

Israel’s National Security Council beschouwt dit als een één van de twee mogelijke strategieën op 4 januari 2002:

“The first proposal, (…), is consistent with the cabinet’s recent decision to view Arafat as “not relevant” Based on this strategy, Israeli would not implement immediate measures but rather create a scenario on which Arafat is gradually forced to leave the territories, become a puppet ruler or be replaced.”[34]

Hierbij moet opgemerkt worden, zoals Van Dijk stelt, dat het gebruik van andere officiële instellingen (zoals regeringen, gerespecteerde mensen, ..) een enorme kracht aan hun argumenten geeft omdat het idee van de waarheid verbonden wordt met de ingenomen stellingen.

De retoriek begint zo het aura van een normaal, officieel en rationeel alternatief te krijgen: op 24 januari duikt het o.a. ook nog eens op in het artikel van Nathan Guttman[35].

Na het onderscheppen van het Karina A schip wordt de retoriek weer keihard: “Sharon brandmerkt Arafat als “bittere vijand van Israël”.(…) Sharon omschreef het Palestijnse Zelfbestuur als een van top tot teen terroristische organisatie die zich met Iran – “het centrum van de wereldterreur”- heeft geallieerd.”[36]

De bedoelingen van Sharon (en met hem de Israëlische regering) worden duidelijker: in een gesprek met Bush stelt hij dat “Arafat geen gesprekspartner is en wordt hij dat ook niet meer: “hij staat buitenspel”. Sharon benadrukt de nood aan een alternatief Palestijns bestuur.”[37]

Sharon kondigt ook aan dat hij spijt heeft Arafat niet te laten uitschakelen: “Sharon – who has indicated regret that he didn’t order the killing of the wily Palestinian leader when, as defense minister, he cornered Arafat in Beirut during the 1982 Lebanon invasion – (..)”[38] De mythe van Arafat als ‘het’ Palestijnse probleem lijkt steeds meer normaal en aanvaard te worden, meer zelfs het is de officiële politieke agenda van Israël:

“The following are the main issues on the agenda for Sharon’s visit with Bush: 1. The Palestinians: Sharon wants the U.S. to “ignore” Arafat and cut off contacts with him. Sharon has promised not to physically harm Arafat and will tell the Americans Israel has no intention of toppling the PA. (…)”[39]

Op 12 maart beslist Sharon om Ramallah binnen te vallen en tanks rondom het Palestijns Hoofdbureau te rollen. Twee ultra-nationalistische ministers nemen op dat moment zelfs ontslag omdat ze vinden dat de premier niet ver genoeg gaat[40]. Cheney, die een bezoek brengt aan de Arabische landen en Israël, weigert de Palestijnse Chairman te ontmoeten. Het discours van Sharon lijkt toch indirect zijn vruchten af werpen: de sponsor gaat immers akkoord. Sharon verklaart op de gezamelijke persconferentie dat “hij Arafat toestemming zal geven om vrij te reizen als een bestand is bereikt. Hij stelde daarbij als voorwaarde dat Israël het recht krijgt te beslissen of Arafat weer mag terugkeren, afhankelijk van het gedrag van de Palestijnse leider op een Arabische top later deze maand in Beiroet.”[41] Arafat weigert dit voorstel resoluut. Dit is volgens de PA ingaan op een voorstel tot verbanning. 

De PA voorzitter Arafat staat in contact met de delegaties van de verschillende Arabische Landen via de telefoon. De bloedige aanslag in het Chique Park Hotel in Netanya zet een domper op het, met Arabische unanimiteit, goedgekeurde vredesvoorstel. Israël maakt zich klaar om massaal en langdurig te reageren. Arafat opnieuw. Donderdagnacht komt de Israëlische regering bijeen: er wordt beslist dat Arafat moet geïsoleerd worden, in de letterlijke zin blijkbaar: “Before the government formulated its official position, Sharon insisted that the statement makes clear that Arafat is to be isolated “at this stage”. (…)”[42]  Dit was de vrijbrief waar Sharon op zat te wachten: ”The decision to embark Friday on a massive military operation came after a seven-hour cabinet meeting during which it was decided to declare Arafat an “enemy” and to partially mobilize reserve forces, a move indicating widespread and extended military action.”[43] Sharon en Ben Eliezer krijgen de vrije hand bij  het in de praktijk brengen van het isolement ‘at this stage’: “The cabinet did not discuss the specific details of its decision to “isolate” Arafat. Instead, the government decided that the specifics of this policy are to be decided directly by Sharon and Ben-Eliezer.”[44]

Op 30 maart zijn die gevolgen al duidelijk: vijf steden zijn al volledig militair herbezet, verschillende steden zijn reeds omsingeld, Israël bereidt een langdurige escalatie en bezetting voor. De demonisatie van Arafat bereikt zijn hoogtepunt: Yossi Belein in het Canvas-journaal: “Arafat is het gevaar voor de regio, er is geen compromis mogelijk.”[45]; Sharon in Ha’aretz:

“According to the prime minister, “we must fight this terror with no holds barred, and rip out the weeds from the root, because there can be no compromises with those who are willing to die just so they can kill innocent people and cause fear and terror, like the suicide attackers in the cities of Israel and at the Twin Towers in the United States.”

Sharon laid the blame for the terror squarely on the shoulders of the Palestinian leader. “This terror is being directed, put into practice and initiated by a single individual – Palestinian Authority Chairman Yasser Arafat. He is the enemy of Israel and the entire free world, an obstacle to peace in the Middle east and a threat to the stability of the entire region.”[46]

Maar ook de Israëlische journalisten (zelfs in Ha’aretz: Israël’s meest prestigieuze krant) bestendigen het discours:

“Arafat persues the Lebanon Scenario.

Have we reached the peak of Palestinian terrorism against Israeli civilians? The answer is a resounding no. The Palestine Liberation Organization showed the extreme levels it can reach during the civil war in Lebanon when its terror actions reached the level of massacres, destroying Beirut and Lebanon.

Some of the Palesinian players at that time – Yasser Arafat first and foremost among them – are playing a key role in the attacks waged against Israel today. Arafat and his aides have a tendenct to forget that the blood letting and destruction in Lebanon ended only after he and his army were expelled from lebanon by Israel and the Syrians.

The assessment in Israel is that Arafat hopes to repeat the Lebanon scenario, not only in terms of a repetition in the territories of the relatively recent Israeli withdrawal in the face of Hezbollah terrorism. He wants to repeat earlier stages when he and his people made daily life in Lebanon untolerable. At that tim, too, Arafat was adept at declaring endless “cease-fires” and making it appear he was trying to calm the situation.”[47]

Dit is een knap staaltje van herschrijven van de geschiedenis: eerst en vooral lijkt het alsof Arafat gekozen heeft voor de huidige ingeslagen weg, het lijkt alsof hij nog enige keuzevrijheid heeft. Is het niet Sharon en Israël die Arafat het “Lebanon scenario” opdringen? Is het niet Israël die Beirut gebombardeerd heeft met cluster- en fosforusbommen, met duizenden vaak onschuldige slachtoffers als gevolg? Waren de genocides van Sabra en Chatilla niet veroorzaakt door de handlangers van de Israëli’s? Arafat ‘is’ de almachtige demon, de vijand van Israël:

 “Ook al wordt Arafat’s kantoor omsingeld, Arafat is verantwoordelijk en is de oorzaak voor alle terreurdaden: “Israël haalde opnieuw uit naar Yasser Arafat in verband met de aanslag. De Palestijnse leider werd ervan beschuldigd geen bevelen te hebben gegeven om een einde te maken aan de anti-Israëlische aanvallen.”[48]; “De Amerikaanse president George Bush verklaarde zaterdagavond dat Arafat “veel meer kan doen om het Palestijnse geweld te stoppen”. Bush zei alle begrip op te kunnen brengen voor het recht van Israël zichzelf te verdedigen.”[49]

Dat Arafat momenteel gegijzeld wordt, geen contact heeft met de buitenwereld, de gehele Palestijnse politie-infrastructuur platligt, dat drie steden volledig militair bezet zijn, dat de bevolking onder vuur ligt, wordt gemakkelijkheidshalve vergeten.


De demonisatie van Arafat

De constructie van deze retoriek heeft tot doel mensen (de lezer) te overtuigen van de ‘rechtvaardigheid’ en de ‘noodzaak’ van de oorlog. Daarvoor wordt eerst en vooral een ‘ander’ gecreëerd waaraan men bepaalde eigenschappen toekent. De tegenstellingen zoals goed tegenover slecht, rationeel tegenover irrationeel, zijn hier erg strategische en machtige concepten: door het toekennen van slechte eigenschappen aan de ‘ander’, wordt door middel van oppositie een rationeel, goed ‘ons’ gecreëerd.“The exclusion of the ‘other’ gives direction to the reaction, and, more importantly, justifies the war: the madman is dangerous, he must be eliminated – if not, he may impose his irrationality on the world.”[50]

“Sharon laid the blame for the terror squarely on the shoulders of the Palestinian leader. “This terror is being directed, put into practice and initiated by a single individual – Palestinian Authority Chairman Yasser Arafat. He is the enemy of Israel and the entire free world, an obstacle to peace in the Middle East and a threat to the stability of the entire region.[51]

Hier wordt Arafat gezien als de irrationele, onbetrouwbare, terroristische, seniele, … gek, naar analogie met Bin Laden in het VS–discours. Het is juist doordat men Arafat als vijand construeert dat men deze oorlog kan ‘rechtvaardigen’. Men creëert een beeld over de oorlog naar de structuur van een sprookje: met een held en een slechterik.[52] De ‘slechterik’ van dienst wordt door het gebruik van de metonym: Arafat= de Palestijnen, het prototype van elke Palestijn. Elke eigenschap die toegeschreven wordt aan de PA voorzitter Arafat, wordt een eigenschap van elke Palestijn. ‘Het’ gedrag en ‘de’ waarden van de Palestijnen worden als het tegengestelde van de eigen waarden en gedragingen geconstrueerd. Het zijn deze ‘tegenstellingen’ die van de ‘ander’ de slechte maken en een superieur ‘ons’ creëren.

We hebben gezien dat het discours scherper en bitsiger wordt naarmate de grootschalige militaire invasie van de Palestijnse Bezette Gebieden dichter bijkomt. De aanknopingspunten met het discours van de V.S. zorgen voor een aura van ‘legitimiteit’. George Bush steunt en deelt de Israëlische retoriek. Arafat kan veel meer doen om de terreur te stoppen, ook al is hij volledig geïsoleerd van de buitenwereld en is er nog bitter weinig over van de Palestijnse infrastructuur. Die steun van de V.S. zorgt ervoor dat de Israëlische acties retorisch gesteund worden door de grootste macht op deze planeet. Het blijft echter niet alleen bij deze retorische steun: de V.S. gebruiken hun veto in de V.N. om groen licht te geven aan Israël. Deze dimensie van het discours, deze analogie, is van cruciaal belang voor Israël om de internationale kritiek te counteren. Bush verleent Sharon (enige) geloofwaardigheid. 

Een discours brengt immers kennis voort: het zorgt ervoor, o.a. door middel van categorisering dat realiteit begrijpelijk wordt. De realiteit wordt simpel(er) voorgesteld, het geeft een beeld van de realiteit: Arafat is een terrorist die niets doet om de zelfmoordaanslagen te stoppen waarbij vele onschuldige slachtoffers vallen, hij is een gevaar voor de stabiliteit in de regio en de gehele vrije wereld. De realiteit zit natuurlijk veel complexer in elkaar, er is niet één schuldige in het conflict. Het isoleren of het verbannen van Arafat zal het conflict dan ook niet oplossen. Zolang het Palestijnse volk onderdrukt en bezet blijft zal het conflict blijven. Het discours verdoezelt de realiteit, verschaft de nieuwsconsument een verkeerd beeld over het conflict.

De creatie van de demon, de slechte is noodzakelijk om het ideologisch verzet van een volk tegen oorlog te overwinnen. De demonisatie van Arafat wordt zo een gemakkelijk en noodzakelijk proces om de oorlog te kunnen verkopen aan het publiek.

______________________________

NOTEN:

[1] Zie Maly Ico 2000: Racisme en Beeldvorming in het Israëlisch-Palestijnse conflict. Op deze site: imaly/index.htm

Said Edward (e) 1988: Blaming the Victims: Spurious scholarship and the Palestinian Question

[2] Rojo Martin Luisa 1995, Division and rejection: from the personification of the Gulfconflict to the demonization of Saddam Hussein.

[3] Thompson John B. 1990: Ideology and modern culture: critical social theory in the era of mass communication.

[4] Peres Simon 1994: Biografie.

[5] Said Edward, 2000: The end of the peace process.

[6] Fisk R. 2001 (1990): Pity the nation. Lebanon at War. (p.388)

[7] Zie Chomsky  Noam, 1988: Middle East terrorism and the American Ideological System in Said E. 1988: Blaming the Victims.

[8] In De Standaard: Manu Tassier 3 december 2001: Arafat aan zet.

[9] In De Standaard: Salomon Bouman 20 januari 2002: Niemand gelooft nog in vredesproces.

[10] In De Standaard: Manu Tassier 4 december 2001: Arafats gezag niet Absoluut.)

[11] Fisk R. 2001 (1990): Pity the Nation. Lebanon at War. (p.393)

[12] Fisk. R. 2001: idem

[13] In De Standaard: Manu Tassier 2 december 2001: Israël onderhandelt niet onder Geweld.

[15] In De Standaard: Manu Tassier 20 september 2001: Druk zorgt voor bestand.

[16] In de Jerusalem Post: JP-internetstaff 13 september 2001: Minister Landau: Strong Arafat-Bin Laden links.

[17] In de Jerusalem Post: Gill Hoffman/Lamia Lahoud 13 september 2001: Peres: Decision time for Arafat.

[18] Israëlisch terrorisme expert in De Standaard SN 12 oktober 2001: Palestijnene paradoxale lijm voor terreurgroep Bin Laden.

[19] In De Standaard: Salomon Bouman 19 oktober 2001: Sharon spant valstrik voor Arafat en zichzelf.

[20] In De Standaard: Axel Buysse 26 oktober 2001: Nieuwe terroristen hanteren zelfde wereldbeeld.

[21] In De Standaard: Salomon Bouman 20 – 21 oktober 2001: Militair offensief tegen Palestijns zelfbestuur.

[22] In De Standaard: (mta) 7 november 2001: Peres praat met Sharon over vredesplan.

[23] In De Standaard: Manu Tassier 19 november 2001: Sharon wijst Europese compromissen af.

[24] idem

[25] in Ha’aretz daily: Akiva Eldar 12 november 2001: Never a partner, never a peace.

[26] In De Standaard: SN 4 december 2001: Sharon verklaart de oorlog.

[27] In Ha’aretz daily: Aluf Benn 4 december 2001: Cabinet debates policy on Aragfat in late-night meeting.

[28] In De Standaard: SN 4 december 2001:  Sharon verklaart de oorlog.

[29] In De Standaard: SN 5 december 2001: Coalitie Sharon staat onder druk.

[30] In De Standaard: Evita Neefs 5 december 2001: VS spelen gevaarlijk spel.

[31] In De Standaard: SN 5 december 2001: Raket slaat in  vlakbij Arafat.

[32] In De standaard: Salomon Bouman 14 december 2001: “Irrelevante” Arafat speelt nog belangrijke rol in vredesproces.

[33] In de Jerusalem Post: JP internet staff 13 december 2001: Israel: Arafat is no longer relevant.

[34] In Ha’aretz: Aluf Benn 4 januari 2002: Security Officials: Either press Arafat or dump him.

[35] In Ha’aretz: Nathan Guttman 24 januari 2002: It’s not simple for the U.S. to redraw Arafat relations.

[36] In De Standaard: Salomon Bouman 7 januari 2002: Sharon brandmerkt Arafat “als bittere vijand van Israël”

[37] In De Standaard: SN 9-10 februari 2002: Bush behoudt Arafat als gesprekspartner.

[38] In Ha’aretz: Bradley Burston 6 februari 2002: With Arafat in West bank bell jar, Israel lobbies U.S. to turn to ‘alternative’ PA leadership.

[39] In Ha’aretz: Aluf Benn 6 februari 2002: PM to tell Bush: Iran’s influence in Lebanon must end.

[40] In de Morgen: (LD) 13 maart 2002: Israëlische tanks bezetten Ramalah.

[41] In de Morgen: SN 20 maart 2002: Cheney weigert Arafat te ontmoeten.

[42] In Ha’aretz: Gideon Alon 29 maart 2002: “Labor stonewalled PM’s plan to expell Arafat.

[43] In Jerusalem Post: Herb Keinon 31 maart 2002: Zinni stays; Arafat declared enemy.

[44] In Ha’aretz: Gideon Alon 29 maart 2002: “Labor stonewalled PM’s plan to expell Arafat.

[45] In het Canvas- journaal van 31 maart 2002:

[46] In Ha’aretz: Aluf Benn 1 april 2002: ‘We are at war’ Sharon tells the nation.

[47] In Ha’aretz: Ze’ev Schiff 29maart 2002: Arafat persues the Lebanon scenario.

[48] In De Morgen: (FS) 21 maart 2002: Arafat heeft terroristengroepen niet onder controle.

[49] In De Standaard interneteditie:  (SN) 1 april 2002: “Sharon bereidt aanslag op Arafat voor”

[50] Rojo Martin Luisa 1995, Division and rejection: from the personification of the Gulfconflict to the demonization of Saddam Hussein

[51] In Ha’aretz: Aluf Benn 1 april 2002: ‘We are at war’ Sharon tells the nation.

[52] Zie Lakoff G. (1992) ‘Metaphors and War: The Metaphor System Used to Justify War in the Gulf. In M. Pütz(ed.), Thirty Years of Linguïstic Evolution.

 

*Zie Ico Maly’s licentieverhandeling online op deze site: “Racisme en beeldvorming in het Israëlisch-Palestijns Conflict”

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s